Home > christendom, kerk, maatschappij, politiek > Kerk en politieke partij (2)

Kerk en politieke partij (2)

We hebben de vorige keer gezien dat het ontbreken van een binding van een politieke partij aan één kerk haar niet vrijwaart van de gevolgen van kerkelijke onenigheid. Ik gebruikte in de eerste plaats de SGP als voorbeeld, die zich niet aan één bepaalde kerk bindt, maar wel de effecten van de ontwikkelingen op het erf van de ‘bevindelijke’ kerken en stromingen ervaart. En ik wees op het probleem rond de positie van mensen met een homosexuele relatie in de Christenunie, die de – kerkelijke – achterban van de partij verdeelt.

Nu zou men in het laatste geval erop kunnen wijzen dat die verdeeldheid het logische gevolg is van de veelkleurigheid van de kerken waaruit de Christenunie haar leden betrekt. En daaraan zou dan de vraag gekoppeld kunnen worden: zou de Christenunie dat probleem ook gehad hebben, wanneer ze zich aan één bepaalde kerk of eventueel enkele kerken zou hebben gebonden? Het lijdt geen twijfel dat een probleem als dat van de Christenunie zich zo’n 40 jaar geleden binnen het GPV niet zou hebben voorgedaan. En dat kan inderdaad op het conto van de kerkgebondenheid geschreven worden. Iemand als Monique Heger zou, als ze van een vrijgemaakt Gereformeerde Kerk lid geweest was, door haar kerkenraad onder censuur zijn gesteld. Dat zou, bij volharding in haar levenswijze, uiteindelijk tot afsnijding hebben geleid dan wel tot haar onttrekking aan de kerk. Daardoor zou ze niet meer hebben voldaan aan één van de voorwaarden voor een plaats op de kandidatenlijst: het lidmaatschap van de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) (GKV).

Maar dan hebben we het wel over de GKV van 40 jaar geleden. Dat is niet meer de GKV anno 2011. Monique Heger mag dan lid zijn van de Nederlands Gereformeerde Kerken, het zou onjuist zijn met de beschuldigende vinger naar dat kerkgenootschap te wijzen alsof de daar kennelijk legitieme opvattingen rond homosexuele relaties het probleem zouden hebben veroorzaakt. De reacties op het recente ontslag van een onderwijzer aan de gereformeerde basisschool in Oegstgeest, nadat hij een homosexuele relatie was aangegaan, laten zien dat ook binnen de GKV niet weinigen van mening zijn dat zo’n relatie aanvaardbaar is. Daaruit mag niet zonder meer de conclusie getrokken worden dat kerkenraden die mening delen en daarom censuurmaatregelen achterwege laten. Maar het is duidelijk dat slagvaardigheid op dit punt wordt ondermijnd wanneer het grondvlak hiervoor geen enkel begrip meer kan opbrengen. Ten aanzien van andere zaken is de relatie tussen wat nog aanvaardbaar wordt geacht en het beleid van kerkenraden niet te ontkennen.

Dat betekent dus dat de Christenunie het uiteindelijk dan zelf maar moet uitzoeken. Maar daar zitten nogal wat haken en ogen aan. Zoals in de eerste aflevering al opgemerkt heeft de Christenunie een grondslag die identiek is aan die van veel christelijke kerken. Om het toe te spitsen op het onderhavige probleem: de Nederlands Gereformeerde Kerken verschillen in grondslag niet van de Christenunie. Stel dat het bestuur van een locale afdeling van deze partij tot de conclusie komt dat voor een partijlid dat een homosexuele relatie heeft, geen plaats op de kandidatenlijst is. Wat betekent dat dan voor de kerk waaruit de betrokkene afkomstig is en vooral voor andere leden van die gemeente? Wanneer dit standpunt wordt beargumenteerd vanuit de opvatting dat een homosexuele relatie onverenigbaar is met de grondslag, moet dan de conclusie niet zijn dat de betrokkene ook in strijd handelt met de grondslag van zijn eigen kerk? Je zou misschien zelfs kunnen zeggen dat hier sprake is van een omgekeerd ethisch conflict.

Om even de geschiedenis op te halen: met ‘ethisch conflict’ werd in de jaren na de Vrijmaking bedoeld dat degenen die waren geschorst, niet in één partij (de Anti-Revolutionaire Partij) konden samenwerken met degenen die hen geschorst hadden of in elk geval hun schorsing hadden gebillijkt of zelfs gesteund. Het leven is immers één. Datzelfde probleem zou zich nu in omgekeerde zin kunnen voordoen. Kunnen twee leden van de Christenunie in de kerk samen aan de avondmaalstafel zitten, wanneer het bestuur van de partij over één van hen heeft uitgesproken dat hij handelt in strijd met de grondslag van de partij – en daarmee ook van zijn kerk?

