Archief

Berichten getagged ‘kerkorde’

Geloven doe je samen (2)

In het vorige artikel werd het belang van een gezamenlijke bezinning op actuele vragen binnen de gemeenschap van de kerk beklemtoond. Maar dat betekent nog niet dat er dan eensluidende antwoorden komen. Afgezien daarvan of op elke vraag wel een eenduidig antwoord mogelijk is, de uitkomst van de bezinning hangt in hoge mate af van de manier waarop die plaatsvindt.

Voor een zinvolle discussie die ook tot concrete resultaten leidt, is het van belang bepaalde regels te stellen. In de politiek en de maatschappij bestaan zulke regels niet. Wie zou die moeten vaststellen en hoe zouden ze gehandhaafd kunnen worden? In het maatschappelijk debat speelt het internet een cruciale rol. En dat is letterlijk een vrijplaats: iedereen kan er alles vrijwel ongestraft kwijt, en niemand is verplicht zijn opvattingen te verantwoorden. In combinatie met het individualisme leidt dit ertoe dat alle meningen evenveel gewicht krijgen. Overheidscampagnes kunnen met nog zoveel wetenschappelijke argumenten worden gevoerd, tegen ongefundeerde en op gevoel gebaseerde meningen, niet zelden gevoed door samenzweringstheorieën, staat de overheid uiteindelijk machteloos, zoals bijvoorbeeld recente inentingscampagnes hebben laten zien.

Volgens Efeze 2,20 is de kerk gebouwd op het fundament van apostelen en profeten. Daarmee wordt de gehele Schrift bedoeld. Wanneer het fundament wordt weggetrokken, stort de kerk ineen. De Schrift moet dus altijd het uitgangspunt van elke bezinning zijn en zij bepaalt ook haar grenzen. Maar daarmee zijn we er nog niet. Want ook tussen hen, die zich op de Schrift beroepen, doen zich over belangrijke kwesties meningsverschillen voor. Om aan te knopen bij een in het eerste artikel genoemd voorbeeld: voor- en tegenstanders van de aanvaarding van homosexuele relaties beroepen zich op dezelfde Schrift. Kennelijk lezen ze daarin verschillende dingen. Het is dan zaak kritisch te kijken naar de manier waarop de Schrift gelezen wordt.

In de al genoemde passage uit Efeze 2 reikt Paulus één belangrijke regel voor het lezen van de Schrift aan. Door “apostelen en profeten” naast elkaar te zetten maakt hij duidelijk dat er geen tegenstelling bestaat tussen het Oude en het Nieuwe Testament. Daarin volgt hij overigens Jezus zelf, die met nadruk liet weten dat Hij niet gekomen was om de wet (het Oude Testament) te ontbinden, maar om die te vervullen. De eenheid van Oude en Nieuwe Testament is bepaald niet van ondergeschikt belang. Vooral in evangelische kring komt het Oude Testament er nogal eens bekaaid vanaf. Niet zelden worden Oude en Nieuwe Testament tegen elkaar uitgespeeld. Daar staan evangelischen trouwens niet alleen in. Ook onder rooms-katholieken bestaat de neiging het Oude Testament op het tweede plan te zetten. Geconfronteerd met geweldsteksten uit het Oude Testament merkte emeritus-kardinaal Simonis op dat deze een “primitief godsbeeld van primitieve mensen” weerspiegelt. Daaruit blijkt dat behoudende rooms-katholieken geen bondgenoten zijn wanneer het gezag en de eenheid van de Schrift moeten worden verdedigd. Ook hier gaapt een kloof tussen Rome en Reformatie.

De gereformeerde belijdenisgeschriften kunnen ons helpen te Schrift naar haar bedoeling te lezen. De Nederlandse Geloofsbelijdenis doet enkele duidelijke uitspraken over de Schrift en haar gezag. Maar de Drie Formulieren van Eenheid wijzen de kerk ook de weg bij het lezen van de Schrift door de manier waarop ze haar hanteren bij het formuleren van de leer van de kerk. Deze zijn maatgevend bij het trekken van de grenzen binnen welke elke bezinning zich zal moeten bewegen. Het zijn immers de grenzen die de belijdenis in de Schrift zelf heeft ontdekt.

