Archief

Berichten getagged ‘Generale Synode’

Doop en kerklidmaatschap

In mijn vorige artikel ging het over de consequenties van het ‘overdopen’ voor het kerklidmaatschap. Volgens de Generale Synode van de Gereformeerde Kerken vrijgemaakt (GKV) is het enkele feit dat iemand zich in een andere gemeente laat ‘overdopen’ nog geen reden te concluderen dat hij zich ‘metterdaad’ aan de gemeenschap van de kerk heeft onttrokken. Ik stelde de vraag of hiermee recht gedaan wordt aan de relatie tussen doop en kerklidmaatschap. Omdat ook de toegang tot het avondmaal een onderwerp van discussie is, nam ik me voor nader in te gaan op de verbinding tussen de sacramenten en het kerklidmaatschap. Na enkele algemene opmerkingen over de sacramenten ga ik in dit artikel in op de doop. In een volgende bijdrage gaat het dan over het avondmaal.

Uitgangspunt is het gegeven dat God geen individuele mensen verzamelt, maar een volk, een gemeenschap. Dat deed hij in het Oude Testament door zich aan Israel te verbinden. Dat doet hij in de nieuwtestamentische tijd door zijn kinderen bijeen te brengen in de kerk. Op zijn zendingsreizen sticht Paulus gemeenten; aan een aantal daarvan schrijft hij brieven, waarin vooral het gemeentelijk samenleven uitvoerig aan de orde komt. In de Openbaring moet Johannes op Patmos brieven schrijven aan een aantal gemeenten in Klein-Azië. Ook in brieven aan individuele personen, zoals Timotheus, gaat het vooral over de gemeente. In de gemeenten stelt Paulus oudsten aan. Deze hebben als opdracht ervoor te zorgen dat het Evangelie wordt verkondigd en dat de gemeente bij de leer van Christus wordt bewaard (zie bv. Hand. 20,28).

Het Woord is genoeg voor ons behoud. Om dit te laten zien haalt Paulus in zijn brief aan de Romeinen Mozes aan. “Maar vervolgens zegt Mozes: ‘Het woord is dichtbij u, in uw mond en in uw hart’ – en dat betekent: de boodschap van het geloof die wij verkondigen, is dichtbij u. Als uw mond belijdt dat Jezus de Heer is en uw hart gelooft dat God hem uit de dood heeft opgewekt, zult u worden gered” (Rom. 10,8-9). Het gepredikte Woord zou dus voldoende moeten zijn. Maar door de geschiedenis heen blijkt dat mensen een zichtbare bevestiging van het gesproken woord verlangen. Daaraan is God tegemoet gekomen: herhaaldelijk geeft hij tekenen aan mensen dat zijn woorden echt waar zijn. Toen Abraham bereid bleek zijn zoon aan God af te staan, werd dat hem tot gerechtigheid gerekend. Toen was hij nog niet besneden. “De besnijdenis ontving hij later als een bezegeling en teken dat hij als onbesnedene rechtvaardig was omdat hij op God vertrouwde.” (Rom. 4,11).
Het Pascha, ingesteld bij de uittocht uit Egypte, is de zichtbare uitdrukking van de verbondenheid tussen Jahweh en zijn volk. Dat de sacramenten uiterlijke tekenen zijn van wat in het innerlijk heeft plaatsgevonden, onderstreept Paulus in zijn brief aan de Romeinen. Het gaat om een innerlijke besnijdenis, die het werk is van de Geest (Rom. 2,28-29). De Geest werkt in de eerste plaats door de verkondiging van het Evangelie. Maar God heeft besloten van die innerlijke besnijdenis een uiterlijk teken te geven.

De Heidelbergse Catechismus zegt dan ook terecht in het antwoord op vraag 66 (HC, Zondag 25): “Sacramenten zijn heilige zichtbare tekenen en zegels, die God ingesteld heeft om ons door het gebruik daarvan de belofte van het evangelie nog beter te doen verstaan en te verzegelen.” De Nederlandse Geloofsbelijdenis (art. 33) brengt dit expliciet in verband met de zwakheid van ons geloof: “Wij geloven dat onze goede God, omdat Hij met ons onverstand en de zwakheid van ons geloof rekening houdt, voor ons de sacramenten heeft ingesteld. Zo wil Hij ons zijn beloften verzegelen en ons onderpanden van zijn goedgunstigheid en genade jegens ons in handen geven.” Omdat de sacramenten het werk zijn van de Heilige Geest, mag de gelovige die niet ongebruikt laten.

Uit het bovenstaande kan een tweezijdige conclusie getrokken worden: Woord en sacrament zijn niet los verkrijgbaar. Ze horen bij elkaar, want door beide middelen wil God ons geloof voeden en onderhouden (NGB, art. 33). Wie zich door de verkondiging van het Woord wil laten voeden, kan zich niet aan de bediening van de sacramenten onttrekken. Daarom zijn het laten dopen van kinderen en de viering van het avondmaal niet facultatief; verzuim is reden tot ambtelijk vermaan. Het omgekeerde is ook waar: wanneer men de diensten waarin het Woord verkondigd wordt zonder wettige reden verzuimt, staat het recht op het gebruik van de sacramenten op het spel.

