Archief

Berichten getagged ‘CDA’

CU + SGP = ?

De christelijke politiek in Nederland staat er niet zo florissant bij. Althans, wanneer je kijkt naar de resultaten bij de verkiezingen van de laatste jaren. De SGP groeit misschien wel in ledenaantal en kiezers, maar dat is niet voldoende voor zetelwinst. De groei komt voor een belangrijk deel door het overlopen van stemmers van de ChristenUnie. Leuk voor de SGP, maar voor de invloed van de christelijke politiek levert het verder niets op. De ChristenUnie leek enkele jaren geleden flink in de lift te zitten. Er werd zelfs gespeculeerd dat ze het CDA als dè partij van het midden zou kunnen gaan vervangen, zeker toen laatstgenoemde steeds meer naar ‘rechts’ ging opschuiven. Maar degenen die bezwaar hadden tegen die koers weken – àls ze het CDA al ontrouw werden – eerder uit naar partijen als D66 of GroenLinks dan naar de ChristenUnie. Inmiddels hoor je niemand meer beweren dat de partij een serieuze bedreiging zou kunnen zijn voor het CDA. En de huidige score bij de verkiezingen is niet hoger dan die van de partijen waaruit ze is voortgekomen – RPF en GPV – samen. In feite is de ChristenUnie terug bij af.

Daaruit mag de conclusie getrokken worden dat een fusie politieke partijen niet per definitie voordeel oplevert. Dat is ook de les die uit de geschiedenis van het CDA kan worden getrokken. De fusie van KVP, CHU en ARP heeft – zeker op de langere termijn – niet tot een versterking van de christendemocratische invloed geleid. Zeker de laatste jaren is de partij ernstig in de versukkeling geraakt. Het is iets te eenvoudig dat geheel op het conto van de secularisatie te schrijven. Dat zou plausibeler zijn wanneer het CDA zich als christelijke partij zou profileren. Maar dat doet ze niet. Ze richt zich niet op kerkelijk meelevende christenen. Iedereen is in principe welkom. Agnosten kunnen zelfs meeschrijven aan het verkiezingsprogramma. Moslims kunnen niet alleen lid worden, maar ook de partij in politieke organen vertegenwoordigen. Het lijkt erop dat vooral de onduidelijkheid over de koers van de partij het CDA stemmen kost. Binnen de partij bestaat geen eensgezindheid over een aantal fundamentele maatschappelijke kwesties. De onduidelijkheid die daarvan het gevolg is draagt niet bepaald bij aan haar aantrekkelijkheid voor die kiezers die geen principiële band met het CDA hebben.

De ChristenUnie en de SGP zouden die les ter harte moeten nemen. Niet iedereen doet dat, zoals uit een interview van het Nederlands Dagblad met de – inmiddels voormalige – voorzitter van de ChristenUnie, Peter Blokhuis, blijkt (21 april 2012). Hij laat daarin weten dat hij zich niet kan voorstellen dat de ChristenUnie en de SGP op lange termijn zelfstandig naast elkaar blijven bestaan. Hij gebruikt een argument dat je ook hoort wanneer het over de kerkelijke verdeeldheid gaat: de secularisatie grijpt zo snel om zich heen dat we ons niet de luxe kunnen permitteren, gescheiden op te trekken. Bovendien wijst Blokhuis op de verdergaande ontzuiling van de achterbannen van de twee partijen. Daarbij blijft onduidelijk hoe een fusie van die twee daaraan een halt zou kunnen toeroepen. Blokhuis wijst er terecht op dat zich allerlei zaken voordoen die een duidelijk en eensgezind antwoord van christelijke politici noodzakelijk maken. Maar is een fusie daarvoor het meest geschikte of zelfs het aangewezen middel? Politieke partijen zijn in zekere zin te vergelijken met merknamen. Fusies in het bedrijfsleven zijn aan de orde van de dag. Maar desondanks houdt men vaak aan bestaande merknamen vast, vooral wanneer die een speciaal gevoel oproepen of met een specifieke doelgroep verbonden zijn.

Ook de politiek laat zien dat het eigen karakter van een ‘merk’ niet straffeloos kan worden genegeerd. We kunnen opnieuw het CDA als voorbeeld gebruiken. Het is al in 1980 opgericht en een tijdlang leken de ‘bloedgroepen’ geen rol van betekenis meer te spelen. Maar de laatste jaren is gebleken dat dit grotendeels schijn is. In de zuidelijke provincies – het vroegere kerngebied van de KVP – had de PVV een veel grotere aantrekkingskracht op CDA-stemmers dan in gebieden waar vroeger de ARP sterke aanhang had. Ook de steun voor de gedoogconstructie was het sterkste in vroegere KVP-regio’s. Dat is geen toeval. De oude scheidslijnen zijn echt niet helemaal verdwenen.

Blijkbaar is het samenvoegen van partijen die op het eerste gezicht veel op elkaar lijken, niet altijd verstandig. Dat geldt eens te meer wanneer bij nadere beschouwing blijkt dat die partijen toch meer van elkaar verschillen dan je zou denken. Dat is ook het geval bij de ChristenUnie en de SGP. Sinds enkele decennia wordt op allerlei terrein nauw samengewerkt, vooral in gemeenteraden en in het Europees Parlement. Wanneer er geen sprake is van een gemeenschappelijke kandidatenlijst, dan toch in ieder geval van lijstverbindingen, zodat reststemmen van de ene partij aan de andere ten goede komen. Er zijn onmiskenbaar veel raakvlakken: over een aantal thema’s die traditioneel een belangrijk onderdeel zijn van het profiel van christelijke politieke partijen zijn ze het in hoge mate eens. Maar is dat voldoende basis voor de vorming van één partij?

Ik wees er al op dat bij dit onderwerp hetzelfde argument wordt gebruikt als in de discussie over kerkelijke verdeeldheid: we kunnen het ons niet veroorloven gescheiden op te trekken. Wanneer daartegen dan wordt aangevoerd dat er toch duidelijke verschillen zijn, worden die tot de middelmatige zaken gerekend: niet te onbelangrijk om erover te praten, maar niet belangrijk genoeg als rechtvaardiging voor gescheidenheid. Datzelfde verschijnsel doet zich ook hier voor. “Blokhuis, van huis uit filosoof, erkent dat de twee partijen een verschillende politieke profilering hebben. ‘Maar als we het hebben over de echt belangrijke thema’s, zoals de onderwijsvrijheid, dan gaat het er niet om of je wat linkser of wat rechtser bent’.” Door de onderwijsvrijheid te typeren als ‘echt belangrijk’ worden andere zaken, waarover de twee partijen nogal verschillend denken, als weinig relevant terzijde geschoven.