Dan zijn binnen de kerk dus niet alle meningen gelijkwaardig. Of een opvatting legitiem is hangt uiteindelijk af van de vraag of ze recht doet aan de Schrift – de hele Schrift, niet een willekeurige selectie daaruit. Wanneer individuele kerkleden meningen uitdragen die niet aan dat criterium beantwoorden, zal de kerk die publiek moeten weerspreken. Ik geef twee voorbeelden. In het Nederlands Dagblad van 30 maart 2011 wordt een denkrichting onder christenen m.b.t. homosexuele relaties aldus getypeerd: “God wil dat ik gelukkig word. Dus als ik in een homoseksuele relatie tot mijn bestemming kom, kan dat niet anders dan Gods bedoeling zijn.” In een kerkblad gaf een kerkelijk gemengd bruidspaar aan na zijn huwelijk lid te willen worden van een kerk, die bij hen paste. Deze opvattingen doen geen recht aan de leer van de Schrift.

Zulke opvattingen mogen binnen de gemeente geen legitieme plaats krijgen. Maar de implicaties reiken verder. De kerk manifesteert zich wel in eerste instantie op het niveau van de plaatselijke gemeente, maar is daartoe niet beperkt. In ons land staan kerken met elkaar in relatie. Ze beschouwen elkaar als ‘zusterkerk’. Die relatie komt tot uitdrukking in een kerkverband, die regelmatig in vergaderingen op verschillend niveau samenkomen. De aard van hun relaties is in een kerkorde vastgelegd. Die mag dan op het eerste gezicht een zakelijk karakter dragen, ze is gegrond op en ontleent haar bestaansrecht aan het gemeenschappelijk fundament van de apostelen en de profeten. Aan de formele eenheid ligt een geestelijke eenheid ten grondslag. Dat impliceert dat een bezinning op principiële vragen waarvoor onze tijd de gelovigen stelt, niet tot de gemeente beperkt mag blijven. Zij mag zich niet van het kerkverband isoleren. En zoals niet elke mening van individuele gelovigen bestaansrecht heeft binnen de gemeente, zo heeft niet elke mening van plaatselijke kerken bestaansrecht binnen een kerkverband.

Het gereformeerd kerkrecht gaat uit van de zelfstandigheid van de plaatselijke gemeente. Maar dat is geen vrijbrief voor independentisme, waarbij elke gemeente geheel zelfstandig haar beleid kan bepalen, zonder rekening te houden, laat staan zonder enige vorm van ruggespraak met het kerkverband. Om dat concreet te maken: de manier waarop met ongehuwd samenwonen wordt omgegaan, is niet uitsluitend een zaak van gemeenten. Het gaat hier om een onderwerp dat het fundament van de kerk raakt en daarom een kerkverbandelijk antwoord vraagt. Individualisme en gemeentelijk independentisme zijn uiteindelijk loten van dezelfde stam, want beide distantiëren zich van de gemeenschap waarin God mensen plaatst.

In dit verband dienen de ontwikkelingen ten aanzien van de vaststelling van een nieuwe kerkorde binnen de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) kritisch gevolgd te worden. Van diverse kanten wordt aangedrongen op minder centraal vastgestelde regels. En sommige kerkenraden nemen hierop al een voorschot door zich van kerkverbandelijke afspraken niets aan te trekken, wanneer hun dat zo uitkomt. Graag wordt de suggestie gewekt dat er meer ruimte voor verscheidenheid in praktische aangelegenheden moet zijn. Maar wat precies ‘praktische aangelegenheden’ zijn, daarover lopen de meningen uiteen. Niet zelden hangen die met principiële vragen samen en zal grotere zelfstandigheid in praktische aangelegenheden ook tot grotere differentiatie op principieel vlak leiden. Hoe de kerkdienst wordt vormgegeven is voor sommigen een praktische aangelegenheid. Maar wanneer een kerkdienst een zodanige vorm aanneemt dat deze de betiteling eredienst niet meer verdient, is dat niet maar een ‘praktische aangelegenheid’ – dan is het gereformeerde karakter van die gemeente in geding.