Hiermee komen we tot het eigenlijke onderwerp van dit verhaal. Als de Woordverkondiging en de sacramenten bijeen horen, hoe kan men dan in de ene gemeente deelnemen aan de verkondiging van het evangelie en voor de sacramenten zich bij een andere gemeente vervoegen? Op deze wijze wordt de eenheid tussen beide verbroken. Dat geldt des te meer wanneer de inhoud van de Woordverkondiging en de visie op de sacramenten in deze gemeenten principieel van elkaar verschillen. We hebben gezien dat de Geest zowel in de Woordverkondiging als in de bediening van de sacramenten werkzaam is. Kan Hij zichzelf tegenspreken door in de ene kerk via de prediking iets anders te verkondigen dan door middel van de sacramenten in de andere kerk?

Daar komt nog een belangrijk aspect bij: in beide gevallen is sprake van gemeenschap oftewel geestelijke eenheid. Wanneer in een kerkdienst een doop bediend wordt, is de gemeente maar niet een neutrale waarnemer, maar deelnemer. En het avondmaal is maar niet alleen een teken van eenheid met Christus, maar ook van de eenheid met elkaar. Dat wordt onderstreept doordat de gemeente, voorafgaand aan de avondmaalsviering, samen haar geloof belijdt.

Ik spits het bovenstaande nu toe op de doop.

Geconstateerd werd dat de sacramenten een toegevoegde waarde hebben. Ze staan niet los van de Woordverkondiging, ze staan er ook niet onder, maar ze staan er naast, als illustratie en bevestiging van dat Woord. Dat geldt zowel voor de doop als voor het avondmaal. In het zogenaamde ‘zendingsbevel’ in Matteus 28 draagt Jezus zijn leerlingen op de volken tot zijn leerlingen te maken en hen te dopen. Duidelijk is dat het tweede volgt op het eerste: de doop is de bevestiging van de verandering van mensen tot leerlingen van Christus. Door de apostelen wordt dit in praktijk gebracht. Op de Pinksterdag verkondigt Petrus het evangelie. Pas wanneer toehoorders vragen wat ze moeten doen, wekt hij hen op zich te laten dopen. Filippus legt eerst de Schrift uit aan de Ethiopiër; pas daarna wordt deze op zijn verzoek gedoopt (Hand. 8). Paulus schrijft in zijn eerste brief aan de Korintiërs dat hij door Christus niet is uitgezonden om te dopen, maar om te verkondigen (1 Kor. 1). Zelfs al voordat Christus zijn werk begint heeft Johannes eerst de komst van het koninkrijk van de hemel aangekondigd alvorens mensen te dopen.

In het Oude Testament was de besnijdenis de manier waarop God zijn kinderen apart zette van de wereld. Dat zat hem niet in de besnijdenis zelf, want die kwam ook onder andere volken voor. De besnijdenis was een uiterlijk teken, een bevestiging van het feit dat God beslag op het leven van de besnedene had gelegd. Abraham werd pas op hoge leeftijd besneden. Hij werd niet toen pas een kind van God; dat was hij al. De besnijdenis was alleen het zichtbare teken dat het verbond dat God met hem had gesloten, bevestigde. Zo is het ook met de doop. Kinderen van de gelovigen zijn vanaf hun geboorte in het verbond opgenomen. De doop maakt dat voor de ouders en voor de gemeente zichtbaar. “De dienaren van hun kant geven ons alleen het sacrament, dat zichtbaar is, maar onze Here geeft wat door het sacrament wordt aangeduid, namelijk de onzichtbare genadegaven” (NGB, art. 34). Door de bediening van de doop in het midden van de gemeente te laten plaatsvinden, wordt de eenheid tussen Woord en sacrament onderstreept.

De doop is ook het middel waardoor Christus de kinderen van de gelovigen in zijn gemeente opneemt. “Daarom moeten zij door de doop, als teken van het verbond, bij de christelijke kerk ingelijfd en van de kinderen van de ongelovigen onderscheiden worden” (HC, Zondag 27, antw. 74). Dat krijgt een formele vertaling in het feit dat een kind pas in het kerkelijk register wordt ingeschreven en als lid van de gemeente geldt, wanneer de doopsbediening heeft plaatsgevonden.

De relatie tussen doop en kerklidmaatschap wordt door de doopformulieren onderstreept.
Aan de doopouders wordt gevraagd of ze belijden dat “de leer van het Oude en Nieuwe Testament, die in de Apostolische Geloofsbelijdenis is samengevat en hier in de christelijke kerk geleerd wordt, de ware en volkomen leer van de verlossing is”. Door die vraag bevestigend te beantwoorden, geven de ouders te kennen dat ze deel willen zijn de gemeente waar ze hun kind ten doop houden. Wie zijn kind laat dopen, vormt een geestelijke eenheid met de gemeente. Die wordt in het derde doopformulier dat in de GKV in gebruik is, onderstreept door de geloofsbelijdenis, voorafgaand aan de vragen aan de ouders.