Niemand zal ontkennen dat de onderwijsvrijheid een belangrijk thema is. Het is dus terecht dat beide partijen zich op dat vlak profileren en het is ook gewenst dat ze daarbij zoveel mogelijk samen optrekken. Maar daarmee zijn andere onderwerpen niet ineens van hooguit marginale betekenis geworden. Juist voor een christelijke politieke partij is het van wezenlijk belang te laten zien dat ze niet voor de belangen van de achterban opkomt, maar die van de hele maatschappij voor ogen heeft. De onderwijsvrijheid is niet in het belang zijn van christenen alleen, maar aangezien in de praktijk vooral het bijzonder onderwijs onder druk staat, wordt dat wel als vooral christelijk eigenbelang ervaren. Bovendien moeten christelijke partijen zoveel mogelijk de indruk vermijden dat ze zich alleen voor een beperkt aantal thema’s interesseren – de thema’s die vaak als ‘medisch-ethisch’ worden aangeduid. Die moeten niet onder het kleed verdwijnen, maar christelijke politiek gaat over meer dan het bekende rijtje: abortus, euthanasie, homohuwelijk. Ethiek heeft niet alleen met die onderwerpen te maken, maar evenzeer met zaken als natuur en milieu, immigratie en integratie, sociale rechtvaardigheid, gezonde overheidsfinanciën, ontwikkelingssamenwerking en mensenrechten in de internationale politiek. Juist op dit soort thema’s lopen de visies van de ChristenUnie en de SGP nogal eens uiteen.

“Als ik kijk naar de partijrede van Kees van der Staaij op de afgelopen SGP-jaarvergadering, dan was dat een behoorlijk christelijk-sociaal verhaal”, zegt Blokhuis in het Nederlands Dagblad. Dat kan wel zo zijn, maar in de praktijk komt dat niet erg uit de verf. Het is niet zonder reden dat de SGP in de publieke opinie en ook bij politieke analisten als ‘rechts’ geldt, terwijl men de ChristenUnie eerder in het midden of zelfs ‘links’ daarvan situeert. Wie kijkt naar de houding van de SGP in de recente debatten over bezuiningen en hervormingen moet constateren dat haar visie zich in veel opzichten niet fundamenteel van die van de VVD onderscheidt. De SGP kan het met de liberalen uitstekend vinden in het streven naar een kleine overheid. De egards waarmee minister-president Rutte kortgeleden op een jongerenbijeenkomst van de SGP werd ontvangen wijst ook op een sterke mate van verwantschap.

De ChristenUnie heeft een andere visie op de overheid en kent haar een belangrijkere rol toe. Evenals de SGP hecht ze veel belang aan wat mensen voor elkaar kunnen betekenen. Maar ze houdt meer rekening met de realiteit. Veel zaken zijn veel te ingewikkeld om te worden waargenomen door wat in CDA-kringen graag als het maatschappelijk middenveld wordt aangeduid. Bovendien is het individualisme in de maatschappij zover doorgedrongen dat veel mensen niet tot enige gemeenschap behoren waarop ze kunnen terugvallen. Voeg daarbij dat volgens berekeningen van het Leger des Heils honderdduizenden Nederlanders als eenzaam moeten worden aangemerkt – wat betekent dat ze geen familie, vrienden of kennissen hebben op wie ze een beroep kunnen doen – en de conclusie is onvermijdelijk dat zonder de zorg van de overheid velen het niet redden.

Het gaat hier echter niet maar alleen om een analyse van de maatschappelijke werkelijkheid. De verschillen liggen veel dieper en hebben alles te maken met de vraag wat vanuit de Schrift over de rol van de overheid kan worden gezegd. Daarbij doet zich bij de SGP een opvallende paradox voor. Aan de ene kant wil men een kleine overheid, aan de andere kant verwerpt men de idee dat de overheid neutraal zou moeten zijn. De SGP belijdt immers met het ‘onverkorte’ artikel 36 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis dat de overheid de taak heeft de ware religie te bevorderen en de valse religie te bestrijden. Het streven naar een ‘kleine’ overheid beperkt zich dus tot het sociaal-economische terrein. In andere maatschappelijke kwesties kiest de SGP voor een sterke en bemoeizuchtige overheid.

De ChristenUnie brengt daarentegen een duidelijke scheiding aan tussen kerk en wereldlijke overheid. Beide staan onder de soevereiniteit van God, maar hebben een verschillend werkterrein. De kerk dient zich bezig te houden met de verkondiging van het evangelie, terwijl het de taak van de overheid is de normen voor de samenleving die aan de Schrift kunnen worden ontleend in de praktijk gestalte te geven. Ten aanzien van het sociaal-economisch beleid betekent dat bijvoorbeeld dat de overheid moet bijspringen wanneer mensen niet in staat zijn zichzelf te voorzien van wat nodig wordt geacht om volwaardig aan de samenleving deel te nemen.

Welke visie men er in dit opzicht ook op nahoudt, het zal duidelijk zijn dat dit vanuit principieel gezichtspunt niet als een middelmatige zaak kan worden afgedaan. Deze tegenovergestelde visies hebben zodanige consequenties voor het politieke handelen dat het voor de kiezer wel degelijk iets uitmaakt of hij zijn stem aan de ChristenUnie dan wel aan de SGP geeft.

De visie op de overheid heeft ook consequenties voor zaken als de godsdienstvrijheid en de vrijheid van meningsuiting. In een tijd waarin veel kiezers geneigd zijn aan bepaalde inwoners van ons land die vrijheden te ontzeggen die zij voor zichzelf opeisen, is een duidelijke standpuntbepaling onontkoombaar. De opvattingen van de ChristenUnie en de SGP op dit vlak zijn onverzoenlijk. Uiteraard heeft ook de visie op de rol van vrouwen in de politiek nog niets aan actualiteit ingeboet. Hier stuiten we opnieuw op een verschil van inzicht op de relatie tussen kerk en staat. Omdat de SGP geen scheiding tussen kerk en staat erkent, wordt de norm van de kerk dat een vrouw het ambt niet toekomt zonder meer toegepast op de staat: ook het regeerambt in de staat komt de vrouw niet toe.

