Archief

Berichten getagged ‘gereformeerde kerken’

Een kudde zonder herders? (3)

Naar aanleiding van de klacht dat in de Gereformeerde Kerken geen leiding meer wordt gegeven ging het in de tweede bijdrage over de ambtsdragers in de gemeente. De aandacht richtte zich daarbij op de oorsprong en de aard van hun taak en het gezag dat daarmee verbonden is. Ook werd aandacht besteed aan de manier waarop dat gezag bedreigd en ondermijnd kan worden. In deze derde bijdrage richt ik de schijnwerper op de gemeente. Hoe moet de gemeente zich opstellen tegenover de ambtsdragers? Wat staat haar te doen wanneer er geen of verkeerde leiding wordt gegeven?

In het formulier voor de bevestiging van ouderlingen (en diakenen) wordt de gemeente afzonderlijk aangesproken. Nadat de bevestiging heeft plaatsgevonden, wordt de gemeente opgeroepen de ambtsdragers te ontvangen “als opzieners en herders van de gemeente”. Daar wordt aan toegevoegd: “Gehoorzaamt uw voorgangers en onderwerpt u aan hen, want zij zijn het die waken over uw zielen, daar zij rekenschap zullen moeten afleggen.” In het formulier voor de bevestiging van predikanten staat mutatis mutandis hetzelfde.

In het laatstgenoemde formulier staat wel een belangrijke restrictie. We lezen daar: “Denkt eraan, dat God zelf u door hem [de dienaar des Woords] aanspreekt. Neemt daarom de woorden, die hij naar de Schrift tot u spreekt, met blijdschap aan.” Gehoorzaamheid en onderwerping aan de ambtsdragers is dus niet ongeclausuleerd. Ambtsdragers mogen van de gemeente wel verwachten dat hun gezag wordt aanvaard, maar altijd onder de voorwaarde dat hun woorden en daden in overeenstemming zijn met de Schrift.

Daaruit volgt voor de gemeente twee dingen. Ze moet zich aan de ambtsdragers onderwerpen en hun gezag aanvaarden, ook wanneer ze moeite heeft met hun optreden, zolang dat valt binnen de grenzen die de Schrift aangeeft. En tegelijk zal ze steeds de woorden en daden van de ambtsdragers moeten toetsen aan de Schrift. Ik verwijs hier naar Hand. 17 waar wordt gezegd dat de Joden in Berea “dagelijks de Schriften [bestudeerden] om te zien of het waar was wat er werd gezegd”. Dat is een activiteit van ieder gemeentelid afzonderlijk, maar ook van de gemeente als geheel. De ambtsdragers dienen dat niet af te remmen of te frustreren, maar moeten dat stimuleren.

Dat betekent natuurlijk niet dat overal een bijbeltekst voor te vinden is. Overal een bijbeltekst voor willen hebben is wat men terecht biblicisme noemt. Het is geheel conform de gereformeerde visie op de Schrift dat ook wat logisch uit haar kan worden afgeleid, tot de gereformeeerde leer kan worden gerekend. Het bekendste voorbeeld is natuurlijk de kinderdoop. Een bijbeltekst waarin staat dat elk kind van gelovige ouders moet worden gedoopt, is niet te vinden. Maar in de belijdenis en de doopsformulieren wordt overtuigend aangetoond dat dit wel als schriftuurlijke opdracht mag worden aangemerkt. Dat gebeurt vooral door heel de Schrift in haar samenhang te laten spreken. Dat is de manier waarop de belijdenisgeschriften tot hun formulering van de gereformeerde leer komen. (Ik kom daarop nog een keer terug in verband met de grondslag van de ChristenUnie en andere organisaties.)

Daarmee zijn we er nog niet. Er zijn ook kerkelijke regels. Beter gezegd: beloften die we als kerken binnen het kerkverband aan elkaar hebben gedaan. Daarmee hebben kerkleden – en ook ambtsdragers – soms nogal wat moeite, vooral als ze een dam opwerpen tegen wat men eigenlijk graag zou willen. Het kan gebeuren dat zulke regels tegen de Schrift worden uitgespeeld. Er was een tijd dat de kreet “What would Jesus do?” nogal populair was. In dit geval kan daarop als antwoord worden gegeven: Hij zou zich aan gemaakte afspraken houden. Zei Hij niet zelf in de Bergrede: “Laat jullie ja ja zijn, en jullie nee nee”? (Mt 5,37). Wanneer ambtsdragers dus kerkverbandelijk gemaakte afspraken naast zich neerleggen, kan hun met recht verweten worden onschriftuurlijk te handelen.