In de doopsbediening in het midden van de gemeente komt ook tot uitdrukking dat de gemeente de gedoopte in haar midden opneemt en haar verantwoordelijkheid voor hem op zich neemt. Ze bidt dat God de gedoopte mag regeren zodat hij “in de Here Jezus Christus zal opgroeien en toenemen” en “uw vaderlijke goedheid en barmhartigheid, die U aan dit kind en aan ons allen bewezen hebt, zal erkennen en belijden” (GKV, formulier I). In het tweede formulier wordt de verbinding tussen de dopeling en de gemeente explicieter gemaakt. In het gebed voor de doop wordt gezegd: “Laat de bediening van de heilige doop voor de hele gemeente tot zegen zijn. Wij zijn in uw naam gedoopt en U hebt ons allen zoveel beloofd. Geef dat wij dit bij deze doop opnieuw mogen zien, en des te meer bidden om de vervulling van uw beloften.” In het derde formulier wordt de gemeente na de bediening van de doop apart aangesproken. “Weet u geroepen door uw voorbede en voorbeeld deze ouders te steunen. Wees ook daadwerkelijk bereid om, waar nodig en mogelijk, eraan mee te helpen, dat dit kind groeit in het geloof, in de genade en de kennis van onze Heer Jezus Christus.”

Daarmee komt ook de formele kant van de doopsbediening in beeld. De gemeente heeft immers geen ondersteunende taak ten aanzien van elke gedoopte; alleen wie tot de gemeente behoort en daar zijn kind heeft laten dopen mag daarop aanspraak maken. De gemeente heeft ook – direct of via de kerkenraad – de plicht de ouders te vermanen wanneer ze hun bij de doop gegeven beloften niet nakomen. Maar dat geldt alleen ten aanzien van ouders die lid zijn van de gemeente en onder opzicht en tucht van de kerkenraad staan. Daarom worden ook alleen de kinderen van zulke ouders gedoopt.
Wie geen lid van de gemeente is, kan er geen aanspraak op maken dat zijn kind de doop ontvangt. Ook wanneer ouders te kennen geven zich aan de gemeente te willen onttrekken, kunnen ze niet meer verlangen dat hun kind in het midden van die gemeente de doop ontvangt. Zolang hun onttrekking niet formeel is aanvaard behoren ze weliswaar nog tot de gemeente, maar materieel staan ze er al buiten. Hoeveel betekenis kan aan hun antwoorden op de gestelde vragen worden gehecht? Wat betekent het, wanneer ze uitspreken dat de leer van die gemeente de “ware en volkomen leer van de verlossing” is, en beloven hun kind in die leer te laten onderwijzen, wanneer ze bijvoorbeeld van plan zijn zich te voegen bij een kerkgemeenschap waar deze leer ongestraft kan worden geloochend?

Doop en kerklidmaatschap horen bijeen. Dat heeft ook consequenties voor leden van de gemeente die zich elders laten ‘overdopen’. Maar daarbij doet zich wel de bijzonderheid voor dat het hier om volwassenen gaat, in veel gevallen zelfs om broeders of zusters die al belijdenis van hun geloof hebben afgelegd. En daarmee zijn ze gerechtigd het avondmaal te vieren. Daarom bewaar ik dit onderwerp tot de volgende keer. Dan gaat het over het tweede sacrament, het Heilig Avondmaal. Dan komt ook de vraag aan de orde wie tot de viering van het avondmaal kunnen worden toegelaten. Ook de positie van ‘overgedoopten’ komt dan ter sprake.

Feitelijke onttrekking

19 juni 2011 1 reactie

Het komt in vrijwel elke gemeente voor: broeders of zusters die te kennen geven zich aan de gemeenschap van de kerk te willen onttrekken. Aan zulke onttrekkingen ligt gewoonlijk een formele kennisgeving ten grondslag: een kerklid deelt schriftelijk aan de kerkenraad zijn besluit mee. Maar er zijn ook gevallen waarin iemand zich op een bepaalde manier van de gemeente verwijdert zonder dat hij zich formeel onttrekt.

Soms verhuist een gemeentelid naar een plaats die tot het grondgebied van een andere gemeente in hetzelfde kerkverband behoort. Het is dan de bedoeling dat hij zijn attestatie opvraagt bij het kerkelijk bureau van zijn gemeente en die, na ontvangst, bij de kerkenraad of het kerkelijk bureau van zijn nieuwe gemeente inlevert. Maar soms neemt een kerklid een verhuizing te baat om zich stilletjes aan de kerkelijke gemeenschap te onttrekken. Hij neemt dan niet de moeite de kerkenraad daarvan formeel op de hoogte te stellen. Het is in gereformeerde kerken niet gebruikelijk iemand ongevraagd een attestatie toe te sturen. De kerkenraad van de ‘oude’ gemeente heeft hier dus een probleem. Nu zou men kunnen overwegen de kerkenraad van de gemeente, op welks grondgebied de desbetreffende broeder of zuster woont, hiervan in kennis te stellen. Die zou dan de betrokkene kunnen benaderen en kunnen proberen hem of haar ertoe te bewegen zich bij de gemeente in de nieuwe woonplaats aan te sluiten. De vraag is of dat altijd verstandig is; dat zou best eens tot grotere verwijdering kunnen leiden. En het is ook de vraag of de ene kerkenraad de andere met zijn eigen probleem mag opzadelen. Het komt overigens ook voor dat niet eens bekend is waar een gemeentelid zich ophoudt. In beide gevallen draait het er meestal op uit dat de kerkenraad constateert dat het gemeentelid zich ‘metterdaad’ aan de gemeenschap van de kerk heeft onttrokken.

