Archief

Berichten getagged ‘kerk’

Tot God wilt u begeven

Je kunt overal een probleem van maken. Journalisten zijn daar nogal goed in. Neem nu het artikel dat het Nederlands Dagblad op 21 april j.l. wijdde aan het gebruik in christelijke kerken bij bepaalde gelegenheden het Wilhelmus te zingen. Volgens de krant zijn er nogal wat kerkleden die daar problemen mee hebben. De redactie heeft het onderwerp zelf op de agenda gezet. Via de rubriek ‘Meedenken’ werden lezers uitgenodigd hun gedachten hierover aan de redactie mee te delen. Deze zijn vervolgens gebruikt voor het schrijven van het artikel op 21 april. Waarom werd dit onderwerp geagendeerd? Heeft de redactie de indruk dat dit echt leeft onder kerkleden?

Volgens het artikel had meer dan de helft van de respondenten kritiek op het zingen van het Wilhelmus in de kerk. Dat ligt voor de hand: degenen die het wel best vinden zoals het gaat zullen in het algemeen niet de neiging hebben zich te melden. Ik heb zelf door de jaren heen nauwelijks gemerkt dat het als een probleem wordt ervaren. Eén van de respondenten meldt dat sommigen de kerk uitlopen als het Wilhelmus wordt aangeheven. Dat heb ik nog nooit meegemaakt. Zo’n 15 jaar geleden – schat ik – kreeg in mijn gemeente iemand de gelegenheid zijn bezwaren tegen het zingen van het Wilhelmus in de kerk toe te lichten. Na afloop werden de meningen van de aanwezigen gepeild. Vrijwel niemand deelde zijn bezwaren en ook de meeste jongeren waren voorstander van het zingen van het Wilhelmus.

Ook al is er reden te twijfelen aan de urgentie van het onderwerp, het kan geen kwaad er eens over na te denken en er van gedachten over te wisselen. Tradities zijn kwetsbaar, omdat niet zelden maar weinig mensen kunnen beargumenteren waarom ze bestaan. Het gevolg kan zijn dat ze eenvoudig onderuit gehaald worden wanneer iemand daartegen plausibel lijkende argumenten inbrengt. Het kan daarom nuttig zijn een traditie, zoals die van het zingen van het Wilhelmus, tegen het licht te houden en zich af te vragen of en zo ja, waarom ze in stand zou moeten blijven. Daartoe doe ik hier een poging. Daarbij neem ik dan ook de argumenten van de tegenstanders, zoals die in het artikel in het Nederlands Dagblad naar voren gebracht worden, onder de loep.

Ik zie drie redenen om bij bepaalde gelegenheden het Wilhelmus in de kerk te zingen.

In de eerste plaats is het zingen van het Wilhelmus een uitdrukking van respect voor de overheid en een publieke erkenning van haar gezag. Dat is in overeenstemming met wat de kerk belijdt ten aanzien van het vijfde gebod in de Heidelbergse Catechismus (Zondag 39) en wat ze uitspreekt over de oorsprong van het overheidsambt in de Nederlandse Geloofsbelijdenis (art. 36). Het Wilhelmus zelf sluit zich bij deze belijdenis aan, niet alleen in het eerste, maar ook in het laatste couplet.
In haar functie van staatshoofd vormt de koningin de personificatie van het overheidsgezag. Dit feit rechtvaardigt het zingen van het Wilhelmus bij haar verjaardag.
Het is van belang hier te onderstrepen dat het respect voor de overheid gemotiveerd is door het ambt, niet door de persoon die een ambt bekleedt.

Vanuit het bovenstaande kunnen twee argumenten tegen het zingen van het Wilhelmus worden weerlegd.
Volgens historicus George Harinck is een deel van het verzet te verklaren vanuit het feit dat kerkgangers kritischer worden over het Oranjehuis. Eén van de belangrijkste argumenten van de criticus in mijn gemeente naar wie ik eerder verwees was het gedrag van allerlei leden van het huis van Oranje in heden en verleden. Die verwijzing is niet relevant. Het is heel modern het onderscheid tussen ambt en persoon te laten vervagen. Iemand respect betonen vanwege zijn ambt is niet bepaald in de mode. Wie een ambt bekleedt moet het recht op respect verwerven, is de gangbare gedachte. Met een Schriftuurlijke visie op gezag heeft die niets te maken. De opvattingen of levensstijl van gezagsdragers komen in geen enkel opzicht in mindering op het gezag dat zij hebben. Dat is niet gebaseerd op hun persoonlijke eigenschappen maar op hun ambt. (Dat het bekleden van een ambt verantwoordelijkheden meebrengt ten aanzien van de levensstijl staat hier niet ter discussie.) Of leden van het Oranjehuis een scheve schaats rijden of hebben gereden doet in dit verband niet ter zake.
Een ander punt van kritiek betreft de relatie tussen het Wilhelmus en het vorstenhuis. Volgens een gereformeerd-vrijgemaakte predikant hebben vooral jongeren er moeite mee “loyaliteit te betuigen aan het koningshuis”. Maar, zoals gezegd, het gaat niet om het koningshuis, maar om de koningin als ambtsdrager en als personificatie van de overheid. De gevoelens ten aanzien van het koningshuis als zodanig staan hier buiten.

