Tot God wilt u begeven
Je kunt overal een probleem van maken. Journalisten zijn daar nogal goed in. Neem nu het artikel dat het Nederlands Dagblad op 21 april j.l. wijdde aan het gebruik in christelijke kerken bij bepaalde gelegenheden het Wilhelmus te zingen. Volgens de krant zijn er nogal wat kerkleden die daar problemen mee hebben. De redactie heeft het onderwerp zelf op de agenda gezet. Via de rubriek ‘Meedenken’ werden lezers uitgenodigd hun gedachten hierover aan de redactie mee te delen. Deze zijn vervolgens gebruikt voor het schrijven van het artikel op 21 april. Waarom werd dit onderwerp geagendeerd? Heeft de redactie de indruk dat dit echt leeft onder kerkleden?
Volgens het artikel had meer dan de helft van de respondenten kritiek op het zingen van het Wilhelmus in de kerk. Dat ligt voor de hand: degenen die het wel best vinden zoals het gaat zullen in het algemeen niet de neiging hebben zich te melden. Ik heb zelf door de jaren heen nauwelijks gemerkt dat het als een probleem wordt ervaren. Eén van de respondenten meldt dat sommigen de kerk uitlopen als het Wilhelmus wordt aangeheven. Dat heb ik nog nooit meegemaakt. Zo’n 15 jaar geleden – schat ik – kreeg in mijn gemeente iemand de gelegenheid zijn bezwaren tegen het zingen van het Wilhelmus in de kerk toe te lichten. Na afloop werden de meningen van de aanwezigen gepeild. Vrijwel niemand deelde zijn bezwaren en ook de meeste jongeren waren voorstander van het zingen van het Wilhelmus.
Ook al is er reden te twijfelen aan de urgentie van het onderwerp, het kan geen kwaad er eens over na te denken en er van gedachten over te wisselen. Tradities zijn kwetsbaar, omdat niet zelden maar weinig mensen kunnen beargumenteren waarom ze bestaan. Het gevolg kan zijn dat ze eenvoudig onderuit gehaald worden wanneer iemand daartegen plausibel lijkende argumenten inbrengt. Het kan daarom nuttig zijn een traditie, zoals die van het zingen van het Wilhelmus, tegen het licht te houden en zich af te vragen of en zo ja, waarom ze in stand zou moeten blijven. Daartoe doe ik hier een poging. Daarbij neem ik dan ook de argumenten van de tegenstanders, zoals die in het artikel in het Nederlands Dagblad naar voren gebracht worden, onder de loep.
Ik zie drie redenen om bij bepaalde gelegenheden het Wilhelmus in de kerk te zingen.
In de eerste plaats is het zingen van het Wilhelmus een uitdrukking van respect voor de overheid en een publieke erkenning van haar gezag. Dat is in overeenstemming met wat de kerk belijdt ten aanzien van het vijfde gebod in de Heidelbergse Catechismus (Zondag 39) en wat ze uitspreekt over de oorsprong van het overheidsambt in de Nederlandse Geloofsbelijdenis (art. 36). Het Wilhelmus zelf sluit zich bij deze belijdenis aan, niet alleen in het eerste, maar ook in het laatste couplet.
In haar functie van staatshoofd vormt de koningin de personificatie van het overheidsgezag. Dit feit rechtvaardigt het zingen van het Wilhelmus bij haar verjaardag.
Het is van belang hier te onderstrepen dat het respect voor de overheid gemotiveerd is door het ambt, niet door de persoon die een ambt bekleedt.
Vanuit het bovenstaande kunnen twee argumenten tegen het zingen van het Wilhelmus worden weerlegd.