Wanneer gesproken kan worden van onschriftuurlijk handelen, is het tijd de kerkenraad aan te spreken en ter verantwoording te roepen. Maar ook dan moet het ambt gerespecteerd worden. Dat betekent dat de wijze waarop de ambtsdragers benaderd worden, in overeenstemming moet zijn met wat de Schrift zegt over het respect voor wie over ons gesteld zijn. Ambtsdragers mogen en moeten worden aangesproken op de wijze waarop ze hun ambt vervullen. Maar daar rust alleen zegen op wanneer dat op een respectvolle manier gebeurt. Wie de gemeente wil bewaren bij de leer van Christus, dient in de geest van Christus te handelen. De Bergrede heeft ons ook wat te zeggen wanneer het gaat om het aanspreken en eventueel bekritiseren van ambtsdragers. Ook de binnen de Gereformeerde Kerken afgesproken regels ten aanzien van de behandeling van meningsverschillen dienen gerespecteerd te worden. Het publiek aan de schandpaal nagelen van ambtsdragers of hen in publicaties of op internetsites voor schorsingswaardig verklaren is niet in overeenstemming met het respect waarop ambtsdragers recht hebben en ook niet met de kerkverbandelijke afspraken.

Ik wil in dit verband wijzen op het vijfde gebod, zoals we dat vinden in Exodus 20. Het gaat hier over het eren van de ouders. Het zal duidelijk zijn dat dit niet gelijkgesteld kan worden met gehoorzamen. Wanneer kinderen volwassen zijn geworden en het ouderlijk huis verlaten, houdt de plicht tot gehoorzaamheid, die minderjarige kinderen hebben, op. Dat is ook de implicatie van wat Paulus in Efeze 5 schrijft, namelijk dat de man zijn ouders zal verlaten en zich aan zijn vrouw zal hechten (vs 31). Dan valt de plicht tot gehoorzaamheid aan de ouders weg. Maar de plicht tot het eren van de ouders niet. Modern gezegd: geen gehoorzaamheid meer, maar wel respect. Zo is het ook in de relatie tussen de gemeente en de ambtsdragers. Het kan zover komen dat er de plicht bestaat de gehoorzaamheid aan de kerkenraad – in elk geval op een bepaald punt – op te zeggen. Maar daarmee blijft de plicht de ambtsdragers met respect te bejegenen. Bovendien wijst de Heidelbergse Catechismus (Zondag 39) bij de uitleg van dit gebod erop dat we met de zwakheden en gebreken van allen die gezag over ons ontvangen hebben, geduld moeten hebben.

Dat geduld sluit overigens niet uit dat actie wordt ondernomen. In het gereformeerde kerkrecht wordt gemeenteleden die menen dat de kerkenraad hun onrecht heeft gedaan of een koers vaart die in strijd is met de Schrift en de belijdenis, de mogelijkheid geboden in appèl te gaan bij de classis. Die gang naar de classis zou ook mogelijk moeten zijn wanneer de kerkenraad zich, naar de mening van een gemeentelid, niet houdt aan wat kerkverbandelijk is afgesproken. Maar hier hebben we wel een probleem. Op generaal-synodaal niveau is, vooral ten aanzien van de kerkorde-artikelen die over de liturgie en de inrichting van de erediensten gaan, aan de gemeenten een zodanige vrijheid gelaten dat elke kerk haar eigen beleid kan ontwikkelen.

Natuurlijk, het is geheel in overeenstemming met het gereformeerde kerkrecht dat de gemeente een grote mate van autonomie heeft. Maar in de praktijk betekent het vooral een grote autonomie van kerkenraden. En dan kan het gebeuren dat in plaatselijke kerken allerlei liederen worden gezongen die door de Generale Synode niet voor kerkelijk gebruik zijn vrijgegeven. Het beleid van een kerkenraad uit het midden van het land laat dat zien. Volgens een synodebesluit mogen in bijzondere diensten niet-vrijgegeven liederen gezongen worden. Dat was voor de desbetreffende kerkenraad de reden elke dienst als ‘bijzonder’ aan te merken om zo zulke liederen onbeperkt te kunnen gebruiken. De overeenkomst met gemeentebesturen die hun gemeente als toeristisch gebied aanwijzen om de hand te kunnen lichten met de winkeltijdenwet is treffend.