Vervolgens wordt door het zingen van het Wilhelmus ook de verbondenheid van de kerk met de maatschappij tot uitdrukking gebracht. Christenen zoeken elkaar op en hechten veel waarde aan de omgang met gelijkgezinden. Voor allerlei doeleinden richten ze eigen organisaties op en hun overtuigingen staan niet zelden haaks op de in de maatschappij overheersende inzichten. Daaruit wordt soms de conclusie getrokken dat ze zich van de samenleving afkeren. Maar de kerk en haar leden vormen geen maatschappij in de maatschappij. Door het zingen van het Wilhelmus in de kerk – die de zichtbare manifestatie van de gemeenschap van de heiligen is – wordt onderstreept dat ze niet met hun rug naar de samenleving willen staan, maar zich daarmee verbonden weten en daarin en daarvoor verantwoordelijkheid willen dragen.
Met nationalisme heeft het zingen van het Wilhelmus niets te maken. “Een volkslied is bedoeld om te onderstrepen dat we bij één en dezelfde natie horen. Daarmee sluiten we automatisch anderen uit”, zo wordt iemand geciteerd. Er zijn ongetwijfeld veel volksliederen waarvan je dat met recht zou kunnen beweren. De meeste zijn in de 19e eeuw ontstaan, de eeuw van de natievorming en de nationalistische ideologieën. Veel teksten dragen daarvan de sporen. Dat is zeker ook het geval met Wien Neêrlands bloed dat tot 1933 als volkslied functioneerde.
Het bijzondere van het Wilhelmus is dat het is geschreven vèr voor de tijd dat men in termen van natie dacht. De tekst geeft geen aanleiding tot het koesteren van nationalistische gedachten of tot het uitsluiten van (groepen) mensen, zeker niet wanneer men de gehele tekst in ogenschouw neemt. Het voornemen in het nieuwe Liedboek voor de Kerken alleen het eerste en het zesde couplet op te nemen is daarom een tragische vergissing. Het is ook belangrijk het lied in zijn historische context te plaatsen. Daar ligt een mooie taak voor het onderwijs.

De meeste volksliederen verheerlijken mensen of heldendaden of vormen een lofzang op geschiedenis of land. Het Wilhelmus vormt daarop een uitzondering. Het is niet horizontaal gericht, alsof de samenleving haar eigen krachtbron zou zijn. Het wijst op God als haar schild en betrouwen. Door het zingen van het Wilhelmus doet de kerk een appel aan overheid en samenleving Gods soevereiniteit te erkennen. Zij spoort hen aan op hem te bouwen en hem te gehoorzamen als “de hoogste Majesteit” (vs 15).

In mijn gemeente wordt niet alleen het eerste en zesde maar ook het veertiende couplet gezongen. “Tot God wilt u begeven. Zijn heilzaam woord neemt aan.” Dat is niets anders dan wat in elke kerkdienst wordt verkondigd. Dat is ook de boodschap van de kerk voor de samenleving.

De kerk en het verval van de christelijke politiek

6 maart 2011 1 reactie

Ook al is dit weblog vooral aan kerkelijke zaken gewijd, de kerk staat midden in de wereld. Dus er is alle reden eens naar de uitkomst van de verkiezingen voor de provinciale staten te kijken. Daar valt vanuit politiek en maatschappelijk oogpunt van alles over te zeggen. Ik beperk me hier tot één belangrijk aspect dat ik ook al aan de orde stelde na de verkiezingen voor de Tweede Kamer van vorig jaar.

Toen was één van de opvallendste aspecten van de uitslag het enorme stemmenverlies van de christelijke partijen waardoor hun aantal zetels in de Tweede Kamer fors werd gereduceerd. Vooral bij het CDA was het verlies enorm. Naar verhouding wisten de Christenunie en de SGP zich redelijk te handhaven. Ook al moest eerstgenoemde een zetel afstaan, echt dramatisch was het verlies niet. De uitslag van de verkiezingen van vorige week woensdag laat een op het eerste gezicht vergelijkbaar, maar bij nadere beschouwing toch ander beeld zien. Het CDA heeft zich weliswaar kunnen handhaven, maar van enig herstel was geen sprake. De SGP wist wat stemmen te winnen, maar er waren toch ook heel wat plaatsen waar ze veren moest laten. Deze keer viel de klap vooral bij de Christenunie. Een deel van het verlies is te wijten aan de substantieel hogere opkomst, die altijd in het nadeel van partijen met een trouwe achterban werkt. En omdat een deel van de aanhang bij de kamerverkiezingen al had afgehaakt, kan het niet verbazen dat het verlies van toen bij deze verkiezingen doorwerkte.

Maar er was toch iets opvallends. Het waren vooral christelijke bolwerken waar de Christenunie stemmen verloor. Daartoe behoren plaatsen als Bunschoten en Urk en dorpen op de Veluwe. Juist daar waar de Christenunie altijd zeker kon zijn van een omvangrijke en trouwe achterban raakte ze vele stemmen kwijt. Waar zijn die stemmen naartoe gegaan? Het lijkt erop dat de SGP hiervan een deel heeft gekregen. Maar de bescheiden stemmenwinst van de SGP kan het soms grote verlies van de Christenunie niet helemaal verklaren. In de genoemde plaatsen kreeg ook de PVV flink wat stemmen. Dat bracht Trouw ertoe te schrijven dat nu ook aanhangers van de Christenunie naar de PVV zijn overgelopen.

Zonder verder onderzoek is die conclusie wat voorbarig. Wanneer partij A 10 procent van de stemmen verliest en partij B 10 procent wint, is het verleidelijk aan te nemen dat die 10 procent van de ene naar de andere partij is gegaan. Maar zo eenvoudig is het meestal niet. Desalniettemin is er wel reden aan te nemen dat inderdaad van een overloop van de Christenunie naar de PVV sprake is. Na de kamerverkiezingen van vorig jaar is door een commissie uit de Christenunie een onderzoek gehouden. Daaruit kwam geen substantieel stemmenverlies aan de PVV naar voren. Er was eerder sprake van verlies aan linkse partijen, deels – maar niet uitsluitend – van kiezers die van nature niet tot de achterban van de partij behoren maar bij eerdere verkiezingen Christenunie gestemd hadden vanwege een aansprekend programma. Het is niet uitgesloten dat ook bij deze verkiezingen sommige kiezers die eerder Christenunie hebben gestemd, nu één van de linkse partijen hebben gekozen. Maar of dat ook voor de genoemde gemeenten geldt is maar zeer de vraag. Het sterk conservatieve karakter van deze plaatsen lijkt er eerder op te wijzen dat kiezers uit de natuurlijke achterban van de Christenunie dit keer hun stem aan de PVV hebben gegeven.