Maar deze praktijk komt binnen de Gereformeerde Kerken vrijgemaakt (GKV) op losse schroeven te staan door een uitspraak van de Generale Synode van Harderwijk. Ze sprak kortgeleden uit dat een ‘feitelijke onttrekking’ – een moderne formulering van een onttrekking ‘metterdaad’ – in de Kerkorde en in bestaande regelingen nergens voorkomt. Van een onttrekking kan volgens de synode alleen sprake zijn wanneer iemand bewust overgaat naar een andere kerk. Die constatering mag feitelijk correct zijn, daarmee worden kerkenraden in feite met een onoplosbaar probleem opgezadeld. Wanneer een kerklid om welke reden dan ook zich niet formeel onttrekt en kerkenraden hem niet op grond van een ‘feitelijke onttrekking’ kunnen uitschrijven, blijft hij lid. Dat is – zeker wanneer het niet tot één geval beperkt blijft – een financiële last, want zulke ‘papieren leden’ blijven meetellen bij de bepaling van de landelijke quota, die gerelateerd zijn aan het aantal gemeenteleden. Ernstiger nog is het probleem van zulke ‘papieren leden’ vanuit ambtelijk oogpunt. Amtsdragers zijn verplicht aan de hun vertrouwde gemeenteleden ambtelijke zorg te verlenen, maar dat wordt bij verhuizing uit het grondgebied van de gemeente in veel gevallen praktisch onmogelijk.

Voor de uitspraak van de Generale Synode bestond een concrete aanleiding. Door kerken uit twee provincies werd aan de synode de vraag voorgelegd hoe om te gaan met gemeenteleden die zich hebben laten ‘overdopen’ in een evangelische gemeente, maar toch lid willen blijven van hun eigen gemeente. Sommige kerkenraden interpreteren dit als een ‘feitelijke onttrekking’. Door de uitspraak dat voor zo’n onttrekking elke formele basis ontbreekt, gaat de vraag klemmen hoe in zulke gevallen gehandeld moet worden. De synode komt met het volgende antwoord: in zulke gevallen is “Bijbels onderwijs, zo nodig gevolgd door vermaan, nodig” (citaat uit het Nederlands Dagblad, 6.6.11).

Hieruit blijkt dat de synode het verschijnsel niet bagatelliseert. Dat wordt onderstreept door haar uitspraak dat een tweede doop “in strijd is met wat de Schrift leert en de kerken belijden” (citaat ND, 6.6.11). Daarmee heeft ze aangegeven dat hierin niet mag worden berust. Het gebruik van het woord ‘vermaan’ suggereert dat de kerkelijke tucht niet bij voorbaat buiten beeld moet blijven. Volgens het in de GKV fungerende Formulier voor de uitsluiting uit de gemeente van Christus ligt het vermaan ten grondslag aan de tuchtoefening die uiteindelijk tot uitsluiting uit de gemeente kan leiden. In het formulier wordt meegedeeld dat een gemeentelid “ondanks vele vermaningen” geen enkel teken van berouw toonde en dat hij of zij daarom van het heilig avondmaal werd afgehouden. Je zou hieruit mogen concluderen dat vermaan een voorstadium van de tuchtoefening is. Daarmee wordt de ernst van de aan de orde zijnde kwestie onderstreept.

Dat bijbels onderwijs noodzakelijk is wanneer een gemeentelid zich laat overdopen, is duidelijk. Maar is dat niet wat laat? Een ‘overdoop’ komt toch niet uit de lucht vallen? Daaraan is een proces voorafgegaan, en je mag hopen dat dit niet aan de aandacht van de kerkenraad is ontsnapt. Meestal heeft het betrokken gemeentelid regelmatig bijeenkomsten van een evangelische gemeente bezocht en dat zal vrijwel altijd gepaard gaan met het verzuimen van de eigen kerkdiensten. Van een kerkenraad mag worden verwacht dat hij de betrokkene hierop aanspreekt. En wanneer dan blijkt dat deze zijn heil in evangelische samenkomsten zoekt is dat al reden voor bijbels onderwijs. Te vrezen valt dat slordigheid of misplaatste tolerantie van kerkenraden er mede de oorzaak van is dat ze met de ‘overdoop’ als voldongen feit geconfronteerd worden. Bijbels onderwijs komt dan waarschijnlijk als mosterd na de maaltijd.