Maar wanneer een gemeentelid hier bezwaar tegen heeft, wordt het lastig in appèl te gaan bij de classis. Er is hier immers sprake van de vrijheid van de plaatselijke kerk? Het lijdt geen twijfel dat de lijn die op dit punt wordt gevolgd, z’n uitwerking niet zal missen op de manier waarop in bredere zin met kerkorde en kerkelijke afspraken wordt omgegaan. Het gevaar is reëel dat de autonomie van de kerkenraad ertoe leidt dat de gemeente monddood wordt gemaakt en haar de mogelijkheden voor appèl worden ontnomen. Dat moet bezwaarde gemeenteleden er overigens niet van weerhouden toch deze weg te gaan wanneer wezenlijke zaken in geding zijn.

Ter afsluiting nog een laatste punt. Conflicten en wrijvingen in de gemeente worden niet altijd veroorzaakt door ambtelijk handelen of spreken dat op gespannen voet staat met de Schrift, de belijdenis of de kerkorde. Er zijn ook zaken die op het vlak liggen van wat men geneigd is als persoonlijke smaak of gevoel of cultuur aan te duiden. Soms is dat terecht, maar lang niet altijd. Over allerlei zaken is wel meer en ook meer fundamenteels en principieels te zeggen dan dat het een kwestie van smaak is. Wanneer een predikant in zijn gemeente consequent vooral opwekkingsliederen in de dienst laat zingen handelt hij niet in strijd met wat kerkordelijk is afgesproken, tenminste wanneer hij zich beperkt tot de liederen die voor kerkelijk gebruik zijn vrijgegeven. Dat kun je natuurlijk helemaal tot het gebied van de persoonlijke smaak rekenen. Maar over dit onderwerp valt wel wat meer te zeggen, zeker vanuit de overtuiging dat een gereformeerde liturgie iets anders is dan een evangelische liturgie.

Maar zelfs al was het alleen maar een kwestie van smaak, dan is daarmee de kous nog niet af. Predikanten en kerkenraden zijn er voor heel de gemeente, niet alleen voor een bepaalde groep, bijvoorbeeld de jongeren. Het is best mogelijk dat bepaalde beleidsvoornemens passen binnen de grenzen van de Schrift en de belijdenis en ook binnen wat we als kerken samen hebben afgesproken. Toch kan er reden zijn van zulke voornemens af te zien. Ook met de gevoelens van gemeenteleden zal rekening gehouden moeten worden, zolang die – naar de normen van de Schrift – legitiem zijn. In dit verband is het goed nog eens terug te keren naar de brief van Paulus aan de Efeziërs. Daar schrijft hij over de relatie tussen ouders en kinderen. Hij wekt de kinderen op hun ouders te gehoorzamen, “uit ontzag voor de Heer” (vs 1). Maar daarop laat hij volgen: “Vaders, maak uw kinderen niet verbitterd, maar vorm en vermaan hen bij het opvoeden zoals de Heer dat wil.” (vs 4) Ook dit gebod kan worden doorgetrokken naar de relatie tussen de ambtsdragers en de gemeente. De ambtsdragers dienen ervoor te waken dat ze de gemeente waarover ze zijn aangesteld, niet verbitteren.

Uit het aangehaalde vers blijkt dat het verbitteren van de kinderen het tegenovergestelde is van het “opvoeden zoals de Heer dat wil”. Vertaald naar de omgang van de ambtsdragers met de gemeente betekent het dat het niet verbitteren van de gemeente een onvervreemdbaar onderdeel is van hun taak de gemeente voor te gaan in de dienst aan God.

In de laatste aflevering van deze serie keer ik terug naar het begin: de klacht van prof. Douma dat binnen de Gereformeerde Kerken geen leiding meer wordt gegeven. Hij noemt een aantal concrete gevallen, o.a. uit het Nederlands Dagblad, maar ook neemt hij enkele aspecten van het beleid van de ChristenUnie op de korrel. Is zijn kritiek terecht?

Een kudde zonder herders? (2)

In de vorige bijdrage heb ik betoogd dat de leiding die in het verleden werd gegeven via persorganen als De Reformatie en het Gereformeerd Gezinsblad/Nederlands Dagblad niet berustte op enige ambtelijke opdracht of bevoegdheid. Degenen die leiding gaven, konden dat alleen doen omdat hun leiding door de kerkleden aanvaard werd. Juist op dat punt is de gereformeerde wereld fundamenteel veranderd. Aan het eind stelde ik de vraag of het feit dat genoemde bladen – althans in de opvatting van prof. Douma en anderen – geen leiding (meer) geven, betekent dat de gereformeerden een kudde zonder herders geworden zijn. Daarover gaat deze tweede bijdrage. Waar zijn de herders van de kudde eigenlijk te vinden?