Wellicht liggen hier ook strategische overwegingen aan ten grondslag. Men wilde door een stem op de PVV – en misschien ook de SGP – bereiken dat dit kabinet, dat door de Christenunie nogal kritisch bejegend wordt, in de Eerste Kamer een meerderheid zou krijgen. Er kunnen ook meer inhoudelijke redenen zijn. Welke dat precies zijn is niet zonder nader onderzoek vast te stellen. Maar het zou naïef zijn te denken dat de achterban van de Christenunie immuun zou zijn voor de mantra’s die door PVV-politici worden aangeheven. U kent ze wel: de klachten over niet-westerse allochtonen – lees: moslims -, de gevaren van ‘islamisering’ en de teloorgang van de ‘christelijk-joodse cultuur’.

Die aantrekkingskracht bestond waarschijnlijk al wel eerder. Maar de drempel om naar de PVV over te stappen was groot. Tegen de PVV bestaat in christelijke kring veel weerstand. Het kost dus moeite om de overstap te maken. Het lijkt erop dat de rem om PVV te stemmen, begint de verdwijnen. En dat heeft ongetwijfeld te maken met het feit dat de PVV nu bij het regeringsbeleid is betrokken. Weliswaar is ze geen volwaardig coalitiepartner, maar haar wordt wel invloed op het regeringsbeleid gegund. Het ligt voor de hand te concluderen dat dit de drempel om PVV te stemmen, heeft verlaagd. Kortom, de gedoogsteun van de PVV aan het kabinet-Rutte heeft haar salonfähig gemaakt.

“Er is werk aan de winkel”, zei André Rouvoet als reactie op de teleurstellende verkiezingsuitslag. Dat geldt niet alleen voor de Christenunie, maar ook voor de christelijke kerken. Want daar is de traditionele achterban van de Christenunie te vinden. En dat betekent dat ook kerken voor de vraag staan hoe ze met dit verschijnsel omgaan. Dat leden van christelijke kerken op niet-christelijke partijen stemmen is geen nieuw verschijnsel. In kerken die een grote verscheidenheid aan dogmatische opvattingen kennen, zoals de PKN en de kerken waaruit ze is voortgekomen, is dat al decennia lang de gewoonste zaak van de wereld. Maar inmiddels is dit verschijnsel ook in kerken van een meer orthodoxe signatuur doorgedrongen. Er zijn gereformeerden die op GroenLinks of de SP stemmen, of zelfs op D66 – van de genoemde partijen waarschijnlijk wel het meest uitgesproken antichristelijk. Tot op heden geven kerken niet de indruk dit als een groot probleem te zien dat een antwoord vraagt.

Het lijkt erop dat steeds meer leden van christelijke kerken de PVV hun stem geven. Zal dat de kerken wakker schudden? De kerk heeft geen politieke taak. Vroeger namen de rooms-katholieke bisschoppen de vrijheid de gelovigen voor te schrijven op welke politieke partij ze moesten stemmen. Die tijden zijn voorbij, gelukkig. Met zulke voorschriften zou de kerk haar boekje te buiten gaan. Het zou ook onjuist zijn in de kerk verkiezingsmateriaal van de Christenunie of de SGP neer te leggen. Maar dat betekent niet dat het de kerk om het even mag zijn welke keuze haar leden in het stemhokje maken. Die keuze heeft immers alles te maken met het leven naar Gods wet.

In kerkdiensten wordt de lezing van de Tien Geboden vaak gevolgd door de samenvatting die Jezus ervan heeft gegeven. Het tweede deel daarvan luidt: heb uw naaste lief als uzelf. Kan wie dat ‘s zondags hoort, de woensdag daarop het hokje rood maken bij een partij die naastenliefde niet in haar woordenboek heeft staan? Is Jezus’ voorschrift in de Bergrede dat we zelfs onze vijanden moeten liefhebben te verenigen met de keuze voor een partij die mensen vanwege hun geloof wil discrimineren, in de hoop dat ze hun biezen pakken?

Maar de kerk moet de spade nog wat dieper in de grond steken. Waarom nemen gelovigen hun toevlucht tot de PVV? Die speelt vooral in op de angst voor een machtsgreep van de islam. Met de vraag of die angst reëel is moet de kerk zich niet bezighouden. Dat is iets voor het maatschappelijke en politieke debat. De vraag die de kerk moet stellen is: hoe is de angst voor islamisering te verenigen met de belijdenis van Gods voorzienigheid? En stel nu eens dat er inderdaad een tijd aanbreekt dat christenen in hun vrijheid beperkt worden door moslims – of door wie dan ook. Drs. C.J. Haak, docent missiologie aan de TU te Kampen, zei kortgeleden: als de kerk wordt platgebrand, wat dan nog? Dan bouwen we toch een nieuwe? Dat klinkt wat erg simpel, maar hij treft daarmee wel de kern van de zaak: zijn we als christenen bereid te lijden? Of verdedigen we onze comfortabele maatschappelijke positie vooral om dat gevaar uit te bannen? Zo ja, wat zegt dat dan over ons geloof? Is ons dat nog wat waard?

Ook voor de kerk is er werk aan de winkel.

Evangelisatie en kerk

De vereniging Evangelisatie & Recreatie is een organisatie die uitgaat van de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) (GKV). Ze houdt zich bezig met evangelisatie-activiteiten tijdens de zomervakantie in verschillende vakantiecentra in Nederland, zoals aan stranden en op campings. De vereniging heeft een semi-officiële status: het is een zelfstandige vereniging, die haar eigen beleid bepaalt, maar tegelijk door de kerken financieel ondersteund wordt. Ook wordt elk jaar aan de kerken gebed gevraagd voor de activiteiten die tijdens de vakantiemaanden zullen plaatsvinden.

Het Nederlands Dagblad berichtte op 28 april j.l. dat de vereniging besloten heeft het lidmaatschap open te stellen voor leden van de Christelijke Gereformeerde Kerken (CGK) en de Nederlands Gereformeerde Kerken (NGK). Daarmee volgt ze het voorbeeld van veel andere organisaties die de laatste tien tot vijftien jaar hun exclusieve binding aan de vrijgemaakt-gereformeerde kerken hebben losgelaten.