In een derde en laatste artikel ga ik in op de relaties met andere kerken in binnen- en buitenland en welke consequenties die hebben voor de bezinning op actuele vragen.

Een kudde zonder herders? (3)

Naar aanleiding van de klacht dat in de Gereformeerde Kerken geen leiding meer wordt gegeven ging het in de tweede bijdrage over de ambtsdragers in de gemeente. De aandacht richtte zich daarbij op de oorsprong en de aard van hun taak en het gezag dat daarmee verbonden is. Ook werd aandacht besteed aan de manier waarop dat gezag bedreigd en ondermijnd kan worden. In deze derde bijdrage richt ik de schijnwerper op de gemeente. Hoe moet de gemeente zich opstellen tegenover de ambtsdragers? Wat staat haar te doen wanneer er geen of verkeerde leiding wordt gegeven?

In het formulier voor de bevestiging van ouderlingen (en diakenen) wordt de gemeente afzonderlijk aangesproken. Nadat de bevestiging heeft plaatsgevonden, wordt de gemeente opgeroepen de ambtsdragers te ontvangen “als opzieners en herders van de gemeente”. Daar wordt aan toegevoegd: “Gehoorzaamt uw voorgangers en onderwerpt u aan hen, want zij zijn het die waken over uw zielen, daar zij rekenschap zullen moeten afleggen.” In het formulier voor de bevestiging van predikanten staat mutatis mutandis hetzelfde.

In het laatstgenoemde formulier staat wel een belangrijke restrictie. We lezen daar: “Denkt eraan, dat God zelf u door hem [de dienaar des Woords] aanspreekt. Neemt daarom de woorden, die hij naar de Schrift tot u spreekt, met blijdschap aan.” Gehoorzaamheid en onderwerping aan de ambtsdragers is dus niet ongeclausuleerd. Ambtsdragers mogen van de gemeente wel verwachten dat hun gezag wordt aanvaard, maar altijd onder de voorwaarde dat hun woorden en daden in overeenstemming zijn met de Schrift.

Daaruit volgt voor de gemeente twee dingen. Ze moet zich aan de ambtsdragers onderwerpen en hun gezag aanvaarden, ook wanneer ze moeite heeft met hun optreden, zolang dat valt binnen de grenzen die de Schrift aangeeft. En tegelijk zal ze steeds de woorden en daden van de ambtsdragers moeten toetsen aan de Schrift. Ik verwijs hier naar Hand. 17 waar wordt gezegd dat de Joden in Berea “dagelijks de Schriften [bestudeerden] om te zien of het waar was wat er werd gezegd”. Dat is een activiteit van ieder gemeentelid afzonderlijk, maar ook van de gemeente als geheel. De ambtsdragers dienen dat niet af te remmen of te frustreren, maar moeten dat stimuleren.

Dat betekent natuurlijk niet dat overal een bijbeltekst voor te vinden is. Overal een bijbeltekst voor willen hebben is wat men terecht biblicisme noemt. Het is geheel conform de gereformeerde visie op de Schrift dat ook wat logisch uit haar kan worden afgeleid, tot de gereformeeerde leer kan worden gerekend. Het bekendste voorbeeld is natuurlijk de kinderdoop. Een bijbeltekst waarin staat dat elk kind van gelovige ouders moet worden gedoopt, is niet te vinden. Maar in de belijdenis en de doopsformulieren wordt overtuigend aangetoond dat dit wel als schriftuurlijke opdracht mag worden aangemerkt. Dat gebeurt vooral door heel de Schrift in haar samenhang te laten spreken. Dat is de manier waarop de belijdenisgeschriften tot hun formulering van de gereformeerde leer komen. (Ik kom daarop nog een keer terug in verband met de grondslag van de ChristenUnie en andere organisaties.)