We spreken over Gereformeerde Kerken – meervoud. De Gereformeerde Kerken waren en zijn geen landelijke organisatie met plaatselijke afdelingen – zoals de vroegere Nederlandse Hervormde Kerk – maar een verband van gemeenten die zich vrijwillig aaneengesloten hebben. Het hart van de Gereformeerde Kerken klopt dan ook in de plaatselijke gemeenten.

Het is hier dat de herders van de kudde te vinden zijn. Hier geeft God ambtsdragers die leiding moeten geven aan de gemeente. Omdat Hij hen zelf roept en aanstelt hebben ze gezag. Ze hoeven dat gezag dus niet te verwerven en zich als gezagsdrager ook niet waar te maken. De gemeente is geroepen zich aan hun gezag en leiding te onderwerpen, zoals in de bevestigingsformulieren voor predikanten en voor ouderlingen wordt onderstreept.

Het gezag van de ambtsdragers kan wel ondermijnd worden. De predikant heeft de taak “het Woord van God zuiver en onverkort” te verkondigen. Dat sluit een selectief omgaan met de Schrift uit, zoals tot uiting komt in het verzwijgen van zaken waarover de Schrift duidelijk is, bijvoorbeeld omdat ze in de gemeente op weerstand stuiten. Hij moet heel de Schrift laten spreken.
Het betekent ook dat hij het Woord in het middelpunt zet en persoonlijke meningen voor zich houdt. Op de kansel moet alleen de Schrift aan het woord komen. Alleen dan heeft de prediking gezag en kan de predikant zeggen: zo spreekt de Heer.

Het lijkt erop dat predikanten met dat laatste soms wat moeite hebben. Je hoort nogal eens iets zeggen als: daarover gaan we samen nadenken. Dat moet meestal niet letterlijk genomen worden, want van de toehoorders wordt in de regel geen bijdrage verwacht. Er spreekt een zekere bescheidenheid uit. Dat is sympathiek en bescheidenheid is ook voor een predikant een zeer goede eigenschap. Maar in dit geval is het een valse bescheidenheid. Hij verkondigt immers geen particuliere meningen of inzichten, maar de mening van de Geest van God. En dan is er geen reden voor bescheidenheid, integendeel.

Dat in de prediking de Heer zelf naar de gemeente toekomt, moet ook tot uiting komen in de manier waarop het Woord verkondigd wordt. Het Woord van God verdraagt geen theatervoorstelling op de kansel of allerlei fratsen waarmee de predikant de aandacht op zichzelf vestigt. Ook daardoor ondergraaft hij zijn gezag.

Hierboven was sprake van de kansel. Inmiddels worden in allerlei kerken kansels ongebruikt gelaten of zelfs verwijderd. Sommige predikanten geven er de voorkeur aan achter een katheder op een podium te staan. Er kunnen allerlei praktische overwegingen aan ten grondslag liggen, maar soms gaat de motivatie een slag dieper. Dan wordt gezegd dat de predikant dicht bij de toehoorders wil blijven en zich niet boven hen wil verheffen door de kansel te beklimmen.
Dat laatste lijkt me een gezocht argument. De ‘verheven’ positie van de kansel komt voort uit de praktische overweging dat het gehoor en het gezicht samenwerken: wie een spreker goed kan zien, kan hem meestal ook beter verstaan.
Er is niets tegen wanneer de predikant dicht bij de toehoorders wil staan. Maar dat heeft met de plaats vanwaar hij preekt, niets te maken. Het gaat daarbij eerder om de inhoud: hij preekt voor een concreet gehoor en moet zijn toehoorders ook ‘zien staan’.
Het zou weleens eerder zo kunnen zijn dat predikanten die zo’n argument gebruiken, moeite hebben met hun gezagspositie. Ze willen onderstrepen dat predikant en gemeente op gelijke voet staan. Maar dat is niet waar: voor God zijn allen gelijk, maar niet allen hebben hetzelfde ambt. Het ambt van alle gelovigen is een ander ambt dan dat van predikant. De taken en verantwoordelijkheden die de predikant heeft, verschillen van die van ‘gewone’ gemeenteleden.