Wanneer twee ondernemingen worden samengevoegd is het de bedoeling dat een nieuw sterk merk ontstaat. De hier gegeven analyse van de verschillen in karakter en standpunten van de ChristenUnie en de SGP geeft geen reden aan te nemen dat met een nieuw merk de kracht van de christelijke politiek wordt vergroot. CU + SGP = onduidelijkheid. Zoals het CDA laat zien is een partij zonder helder profiel gedoemd aan invloed in te boeten.

De kerk en het verval van de christelijke politiek

6 maart 2011 1 reactie

Ook al is dit weblog vooral aan kerkelijke zaken gewijd, de kerk staat midden in de wereld. Dus er is alle reden eens naar de uitkomst van de verkiezingen voor de provinciale staten te kijken. Daar valt vanuit politiek en maatschappelijk oogpunt van alles over te zeggen. Ik beperk me hier tot één belangrijk aspect dat ik ook al aan de orde stelde na de verkiezingen voor de Tweede Kamer van vorig jaar.

Toen was één van de opvallendste aspecten van de uitslag het enorme stemmenverlies van de christelijke partijen waardoor hun aantal zetels in de Tweede Kamer fors werd gereduceerd. Vooral bij het CDA was het verlies enorm. Naar verhouding wisten de Christenunie en de SGP zich redelijk te handhaven. Ook al moest eerstgenoemde een zetel afstaan, echt dramatisch was het verlies niet. De uitslag van de verkiezingen van vorige week woensdag laat een op het eerste gezicht vergelijkbaar, maar bij nadere beschouwing toch ander beeld zien. Het CDA heeft zich weliswaar kunnen handhaven, maar van enig herstel was geen sprake. De SGP wist wat stemmen te winnen, maar er waren toch ook heel wat plaatsen waar ze veren moest laten. Deze keer viel de klap vooral bij de Christenunie. Een deel van het verlies is te wijten aan de substantieel hogere opkomst, die altijd in het nadeel van partijen met een trouwe achterban werkt. En omdat een deel van de aanhang bij de kamerverkiezingen al had afgehaakt, kan het niet verbazen dat het verlies van toen bij deze verkiezingen doorwerkte.

Maar er was toch iets opvallends. Het waren vooral christelijke bolwerken waar de Christenunie stemmen verloor. Daartoe behoren plaatsen als Bunschoten en Urk en dorpen op de Veluwe. Juist daar waar de Christenunie altijd zeker kon zijn van een omvangrijke en trouwe achterban raakte ze vele stemmen kwijt. Waar zijn die stemmen naartoe gegaan? Het lijkt erop dat de SGP hiervan een deel heeft gekregen. Maar de bescheiden stemmenwinst van de SGP kan het soms grote verlies van de Christenunie niet helemaal verklaren. In de genoemde plaatsen kreeg ook de PVV flink wat stemmen. Dat bracht Trouw ertoe te schrijven dat nu ook aanhangers van de Christenunie naar de PVV zijn overgelopen.

Zonder verder onderzoek is die conclusie wat voorbarig. Wanneer partij A 10 procent van de stemmen verliest en partij B 10 procent wint, is het verleidelijk aan te nemen dat die 10 procent van de ene naar de andere partij is gegaan. Maar zo eenvoudig is het meestal niet. Desalniettemin is er wel reden aan te nemen dat inderdaad van een overloop van de Christenunie naar de PVV sprake is. Na de kamerverkiezingen van vorig jaar is door een commissie uit de Christenunie een onderzoek gehouden. Daaruit kwam geen substantieel stemmenverlies aan de PVV naar voren. Er was eerder sprake van verlies aan linkse partijen, deels – maar niet uitsluitend – van kiezers die van nature niet tot de achterban van de partij behoren maar bij eerdere verkiezingen Christenunie gestemd hadden vanwege een aansprekend programma. Het is niet uitgesloten dat ook bij deze verkiezingen sommige kiezers die eerder Christenunie hebben gestemd, nu één van de linkse partijen hebben gekozen. Maar of dat ook voor de genoemde gemeenten geldt is maar zeer de vraag. Het sterk conservatieve karakter van deze plaatsen lijkt er eerder op te wijzen dat kiezers uit de natuurlijke achterban van de Christenunie dit keer hun stem aan de PVV hebben gegeven.

Wellicht liggen hier ook strategische overwegingen aan ten grondslag. Men wilde door een stem op de PVV – en misschien ook de SGP – bereiken dat dit kabinet, dat door de Christenunie nogal kritisch bejegend wordt, in de Eerste Kamer een meerderheid zou krijgen. Er kunnen ook meer inhoudelijke redenen zijn. Welke dat precies zijn is niet zonder nader onderzoek vast te stellen. Maar het zou naïef zijn te denken dat de achterban van de Christenunie immuun zou zijn voor de mantra’s die door PVV-politici worden aangeheven. U kent ze wel: de klachten over niet-westerse allochtonen – lees: moslims -, de gevaren van ‘islamisering’ en de teloorgang van de ‘christelijk-joodse cultuur’.

Die aantrekkingskracht bestond waarschijnlijk al wel eerder. Maar de drempel om naar de PVV over te stappen was groot. Tegen de PVV bestaat in christelijke kring veel weerstand. Het kost dus moeite om de overstap te maken. Het lijkt erop dat de rem om PVV te stemmen, begint de verdwijnen. En dat heeft ongetwijfeld te maken met het feit dat de PVV nu bij het regeringsbeleid is betrokken. Weliswaar is ze geen volwaardig coalitiepartner, maar haar wordt wel invloed op het regeringsbeleid gegund. Het ligt voor de hand te concluderen dat dit de drempel om PVV te stemmen, heeft verlaagd. Kortom, de gedoogsteun van de PVV aan het kabinet-Rutte heeft haar salonfähig gemaakt.

“Er is werk aan de winkel”, zei André Rouvoet als reactie op de teleurstellende verkiezingsuitslag. Dat geldt niet alleen voor de Christenunie, maar ook voor de christelijke kerken. Want daar is de traditionele achterban van de Christenunie te vinden. En dat betekent dat ook kerken voor de vraag staan hoe ze met dit verschijnsel omgaan. Dat leden van christelijke kerken op niet-christelijke partijen stemmen is geen nieuw verschijnsel. In kerken die een grote verscheidenheid aan dogmatische opvattingen kennen, zoals de PKN en de kerken waaruit ze is voortgekomen, is dat al decennia lang de gewoonste zaak van de wereld. Maar inmiddels is dit verschijnsel ook in kerken van een meer orthodoxe signatuur doorgedrongen. Er zijn gereformeerden die op GroenLinks of de SP stemmen, of zelfs op D66 – van de genoemde partijen waarschijnlijk wel het meest uitgesproken antichristelijk. Tot op heden geven kerken niet de indruk dit als een groot probleem te zien dat een antwoord vraagt.