De uitspraak van de Generale Synode lijkt te zijn geïnspireerd door de ‘tolerantiebepaling’ die door de Generale Synode van de Gereformeerde Kerken in 1914 is aanvaard. Daarin wordt uitgesproken dat gemeenteleden die hun kind niet willen laten dopen, niet direct in aanmerking komen voor tuchtmaatregelen, maar onderwezen moeten worden, omdat zij “te goeder trouw dwalen”. Maar dan moet wel de vraag gesteld worden of het hier om vergelijkbare gevallen gaat. Ouders die hun kind niet willen laten dopen zijn en blijven immers gewoon lid van hun gemeente en sluiten zich niet aan bij een gemeenschap die de kinderdoop verwerpt. Een volwassen gemeentelid dat zich in een andere gemeente laat ‘overdopen’, geeft daarmee te kennen dat hij zich verbonden voelt met die gemeente. Maar: kan iemand zich verbonden voelen met twee gemeenten, die in hun geloofsleer in elk geval op een aantal punten diametraal tegenover elkaar staan? Er bestaat niet voor niets een nauwe relatie tussen de doop en het lidmaatschap van de kerk. Daarover laten de Heidelbergse Catechismus maar ook de formulieren voor de doop van kinderen en van volwassenen, die in de GKV gebruikt worden, geen misverstand bestaan.

Binnen de GKV is niet alleen ‘overdopen’ een onderwerp van discussie, de toegang tot de viering van het avondmaal is dat evenzeer. En ook dat laatste heeft alles met de belijdenis over de kerk te maken. Dat is een reden er speciaal aandacht aan te besteden. Dat komt in een volgende bijdrage in deze weblog aan de orde.

Geloven doe je samen (3)

In het tweede artikel in deze serie werd betoogd dat de kerk als gemeenschap van de heiligen zich in eerste instantie op plaatselijk vlak manifesteert maar daartoe niet beperkt blijft. De kerk is, zoals de Nederlandse Geloofsbelijdenis dat in artikel 27 formuleert, “niet gevestigd in, gebonden aan of beperkt tot een bepaalde plaats”. Daarmee komt dus in de eerste plaats het kerkverband in beeld: een verband van plaatselijke kerken die elkaar als kerk van Christus erkennen en zich daarom iets aan elkaar gelegen willen laten liggen. Ze willen elkaar steunen, van advies dienen en, waar nodig, corrigeren. Maar de kerk van Christus is niet alleen niet aan een plaats gebonden, ze beperkt zich ook niet tot een specifiek land. De kerk manifesteert zich wereldwijd. Dat betekent dat kerken die op hetzelfde fundament staan, ook over nationale grenzen op elkaar betrokken zijn.

Uiteraard heeft het contact tussen kerken in verschillende landen een ander karakter dan dat tussen kerken binnen één – nationaal – kerkverband. In de regel is van meerdere vergaderingen geen sprake. Er worden van tijd tot tijd weliswaar internationale conferenties gehouden, maar die hebben geen formele status en daardoor ook geen enkel gezag. Ze doen dan ook geen uitspraken waaraan nationale kerken gebonden zijn. De reden daarvan is niet zozeer een principiële – er is geen enkele reden waarom kerken zich volgens nationale grenzen zouden moeten organiseren – maar eerder een praktische. De afstanden zijn vaak te groot voor regelmatige bijeenkomsten, verschillen in taal en cultuur spelen een rol en ook de maatschappelijke context is verschillend. Dat betekent dat niet elke kerk zich voor precies dezelfde vragen gesteld ziet.

Desalniettemin zijn er allerlei onderwerpen waarover kerken uit verschillende landen en zelfs continenten heel goed van gedachten kunnen wisselen. Ook al resulteren contacten niet in bindende uitspraken, dat mag er niet toe leiden dat nationale kerken de uitkomsten van overleg zonder meer naast zich neerleggen. Tenslotte staan die kerken op hetzelfde fundament van apostelen en profeten en niet zelden delen ze ook dezelfde belijdenis. Het is daarom goed wanneer – bijvoorbeeld op generale synodes – de afgevaardigden van buitenlandse kerken aan het woord komen. Het is heel goed mogelijk dat ze die gelegenheid benutten enkele kritische noten te kraken over de kerk waarbij ze op bezoek zijn.

Zulke afgevaardigden doen er goed aan zich te realiseren dat ze vanaf een zekere afstand oordelen. Enige terughoudendheid mag dan wel gevraagd worden. Dat geldt dan natuurlijk wel naar twee kanten. Voor de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) – om me daartoe nu te beperken – mag het niet plezierig zijn wanneer buitenlandse afgevaardigden zich openlijk afvragen of deze kerken de naam gereformeerd nog wel verdienen, zij zouden ook hun eigen neiging buitenlandse kerken als star en conservatief te brandmerken moeten bedwingen. Juist hier bestaat de neiging kritiek van vertegenwoordigers van bijvoorbeeld de gereformeerde kerken uit Canada en Australië met een schouderophalen naast zich neer te leggen. Dat is onverstandig. Kritiek die op basis van het gemeenschappelijk fundament geleverd wordt, verdient het eerlijk gewogen te worden. Ook bij de besluitvorming op de Generale Synode zou de inbreng vanuit buitenlandse zusterkerken serieus genomen moeten worden.