Dat was soms onvermijdelijk en vanuit principieel oogpunt hoeft er niet altijd bezwaar tegen gemaakt te worden. Maar organisaties die zich voornamelijk of uitsluitend richten op geloofsopvoeding of geloofsopbouw nemen een bijzondere positie in. Hierbij kan gedacht worden aan studentenverenigingen. Er is vrijwel geen studentenvereniging meer te vinden die reglementair heeft vastgelegd dat alleen leden van de GKV als leden worden toegelaten. De meeste van zulke verenigingen hebben als doelstelling de leden te vormen tot christelijk academicus – of hoe de gebruikte formulering ook mag luiden. Die doelstelling maakt een kerkelijke binding meer urgent dan bij een organisatie die maatschappelijke of politieke activiteiten ontwikkelt.

Geloof en kerk hebben immers alles met elkaar te maken. De Nederlandse Geloofsbelijdenis (NGB) brengt dat in artikel 28 tot uitdrukking wanneer ze uitspreekt dat niemand zich afzijdig mag houden van de kerk van Christus. Geloven in Christus impliceert het zich voegen bij zijn kerk.

Maar Christus verkondigde toch vooral de komst van het koninkrijk van God, zou men kunnen tegenwerpen. Dat is juist, maar doet niets af aan de betekenis van de kerk. Onderweg naar de voltooiing van dat koninkrijk is de kerk de plaats waar Christus zijn onderdanen verzamelt en instrueert. Het al genoemde artikel van de NGB verzuimt niet uit te leggen wat de betekenis van de kerk in dit verband is. De nauwe band tussen kerk en koninkrijk wordt ook tot uitdrukking gebracht in Zondag 48 van de Heidelbergse Catechismus, volgens welke de bede ‘uw koninkrijk kome’ onder andere betekent: “bewaar en vermeerder uw kerk”.

De centrale plaats van de kerk in het koninkrijk is voor evangelisatieactiviteiten van bijzonder gewicht. Omdat geloof en kerk bijeenhoren, dient evangelisatie haar uitgangspunt te nemen in en gericht te zijn op de kerk. De in de Gereformeerde Kerken gehanteerde Kerkorde bepaalt in art. 26 dan ook expliciet dat evangelisatieactiviteiten gericht moeten zijn op het lidmaatschap van de kerk.

In het licht van het bovenstaande levert de openstelling van de vereniging E&R een probleem op. De vereniging deelt zelf mee dat deze openstelling niet impliceert dat de band met de GKV wordt losgelaten. “Onder verantwoordelijkheid van die plaatselijke gemeente zal het evangelisatiewerk plaatsvinden. Met deze besluiten blijft de vereniging bewust kiezen voor kerkgebonden evangelisatie.”

Maar wat is dan de reden de vereniging voor leden van andere kerken open te stellen? Kan van leden van de CGK of de NGK verwacht worden dat ze in hun evangelisatiecontacten naar de GKV verwijzen? En wat wordt geantwoord op vragen over de kerk en over kerkelijke verdeeldheid? Over de motieven tot openstelling wordt geen duidelijkheid verstrekt.

Er zit nog een ander aspect aan. De vereniging wordt niet zomaar opengesteld, maar alleen voor leden van twee met name genoemde kerken.

Principieel bestaat er geen bezwaar tegen toelating van leden van de CGK. De GKV hebben deze kerken als kerken van Christus erkend en daarmee uitgesproken dat kerkverbandelijke eenheid geboden is. Maar het is niet de taak van een vereniging als E&R daarop een voorschot te nemen. Kerkelijk gebonden organisaties dienen geen trendsetters, maar trendvolgers te zijn.

Veel problematischer is de toelating van leden van de NGK. Het proces van samenspreking tussen GKV en NGK loopt bepaald niet op rolletjes en dat is niet verbazingwekkend. Binnen de NGK bestaan grote verschillen in de manier waarop met de Schrift en de belijdenis wordt omgegaan, en ook in de kerkelijke praktijk bestaan soms fundamentele verschillen. En dan laat ik het kerkordelijke aspect nog buiten beschouwing. Toelating van leden van de NGK als lid van de vereniging E&R is dan ook principieel niet verdedigbaar.

Op grond van de hier geschetste ontwikkelingen lijkt het me onvermijdelijk dat de GKV hun opstelling ten aanzien van E&R kritisch overdenken.

Categorieën:kerk Tags:, , , , , , ,

Aanpassen of wegwezen?

‘Aanpassen’ is een veel gebruikt begrip in de samenleving van vandaag, vooral in de discussie over de integratie van allochtonen. Maar ook in kerkelijke discussies speelt het een rol. Verschillende recente publicaties over de toekomst van de kerk houden zich bezig met de vraag of, en zo ja hoe, de kerk zich zou moeten aanpassen aan de moderne samenleving.

George Harinck noemt enkele van deze publicaties in zijn column in het Nederlands Dagblad van 3 april j.l. Zijn bijdrage draagt de titel ‘Toekomst kerk niet in huidige vorm’. Daarin betoogt hij dat, wil de kerk toekomst hebben, ze zich moet aanpassen aan de samenleving. Kort gezegd: aanpassen of wegwezen. Harinck doelt op de vorm waarin de kerk zich presenteert. Hij heeft het niet over de leer van de kerk. Maar zijn vorm en inhoud wel zomaar te scheiden?

Zoals elke cultuur is ook de kerkelijke cultuur aan verandering onderhevig. De tijden veranderen en de kerk verandert mee.
Dat is een natuurlijk proces. Het zou geen goed teken zijn wanneer de kerk niet zou veranderen. Maar veranderingen zijn niet per definitie positief te waarderen. De kerk is onlosmakelijk met de cultuur verbonden, maar dient daar ook kritisch tegenover te staan. Dat betekent dat ze zich steeds zal moeten afvragen wat verpakking is – en dus voor verandering vatbaar – en wat voortvloeit uit de Schrift en dus onopgeefbaar is.
Dat is dus ook de vraag die bij het artikel van Harinck gesteld moet worden. Zijn de voorbeelden die hij geeft van aspecten van de kerkelijke cultuur die niet passen bij de huidige samenleving, inderdaad alleen maar verpakking of raken die het wezen van de christelijke kerk?