Daarmee zijn we er nog niet. Er zijn ook kerkelijke regels. Beter gezegd: beloften die we als kerken binnen het kerkverband aan elkaar hebben gedaan. Daarmee hebben kerkleden – en ook ambtsdragers – soms nogal wat moeite, vooral als ze een dam opwerpen tegen wat men eigenlijk graag zou willen. Het kan gebeuren dat zulke regels tegen de Schrift worden uitgespeeld. Er was een tijd dat de kreet “What would Jesus do?” nogal populair was. In dit geval kan daarop als antwoord worden gegeven: Hij zou zich aan gemaakte afspraken houden. Zei Hij niet zelf in de Bergrede: “Laat jullie ja ja zijn, en jullie nee nee”? (Mt 5,37). Wanneer ambtsdragers dus kerkverbandelijk gemaakte afspraken naast zich neerleggen, kan hun met recht verweten worden onschriftuurlijk te handelen.

Wanneer gesproken kan worden van onschriftuurlijk handelen, is het tijd de kerkenraad aan te spreken en ter verantwoording te roepen. Maar ook dan moet het ambt gerespecteerd worden. Dat betekent dat de wijze waarop de ambtsdragers benaderd worden, in overeenstemming moet zijn met wat de Schrift zegt over het respect voor wie over ons gesteld zijn. Ambtsdragers mogen en moeten worden aangesproken op de wijze waarop ze hun ambt vervullen. Maar daar rust alleen zegen op wanneer dat op een respectvolle manier gebeurt. Wie de gemeente wil bewaren bij de leer van Christus, dient in de geest van Christus te handelen. De Bergrede heeft ons ook wat te zeggen wanneer het gaat om het aanspreken en eventueel bekritiseren van ambtsdragers. Ook de binnen de Gereformeerde Kerken afgesproken regels ten aanzien van de behandeling van meningsverschillen dienen gerespecteerd te worden. Het publiek aan de schandpaal nagelen van ambtsdragers of hen in publicaties of op internetsites voor schorsingswaardig verklaren is niet in overeenstemming met het respect waarop ambtsdragers recht hebben en ook niet met de kerkverbandelijke afspraken.

Ik wil in dit verband wijzen op het vijfde gebod, zoals we dat vinden in Exodus 20. Het gaat hier over het eren van de ouders. Het zal duidelijk zijn dat dit niet gelijkgesteld kan worden met gehoorzamen. Wanneer kinderen volwassen zijn geworden en het ouderlijk huis verlaten, houdt de plicht tot gehoorzaamheid, die minderjarige kinderen hebben, op. Dat is ook de implicatie van wat Paulus in Efeze 5 schrijft, namelijk dat de man zijn ouders zal verlaten en zich aan zijn vrouw zal hechten (vs 31). Dan valt de plicht tot gehoorzaamheid aan de ouders weg. Maar de plicht tot het eren van de ouders niet. Modern gezegd: geen gehoorzaamheid meer, maar wel respect. Zo is het ook in de relatie tussen de gemeente en de ambtsdragers. Het kan zover komen dat er de plicht bestaat de gehoorzaamheid aan de kerkenraad – in elk geval op een bepaald punt – op te zeggen. Maar daarmee blijft de plicht de ambtsdragers met respect te bejegenen. Bovendien wijst de Heidelbergse Catechismus (Zondag 39) bij de uitleg van dit gebod erop dat we met de zwakheden en gebreken van allen die gezag over ons ontvangen hebben, geduld moeten hebben.

Dat geduld sluit overigens niet uit dat actie wordt ondernomen. In het gereformeerde kerkrecht wordt gemeenteleden die menen dat de kerkenraad hun onrecht heeft gedaan of een koers vaart die in strijd is met de Schrift en de belijdenis, de mogelijkheid geboden in appèl te gaan bij de classis. Die gang naar de classis zou ook mogelijk moeten zijn wanneer de kerkenraad zich, naar de mening van een gemeentelid, niet houdt aan wat kerkverbandelijk is afgesproken. Maar hier hebben we wel een probleem. Op generaal-synodaal niveau is, vooral ten aanzien van de kerkorde-artikelen die over de liturgie en de inrichting van de erediensten gaan, aan de gemeenten een zodanige vrijheid gelaten dat elke kerk haar eigen beleid kan ontwikkelen.