Als de kerk zich niet tot één land beperkt, dan is het een bijbelse opdracht internationale contacten te onderhouden. Maar een kerk die internationaal zoekt naar kerken waarmee zij op hetzelfde fundament staat, zou haar plicht verzaken wanneer ze niet tegelijkertijd in eigen land zou streven naar contact met geestverwanten, met als doel dat één wordt wat bijeen hoort. Dat is een moeizaam en langdurig proces, zoals de ‘kleine oecumene’ laat zien. De weg naar eenheid ligt bezaaid met voetangels en klemmen. Daartoe behoren cultuurverschillen, klimaat en traditie en niet het minst ook de realiteit van verschillende stromingen binnen kerken van de Reformatie. Daarbij kan gedacht worden aan de Christelijke Gereformeerde Kerken binnen welke sommige kerken zich eerder tot bevindelijke kerkgenootschappen dan tot de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) aangetrokken voelen. En terwijl binnen de laatstgenoemde kerken niet weinigen van mening zijn dat ook eenheid met de Nederlands Gereformeerde Kerken mogelijk is, laten deze een dermate grote verscheidenheid aan opvattingen en kerkelijke praktijken zien dat die eenheid weleens een wensdroom zou kunnen blijven.

De eenheid tussen kerken van de Reformatie is er niet mee gediend wanneer ze alle hun eigen gang gaan zonder zich van de andere iets aan te trekken. In dit verband moet het betreurd worden dat de Generale Synode van de GKV niet bereid was onderzoek te doen naar de betrouwbaarheid en eventuele vrijgave voor kerkelijk gebruik van de Herziene Statenvertaling. Binnen de CGK is deze vrijgegeven voor kerkelijk gebruik en een grotere openheid van de GKV ten aanzien van het eventuele gebruik van deze vertaling in de eredienst zou het toenaderingsproces tussen beide kerken ten goede zijn gekomen. Het zou ook een middel kunnen zijn om de toenadering tot de Hersteld Hervormde Kerk te stimuleren. Eenheid met dat kerkverband zit er voorlopig niet in, maar contacten met de HHK zouden weleens meer perspectieven kunnen bieden dan die met de NGK.

Geloven doe je samen: dat betekent dat gelovigen zich samen bezinnen op actuele vragen waarvoor ze zich gesteld zien. Dat heeft alleen zin wanneer er een gemeenschappelijk fundament is. Dat geldt zowel voor individuele gelovigen als voor kerken en kerkverbanden. Er mag vanuit gereformeerd perspectief het één en ander aan te merken zijn op de Hersteld Hervormde Kerk – zaken die deze kerk uit haar ‘moederkerk’ heeft meegenomen – maar daarmee heeft ze zich niet gediskwalificeerd als een gesprekspartner bij de bezinning over actuele vragen. Gezien de daar te constateren trouw aan de Schrift en het streven die – ook in zaken van het dagelijks leven – het laatste woord te laten hebben, zouden vanuit deze kerk weleens zinvollere bijdragen aan die bezinning kunnen worden geleverd dan vanuit de Nederlands Gereformeerde Kerken. Net zoals vrijgemaakt-gereformeerden rekening zouden moeten houden met de opvattingen van hun christelijke gereformeerde broeders, zouden de broeders uit de Hersteld Hervormde Kerk eveneens nadrukkelijk in beeld moeten komen, ook in het proces van bezinning en besluitvorming op het niveau van kerkelijke vergaderingen.

De predikant op de schopstoel

7 november 2010 1 reactie

In de kerken van de Reformatie spelen predikanten een belangrijke rol. Ze staan vaak in het middelpunt van de aandacht. Een vacante gemeente zoekt volhardend een nieuwe predikant en beroepingsberichten mogen op veel belangstelling rekenen. En ook in de gesprekken over kerk en gemeente gaat het al gauw over de predikant. Conflicten rond ouderlingen of diakenen halen de krant niet, die rond predikanten vaak wel.

Het is dus ook begrijpelijk dat het ambt van predikant op kerkelijke vergaderingen aan de orde komt. Dat heeft allereerst te maken met de opleiding van predikanten, meestal een theologische universiteit, die – in elk geval in de kleinere kerkgenootschappen – van de kerken uitgaat en (grotendeels) door de kerken wordt gefinancierd. Maar in toenemende mate gaat het ook over conflicten waarin predikanten en gemeenten verwikkeld raken. Er is groeiende aandacht voor de positie van de predikant, die steeds gecompliceerder lijkt te worden. Er zijn duidelijke signalen dat predikanten steeds vaker moeite hebben met de eisen die aan hen gesteld worden.