Zijn uitgangspunt is een waarneming van de manier waarop de politiek functioneert. Hij concentreert zich daarbij vooral op de organisatievorm en de manier waarop politieke meningsvorming plaatsvindt. Kernpunten daarbij zijn dat de politieke partij een vorm is die zichzelf heeft overleefd omdat de burger van nu niet geïnteresseerd is in een totaalvisie maar zijn standpunt per onderwerp bepaalt en er de voorkeur aan geeft individueel te leven in plaats van groepsgewijs.

Die ontwikkeling gaat aan de kerk niet voorbij. “Kerkleden hebben niet meer het clubgevoel dat vroeger zo goed bij de kerk en bij hen paste, ze hebben geen behoefte aan de activiteiten die een kerk biedt, ze willen niet verplicht zijn elke zondag te komen en steigeren als ze door het bestuur op hun gebrekkige betrokkenheid worden aangesproken. Dat komt lang niet altijd omdat deze leden onverschillige christenen zijn geworden, maar vaak wel omdat deze mensen niet meer functioneren in een structuur die in de kerk nog steeds bestaat: die van de groep en van de verenigingsvorm van vroeger.”

Aangenomen dat deze analyse juist is – en daar valt wel wat op af te dingen -, welke conclusies zou de kerk daaruit moeten trekken? In welke zin zou de kerk moeten veranderen om meer aansluiting te vinden bij de maatschappelijke ontwikkelingen? Daarop geeft Harinck geen antwoord. “Er is veel in beweging in de samenleving, zonder dat duidelijk is waarheen.” Dat is ongetwijfeld waar, maar dat maakt het tegelijk vrijwel onmogelijk zich daaraan aan te passen. Een kerk die besluit een bepaalde richting in te slaan, moet wel eerst weten waar ze uit wil komen. Dat moet passen binnen de grenzen van wat essentieel en dus onopgeefbaar is.

De verschijnselen die Harinck op het christelijke erf meent waar te nemen, bieden weinig perspectief voor de kerk. Volgens hem willen kerkleden niet verplicht worden elke zondag naar de kerk te komen. Ik geloof dat hij daarin overdrijft. Wel valt te constateren dat het bijwonen van twee diensten per zondag aan sterke erosie onderhevig is. En ook nemen kerkleden in toenemende mate de vrijheid de eigen bijeenkomsten links te laten liggen en een dienst uit te zoeken die van hun gading is.

Wat moet de kerk daarmee? Zijn de zondagse bijeenkomsten alleen maar een onderdeel van de kerkelijke cultuur die geen directe relatie heeft met hoe de Schrift over de kerk spreekt? Vast staat dat regelmatige bijeenkomsten van het volk van God een constant gegeven zijn in de Schrift, zowel in het Oude als het Nieuwe Testament. De schrijver van de brief aan de Hebreeën roept zijn lezers nadrukkelijk op de onderlinge bijeenkomsten niet te verzuimen. En uit de brieven die de apostel Johannes vanaf Patmos schrijft aan de zeven gemeenten in Klein-Azië wordt duidelijk dat deze voorgelezen moesten worden aan alle gemeenten. Dat veronderstelt een samenkomst van de gelovigen.

De manier waarop de gemeente samenkomt is cultureel en historisch bepaald. Voor het houden van twee kerkdiensten op een zondag is geen Schriftuurlijk voorschrift te vinden. Er zijn nog wel andere gewoonten waarvoor men zich niet direct op de Schrift kan beroepen, zoals de voorlezing van de Wet in de morgendienst en het uitspreken van de geloofsbelijdenis in de middagdienst. Dat is historisch zo gegroeid en kan dus in principe ook veranderen.

Maar niet alles wat historisch gegroeid is kan op één hoop worden gegooid. Het gebruik van het orgel in de eredienst is een historisch verschijnsel dat sterk verbonden is met de Westeuropese cultuur. In andere culturen zul je geen orgel in de kerk aantreffen. Bij verschijnselen als de lezing van de Wet en de geloofsbelijdenis ligt dat toch wat anders. Daarvoor zijn goede gronden aan te voeren en wie van mening is dat deze gewoonten moeten veranderen, zal daarvoor met argumenten moeten komen.
Hetzelfde geldt voor het verschijnsel van twee kerkdiensten per zondag. Dat mag niet gegrond zijn in de Schrift, daarvoor zijn wel goede redenen en wie daarmee wil breken zal steekhoudende argumenten moeten hebben. Een beroep op wat voor de samenleving of de eigen leden nog aanvaardbaar is, behoort daar niet toe.

En dat brengt tot de kern van de zaak. De kerk moet proberen ‘buitenstaanders’ te bereiken. De kerk moet zich evenzeer inspannen de leden van de kerk vast te houden. Maar wat maatschappelijk aanvaardbaar is, kan daarbij nooit maatstaf zijn.
Het is praktisch onmogelijk, want daarvoor is de maatschappij, zoals Harinck zelf al schrijft, teveel in beweging. De samenleving is ook zo veelkleurig dat een kerk zich hooguit kan aanpassen aan een deel van de samenleving. Daarbij zal ze  onvermijdelijk een ander deel van die samenleving missen. Want het is ongetwijfeld waar dat veel mensen tegenwoordig geen behoefte hebben aan de structuur van een vereniging of een organisatie als de kerk. Maar er zijn ook mensen die juist wèl behoefte hebben aan structuur, zoals bijvoorbeeld een kerk kan bieden. Die zijn niet alleen buiten de kerk, maar ook binnen de kerk te vinden.
Niet voor niets spreekt men wel van de ‘verweesde samenleving’. De waarnemingen van Harinck zijn eenzijdig en hebben betrekking op dat deel van de samenleving dat bestaat uit mensen die zich prima kunnen redden. Maar dat is niet de hele samenleving.

Aanpassing aan wat maatschappelijk aanvaardbaar wordt geacht, is ook principieel gezien onmogelijk. Niet de samenleving, maar de Schrift is maatstaf. Een kerk die toegeeft aan het dominante individualisme van de moderne samenleving verliest haar bestaansrecht. Sinds de komst van Christus op aarde is het koninkrijk van God bezig gestalte te krijgen. De kerk is daarvan het centrum: daar brengt God mensen bijeen die hij wil inzetten voor dat koninkrijk. Daar wil hij hen ook instrueren door middel van de verkondiging van zijn Woord. De kerk en haar bijeenkomsten zijn dus op schriftuurlijke gronden onopgeefbaar. Daarom moet zij zich distantiëren van het individualisme van buiten èn van binnen.