Natuurlijk, het is geheel in overeenstemming met het gereformeerde kerkrecht dat de gemeente een grote mate van autonomie heeft. Maar in de praktijk betekent het vooral een grote autonomie van kerkenraden. En dan kan het gebeuren dat in plaatselijke kerken allerlei liederen worden gezongen die door de Generale Synode niet voor kerkelijk gebruik zijn vrijgegeven. Het beleid van een kerkenraad uit het midden van het land laat dat zien. Volgens een synodebesluit mogen in bijzondere diensten niet-vrijgegeven liederen gezongen worden. Dat was voor de desbetreffende kerkenraad de reden elke dienst als ‘bijzonder’ aan te merken om zo zulke liederen onbeperkt te kunnen gebruiken. De overeenkomst met gemeentebesturen die hun gemeente als toeristisch gebied aanwijzen om de hand te kunnen lichten met de winkeltijdenwet is treffend.

Maar wanneer een gemeentelid hier bezwaar tegen heeft, wordt het lastig in appèl te gaan bij de classis. Er is hier immers sprake van de vrijheid van de plaatselijke kerk? Het lijdt geen twijfel dat de lijn die op dit punt wordt gevolgd, z’n uitwerking niet zal missen op de manier waarop in bredere zin met kerkorde en kerkelijke afspraken wordt omgegaan. Het gevaar is reëel dat de autonomie van de kerkenraad ertoe leidt dat de gemeente monddood wordt gemaakt en haar de mogelijkheden voor appèl worden ontnomen. Dat moet bezwaarde gemeenteleden er overigens niet van weerhouden toch deze weg te gaan wanneer wezenlijke zaken in geding zijn.

Ter afsluiting nog een laatste punt. Conflicten en wrijvingen in de gemeente worden niet altijd veroorzaakt door ambtelijk handelen of spreken dat op gespannen voet staat met de Schrift, de belijdenis of de kerkorde. Er zijn ook zaken die op het vlak liggen van wat men geneigd is als persoonlijke smaak of gevoel of cultuur aan te duiden. Soms is dat terecht, maar lang niet altijd. Over allerlei zaken is wel meer en ook meer fundamenteels en principieels te zeggen dan dat het een kwestie van smaak is. Wanneer een predikant in zijn gemeente consequent vooral opwekkingsliederen in de dienst laat zingen handelt hij niet in strijd met wat kerkordelijk is afgesproken, tenminste wanneer hij zich beperkt tot de liederen die voor kerkelijk gebruik zijn vrijgegeven. Dat kun je natuurlijk helemaal tot het gebied van de persoonlijke smaak rekenen. Maar over dit onderwerp valt wel wat meer te zeggen, zeker vanuit de overtuiging dat een gereformeerde liturgie iets anders is dan een evangelische liturgie.

Maar zelfs al was het alleen maar een kwestie van smaak, dan is daarmee de kous nog niet af. Predikanten en kerkenraden zijn er voor heel de gemeente, niet alleen voor een bepaalde groep, bijvoorbeeld de jongeren. Het is best mogelijk dat bepaalde beleidsvoornemens passen binnen de grenzen van de Schrift en de belijdenis en ook binnen wat we als kerken samen hebben afgesproken. Toch kan er reden zijn van zulke voornemens af te zien. Ook met de gevoelens van gemeenteleden zal rekening gehouden moeten worden, zolang die – naar de normen van de Schrift – legitiem zijn. In dit verband is het goed nog eens terug te keren naar de brief van Paulus aan de Efeziërs. Daar schrijft hij over de relatie tussen ouders en kinderen. Hij wekt de kinderen op hun ouders te gehoorzamen, “uit ontzag voor de Heer” (vs 1). Maar daarop laat hij volgen: “Vaders, maak uw kinderen niet verbitterd, maar vorm en vermaan hen bij het opvoeden zoals de Heer dat wil.” (vs 4) Ook dit gebod kan worden doorgetrokken naar de relatie tussen de ambtsdragers en de gemeente. De ambtsdragers dienen ervoor te waken dat ze de gemeente waarover ze zijn aangesteld, niet verbitteren.