Het lijkt erop dat steeds meer leden van christelijke kerken de PVV hun stem geven. Zal dat de kerken wakker schudden? De kerk heeft geen politieke taak. Vroeger namen de rooms-katholieke bisschoppen de vrijheid de gelovigen voor te schrijven op welke politieke partij ze moesten stemmen. Die tijden zijn voorbij, gelukkig. Met zulke voorschriften zou de kerk haar boekje te buiten gaan. Het zou ook onjuist zijn in de kerk verkiezingsmateriaal van de Christenunie of de SGP neer te leggen. Maar dat betekent niet dat het de kerk om het even mag zijn welke keuze haar leden in het stemhokje maken. Die keuze heeft immers alles te maken met het leven naar Gods wet.

In kerkdiensten wordt de lezing van de Tien Geboden vaak gevolgd door de samenvatting die Jezus ervan heeft gegeven. Het tweede deel daarvan luidt: heb uw naaste lief als uzelf. Kan wie dat ‘s zondags hoort, de woensdag daarop het hokje rood maken bij een partij die naastenliefde niet in haar woordenboek heeft staan? Is Jezus’ voorschrift in de Bergrede dat we zelfs onze vijanden moeten liefhebben te verenigen met de keuze voor een partij die mensen vanwege hun geloof wil discrimineren, in de hoop dat ze hun biezen pakken?

Maar de kerk moet de spade nog wat dieper in de grond steken. Waarom nemen gelovigen hun toevlucht tot de PVV? Die speelt vooral in op de angst voor een machtsgreep van de islam. Met de vraag of die angst reëel is moet de kerk zich niet bezighouden. Dat is iets voor het maatschappelijke en politieke debat. De vraag die de kerk moet stellen is: hoe is de angst voor islamisering te verenigen met de belijdenis van Gods voorzienigheid? En stel nu eens dat er inderdaad een tijd aanbreekt dat christenen in hun vrijheid beperkt worden door moslims – of door wie dan ook. Drs. C.J. Haak, docent missiologie aan de TU te Kampen, zei kortgeleden: als de kerk wordt platgebrand, wat dan nog? Dan bouwen we toch een nieuwe? Dat klinkt wat erg simpel, maar hij treft daarmee wel de kern van de zaak: zijn we als christenen bereid te lijden? Of verdedigen we onze comfortabele maatschappelijke positie vooral om dat gevaar uit te bannen? Zo ja, wat zegt dat dan over ons geloof? Is ons dat nog wat waard?

Ook voor de kerk is er werk aan de winkel.

Het gebed van Cees Vork

Cees Vork is leider van de gebedsbeweging ‘Op de Bres voor Nederland‘. Naar aanleiding van het aantreden van het nieuwe kabinet schreef hij in het Nederlands Dagblad een artikel onder de titel “Met dit nieuwe kabinet zijn gebeden verhoord”. Daarin schrijft hij: “In Romeinen 13 vers 1 lezen we dat de overheid door God wordt bepaald. Vanuit deze gedachte kunnen we stellen dat de nieuwe regering onder leiding van minister-president Rutte door God is gewild en bepaald. Dit is belangrijk om te aanvaarden. In ons democratisch bestel gaan we ervan uit dat de meerderheid bepaalt welke overheid er komt. De Bijbel zegt echter dat God de bepaler is van overheden.”

Dat klinkt allemaal heel mooi. Toch heb ik het idee dat hij dit artikel niet geschreven zou hebben – of niet met deze inhoud – wanneer het kabinet een andere samenstelling had gehad, bijvoorbeeld met alleen ‘paarse’ partijen. De kop van het artikel wijst ook al in die richting. “De Bijbel roept gelovigen op te bidden voor de hooggeplaatsten en leert ons ook dat God gebeden hoort en verhoort.” Maar het maakt wel uit hoe je bidt en wat de inhoud van dat gebed is. Wanneer je Vorks artikel verder leest, is er alle reden kritisch te zijn over wat kennelijk de inhoud van zijn gebed is geweest.

“Een gebedspunt dat regelmatig naar voren kwam, was het gebed dat er vele christelijke politici plaats zouden nemen in de nieuwe regering. Als we nu kijken naar de samenstelling van dit nieuwe kabinet constateren we dat een groot gedeelte christelijke wortels heeft vanuit de protestantse en katholieke traditie. Ook minister-president Rutte is actief verbonden met de kerk. Kunnen we dit zien als een gebedsverhoring?” Die laatste vraag lijkt me een retorische, want uit de strekking van Vorks artikel blijkt dat zijn antwoord op die vraag “ja” is. Maar moet het daarom gaan, of er christelijke politici in het kabinet zitten?

Het past mensen niet over het geloof van andere mensen te oordelen. Je kunt alleen afgaan op wat er in de praktijk van blijkt. Laten we aannemen dat een substantieel deel van de leden van het kabinet “christelijke wortels” heeft. Heeft de samenleving daar iets aan? Veel ongelovigen, zelfs atheïsten, hebben “christelijke wortels”, maar daardoor laten ze zich hooguit inspireren om zich er tegen af te zetten. Van Mark Rutte wordt beweerd dat hij “actief verbonden” is met de kerk. Heeft de samenleving daar iets aan, wanneer dat op geen enkele manier zijn politieke denken of handelen beïnvloedt?

De aanwezigheid van christenen als zodanig heeft geen betekenis. Waar het om gaat is in hoeverre het regeringsbeleid beantwoordt aan de normen die de Schrift stelt. En daartoe behoort het bevorderen van recht en gerechtigheid. Dat wordt op de site van ‘Op de Bres voor Nederland’ zelfs expliciet als gebedspunt genoemd: “Bid om een eerlijke verdeling van de kosten in verband met de bezuinigingen.” Valt dat van dit kabinet te verwachten? Het regeerakkoord wijst in de omgekeerde richting. Wat heeft de samenleving aan een kabinet met christenen, wanneer de gevolgen van de financieel-economische crisis vooral bij de lagere inkomensgroepen gelegd worden?