Een kerk die zich aanpast, heeft geen toekomst. Het is niet ‘aanpassen of wegwezen’, maar eerder ‘aanpassen èn wegwezen’. De kerk overleeft alleen wanneer ze de moed heeft zich niet aan te passen aan de waan van de tijd, maar anders durft te zijn.

Kerkgroei: een normale conditie?

29 maart 2010 1 reactie

‘Randen van de kerk moeten flexibeler worden’. Dat was een kop in het Nederlands Dagblad van 19 maart. Die stond boven een verslag van de conferentie van Europese gereformeerde en presbyteriaanse kerken, die vorige week in Edinburgh werd gehouden. Zo’n kop intrigeert, want wat wordt precies bedoeld met de ‘randen van de kerk’? En in welke zin moeten die ‘flexibeler’ worden?

Het thema van de conferentie was de missionaire kracht van de gereformeerde theologie en traditie. Er werd gesproken over de mogelijkheden als kerken ‘Europa te bereiken’. Daarbij draaide men er niet omheen dat daarvan tot nu toe niet veel terecht is gekomen. In het verslag werd een impressie gegeven van een gesprek tussen de Schotse dominee David Robertson en de Nederlandse theoloog Stefan Paas. Ondanks hun verschillen van mening op bepaalde punten deelden ze de overtuiging dat “de grenzen van de kerk veel flexibeler moeten worden”. “De Bijbel en het kruis in het centrum, daar moet alles om gaan, en daarnaast ‘veel ruimte aan de grenzen’.”

Het blijft wat onduidelijk wat ze daaronder precies verstaan. Heeft men vooral het culturele aspect op het oog? Of bedoelt met een concentratie op wat tot het centrum van het christelijk geloof behoort? Zijn dat de Bijbel en het kruis? Zo ja, wat is dan precies ‘de rand’ of wat zijn ‘de grenzen’?

Andere opmerkingen die volgens het verslag zijn gemaakt, helpen niet verder. Robertson wijst erop dat de kennis van het evangelie zo gering is geworden dat de kerken vragen beantwoorden die de mensen niet stellen. En Stefan Paas is kritisch over de belijdenisgeschriften, omdat ze niet ingaan op vragen die “christenen en moderne mensen nu bezighouden”. Daartoe rekent hij de vraag of God bestaat, over de verhouding tussen schepping en wetenschap en over de islam. Maar zijn dat dan wel zaken die het centrum van het christelijk geloof betreffen? Het bestaan van God uiteraard wel, maar de verhouding tussen geloof en wetenschap? Zou het feit dat de belijdenisgeschriften daarover zwijgen er op kunnen duiden dat dit niet tot het centrum van het christelijk geloof behoort?

Een belangrijk thema binnen de evangelisatie van nu is het fenomeen van de kerkplanting. Dat zou wel eens met de hier gesignaleerde problemen kunnen samenhangen. Kerkplanting is eigenlijk een poging overnieuw te beginnen en ‘historische ballast’ achter zich te laten. Wellicht kan men dan gemakkelijker aansluiten bij de moderne cultuur en ingaan op vragen die de mensen van nu stellen. Maar uit het verslag van de slotdag van de conferentie blijkt wel dat ook dit niet van een leien dakje gaat.

Heeft dat wellicht te maken met overspannen verwachtingen? Dat is een kwaal waaraan mensen die zich veel met evangelisatie bezighouden, nogal eens lijken te lijden. Ze constateren dat veel mensen onbevredigd zijn over hun leven en vaak ervaren dat het leeg is. Maar mag je daaruit de conclusie trekken dat die mensen ook op het evangelie zitten te wachten? De Schotse kerkplanter David Meredith zegt, volgens het Nederlands Dagblad van 19 maart: “Dat een kerk groeit, is een normale conditie. Zo niet, dan is er iets mis”.

Dat is een nogal boude uitspraak. Waar in de bijbel is te lezen dat groei de ‘normale conditie’ van de kerk is? De bijbel heeft het eerder over toenemende afval en zelfs de mogelijkheid dat de kerk geheel verdwijnt – niet van de aarde, maar toch wel uit een deel van de wereld. Bovendien verdwijnt op deze manier de bijbelse notie dat het de heilige Geest is die geloof geeft, uit beeld. De Geest waait waarheen hij wil: hij kan mensen het geloof geven, maar het hun ook onthouden.

Merediths uitspraak is niet alleen bijbels moeilijk te verantwoorden, ze zet ook de christelijke kerk en elke christelijke gemeente onder onaanvaardbare druk. De consequentie van deze opvatting is namelijk dat wanneer een gemeente niet groeit, de oorzaak bij haar zelf ligt.

Nu is er uiteraard geen enkel bezwaar tegen wanneer een gemeente eens kritisch naar zichzelf kijkt. Sterker nog, dat moet ze voortdurend doen, en niet alleen wanneer er geen groei is. Maar het is niet eerlijk een gemeente per definitie de schuld van een gebrek aan groei te geven. Daarmee doet men haar en haar leden onrecht.

Het kan ook leiden tot krampachtigheid. Omdat de gemeente behoort te groeien gaat men zich in allerlei bochten wringen om die groei te bewerkstelligen. En dat kan ongewenste effecten hebben. De aandacht voor ‘buitenstaanders’ kan zoveel aandacht opslokken dat de zorg voor de leden van de gemeente erbij inschiet. Men kan zover gaan in het zich aanpassen aan wat men denkt dat buitenstaanders verwachten of wensen aan te treffen dat bij de leden van de gemeente een gevoel van vervreemding optreedt.

Wanneer een gemeente groeit door toetreding van mensen die niet met het geloof zijn opgegroeid en vreemd staan tegenover kerkelijke gewoonten en tradities, zal de kerkelijke cultuur logischerwijs veranderen. Dat is niet erg, want die cultuur is voor een groot deel niet specifiek gerelateerd aan bijbelse voorschriften. Maar dat de kerk per definitie haar eigen cultuur heeft, daarvoor hoeft ze zich niet te schamen of te verontschuldigen. Een kerk is iets fundamenteel anders dan de publieke samenleving.