Op hetzelfde vlak ligt de veld winnende gewoonte zich te laten tutoyeren en met de voornaam te laten aanspreken. Nu kan men betogen dat dit een kwestie van cultuur is. Tot op zekere hoogte is dat waar. In de Angelsaksische wereld is het gebruik van voornamen, ook voor overheidspersonen, heel normaal en het Engels kent geen onderscheid tussen “U” en “jij”. En de Nederlandse cultuur is onmiskenbaar veranderd: ook hier is het gebruikelijk geworden bijvoorbeeld de minster-president met zijn voornaam aan te duiden.
Maar de kerk hoeft de cultuur niet in alle opzichten te volgen. En zelfs wanneer iemand met de voornaam wordt aangeduid, hoeft dat niet te betekenen dat hij met de voornaam wordt aangesproken. Geen Amerikaanse journalist zal het in zijn hoofd halen in een interview de president met zijn voornaam aan te spreken. Hij zegt “Mr. President”, met respect voor het ambt dat hij bekleedt. En zelfs Nederlandse journalisten, die zich over het algemeen niet onderscheiden door wellevendheid, spreken de minister-president in een interview niet met zijn voornaam aan en tutoyeren hem ook niet. Waarom zouden we dat in de kerk met de predikanten dan wel doen? Helaas werken predikanten er zelf aan mee dat op deze manier de achting voor hun ambt vervluchtigt.

Over de ouderlingen heb ik het hier nog niet gehad. Zij hebben de taak de predikant in de uitoefening van zijn ambt bij te staan. Veel van wat ik heb opgemerkt over het ambt van predikant en de manieren waarop diens gezag kan worden ondermijnd, is mutatis mutandis ook van toepassing op het ambt van ouderling. Ook in dit geval is het heersende gelijkheidsdenken een bedreiging voor zijn gezag en dus zijn vermogen tot leidinggeven. Het huisbezoek kan gemakkelijk verworden tot een gesprek op voet van gelijkheid. Maar dat doet tekort aan het ambt: de ouderling komt in opdracht van Christus en dus met gezag. Niet voor niets wordt de gemeente ook bij de bevestiging van ouderlingen opgeroepen hen te gehoorzamen en zich aan hen te onderwerpen.

Voorwaarde is natuurlijk wel dat ze dan ook alleen met het Woord komen en hun persoonlijke meningen thuis laten. En ook van ouderlingen mag worden verwacht dat ze heel de Schrift en alleen de Schrift aan het woord laten komen. Daartoe hebben ze zich ook door middel van hun handtekening onder het ondertekeningsformulier verplicht. Daarin beloven ze dat ze de leer van de kerk, die in de Formulieren van Eenheid is vastgelegd en een samenvatting is van de leer van de Schrift, “met toewijding zullen onderwijzen en trouw verdedigen en elke dwaling die daarmee in strijd is, zullen afwijzen”. Voor ouderlingen die zich distantiëren van (onderdelen van) de belijdenis, is in de kerkenraadsbank geen plaats. Ook hier is het gezag van het ambt in het geding.

In deze tweede bijdrage ging het vooral over het ambt en de ambtsdragers. In de derde bijdrage gaat het over de gemeente. Wat betekent het dat de gemeente het gezag en de leiding van de ambtsdragers moet aanvaarden? Tot hoever gaat dat en wanneer is men van die plicht ontslagen? En hoe moet de gemeente ermee omgaan wanneer er geen of verkeerde leiding wordt gegeven?

Een kudde zonder herders?

Het is een klacht die in gereformeerde kring nogal eens te horen is: er wordt geen leiding meer gegeven. Niet zelden gaat dit gepaard met een verwijzing naar de tijd toen dat heel anders was. Ook prof. J. Douma doet dat op zijn website, waar hij op 28 augustus j.l. een uitvoerige bijdrage publiceerde (in de rubriek ‘Het christelijk leven’, par. 4.15 – 4.24) waarin hij vooral de ontwikkelingen in de gereformeerde pers onder de loep neemt.

De teneur van zijn betoog wordt direct duidelijk in de openingszinnen van par. 4.16, die handelt over De Reformatie. “Veel lezers hebben het gevoel dat zij geen begeleiding in hun kerkelijk leven meer krijgen. Het ontbreken van mensen die als leider en gids in de pers hun broeders en zusters een duidelijke weg wijzen, is niet toevallig. De overtuigingskracht om in allerlei kwesties een duidelijk en beslist antwoord te geven, is verzwakt.” Hoewel hij aanvankelijk spreekt over begeleiding, wordt in de tweede zin al duidelijk dat hij doelt op leiding. En dat is toch wat anders dan begeleiding.

Douma’s observatie valt moeilijk te weerleggen, of men zijn mening betreffende de oorzaak nu deelt of niet. De gereformeerde wereld is sterk veranderd en dat geldt zeker ook voor de media die Douma met name noemt: De Reformatie en het Nederlands Dagblad. Hij is van mening dat van deze organen geen leiding meer uitgaat. Ik kan me voorstellen dat zijn vaststelling door de redacties van de desbetreffende bladen niet eens weersproken wordt.