Een tweede gebedspunt wordt genoemd: “Dank en bid dat het rijke Europa hulp blijft geven aan landen die hulp nodig hebben vanwege armoede en rampen.” Valt te verwachten dat met de komst van dit kabinet deze bede is verhoord? Voor wat Nederland betreft lijkt het er niet op. Eerder valt te verwachten dat de geldkraan wordt dichtgedraaid. Nederland zal onder dit kabinet steeds meer met de rug naar de buitenwereld gaan staan. Het kabinetsbeleid zal, zowel ten aanzien van het sociaal beleid in het binnenland als het ontwikkelingsbeleid in internationaal verband, uitgaan van het liberale principe dat iedereen z’n eigen broek moet ophouden.

“Er is gebeden dat de nieuwe regering een sterke band met Gods volk Israël zou hebben. Ook hierin zien we een tastbare gebedsverhoring. Ook Geert Wilders, die dit kabinet gedoogsteun geeft, heeft een duidelijke pro-Israëlvisie,” schrijft Vork. Is een kritiekloze bewondering voor de Israëlische politiek, zoals Geert Wilders die tentoonspreidt, in overeenstemming met de Schrift? Zouden recht en gerechtigheid die de regering behoort te bevorderen, ook in internationaal verband, niet vragen om een iets genuanceerder benadering?

Zou het met de eenzijdige, onschriftuurlijke gerichtheid op Israel te maken kunnen hebben dat op de site geen enkele oproep te vinden is te bidden voor een rechtvaardige behandeling van de islamitische minderheid in ons land? Juist onder dit kabinet is die in gevaar. Van het nieuwe kabinet gaat vooral de boodschap uit dat moslims hooguit worden getolereerd, maar niet geaccepteerd. Heeft dat iets met christelijke politiek te maken?

Over de opdracht zorgvuldig met de schepping om te gaan, zowel nationaal als wereldwijd, hebben we het dan nog niets eens gehad. Ook op dat punt valt van dit kabinet niet veel goeds te verwachten.

Tenslotte: christenen in de politiek dienen zich er niet alleen voor in te spannen dat het regeringsbeleid zoveel mogelijk beantwoordt aan wat volgens de Schrift van de overheid mag worden verwacht. Ze behoren ook in hun manier van politiek bedrijven als christenen herkenbaar te zijn. De laatste maanden is daar in elk geval van de kant van het CDA niet veel van gebleken. De manier waarop met de ‘dissidenten’ in en buiten de fractie is omgesprongen, was niet bepaald een getuigenis van christelijke politiek. En het feit dat deze partij bereid is gedoogsteun te aanvaarden van een beweging die gebrek aan wellevendheid en respect tot handelsmerk van haar manier van politiek bedrijven heeft gemaakt, is dat evenmin. Volgens Vork zitten er in de fractie van de PVV “diepgelovige mensen”. Heeft de samenleving daar iets aan, wanneer ze deel uitmaken van een politieke beweging die groepen in de samenleving tegen elkaar opzet en er geen enkele behoefte aan heeft tegenstellingen te overbruggen?

Is dit kabinet een verhoring van het gebed? Het hangt er maar vanaf waarom je gebeden hebt. Vooralsnog lijkt het vanuit christelijk perspectief eerder een straf dan een zegen.

Coalitie op de kansel

De besprekingen om tot een coalitie van VVD en CDA, met gedoogsteun van de PVV, te komen zorgen voor flinke maatschappelijke onrust. Meer en minder prominente leden van het CDA komen in het geweer om hun bezwaren tegen samenwerking van hun partij met de PVV, in welke vorm dan ook, kenbaar te maken. Daartegenover melden zich dan weer anderen, die de uitkomst van de besprekingen willen afwachten. In de media en op internet bestoken voor- en tegenstanders elkaar in vaak weinig verheffende bewoordingen.

Ook de kerken laat de kwestie niet onberoerd. Verschillende voorgangers uit met name de PKN aarzelen niet vanaf de kansel te verkondigen dat elke vorm van regeringsverantwoordelijkheid van de PVV onverantwoord is. Als reactie daarop laten voorgangers uit vooral de evangelische hoek weten dat juist de PVV een bastion is tegen de dreigende ‘islamisering’ van Nederland. Daarmee lijken oude tijden te herleven. Vooral in de jaren ’70 en ’80 van de vorige eeuw was het heel gebruikelijk dat in Hervormde en (synodaal) Gereformeerde Kerken op de kansel politieke standpunten werden verkondigd. Eén van de heetste hangijzers was toen de kernbewapening; veel voorgangers van linkse snit gebruikten hun preken om te pleiten voor de afschaffing van de kernwapens, te beginnen in Nederland.

Sindsdien lijkt het wat stil te zijn geworden. Werd toentertijd heftig geprotesteerd tegen ‘politieke preken’, daarvan is de laatste decennia weinig sprake meer. Het lijkt erop dat voorgangers wat terughoudender geworden zijn in hun politieke uitspraken. Ook kerkelijke organen en vergaderingen melden zich minder vaak in het debat over maatschappelijke vraagstukken. Het voert te ver hier uitgebreid in te gaan op de oorzaken van deze ontwikkeling. Ze heeft ongetwijfeld te maken met de verandering van het politieke landschap.

In de jaren ’70 en ’80 van de vorige eeuw was dat landschap vrij overzichtelijk. ‘Links’ en ‘rechts’ waren begrippen die beide een scala aan politieke opvattingen vertegenwoordigden, die duidelijk van elkaar te onderscheiden waren. Er bestond weinig onduidelijkheid over de vraag of een partij ‘links’ dan wel ‘rechts’ was. Dat had ook alles te maken met de onderwerpen die toen hoog op de politieke agenda stonden. Dat is inmiddels grondig veranderd, vooral onder invloed van het einde van de Koude Oorlog en de tegenstelling tussen ‘Oost’ en ‘West’. Politieke partijen en maatschappelijke organisaties schudden hun ideologische veren af en de politieke agenda veranderde. Het gevolg is dat ‘links’ en ‘rechts’ inmiddels wat onduidelijke begrippen zijn geworden.