De landelijke vergadering van de Nederlands Gereformeerde Kerken heeft zich beziggehouden met een rapport van een commissie die een predikantsprofiel heeft opgesteld. Er was nogal wat kritiek op de conclusies van de commissie. Vooral de uitspraak dat de predikant zich moet concentreren op de verkondiging van het Woord en dat het ‘geestelijk en organisatorisch leiding geven’ niet direct tot zijn taak behoort, moest het ontgelden. Er werd door critici gesproken van een ‘eenzijdige en beperkte visie op de rol van de predikant’, zelfs van een ‘degradatie van het ambt van predikant’. Ook werd zorg uitgesproken over de lijst van competenties waaraan de predikant moet voldoen. Gewaarschuwd werd voor het gebruik van deze lijst als een soort van checklist door kerkenraden.

Tegenover de kritiek merkte de commissie op geen waterscheiding te zien tussen de verschillende taken. Het was er vooral om begonnen de al te hoge verwachtingen van de gemeente ten aanzien van de taken van de predikant te dempen. Eén van de afgevaardigden waarschuwde tegen professionalisering en de verzakelijking die daarmee gepaard gaat. De roeping als basis voor het predikantsambt moet wel overeind blijven. Hiermee is het probleem geschetst: van de predikant wordt steeds meer verwacht, ook dingen die hij in zijn opleiding niet heeft meegekregen. Wanneer hij aan de eisen niet kan voldoen ligt een conflict voor de hand.

Dit soort problemen spelen ook in andere kerken. Dat blijkt bijvoorbeeld uit het rapport van de Deputaten Dienst en Recht in de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) dat op de eerstkomende Generale Synode (Harderwijk, 2011) behandeld wordt. Er moet steeds vaker worden opgetreden bij conflicten tussen predikanten en kerkenraden en/of gemeenten en steeds meer predikanten voelen zich overvraagd. In het rapport wordt een aantal aanbevelingen gedaan waarvan het Nederlands Dagblad van 6 november melding maakte. “Vrijgemaakt-gereformeerde predikanten dienen niet langer dan zes jaar in dezelfde gemeente te werken,” was de eerste alinea van het desbetreffende artikel. Daaruit mag niet worden afgeleid dat de synode een besluit van die strekking zou kunnen nemen. Predikanten zijn in dienst van de plaatselijke gemeenten en over hun ‘arbeidsvoorwaarden’ gaat de synode niet.

Het rapport levert voldoende stof voor discussie op. De problemen die gesignaleerd worden en de oorzaken die daaraan ten grondslag liggen, geven een weinig verheffend beeld van de stand van zaken in de Gereformeerde Kerken. En op de voorstellen van de deputaten om de problemen te lijf te gaan valt het nodige af te dingen.

Eén van de kernpunten in het rapport is de mobiliteit van predikanten. Gerefereerd wordt aan de oproep van de Generale Synode van Zwolle 2008 aan kerkenraden en predikanten mee te werken aan bevordering van de mobiliteit van predikanten. Dat betekent concreet: predikanten zouden vaker van gemeente moeten wisselen. Het valt niet te ontkennen dat er nogal wat predikanten zijn die lang in een gemeente staan. Dat is wel eens anders geweest. Zeker de eerste 10 à 15 jaar na de breuk van de jaren ’60 van de vorige eeuw – die tot het ontstaan van de Nederlands Gereformeerde Kerk leidde – kwam het vaak voor dat een predikant hooguit vier, vijf jaar in een gemeente stond. Soms was het zelfs niet meer dan drie jaar. Dat was begrijpelijk, want het aantal vacatures was groot. Maar de overtuiging groeide dat het zowel voor een predikant als voor een gemeente niet bepaald ideaal was wanneer de verbintenis zo kort duurde. Wellicht heeft dat mede tot gevolg gehad dat nu het omgekeerde plaatsvindt: er zijn predikanten die zelfs in hun eerste – meestal kleine – gemeente niet minder dan 10 jaar doorbrengen. Wat daarvan ook de oorzaken zijn, kennelijk groeit nu de overtuiging dat dit nu ook weer niet de bedoeling is.

In hoofdstuk 8 van het rapport wordt een beschouwing gegeven over de situatie in de kerken die nauw samenhangt met de overtuiging dat het goed zou zijn als predikanten niet al te lang in één gemeente staan. Gewezen wordt op veranderingen in de cultuur maar ook op de gegroeide kerkelijke verscheidenheid. “Vele kerken zoeken eigen wegen binnen ruim geïnterpreteerde kaders. De cultuur van gemeenschappelijke vreugde om Gods kerk en van verbondenheid met de eigen identiteit is geen gemeengoed meer. De kerkelijke samenleving is hierin een afspiegeling van de brede samenleving.” Even later lezen we: “Als gevolg van de differentiatie in benaderingen passen predikanten niet meer in iedere gemeente. Als een predikant ‘toevallig’ verkeerd terecht komt, ligt daarmee een basis voor een probleem, het probleem van de ‘omvallende’ predikant.”