Uit het aangehaalde vers blijkt dat het verbitteren van de kinderen het tegenovergestelde is van het “opvoeden zoals de Heer dat wil”. Vertaald naar de omgang van de ambtsdragers met de gemeente betekent het dat het niet verbitteren van de gemeente een onvervreemdbaar onderdeel is van hun taak de gemeente voor te gaan in de dienst aan God.

In de laatste aflevering van deze serie keer ik terug naar het begin: de klacht van prof. Douma dat binnen de Gereformeerde Kerken geen leiding meer wordt gegeven. Hij noemt een aantal concrete gevallen, o.a. uit het Nederlands Dagblad, maar ook neemt hij enkele aspecten van het beleid van de ChristenUnie op de korrel. Is zijn kritiek terecht?

Evangelisatie en kerk

De vereniging Evangelisatie & Recreatie is een organisatie die uitgaat van de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) (GKV). Ze houdt zich bezig met evangelisatie-activiteiten tijdens de zomervakantie in verschillende vakantiecentra in Nederland, zoals aan stranden en op campings. De vereniging heeft een semi-officiële status: het is een zelfstandige vereniging, die haar eigen beleid bepaalt, maar tegelijk door de kerken financieel ondersteund wordt. Ook wordt elk jaar aan de kerken gebed gevraagd voor de activiteiten die tijdens de vakantiemaanden zullen plaatsvinden.

Het Nederlands Dagblad berichtte op 28 april j.l. dat de vereniging besloten heeft het lidmaatschap open te stellen voor leden van de Christelijke Gereformeerde Kerken (CGK) en de Nederlands Gereformeerde Kerken (NGK). Daarmee volgt ze het voorbeeld van veel andere organisaties die de laatste tien tot vijftien jaar hun exclusieve binding aan de vrijgemaakt-gereformeerde kerken hebben losgelaten.

Dat was soms onvermijdelijk en vanuit principieel oogpunt hoeft er niet altijd bezwaar tegen gemaakt te worden. Maar organisaties die zich voornamelijk of uitsluitend richten op geloofsopvoeding of geloofsopbouw nemen een bijzondere positie in. Hierbij kan gedacht worden aan studentenverenigingen. Er is vrijwel geen studentenvereniging meer te vinden die reglementair heeft vastgelegd dat alleen leden van de GKV als leden worden toegelaten. De meeste van zulke verenigingen hebben als doelstelling de leden te vormen tot christelijk academicus – of hoe de gebruikte formulering ook mag luiden. Die doelstelling maakt een kerkelijke binding meer urgent dan bij een organisatie die maatschappelijke of politieke activiteiten ontwikkelt.

Geloof en kerk hebben immers alles met elkaar te maken. De Nederlandse Geloofsbelijdenis (NGB) brengt dat in artikel 28 tot uitdrukking wanneer ze uitspreekt dat niemand zich afzijdig mag houden van de kerk van Christus. Geloven in Christus impliceert het zich voegen bij zijn kerk.

Maar Christus verkondigde toch vooral de komst van het koninkrijk van God, zou men kunnen tegenwerpen. Dat is juist, maar doet niets af aan de betekenis van de kerk. Onderweg naar de voltooiing van dat koninkrijk is de kerk de plaats waar Christus zijn onderdanen verzamelt en instrueert. Het al genoemde artikel van de NGB verzuimt niet uit te leggen wat de betekenis van de kerk in dit verband is. De nauwe band tussen kerk en koninkrijk wordt ook tot uitdrukking gebracht in Zondag 48 van de Heidelbergse Catechismus, volgens welke de bede ‘uw koninkrijk kome’ onder andere betekent: “bewaar en vermeerder uw kerk”.