Volgens historicus George Harinck is een deel van het verzet te verklaren vanuit het feit dat kerkgangers kritischer worden over het Oranjehuis. Eén van de belangrijkste argumenten van de criticus in mijn gemeente naar wie ik eerder verwees was het gedrag van allerlei leden van het huis van Oranje in heden en verleden. Die verwijzing is niet relevant. Het is heel modern het onderscheid tussen ambt en persoon te laten vervagen. Iemand respect betonen vanwege zijn ambt is niet bepaald in de mode. Wie een ambt bekleedt moet het recht op respect verwerven, is de gangbare gedachte. Met een Schriftuurlijke visie op gezag heeft die niets te maken. De opvattingen of levensstijl van gezagsdragers komen in geen enkel opzicht in mindering op het gezag dat zij hebben. Dat is niet gebaseerd op hun persoonlijke eigenschappen maar op hun ambt. (Dat het bekleden van een ambt verantwoordelijkheden meebrengt ten aanzien van de levensstijl staat hier niet ter discussie.) Of leden van het Oranjehuis een scheve schaats rijden of hebben gereden doet in dit verband niet ter zake.
Een ander punt van kritiek betreft de relatie tussen het Wilhelmus en het vorstenhuis. Volgens een gereformeerd-vrijgemaakte predikant hebben vooral jongeren er moeite mee “loyaliteit te betuigen aan het koningshuis”. Maar, zoals gezegd, het gaat niet om het koningshuis, maar om de koningin als ambtsdrager en als personificatie van de overheid. De gevoelens ten aanzien van het koningshuis als zodanig staan hier buiten.
Vervolgens wordt door het zingen van het Wilhelmus ook de verbondenheid van de kerk met de maatschappij tot uitdrukking gebracht. Christenen zoeken elkaar op en hechten veel waarde aan de omgang met gelijkgezinden. Voor allerlei doeleinden richten ze eigen organisaties op en hun overtuigingen staan niet zelden haaks op de in de maatschappij overheersende inzichten. Daaruit wordt soms de conclusie getrokken dat ze zich van de samenleving afkeren. Maar de kerk en haar leden vormen geen maatschappij in de maatschappij. Door het zingen van het Wilhelmus in de kerk – die de zichtbare manifestatie van de gemeenschap van de heiligen is – wordt onderstreept dat ze niet met hun rug naar de samenleving willen staan, maar zich daarmee verbonden weten en daarin en daarvoor verantwoordelijkheid willen dragen.
Met nationalisme heeft het zingen van het Wilhelmus niets te maken. “Een volkslied is bedoeld om te onderstrepen dat we bij één en dezelfde natie horen. Daarmee sluiten we automatisch anderen uit”, zo wordt iemand geciteerd. Er zijn ongetwijfeld veel volksliederen waarvan je dat met recht zou kunnen beweren. De meeste zijn in de 19e eeuw ontstaan, de eeuw van de natievorming en de nationalistische ideologieën. Veel teksten dragen daarvan de sporen. Dat is zeker ook het geval met Wien Neêrlands bloed dat tot 1933 als volkslied functioneerde.
Het bijzondere van het Wilhelmus is dat het is geschreven vèr voor de tijd dat men in termen van natie dacht. De tekst geeft geen aanleiding tot het koesteren van nationalistische gedachten of tot het uitsluiten van (groepen) mensen, zeker niet wanneer men de gehele tekst in ogenschouw neemt. Het voornemen in het nieuwe Liedboek voor de Kerken alleen het eerste en het zesde couplet op te nemen is daarom een tragische vergissing. Het is ook belangrijk het lied in zijn historische context te plaatsen. Daar ligt een mooie taak voor het onderwijs.
De meeste volksliederen verheerlijken mensen of heldendaden of vormen een lofzang op geschiedenis of land. Het Wilhelmus vormt daarop een uitzondering. Het is niet horizontaal gericht, alsof de samenleving haar eigen krachtbron zou zijn. Het wijst op God als haar schild en betrouwen. Door het zingen van het Wilhelmus doet de kerk een appel aan overheid en samenleving Gods soevereiniteit te erkennen. Zij spoort hen aan op hem te bouwen en hem te gehoorzamen als “de hoogste Majesteit” (vs 15).
In mijn gemeente wordt niet alleen het eerste en zesde maar ook het veertiende couplet gezongen. “Tot God wilt u begeven. Zijn heilzaam woord neemt aan.” Dat is niets anders dan wat in elke kerkdienst wordt verkondigd. Dat is ook de boodschap van de kerk voor de samenleving.