Niemand zal verbaasd opkijken van deze analyse. Maar: hoe gaat de kerk daarmee om? Het deputaatschap zoekt de oplossing in de bevordering van de mobiliteit van predikanten. “Predikanten zouden niet langer dan zo’n zes jaar in een zelfde gemeente moeten werken.
Anders ontstaat er eenzijdigheid, een tunnelvisie, dynamiek wordt belemmerd, groei wordt beperkt en de eigen ontwikkeling wordt geremd. Bovendien voorkomt het sneller rouleren binnen kerkelijke functies het ontstaan van bepaalde culturen en opvattingen. Met andere
woorden: mobiliteit is gezond voor een predikant en voor de kerken.”

Nu valt voor meer doorstroming best iets te zeggen. En het is een goede zaak dat predikanten die wel voor een beroep in aanmerking zouden willen komen en vacante gemeenten met elkaar in contact gebracht kunnen worden. Voor een gemeente in het midden van het land is het niet zo eenvoudig zicht te krijgen op geschikte predikanten in de noordelijke provincies. De meeste daarvan zal men waarschijnlijk niet kennen en dus ook niet beroepen. Op deze manier kan de actieradius van vacante gemeenten vergroot worden. En ook kan op die manier voorkomen worden dat alleen die predikanten beroepen worden die – bijvoorbeeld door publicaties of publieke functies – een grote mate van bekendheid genieten.

Maar het gaat te ver als algemene regel te formuleren dat predikanten niet langer dan zes jaar in een gemeente zouden moeten staan. Predikanten zijn aan een gemeente verbonden doordat ze geroepen zijn – door een gemeente, maar uiteindelijk door God zelf. Die roeping houdt niet ineens na een x aantal jaren op. Het is strijdig met de aard van de roeping dat daaraan bij voorbaat een termijn verbonden wordt. In het rapport wordt ook de suggestie gedaan predikanten die langer dan zes jaar in hun gemeente staan, te benaderen met de vraag of ze bereid zijn van standplaats te wisselen. Wanneer het antwoord negatief is, zou hun gevraagd moeten worden daarvoor argumenten aan te dragen. Dat is de omgekeerde wereld: wie een roeping heeft ontvangen, hoeft toch niet te argumenteren waarom hij daaraan gehoor wil blijven geven? Het is beter argumenten te vragen aan degenen die laten weten wel van gemeente te willen veranderen.

Maar de echte kwestie is een andere: met maatregelen als door de deputaten voorgesteld wordt de achterliggende problematiek niet opgelost.

De Gereformeerde Kerken beginnen steeds meer op een lappendeken te lijken. Van een duidelijk herkenbare gemeenschappelijke identiteit is steeds minder sprake. Natuurlijk, ook vroeger paste een predikant niet overal. Dat hoeft ook niet: een predikant die past bij een gemeente in Limburg hoeft niet noodzakelijkerwijs ook in Groningen op zijn plaats te zijn. Maar de verscheidenheid binnen de Gereformeerde Kerken krijgt steeds meer een inhoudelijk karakter. “Vele kerken zoeken eigen wegen binnen ruim geïnterpreteerde kaders.” Naarmate die kaders ruimer worden zullen de problemen die predikanten ondervinden, navenant toenemen. Regelmatig verkassen lost dat probleem niet op.

Het deputaatschap heeft er kennelijk voor gekozen de geschetste stand van zaken te accepteren zoals die zich voordoet. Dat is wel erg defaitistisch. Het is bovendien niet effectief. Een medisch probleem wordt nooit opgelost door aspirine toe te dienen. Bovendien is daar steeds meer van nodig om effect te sorteren.

In plaats van de adviezen van de deputaten te volgen zou de Generale Synode er goed aan doen de geestelijke stand van zaken in de Gereformeerde Kerken eens serieus onder het vergrootglas te leggen, naast een geopende bijbel. Verscheidenheid binnen de kerken mag er zijn, maar die heeft wel grenzen. En wie geen vreemdeling in Jeruzalem is weet dat die grenzen worden overschreden. De kerkelijke samenleving is inderdaad steeds meer een afspiegeling van de ‘brede samenleving’. En dat is precies het probleem. Wanneer iemand op zijn partner is uitgekeken, wordt die ingewisseld voor een ander. Wanneer iemand ontevreden is met zijn partij, stemt hij bij de volgende verkiezingen op een andere. En wanneer de gemeente of de kerk niet bevalt, zoekt men een andere.

Wordt ook het ambt van predikant het slachtoffer van deze wereldse mentaliteit? Kan een gemeente, die op zijn predikant is uitgekeken, die inruilen voor een andere? En wordt predikanten die het met hun gemeente gehad hebben, een goed heenkomen naar comfortabeler oorden geboden? Moet een kerk die pretendeert kerk van Christus te zijn, zich erbij neerleggen dat de mentaliteit die in de ‘brede samenleving’ gemeengoed is, ook in de kerk veld wint? Zou het geen aanbeveling verdienen het begrip roeping weer eens op te poetsen en er over na te gaan denken wat dat concreet inhoudt?

Dat zou wel eens een beter medicijn kunnen zijn dan de predikant op de schopstoel te zetten.

Follow

Get every new post delivered to your Inbox.