Hoewel ik veel van zijn kritiek op de ontwikkelingen in de Gereformeerde Kerken kan onderschrijven, vraag ik me toch af of Douma hier zijn pijlen wel op het juiste doel richt. Zijn de genoemde media wel in de positie om leiding te geven? Ze hebben dat in het verleden inderdaad gedaan. Maar op grond waarvan? En moeten we naar de tijd terugverlangen dat De Reformatie en het Gereformeerd Gezinsblad – zoals het Nederlands Dagblad vroeger heette – leiding gaven aan het gereformeerde volksdeel?

Ik wil in enkele bijdragen hierover wat schrijven. In deze eerste bijdrage ga ik in op het onderwerp leiding geven.

Het is een niet te loochenen feit dat na de Vrijmaking verschillende personen en instanties een leidinggevende rol speelden in het gereformeerde leven. Douma noemt als voorbeeld De Reformatie en met name de bijdragen die de hoogleraren aan de (toen nog) Theologische Hogeschool daaraan leverden. Op grond waarvan gaven ze leiding?

In elk geval niet op grond van enige ambtelijke bevoegdheid. Hoogleraren werden en worden bij hun benoeming geëmeriteerd als predikant. Dat betekent dat ze van hun verantwoordelijkheid voor een kerkelijke gemeente worden ontslagen. In plaats daarvan krijgen ze de taak studenten toe te rusten voor hun taak als voorganger van een kerkelijke gemeente. Er is geen sprake van dat aan het ambt van hoogleraar de verantwoordelijkheid verbonden is leiding te geven in het kerkverband.

Hoogleraren in Kampen hebben dus niet de taak, maar ook zelfs niet de bevoegdheid leiding te geven aan het kerkelijk leven. Ze hebben dat in het verleden wel gedaan. Of ze daar bewust naar gestreefd hebben of zelfs gedacht hebben dat dat hun taak was, doet niet ter zake. Feit is dat ze leiding gaven. Ze deden dat echter niet op grond van enige ambtelijke bevoegdheid, maar omdat hun leiding door veel kerkleden werd aanvaard. Door hun positie en door het gewicht van wat ze zeiden en schreven hebben de professoren – en niet alleen zij overigens – een belangrijke rol kunnen spelen in de ontwikkeling van het gereformeerde leven. Er is geen enkele reden daarover de staf te breken. In veel gevallen is hun leiding de Gereformeerde Kerken tot zegen geweest, zoals in het kerkelijke conflict van de jaren ’60 van de vorige eeuw. Maar het is goed zich te realiseren dat de leiding die zij gaven, verbonden was aan gezag dat hun werd toegekend, niet aan gezag dat ze op grond van hun ambt konden opeisen.

Dat relativeert ook de klachten over het gebrek aan leiding vanuit Kampen. Ik laat voor dit moment de vraag liggen of die klachten terecht zijn. Ik beperk me nu tot twee opmerkingen. Ik weet niet of de hoogleraren die nu aan de Theologische Universiteit verbonden zijn, zich bewust zijn van het feit dat zij geen ambtelijke bevoegdheid bezitten om leiding te geven aan het kerkelijk leven. Wanneer dat wel het geval is en zij zich om die reden terughoudend opstellen in de discussies die binnen de Gereformeerde Kerken gevoerd worden, lijkt me dat winst.

De tweede opmerking heeft betrekking op de aanvaarding van de leiding van – bijvoorbeeld – de hoogleraren in Kampen. Ik merkte al op dat in vroeger tijden de hoogleraren leiding gaven omdat die door kerkleden werd aanvaard. Daarvan is nu geen sprake meer. Veel kerkleden hebben moeite leiding van wie ook te aanvaarden, inclusief de eigen kerkenraad. Dan mag iemand die zich niet op enige ambtelijke bevoegdheid om leiding te geven kan beroepen, zeker niet verwachten dat zijn leiding aanvaard wordt.

Ik trek dit door naar De Reformatie, die vele jaren het belangrijkste orgaan was dat de hoogleraren in Kampen gebruikten om leiding te geven. Het is in verband met dit onderwerp relevant zich te realiseren dat De Reformatie – in tegenstelling tot bijvoorbeeld De Wekker in de Christelijke Gereformeerde Kerken – nooit een officieel kerkelijk orgaan was en ook nu niet is. De uitgever en de redactie waren (en zijn) geen verantwoording verschuldigd aan enige kerkelijke vergadering. Net zoals de hoogleraren leiding konden geven doordat hun gezag door kerkleden aanvaard werd, zo was de positie van De Reformatie in de Gereformeerde Kerken gebaseerd op het gewicht dat de kerkleden eraan toekenden. Daardoor en dankzij het feit dat het blad in elk geval door meelevende kerkleden veel gelezen werd kon het een belangrijke rol in het kerkelijk leven spelen.

