Archief

Berichten getagged ‘liturgie’

Kerkelijk consumentisme

“De klant is koning” is een vaak gehoorde kreet. Wie zijn producten of diensten aan de man wil brengen, zal zich moeten richten op wat de klant wil. Wie dat niet doet, blijft met z’n spullen zitten. De macht van de consument is de laatste decennia voortdurend toegenomen. ‘Merkentrouw’ bestaat niet meer: als je met de één niet tevreden bent, ga je naar de ander. De overheid heeft de positie van de klant op haar beurt verder versterkt: door afbraak van monopolies en privatisering wordt de concurrentie vergroot, met de bedoeling de kwaliteit van vooral de dienstverlening te verbeteren. De neveneffecten van dit proces worden steeds duidelijker en roepen de vraag op of we met dit proces wel op de goede weg zijn.

De versterkte macht van de klant heeft ook bijgedragen tot zijn mentaliteitsverandering. Hij is steeds veeleisender geworden, op het extreme af. En dat strekt zich niet maar uit tot de winkel en de dienstverlening maar ook tot de politiek. De partij die met mooie beloften veel zetels wint is die zomaar weer kwijt wanneer ze niet levert wat ze heeft beloofd.

Deze mentaliteit gaat aan de kerk niet voorbij. Gelovigen zijn net gewone mensen, dus erg vreemd is dat niet. De gevolgen daarvan worden steeds meer zichtbaar, maar vooralsnog lijkt dat niet tot een brede bezinning te leiden.

Dat consumentisme komt bijvoorbeeld tot uiting in de manier waarop tegen de kerk wordt aangekeken. Het Reformatorisch Dagblad interviewde Ed Anker, tot voor kort lid van de Tweede Kamer voor de ChristenUnie. Daarin komt ook zijn kerklidmaatschap aan de orde. In Zaanstad was hij lid van de Gereformeerde Kerk (vrijgemaakt), maar na zijn verhuizing naar Den Haag zijn hij en zijn vrouw op zoek gegaan naar een gemeente die bij hen paste. Ze kwamen bij een evangelische gemeente uit. Deze houding lijkt typerend te zijn voor de manier waarop velen tegenwoordig met het kerklidmaatschap omgaan.

Je kunt het ook lezen wanneer een jong stel, dat tot verschillende kerken behoort, gaat trouwen. Samen gaan ze op zoek naar een kerk die bij hen past. Het kan zelfs zover komen dat leden van een gereformeerde kerk, die zich elders vestigen, maar in de nieuwe gemeente naar hun mening niet hartelijk genoeg ontvangen worden, hun boeltje pakken en zich bij de ‘concurrentie’ melden. De klant is koning, tenslotte.

Nu is zo’n houding niet nieuw. Het onderwerp ‘de kerk’ is al heel lang controversieel. Ook in het kerkelijk conflict binnen de GKV in de jaren ’60 van de vorige eeuw, dat uiteindelijk tot het ontstaan van de Nederlands Gereformeerde Kerk leidde, speelde dit een belangrijke rol. Toch is er wat veranderd.

Wat lange tijd een onderstroom binnen de Gereformeerde Kerken was lijkt nu de hoofdstroom te zijn geworden. Het kerklidmaatschap wordt door steeds meer kerkleden als een kwestie van persoonlijke keuze beschouwd. En dat wordt niet meer unaniem door kerkenraden en vanaf de kansel weerlegd. Als Zondag 21 van de Heidelbergse Catechismus aan de orde is, wordt te vaak om de hete brei heengedraaid. En wie de discussies over de relatie tussen de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) en de Nederlands Gereformeerde Kerk volgt, krijgt de indruk dat het conflict dat aan de scheiding van deze kerken ten grondslag ligt, achteraf bezien één grote vergissing is geweest.