De centrale plaats van de kerk in het koninkrijk is voor evangelisatieactiviteiten van bijzonder gewicht. Omdat geloof en kerk bijeenhoren, dient evangelisatie haar uitgangspunt te nemen in en gericht te zijn op de kerk. De in de Gereformeerde Kerken gehanteerde Kerkorde bepaalt in art. 26 dan ook expliciet dat evangelisatieactiviteiten gericht moeten zijn op het lidmaatschap van de kerk.

In het licht van het bovenstaande levert de openstelling van de vereniging E&R een probleem op. De vereniging deelt zelf mee dat deze openstelling niet impliceert dat de band met de GKV wordt losgelaten. “Onder verantwoordelijkheid van die plaatselijke gemeente zal het evangelisatiewerk plaatsvinden. Met deze besluiten blijft de vereniging bewust kiezen voor kerkgebonden evangelisatie.”

Maar wat is dan de reden de vereniging voor leden van andere kerken open te stellen? Kan van leden van de CGK of de NGK verwacht worden dat ze in hun evangelisatiecontacten naar de GKV verwijzen? En wat wordt geantwoord op vragen over de kerk en over kerkelijke verdeeldheid? Over de motieven tot openstelling wordt geen duidelijkheid verstrekt.

Er zit nog een ander aspect aan. De vereniging wordt niet zomaar opengesteld, maar alleen voor leden van twee met name genoemde kerken.

Principieel bestaat er geen bezwaar tegen toelating van leden van de CGK. De GKV hebben deze kerken als kerken van Christus erkend en daarmee uitgesproken dat kerkverbandelijke eenheid geboden is. Maar het is niet de taak van een vereniging als E&R daarop een voorschot te nemen. Kerkelijk gebonden organisaties dienen geen trendsetters, maar trendvolgers te zijn.

Veel problematischer is de toelating van leden van de NGK. Het proces van samenspreking tussen GKV en NGK loopt bepaald niet op rolletjes en dat is niet verbazingwekkend. Binnen de NGK bestaan grote verschillen in de manier waarop met de Schrift en de belijdenis wordt omgegaan, en ook in de kerkelijke praktijk bestaan soms fundamentele verschillen. En dan laat ik het kerkordelijke aspect nog buiten beschouwing. Toelating van leden van de NGK als lid van de vereniging E&R is dan ook principieel niet verdedigbaar.

Op grond van de hier geschetste ontwikkelingen lijkt het me onvermijdelijk dat de GKV hun opstelling ten aanzien van E&R kritisch overdenken.

Categorieën:kerk Tags:, , , , , , ,

Een nieuwe kerkorde

De Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) krijgen een nieuwe kerkorde. Dat wil zeggen, als de komende Generale Synode daarmee instemt. In de pers is al één en ander uit die kerkorde onthuld. Dat gaf aanleiding tot commentaar, o.a. van de christelijke gereformeerde kerkrechtspecialist Herman Selderhuis. Op een aantal punten leverde hij kritiek (ND, 16.2.10). Ik licht er één bezwaar uit.

De kerkorde zegt: ‘De kerken, ambtsdragers en gemeenteleden leggen zich erop toe de kerkorde en de kerkelijke regelingen en besluiten in kerkelijke stijl na te leven.’ “Leggen zich erop toe? Ik ben dan geneigd te vragen: maar ben je er ook aan gebonden?” Daarover mag volgens Selderhuis geen misverstand bestaan.

In het ND van 24 februari reageert ds. F.J. Bijzet op deze kritiek. Hij wijst erop dat deze formulering niet nieuw is. Die werd al gebruikt vanaf 1978 en verving een formulering die al eeuwenoud was en die in feite hetzelfde uitsprak. Hij wijst erop dat dit geen uitdrukking van vrijblijvenheid is, maar wel een bepaalde ruimte open wil laten.