Zeker ten aanzien van de islam is de scheiding tussen ‘links’ en ‘rechts’ niet altijd gemakkelijk te maken. De vrijheid van godsdienst is traditioneel bij ‘rechts’ in veiliger handen dan bij ‘links’. Maar terwijl ‘links’ ernaar streeft publieke uitingen van het christelijk geloof zoveel mogelijk terug te dringen, verzetten juist ‘linkse’ politici zich tegen pogingen van de PVV de vrijheid van moslims hun geloof uit te dragen, in te perken. Anderzijds zijn van ‘linkse’ politici uitspraken te noteren, die evenzogoed uit de mond van Wilders hadden kunnen komen.

Die verwarring zou weleens één van de oorzaken kunnen zijn dat voorgangers niet zo gauw politieke uitspraken op de kansel doen, al wordt dat niet toegegeven. Mw. Netty de Jong-Dorland, PKN-predikante van de Domkerk in Utrecht, is wars van politiek op de kansel. “Je hebt op de kansel te maken met eenrichtingsverkeer. Daardoor heb je als predikant een machtspositie. Het enige wat gemeenteleden kunnen doen om hun onvrede te tonen, is weglopen. Of je dat wilt is maar de vraag.”

Dat is een stellingname die van gezond inzicht getuigt, maar tegelijk de innerlijke zwakte van een kerk als de PKN blootlegt. Het is goed wanneer voorgangers zich bewust zijn van hun bijzondere positie. In de meeste kerkelijke samenkomsten is de voorganger als enige aan het woord. En dat brengt een grote verantwoordelijkheid mee. De voorganger moet er vooral voor waken dat de boodschap van de Schrift niet in diskrediet wordt gebracht door zijn persoonlijke politieke of maatschappelijke stellingnames. En die mogen al helemaal niet met ambtelijk gezag worden bekleed.
Maar het simpele feit dat sommige kerkgangers moeite hebben met wat vanaf de kansel wordt verkondigd, mag geen reden zijn met een boog om controversiële zaken heen te lopen. Dan moet een voorganger natuurlijk wel zeker weten wat de boodschap van de Schrift is. En wat hij als waarheid verkondigt, mag dan niet door een andere voorganger in dezelfde kerkelijke gemeenschap worden tegengesproken. En daar zit precies de zwakte van de PKN.

Wolter Broekema, PKN-predikant in Nijverdal, besteedt in zijn preken wel aandacht aan de Haagse politiek, maar zonder politieke partijen bij de naam te noemen. Hij vreest dat hij gemeenteleden van zich zou vervreemden als hij dat wel zou doen. “We zijn een gemeente met 2.500 zielen. Daar zullen ongetwijfeld PVV-stemmers tussen zitten.” Het is terecht politieke partijen buiten de verkondiging te laten, maar de verwijzing naar het stemgedrag van gemeenteleden is daarvoor niet bepaald een steekhoudend argument. Dat feit zou eerder aanleiding moeten zijn, het gedachtegoed van die beweging tegen het licht van de Schrift te houden.

Ds. Jan-Peter Kruiger, GKV-predikant van Utrecht-N/W, is eveneens terughoudend. Hij spreekt de kerkgangers vooral persoonlijk aan. “Wat doet Jezus in jouw leven, vraag ik de mensen. Wilders heeft daarmee niet zoveel te maken.” Echt niet? Wat Jezus in het leven van mensen doet blijkt toch ook uit de manier waarop ze over moslims en immigranten spreken en hoe ze reageren op de publieke opinie hierover? De manier waarop tegenwoordig vaak wordt gesproken over illegalen of over wie zich aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt staat haaks op de leer van Christus, en dat mag toch in de preek wel naar voren komen? Zoals ik in een eerdere bijdrage al schreef, het leven is één en de vraag wat Jezus in het leven van de gelovige doet kan dus niet losgemaakt worden van diens maatschappelijke en politieke stellingnames en keuzes.

Terecht zegt Kruiger: “Mensen hebben al gestemd. Dus wat heeft het voor zin om nu de coalitiebesprekingen te behandelen? Ik denk niet dat kerkgangers hier echt wat mee kunnen.” Dat ligt voor PKN-voorgangers waarschijnlijk anders. Zij hebben, in tegenstelling tot hun GKV-collega’s, waarschijnlijk nogal wat CDA-leden in hun gemeente. En die hebben, via het toegezegde partijcongres over de resultaten van de coalitiebesprekingen, dus wel degelijk nog invloed op de uitkomst van het formatieproces.

Hoe dan ook, geen voorganger kan negeren wat het maatschappelijk en politiek debat in hoge mate beheerst. Het is zijn taak het Woord van God te verkondigen, en daarbij past het niet een bepaalde politieke partij op de korrel te nemen, laat staan een standpunt in te nemen over de meest gewenste of een ongewenste coalitie. Maar de huidige politieke constellatie is wel het gevolg van het stemgedrag van mensen. En dat staat onder de kritiek van de Schrift. Voorgangers moeten ook laten zien wat de consequenties van het evangelie zijn. Het gebod “heb uw naaste lief als uzelf” is één van de twee hoofdgeboden die Jezus heeft verkondigd. De aantrekkingskracht van de mentaliteit waardoor de PVV zich laat leiden, geeft alle aanleiding dit gebod in de prediking concreet te maken.

(*) De gegeven citaten stammen uit een artikel in Trouw van 21.8.10.

Discriminatie of evangelisatie?

Naarmate de vorming van een ‘rechts’ kabinet waaraan ook de PVV op één of andere manier bijdraagt, dichterbij komt, lopen de emoties steeds hoger op. In kranten en tijdschriften en niet het minst op internetsites gaan voor- en tegenstanders van zo’n kabinet elkaar te lijf, niet zelden met grof geschut. Ook in christelijke kring is de verdeeldheid groot.

Dat bleek nog eens duidelijk na de verkiezingen. Al bij de eerste consultatieronde liet de SGP weten eventueel wel gedoogsteun te willen verlenen aan een zodanig kabinet. Ook in de reacties op de informatieronde van Ruud Lubbers viel de open houding van de SGP tegenover een ‘rechts’ kabinet op. Dat staat in schril contrast met de afkeer van de PVV en vooral van het meeregeren door de PVV, die de ChristenUnie ten toon spreidt. De verklaring van senator Egbert Schuurman op de site van de partij spreekt wat dat betreft duidelijke taal. Een krant vermeldde in dit verband dat de ChristenUnie geldt als de felste politieke tegenstander van de PVV.