Men zou kunnen denken dat deze situatie een ondersteuning is van de opvatting van iemand als prof. Douma, dat een politieke partij niet dezelfde grondslag moet hebben als de kerk. Hoezeer hij de gereformeerde confessie verdedigt en op haar waarde voor het kerkelijk leven niet wil afdingen – een politieke partij zou deze niet in haar grondslag moeten opnemen. Veel aspecten van die confessie spelen in de politiek immers nauwelijks een rol. In het vorige artikel gaf ik al een citaat van hem dienaangaande. En ook voor rooms-katholieken ziet hij plaats in de Christenunie, en die kunnen met de gereformeerde confessie natuurlijk helemaal niet uit de voeten. Maar zou daarmee het probleem waarmee de Christenunie worstelt, zijn opgelost?

Dat lijkt me erg onwaarschijnlijk. Ik ben geneigd te denken dat een oplossing dan helemaal achter de horizon verdwijnt. De Schrift is voldoende, hoor je mensen vaak zeggen. Dat zijn vooral degenen die niet veel van belijdenissen moeten hebben. Maar de belijdenisgeschriften zijn niet uit de lucht komen vallen. Ze zijn de resultante van ontwikkelingen die om een reactie vroegen. Wanneer de waarheid van de Schrift wordt aangetast, is het de taak van de kerk hiertegen in het geweer te komen. En dan kan een belijdenisgeschrift een goed middel zijn om samen te vatten wat de kerk van alle eeuwen in de Schrift heeft gelezen. De opvatting dat de Schrift voldoende is – op zichzelf een waarheid als een koe – komt meestal van hen die belijdenisgeschriften te beperkt vinden en meer vrijheid voor hun eigen opvattingen verlangen.

Juist de gereformeerde belijdenis is van wezenlijk belang om ervoor te zorgen dat een christelijke politieke partij bij de Schriftuurlijke les blijft. Dat geldt zeker ook ten aanzien van homosexuele relaties. Als iets duidelijk wordt uit de discussies over dit onderwerp is dat de Schrift eenzijdig gelezen wordt: bepaalde teksten worden tot niet relevant verklaard en uitgespeeld tegen andere teksten. Juist dan is de gereformeerde belijdenis van essentieel belang. Daarin worden expliciete uitspraken gedaan over de aard van de Schrift en haar gezag. En de manier waarop de kerk in die belijdenis de Schrift hanteert om tot geloofsuitspraken te komen kan als voorbeeld dienen voor de manier waarop moderne vragen vanuit de Schrift kunnen worden benaderd. Een tweede punt is dat in deze discussie het beeld van God in geding is. Christenen die van mening zijn dat een homosexuele relatie niet strijdig is met de wil van God hebben een beeld van Hem dat op z’n minst eenzijdig is. Hun beeld van God gaat fungeren als een mal: wat de Schrift over sexualiteit zegt wordt daarin geperst. Ook dat heeft alles te maken met de manier waarop de Schrift wordt gelezen.

De gereformeerde belijdenis is geen criterium voor het lidmaatschap van de Christenunie. Ze kan dat ook niet zijn en hoeft dat niet te zijn. Zelfs binnen de Gereformeerde Kerken hebben kerkleden altijd vrijheid gehad op allerlei punten die in de belijdenis aan de orde komen afwijkende opvattingen te koesteren. Wie de kinderdoop afwijst komt niet onder censuur te staan. Het probleem ontstaat wanneer hij zijn kind niet ten doop wil houden. En uiteraard kan hij geen ambt vervullen, want van een ambtsdragers mag worden verlangd dat hij de gereformeerde leer in al haar onderdelen onderschrijft en die uitdraagt en verdedigt. Maar binnen de Christenunie moet de belijdenis wel de maat zijn waaraan de politieke opvattingen worden gemeten en waaraan ook de argumentatie in het politieke debat moet worden getoetst.

Dat betekent bijvoorbeeld dat, wanneer rooms-katholieken al een rol in de Christenunie gaan spelen, zij zich voor een standpunt niet mogen beroepen op uitspraken van de paus of van concilies (vgl. artikel 7 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis). Het betekent ook dat men in zijn argumentatie niet het Nieuwe Testament tegen het Oude mag uitspelen, wat zowel in rooms-katholieke als in evangelische kringen voorkomt. En ook voorkomt de gereformeerde belijdenis dat naast de Schrift persoonlijke openbaringen en ingevingen komen te staan – wat zeker onder evangelischen geen zeldzaamheid is.

Zónder belijdenis zal de Christenunie, zo valt te vrezen, overgeleverd zijn aan de neiging de Schrift in de mal van de emotiecultuur te persen. Mét belijdenis in haar grondslag is ze nog niet van haar probleem af. Het blijft dubieus wanneer een politieke partij een oordeel velt over de levenswijze van een potentiële kandidaat, zeker wanneer die levenswijze op zichzelf het uitdragen van het programma van de partij niet noodzakelijkerwijs onmogelijk maakt. Uiteindelijk kan de Christenunie niet verder springen dan haar kerkelijke polsstok lang is. De bal ligt daarom in het speelveld van de kerken. Die zullen toch eens kleur moeten bekennen – desnoods door middel van een belijdenisuitspraak – en moeten ophouden met pappen en nathouden. Maar dat kan alleen als ze eerst de emotiecultuur buiten de deur zetten.

Geef een reactie

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log Out / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log Out / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log Out / Bijwerken )

Verbinden met %s

Follow

Get every new post delivered to your Inbox.