Het is goed dat ds. Bijzet hiervoor aandacht vraagt, al ben ik niet erg onder de indruk van de voorbeelden van vrijheid die hij noemt. Het is inderdaad wat overdreven ambtsdragers van een kerk uit te sluiten van deelname aan een classisvergadering wanneer ze hun credentiebrieven vergeten zijn. Aan de andere kant getuigt het niet van wijsheid deze omissie stilzwijgend te accepteren. Op die manier ontstaat al gauw het idee dat het er eigenlijk niet veel toe doet of je credentiebrieven bij je hebt of niet. Het is als met te laat komen: wanneer er nooit iets van gezegd wordt, gaat het van kwaad tot erger. En vijf minuten worden dan al gauw tien minuten. Iedereen kent het verschijnsel.

Het is inderdaad waar dat kerken een bepaalde vrijheid gelaten moet worden. Geen enkele kerkorde kan in alle gevallen voorzien en bovendien komen situaties voor waarin het rigoureus toepassen van de kerkorde ongewenste gevolgen zou kunnen hebben. Belangrijk is wel dat elke kerk bereid is zich voor een afwijking van de kerkorde te verantwoorden.

Toch is het de vraag of hiermee de kritiek geheel gepareerd is. Een kerkorde functioneert altijd in een bepaalde context. En de context van 1978 – en zeker die van de eeuwen daaraan voorafgaand – verschilt nogal van die van nu. Besluiten van kerkelijke vergaderingen en ook de kerkorde worden in toenemende mate als overbodige ballast of als irrelevant beschouwd. En waar de formulering oorspronkelijk functioneerde in een context waarin het naleven van de kerkorde als vanzelfsprekend gold, is dat nu niet meer het geval.

Dat heeft alles te maken met de manier waarop men tegen de kerkorde aankijkt. Voor velen is die niet meer dan een verzameling regeltjes. En het naleven daarvan wordt soms tegenover de liefde van Christus gesteld. Dat maakt niet alleen de discussie praktisch onmogelijk, maar creëert ook een valse tegenstelling. In reactie daarop moet de naleving van de kerkorde niet worden verdedigd met een uitspraak als ‘regels zijn regels’.

In beide gevallen wordt het karakter van de kerkorde miskend. Het gaat niet in de eerste plaats om administratieve regels, maar om beloften. De kerken van het kerkverband hebben met elkaar een aantal zaken afgesproken en beloven elkaar zich aan die afspraken te houden. Dat is geen Verdonkiaans ‘regel is regel’, maar navolging van Christus: ‘laat uw ja ja zijn en uw nee nee’.

Het woord ‘orde’ zal sommigen wellicht wat al te autoritair in de oren klinken. Het is opvallend dat Paulus in zijn eerste brief aan de Corinthiërs (14,33) tegenover wanorde niet ‘orde’ stelt, maar vrede. En dat is ook het uiteindelijke doel van de kerkorde: de vrede in de kerken te bevorderen en te bewaren. Wanneer men zich dat realiseert, is de kerkorde ineens niet meer zo’n ver-van-m’n-bed-show.

Een belangrijke functie van de Nederlandse grondwet is de individuele burger tegen de overheid te beschermen. Op dezelfde wijze beschermt de kerkorde de plaatselijke gemeente tegen heerszucht van meerdere vergaderingen en het individuele gemeentelid tegen heerszucht van voorgangers en kerkenraden. De kerkorde voorkomt dat ieder doet wat goed is in eigen ogen, tot schade van gemeenten en gemeenteleden.

Gezien de context van deze tijd pleit er veel voor de eerder genoemde bepaling in de kerkorde aan te scherpen. Daarbij zou gedacht kunnen worden aan de verplichting voor kerkenraden bij afwijking van de kerkorde een genabuurde gemeente te raadplegen.

Maar nog belangrijker is het uit te dragen dat de kerkorde niet in de eerste plaats een administratief, maar een voluit geestelijk karakter draagt.

Categorieën:christendom Tags:, ,
Follow

Get every new post delivered to your Inbox.