Inmiddels heeft een Comité voor de Rechtsstaat een oproep doen uitgaan naar de leden van de Tweede-Kamerfracties van VVD en CDA, waarin hun wordt gevraagd een coalitie af te wijzen, waarbij de PVV op enigerlei wijze betrokken is, met een verwijzing naar standpunten van de PVV, die op gespannen voet staan met het wezen van de rechtsstaat. Op het discussieforum van het Nederlands Dagblad werd daarop overwegend zeer negatief gereageerd. Weliswaar kan men er niet zonder meer vanuit gaan dat iedereen die reageert christen is, uit de reacties kan toch worden opgemaakt dat dit voor de meesten wel geldt. En dan valt het op hoe negatief wordt gesproken over de islam, en hoever men bereid is te gaan om het vermeende gevaar van de ‘islamisering’ tegen te gaan. Daarbij worden opvattingen geventileerd die je ook in kringen van de PVV kunt horen.

Nu is er voor christenen geen enkele reden positief te zijn over de islam. Wie ervan overtuigd is dat het christelijk geloof het enig ware geloof is en dat niemand tot de Vader kan komen dan door de Zoon, kan niet anders dan de islam als een valse godsdienst bestempelen. Maar wat betekent dat in de praktijk? Is dat een vrijbrief om de aanhangers van dat geloof te beledigen of hen als tweederangsburgers te behandelen? Geeft dat het recht hun vrijheden te ontzeggen die men voor zichzelf – als christenen – wel opeist? Laten we even aannemen dat Nederland inderdaad het gevaar loopt te ‘islamiseren’. Hoe ga je dat gevaar dan tegen?

Het merkwaardige is dat degenen die altijd roepen dat de scheiding van kerk en staat betekent dat de staat zich niet moet bemoeien met de kerk, in het geval van de islam ineens bepleiten dat de overheid zich wel bemoeit met de moskee. Er moet nauwkeurig voor gewaakt worden dat daar geen opvattingen worden uitgedragen die haaks staan op wat wij in Nederland aanvaardbaar vinden. Maar in de kringen van christenen die met de PVV sympathiseren blijft het meestal akelig stil, als het gaat om de geestelijke strijd tegen de islam. Binnen christelijke kerken zijn weliswaar mensen actief ten behoeve van de evangelieverkondiging onder moslims en er zijn gemeenten die speciaal iemand hebben aangesteld om zich hiermee bezig te houden, maar ik heb niet de indruk dat deze activiteiten op erg veel sympathie kunnen rekenen van degenen die in de PVV een bondgenoot zien in de strijd tegen de ‘islamisering’.

Voor een geestelijke strijd tegen de islam moet je natuurlijk niet bij de PVV zijn. Ondanks het feit dat ze er prat op gaat de ‘joods-christelijke cultuur’ van Nederland te verdedigen tegen de ‘aanvallen’ van de islam, moet deze beweging als volstrekt nihilistisch beschouwd worden. De PVV is niet gebaseerd op een levensbeschouwing en heeft moslims dus niets te bieden. Nu is het niet de taak van een politieke partij mensen tot een bepaald geloof te bekeren. Maar het is evenmin haar taak een bepaald geloof te bestrijden en de aanhangers daarvan het belijden van dat geloof onmogelijk te maken.

Wanneer dat geloof leidt tot maatschappelijke misstanden, dan moeten die aangepakt worden. Maar dat betekent niet dat dan aan het achterliggende geloof beperkingen opgelegd mogen worden. Er wordt beweerd dat de islam een politieke ideologie is. Dat is echter geen wetenschappelijk vaststelbaar feit maar een subjectieve interpretatie. Van de islam wordt misbruik gemaakt voor het bereiken van politieke doeleinden. Maar dat is in de loop van de geschiedenis met het christelijk geloof ook gebeurd. Daaruit trekt niemand de conclusie dat het christelijk geloof zelf een politieke ideologie is.

De geestelijke strijd tegen de islam is de taak van de kerk. En juist degenen die zich zoveel zorgen maken over een dreigende ‘islamisering’, zouden zich hiervoor actief moeten inzetten. Bekering tot het christelijk geloof is immers het meest effectieve wapen tegen de ‘islamisering’. Maar dan zitten we wel met een probleem. Want als je iemand wilt bekeren, zul je eerst contact moeten leggen en dat vervolgens moeten onderhouden en ontwikkelen. Iedereen begrijpt dat zo’n contact niet ontstaat en zeker geen stand houdt, wanneer wederzijds respect ontbreekt. En daar zit ‘m de kneep. PVV-sympathisanten hebben geen respect voor moslims, en hun wijze van optreden en hun uitlatingen roepen bij moslims begrijpelijkerwijs geen respect op.

Daaruit moet geconcludeerd worden dat degenen die in Wilders en zijn beweging een bondgenoot zien, in feite het meest effectieve wapen tegen de ‘islamisering’ buiten werking stellen. Naarmate de opvattingen van Wilders meer aanhang krijgen, wordt de evangelieverkondiging onder moslims moeilijker. En het is bepaald niet denkbeeldig dat degenen die moslims benaderen met het evangelie zich steeds vaker expliciet van de PVV en haar strijd tegen de islam zullen moeten distantiëren.

De politieke strijd tegen de islam en de evangelieverkondiging onder moslims laten zich niet verenigen. De uiteindelijke vraag voor christelijke PVV-sympathisanten is daarom wat het zwaarst weegt: het eigen tijdelijke welzijn of het eeuwige welzijn van de moslim.

Het leven is één

De uitslag van de verkiezingen van 9 juni j.l. heeft een schokgolf binnen christelijk Nederland veroorzaakt. Nooit eerder werd de aanhang van de christelijke politieke partijen zo gereduceerd. Nauwelijks een zesde deel van de bankjes in de Tweede Kamer zal de komende jaren door vertegenwoordigers van het CDA, de ChristenUnie en de SGP worden bezet. Sommigen voorspellen dat dit nog maar het begin is, en dat de rol van de christelijke politieke partijen voor lange tijd zal zijn uitgespeeld.

Dat lijkt allemaal wat overdreven. Het kiezersvolk is op drift en wanneer er over zes maanden weer verkiezingen zouden plaatsvinden, kunnen de bordjes zomaar weer verhangen worden. Zo ooit dan geldt nu de waarschuwing: vandaag hosanna, morgen ‘kruisigt hem’.