In de samenleving kunnen allerlei opvattingen en culturen naast elkaar bestaan. In de kerk is dat anders. Hoe verschillende ‘culturen’ – hoe ook gedefinieerd – in de kerk samen kunnen leven, daarover zou nog eens een stevig debat gevoerd moeten worden. Maar als de kerk echt wil openstaan voor wie nu nog ‘buiten’ zijn, zal ze gastvrij moeten zijn, maar tegelijk duidelijk moeten zijn over het centrum en de grenzen van de kerk. Juist de belijdenisgeschriften zijn daarbij een onmisbaar hulpmiddel.

Het kerklied en de kerkliedjes

18 maart 2010 2 reacties

“De bisschoppelijke censor van het bisdom Den Bosch heeft onlangs bepaald dat een aantal kerkliederen niet meer gezongen mag worden in de rooms-katholieke liturgie”, meldde Katholiek Nederland onlangs. De censor, pastoor Mennen uit ‘s-Hertogenbosch, behoort daarvoor argumenten aan te dragen. Dat doet hij ook.

Daartoe behoren “dat een lied theologisch niet klopt, niet conform de aard van de liturgie is, niet over God gaat, of gewoonweg te banaal is. Dat laatste is volgens de censor het geval bij Wij gaan de weg van oude woorden. ‘Dit lied is te banaal om in de rk-liturgie gebruikt te kunnen worden. De gemeenschap bespreekt zichzelf; het lied mist in grote mate christelijke geloofsinhoud.’”

Ik ken dat lied niet noch de andere liederen die in de verschillende persberichten genoemd worden. Dat een aantal van die liederen gedicht is door Huub Oosterhuis heeft direct al kwaad bloed gezet en tot de verdachtmaking geleid dat het er vooral om gaat hem een hak te zetten. Zoals zo vaak bij meningsverschillen worden de zaken direct weer persoonlijk gemaakt. Dat is nogal zwak en lijkt vooral bedoeld te zijn om een inhoudelijke discussie uit de weg te gaan.

“De Kerk schrijft voor, zegt de bisschoppelijke censor in Katholiek Nederland Radio, dat liturgische gezangen in eerste instantie Bijbelteksten zijn. Vrije composities moeten theologisch juist zijn, ondubbelzinnig en liturgisch bruikbaar.” Daar lijkt me weinig op af te dingen. Juist dat eerste punt zal bij de liederen van Huub Oosterhuis een probleem zijn. Theologisch kan hij als vrijzinnig worden beschouwd en dat zal in sommige van zijn liederen wel naar voren komen.

Ook elders heeft de censor van zich laten horen. In het Nederlands Dagblad van 18 maart j.l. is te lezen dat door de censor van het aartsbisdom Utrecht Lied 328 uit het Liedboek voor de Kerken is afgekeurd. Dat begint zo: “Here Jezus, om uw woord / zijn wij hier bijeengekomen”. “Te protestants in zijn visie op de samenkomst, luidde het oordeel van de censor van het aartsbisdom.” Rome en Reformatie liggen nog steeds mijlenver uit elkaar, zo mag daaruit geconcludeerd worden.

Intussen is het wel terecht dat dit lied dan wordt afgekeurd. In reformatorische kerken worden tenslotte ook geen liederen gezongen waarin Maria wordt vereerd als ‘moeder Gods’ of het kruis wordt aangesproken. Liederen behoren “theologisch juist” te zijn, dat wil zeggen dat ze niet in strijd mogen zijn met de leer van de kerk. Dat geldt voor gereformeerde kerken en de rooms-katholieke kerk in gelijke mate. Dat er nu pas wordt opgetreden tegen de wildgroei van ‘kerkliedjes’, zoals de kop in het ND ze noemt, is wel merkwaardig. Jarenlang heeft men deze zaak laten versloffen. Dat er protest komt wanneer dan eindelijk wordt opgetreden, is begrijpelijk. Een kerk kan niet zonder censuur. Een kerk die daarmee geen ernst maakt, moet daarvan te zijner tijd de wrange vruchten plukken.

Theologische maatstaven leveren op zichzelf geen probleem op. Moeilijker wordt het als ook de stijl ter sprake komt. De berichten over de ten aanzien daarvan aangelegde criteria zijn enigszins verwarrend. Volgens het Nederlands Dagblad zegt Mennen dat de tekst niet al te dichterlijk moet zijn – “een normaal mens moet het kunnen begrijpen”. Op de site van Katholiek Nederland klinkt het toch wat anders. “‘Ze mogen wel poëtisch zijn, liefst wel.’ De poëtische beelden moeten door de gelovigen echter wel worden begrepen, zegt Mennen.”

Laten we het er maar op houden dat de liederen wel poëtisch moeten zijn, maar niet zodanig dat een ‘normaal mens’ het niet kan begrijpen. Dat roept wel wat vragen op. Wat is een ‘normaal mens’? Natuurlijk moet een lied begrijpelijk zijn. Het is tenslotte de bedoeling dat de gemeente – of gemeenschap, zoals roomsen dat noemen – het zingt en daarmee moet het een lied van de gemeente zijn. Maar mag niet verwacht worden dat de gelovigen enige moeite doen een lied te begrijpen? Eén van de kwaliteiten van de cantates van Bach – en van veel andere religieuze muziek uit zijn tijd – is dat er meerdere lagen in zitten. Dat betekent dat je er steeds weer nieuwe dingen in ontdekt. Zo zou dat eigenlijk met een kerklied ook moeten zijn. Voor veel liederen uit het Liedboek voor de Kerken geldt dat ook.

Elders heb ik enige tijd terug geschreven over het oprukken van de evangelische liedcultuur in reformatorische kerken. Het zogenaamde ‘opwekkingsrepertoire’ bestaat voor het grootste deel ook uit ‘liedjes’. Ze zijn meestal eendimensionaal en hebben slechts één laag – na drie keer lezen ontdek je er niets meer in dan de eerste keer. Ze missen elke diepgang en gaan daardoor snel vervelen. Ze leggen ook alles uit; er blijft niets te raden over. En zowel tekstueel als muzikaal zijn die liedjes meestal onder de maat.