En daarmee kom ik bij de laatste factor die hier aandacht moet krijgen. Zelfs wanneer De Reformatie ernaar zou streven leiding te geven aan het gereformeerde leven zoals dat enkele decennia geleden nog gebeurde, zal dat weinig concreet effect hebben. Het maatschappelijke verschijnsel van de ‘ontlezing’ gaat ook de kerk niet voorbij. Wanneer een blad nauwelijks gelezen wordt, is alleen al om die reden het geven van leiding een vrijwel onbegonnen karwei.

Wat hier over De Reformatie is opgemerkt, geldt mutatis mutandis ook voor het Nederlands Dagblad. Pieter Jongeling heeft in zijn functie als hoofdredacteur van het Gereformeerd Gezinsblad, later omgedoopt tot Nederlands Dagblad, ongetwijfeld grote invloed uitgeoefend in de gereformeerde wereld. Uit de biografie van ND-journalist Herman Veenhof, waarnaar ik in een eerdere bijdrage al eens verwees, komt naar voren dat die rol hem min of meer is overkomen. Maar toen hij die positie eenmaal had, heeft hij niet geaarzeld ook leiding te geven. Of hij dat als een goddelijke opdracht zag of niet doet verder niet terzake. Feit is dat ook hij leiding gaf zonder daartoe op grond van een ambt geroepen te zijn. Zijn leiding werd aanvaard, door zijn positie, door het gewicht van wat hij schreef en door de positie die zijn krant in de gereformeerde wereld innam.

Van die leiding heeft de gereformeerde wereld geprofiteerd en daarvoor mag men dankbaar zijn. Maar de wereld is veranderd. In gereformeerde kring is een abonnement op het Nederlands Dagblad niet meer vanzelfsprekend. Wat voor De Reformatie geldt, is ook van toepassing op het Nederlands Dagblad: minder lezers betekent ook minder invloed. En wat de hoofdredacteur schrijft, wordt hooguit als één van de vele meningen beschouwd. Wanneer men al leiding zoekt in allerlei actuele maatschappelijke en ethische kwesties, zijn er veel opiniemakers – ook in christelijke kring – bij wie men te rade kan gaan. Voor weinigen heeft daarbij de hoofdredacteur van het Nederlands Dagblad nog per definitie een streepje voor.

De vraag is dus of Douma met zijn kritiek wel voldoende rekening houdt met de geschetste omstandigheden, en of hij in het licht daarvan de door hem bekritiseerde persorganen wel recht doet.

Voordat ik daarop inga, moet eerst iets anders aan de orde komen. Wanneer de gereformeerde pers geen leiding meer geeft, zijn de gereformeerden dan een kudde zonder herders geworden? Of moeten we de herders toch ergens anders zoeken dan aan de Broederweg in Kampen of aan de Hermesweg in Barneveld?

Een roomse ketter

Pastoor Mennen uit ‘s-Hertogenbosch heeft weer van zich doen spreken. Enige tijd geleden deed hij – in zijn hoedanigheid als censor van zijn bisdom – een aantal kerkliederen in de ban. Vooral het feit dat vooral liederen van Huub Oosterhuis het moesten ontgelden, trok de aandacht. Nu heeft Mennen Oosterhuis als ‘ketter’ gebrandmerkt. Dat kwam hem, en vooral de rooms-katholieke kerk, op een uitbrander van de commentator van Trouw te staan.

Daar zal Mennen vast niet van wakker liggen. Ook de storm van kritiek die na zijn uitbanning van een aantal van Oosterhuis’ liedjes losbarstte, heeft hij kennelijk gelaten over zich heen laten gaan. De commentator van Trouw heeft op één punt wel gelijk. Hij wijst erop dat de kerk op dit moment wel wat anders aan haar hoofd heeft. Daarbij doelt hij uiteraard op de ophef over het sexueel misbruik van kinderen en jeugdigen door geestelijken in het verleden. De rooms-katholieke kerk heeft nogal wat moeite daarop adequaat te reageren. In dat licht is het begrijpelijk dat het commentaar begint met de zin: “Alsof de rooms-katholieke kerk wereldwijd nog niet genoeg in crisis verkeert, heeft de Nederlandse rk kerk er zelf nog een nieuwe kwestie bij geschapen.”