Een tweede kanttekening is dat nu ineens het CDA wel erg gemakkelijk bij de christelijke partijen wordt ingelijfd. Van dat christelijk karakter is de afgelopen decennia meestal niet veel gebleken. Ook de ChristenUnie heeft tijdens het laatste kabinet-Balkenende van het CDA niet veel steun ervaren, wanneer zaken aan de orde kwamen die voor de christelijke politiek veel gewicht behoren te hebben. Wel is waar dat binnen het CDA althans nog enig begrip bestaat voor politici en partijen voor wie niet de mens de maat van alle dingen is, maar die de normen voor goed en kwaad buiten zichzelf zoeken. Bij de grote meerderheid van de Nederlandse politici is het begrip daarvoor geheel verdwenen.

Nu gaat deze weblog niet over politiek. Dat komt in mijn weblog ‘Dingen van de Dag’ aan bod. Dat ik er hier toch over schrijf, heeft een reden. Ook de ChristenUnie heeft een flinke veer moeten laten. Zetelverlies was wel te verwachten, vooral aangezien een flink hogere opkomst werd verwacht, met name gezien de deelname van de PVV. In feite viel de opkomst flink lager uit. Toch verloor de ChristenUnie een zetel en meer dan 80.000 stemmen. Daarmee staan we voor de vraag waardoor dit verlies veroorzaakt is.

De ChristenUnie en de SGP konden altijd op een trouwe achterban rekenen. Maar ook die tijd lijkt voorbij te zijn. Bij de laatste Europese verkiezingen liep een deel van de SGP-achterban over naar Wilders. De ChristenUnie leek haar aanhang beter te kunnen vasthouden. Maar waarschijnlijk is dat slechts schijn. Het is voorstelbaar dat een deel van de natuurlijke aanhang van de ChristenUnie al eerder afgehaakt is, maar dat dit werd gecompenseerd door nieuwe kiezers – bijvoorbeeld onder christen-immigranten – en door mensen die weliswaar de principiële uitgangspunten van de ChristenUnie niet delen, maar zich wel aangetrokken voelen door vele onderdelen van haar politieke programma.

Juist het laatstgenoemde soort kiezers staat bij Kamerverkiezingen aan de verleiding bloot strategisch te gaan stemmen om zo de vorming van een kabinet te kunnen beïnvloeden. En het is zeker mogelijk dat de kort voor de verkiezingen opgelaaide discussie over de eventuele kandidatuur van homosexuelen met een relatie hen gestimuleerd heeft hun heil dit keer bij een andere partij te zoeken.

Dit laat zien dat de ChristenUnie zich niet rijk moet rekenen, zoals de laatste jaren weleens is gebeurd. Kiezers die geen band met het christelijk geloof hebben, zullen nooit tot de vaste aanhang van de ChristenUnie gaan behoren. De partij doet er daarom goed aan zich nadrukkelijker te richten op de christelijke kiezer. Want ook hier is iets aan de hand.

Uit de eerste analyses blijkt dat voor christenen het stemmen op een christelijke partij geen vanzelfsprekendheid meer is. Ook onder hen wordt strategisch gestemd. Een stem op Cohen zou een kabinet van VVD en PVV misschien kunnen voorkomen. En daarnaast zijn ook christenen niet immuun voor de neiging van de moderne kiezer de politiek op te delen in losse thema’s, zonder een duidelijke ideologische samenhang. Christenen die zich sterk maken voor een goed milieubeleid kunnen dan zomaar bij GroenLinks terecht komen, daarmee de antichristelijke intolerantie van deze partij negerend.

Gaat dit alles de kerken voorbij? Ik dacht het niet. De tijd dat predikanten vanaf de kansel meer of minder openlijk de gelovigen opriepen op een bepaalde partij te stemmen, is voorbij. Dat is maar goed ook, want daarvoor is de kansel niet bedoeld. Maar daarmee is de kous niet af. De achtergrond van de desertie van de christelijke kiezers is een onderwerp dat de kerk wel degelijk aangaat. Een versterking van de macht van de antichristelijke partijen is bepaald niet in het belang van de christelijke kerken.

Belangrijker is dat de kerken zich bezinnen op de signalen die van de recente verkiezingsuitslag uitgaan. Het lijkt erop dat steeds meer christenen er moeite mee hebben of er geen heil in zien, hun geloof met politieke en maatschappelijke ontwikkelingen te verbinden. Ze leven in toenemende mate in twee werelden, die steeds meer van elkaar gescheiden lijken te zijn. En als dan ook de samenhang tussen op het eerste gezicht afzonderlijke politieke en maatschappelijke verschijnselen steeds meer uit het zicht verdwijnt, is het niet verwonderlijk dat steeds meer christenen de noodzaak van een voluit christelijke politiek niet meer inzien.

Daar ligt een taak voor de kerk. Predikanten en kerkenraden zijn zich zeer wel bewust van het feit dat het geloof vaak niet doorwerkt in het dagelijks leven. Daaraan wordt in preken en anderszins dan ook wel aandacht besteed. Maar waarom zouden politieke keuzen dan buiten schot moeten blijven? Wanneer predikanten in hun preken erop wijzen dat het christelijk geloof consequenties heeft voor de moraal in het dagelijks leven, bijvoorbeeld ten aanzien van huwelijk en sexualiteit, waarom zou dan ook geen aandacht gevraagd kunnen worden voor politieke en maatschappelijke keuzen? Eén van de kandidaten van de PVV voor de verkiezingen is lid van een gereformeerd-vrijgemaakte kerk in Kampen. En in Bunschoten-Spakenburg is een partij in de gemeenteraad gekomen die op de lijn van de PVV zit en geleid wordt door een lid van een gereformeerd-vrijgemaakte gemeente.

Moeten we dit als een normaal en aanvaardbaar verschijnsel beschouwen? Dat lijkt me niet. Zulke dingen zijn symptomen van een verzwakking of zelfs het verdwijnen van de overtuiging dat het leven één is. Die term is decennia geleden gebruikt om de oprichting van gereformeerde organisaties te rechtvaardigen. Hoe men daarover ook mag denken, de idee dat het leven één is en dat het christelijk geloof consequenties heeft, ook op politiek en maatschappelijk vlak, en dus ook in het stemhokje, is voluit schriftuurlijk. Het zou goed zijn wanneer dat in de komende jaren ook vanaf de kansel en in pastorale gesprekken aandacht zou krijgen.

Follow

Get every new post delivered to your Inbox.