Wat meer kritische zin bij het toelaten van liederen die in de liturgie een plaats kunnen krijgen, zou wel gewenst zijn. Wat dat betreft kunnen de reformatorische kerken aan de censoren van de rooms-katholieke kerk een voorbeeld nemen. Een beoordeling naar theologische criteria vindt daar wel plaats. Maar naar kwaliteit wordt nauwelijks gekeken. Over smaak valt te twisten, over kwaliteit niet.

En ook een toetsing op liturgische bruikbaarheid is geen overbodige luxe. Maar dat is een lastige opgave als een duidelijke en en bijbels gefundeerde visie op liturgie ontbreekt.

Een nieuwe kerkorde

De Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) krijgen een nieuwe kerkorde. Dat wil zeggen, als de komende Generale Synode daarmee instemt. In de pers is al één en ander uit die kerkorde onthuld. Dat gaf aanleiding tot commentaar, o.a. van de christelijke gereformeerde kerkrechtspecialist Herman Selderhuis. Op een aantal punten leverde hij kritiek (ND, 16.2.10). Ik licht er één bezwaar uit.

De kerkorde zegt: ‘De kerken, ambtsdragers en gemeenteleden leggen zich erop toe de kerkorde en de kerkelijke regelingen en besluiten in kerkelijke stijl na te leven.’ “Leggen zich erop toe? Ik ben dan geneigd te vragen: maar ben je er ook aan gebonden?” Daarover mag volgens Selderhuis geen misverstand bestaan.

In het ND van 24 februari reageert ds. F.J. Bijzet op deze kritiek. Hij wijst erop dat deze formulering niet nieuw is. Die werd al gebruikt vanaf 1978 en verving een formulering die al eeuwenoud was en die in feite hetzelfde uitsprak. Hij wijst erop dat dit geen uitdrukking van vrijblijvenheid is, maar wel een bepaalde ruimte open wil laten.

Het is goed dat ds. Bijzet hiervoor aandacht vraagt, al ben ik niet erg onder de indruk van de voorbeelden van vrijheid die hij noemt. Het is inderdaad wat overdreven ambtsdragers van een kerk uit te sluiten van deelname aan een classisvergadering wanneer ze hun credentiebrieven vergeten zijn. Aan de andere kant getuigt het niet van wijsheid deze omissie stilzwijgend te accepteren. Op die manier ontstaat al gauw het idee dat het er eigenlijk niet veel toe doet of je credentiebrieven bij je hebt of niet. Het is als met te laat komen: wanneer er nooit iets van gezegd wordt, gaat het van kwaad tot erger. En vijf minuten worden dan al gauw tien minuten. Iedereen kent het verschijnsel.

Het is inderdaad waar dat kerken een bepaalde vrijheid gelaten moet worden. Geen enkele kerkorde kan in alle gevallen voorzien en bovendien komen situaties voor waarin het rigoureus toepassen van de kerkorde ongewenste gevolgen zou kunnen hebben. Belangrijk is wel dat elke kerk bereid is zich voor een afwijking van de kerkorde te verantwoorden.

Toch is het de vraag of hiermee de kritiek geheel gepareerd is. Een kerkorde functioneert altijd in een bepaalde context. En de context van 1978 – en zeker die van de eeuwen daaraan voorafgaand – verschilt nogal van die van nu. Besluiten van kerkelijke vergaderingen en ook de kerkorde worden in toenemende mate als overbodige ballast of als irrelevant beschouwd. En waar de formulering oorspronkelijk functioneerde in een context waarin het naleven van de kerkorde als vanzelfsprekend gold, is dat nu niet meer het geval.

Dat heeft alles te maken met de manier waarop men tegen de kerkorde aankijkt. Voor velen is die niet meer dan een verzameling regeltjes. En het naleven daarvan wordt soms tegenover de liefde van Christus gesteld. Dat maakt niet alleen de discussie praktisch onmogelijk, maar creëert ook een valse tegenstelling. In reactie daarop moet de naleving van de kerkorde niet worden verdedigd met een uitspraak als ‘regels zijn regels’.

In beide gevallen wordt het karakter van de kerkorde miskend. Het gaat niet in de eerste plaats om administratieve regels, maar om beloften. De kerken van het kerkverband hebben met elkaar een aantal zaken afgesproken en beloven elkaar zich aan die afspraken te houden. Dat is geen Verdonkiaans ‘regel is regel’, maar navolging van Christus: ‘laat uw ja ja zijn en uw nee nee’.

Het woord ‘orde’ zal sommigen wellicht wat al te autoritair in de oren klinken. Het is opvallend dat Paulus in zijn eerste brief aan de Corinthiërs (14,33) tegenover wanorde niet ‘orde’ stelt, maar vrede. En dat is ook het uiteindelijke doel van de kerkorde: de vrede in de kerken te bevorderen en te bewaren. Wanneer men zich dat realiseert, is de kerkorde ineens niet meer zo’n ver-van-m’n-bed-show.

Een belangrijke functie van de Nederlandse grondwet is de individuele burger tegen de overheid te beschermen. Op dezelfde wijze beschermt de kerkorde de plaatselijke gemeente tegen heerszucht van meerdere vergaderingen en het individuele gemeentelid tegen heerszucht van voorgangers en kerkenraden. De kerkorde voorkomt dat ieder doet wat goed is in eigen ogen, tot schade van gemeenten en gemeenteleden.

Gezien de context van deze tijd pleit er veel voor de eerder genoemde bepaling in de kerkorde aan te scherpen. Daarbij zou gedacht kunnen worden aan de verplichting voor kerkenraden bij afwijking van de kerkorde een genabuurde gemeente te raadplegen.

Maar nog belangrijker is het uit te dragen dat de kerkorde niet in de eerste plaats een administratief, maar een voluit geestelijk karakter draagt.

Categorieën:christendom Tags:, ,
Follow

Get every new post delivered to your Inbox.