Als gereformeerd mens heb ik van nature niet veel sympathie voor roomse geestelijken die mensen voor ‘ketter’ uitmaken. Dat oordeel heeft in het verleden ook diegenen getroffen die op grond van de Schrift afstand moesten nemen van leer en leven van de roomse kerk. En we weten wat met sommigen van hen gebeurd is. Nu wordt tegenwoordig de soep niet meer zo heet gegeten. Oosterhuis komt niet op de brandstapel terecht en zelfs excommunicatie is niet erg waarschijnlijk. Niettemin, het gebruik van het woord ‘ketter’ roept onaangename associaties op.

De Reformatie heeft een meer schriftuurlijke manier ontwikkeld om de leer van de kerk te bewaken. Het publiek gebruik van de term ‘ketter’ of een equivalent daarvan is in onbruik geraakt, ook al doen sommige websites en weblogs anders vermoeden. Maar de gereformeerden hebben met het badwater niet ook het kind weggegooid.

Censuur is een wezenlijk onderdeel van de kerk van Christus. De Nederlandse Geloofsbelijdenis laat er – in navolging van de Schrift – geen misverstand over bestaan dat binnen de kerk de Schrift het eerste en het laatste woord heeft. Binnen de kerk mogen over allerlei zaken verschillende opvattingen bestaan. Maar als het om de leer gaat is er geen ruimte honderd bloemen te laten bloeien.

De Trouw-commentator spreekt van ‘persoonlijke aanvallen’ en meent dat door Oosterhuis als ‘ketter’ te brandmerken, ook al zijn liederen verdacht zijn. Dit is een teken van onze tijd. Kritiek op bepaalde opvattingen wordt vaak direct op de persoon betrokken en geïnterpreteerd als een aanval op de integriteit van degene die zulke opvattingen huldigt. Het scheiden van personen en zaken is een kunst, die in onze tijd nog maar weinigen beheersen.

Wat moeten gereformeerden hiermee? Is dit niet een interne roomse aangelegenheid? Ik denk van niet. Het commentaar in Trouw is een teken dat censuur op steeds meer onbegrip en zelfs verzet stuit, ook – misschien juist wel vooral – bij degenen die hun wortels in de kerkelijke wereld hebben. En ook al functioneert de censuur (of tucht) binnen de gereformeerde kerken nog steeds, dat wil niet zeggen dat ze immuun zijn voor de gedachten die in het commentaar in Trouw naar voren komen.

Wanneer een ambtsdrager wordt geschorst vanwege openbare zonde, kan dat meestal wel op begrip rekenen. Maar als het om de leer gaat, wordt het een ander verhaal. De huidige tendens is immers dat het belangrijker is dat je gelooft dan wat je gelooft. De leer van de kerk mag niet op grote belangstelling rekenen.

Ik durf er niet mijn hand voor in het vuur te steken dat alle ambtsdragers in de gereformeerde kerken de gereformeerde belijdenis in al haar onderdelen zonder mitsen en maren voor hun rekening nemen. Natuurlijk, het recht van de kinderdoop wordt nog wel uitgedragen. Maar als een echtpaar in de gemeente daar wat moeite mee heeft, zouden we dat dan niet op z’n minst moeten dragen? Ook over het werk van de heilige Geest waren opvattingen rond, die op z’n minst discutabel zijn in het licht van wat de kerk daarover belijdt.

En wat de Nederlandse Geloofsbelijdenis over de kerk zegt kan naar mijn indruk op weinig sympathie rekenen. Wanneer men daarmee wel wil instemmen, wordt daaraan soms zo’n uitleg gegeven dat de angel eruit is en niemand er zich meer een buil aan kan vallen. Het bezoeken van kerkdiensten van een ander kerkverband en zelfs het daar vieren van het avondmaal hebben ook alles met de leer van de kerk te maken. Kritiek daarop stuit op onbegrip en weerstand, en de toegenomen tolerantie ten aanzien van die verschijnselen lijkt bijna vanzelfsprekend te zijn.

In dat licht is de commotie over de uitspraken van pastoor Mennen en de manier waarop binnen en buiten de rooms-katholieke kerk op zijn uitspraken wordt gereageerd, minder ver weg dan het lijkt. Ook de censuur binnen de gereformeerde kerken staat onder druk, wat in hoge mate samenhangt met de verminderde aandacht voor de leer van de kerk.

In allerlei gemeenten worden leerdiensten gehouden. Daar is niets tegen, maar daarmee heeft men een wiel uitgevonden dat al bestond. Wie vindt dat de leer meer aandacht verdient, zou eens kunnen beginnen er de hand aan te houden dat de Heidelbergse Catechismus regelmatig behandeld wordt in de erediensten. Dan is ook direct het ‘probleem’ dat de twee zondagse erediensten teveel op elkaar lijken, opgelost.

Follow

Get every new post delivered to your Inbox.