Het consumentisme doet zich ook op andere gebieden gelden. Hier valt te denken aan de inrichting van de liturgie, waar prof. J. Douma op zijn kortgeleden gelanceerde website ook over schrijft (zie: Kort commentaar). De liturgie lijkt wel een kleurige lappendeken, waarin voor iedereen iets van zijn gading is, behalve dan voor degenen die hechten aan een doordachte en samenhangende liturgie. En als ergens tot uiting komt hoezeer de liturgie verworden is tot een spiegel van persoonlijke voorkeuren zijn het trouwdiensten. Dat het bruidspaar enige invloed heeft op de liturgische vormgeving valt te billijken. Maar enige sturing van kerkenraadszijde zou toch wel gewenst zijn. Het is moeilijk te vatten dat een bruidspaar er wel aan hecht zijn huwelijk in de Gereformeerde Kerk te laten bevestigen, maar tegelijk zich niets gelegen wil laten liggen aan de liturgische afspraken die daar gelden, bijvoorbeeld ten aanzien van de voor kerkelijk gebruik vrijgegeven liederen. Het resultaat is soms een dienst waarin de helft van de liederen geheel vreemd is aan wat een gereformeerde liturgie mag heten.

Ook in de manier waarop de kerk naar buiten treedt speelt het marktdenken een niet geringe rol. Men wringt zich soms in allerlei bochten om de buitenstaander te behagen. Men moet dan wel eerst weten wat de buitenstaander behaagt. En daarbij is het probleem dat de buitenstaander niet bestaat. Er is geen sprake meer van een dominante cultuur; we leven in een landschap van subculturen. Wat buitenstaanders eventueel in een kerk zoeken is nauwelijks te definiëren. Bovendien, zoals al opgemerkt, is de consument grillig: wat nu in de mode is kan over twee maanden zomaar weer ‘uit’ zijn.

“Wie met de tijdgeest trouwt is snel weduwnaar”, zegt het spreekwoord. De kerk moet daarom vooral haar zelfstandigheid bewaren. In plaats van in te spelen op de steeds wisselende vraag moet de kerk zich concentreren op het steeds gelijk blijvende aanbod. De vraag van Luther: “Hoe krijg ik een genadig God”, heeft nog niets van zijn betekenis verloren.

Preken voor het leven

In gereformeerde kring is altijd veel aandacht geweest voor de prediking. Over preken werd gesproken, na de dienst, op bijbelstudieverenigingen. En nog steeds mag het onderwerp zich in grote belangstelling verheugen. Wanneer een predikant moet worden beroepen, komen allerlei eisen en verlangens op tafel. Maar zijn preken zijn toch nog steeds een belangrijk, misschien zelfs wel doorslaggevend argument voor het al dan niet uitbrengen van een beroep.

Intussen worden aan preken wel andere eisen gesteld dan vroeger. Ieder heeft zo zijn eigen wensen. Al te moeilijk mag het niet zijn. En de voorganger moet ook zo preken dat het gemiddelde gemeentelid er iets aan heeft voor de komende week. Hij moet uiteraard de jeugd aanspreken, ook al is ook in de kerk de vergrijzing inmiddels zichtbaar. En dan is er nog de evangelisatie: eigenlijk moet er zo gepreekt worden dat ook toevallige bezoekers snappen waar het over gaat. Kortom, de taak van de prediker is er niet eenvoudiger op geworden.

De vraag is dan wel of daarmee de prediking op haar juiste waarde wordt geschat. Wim Dekker, hoofd vorming en educatie van de “IZB – vereniging voor zending in Nederland” (vroeger functionerend binnen de Nederlandse Hervormde Kerk, tegenwoordig de PKN), schreef daarover een artikel in het Nederlands Dagblad van 8 april j.l. Het had als opschrift: “Het besef is verbleekt dat in de kerk doden worden opgewekt”.

Een citaat geeft Dekkers visie op de prediking goed weer. “Gereformeerde mensen hadden een diep besef van verlorenheid, dat God eraan te pas moest komen om je uit je verlorenheid op te rapen en dat Hij dat bij voorkeur deed door de prediking. Gereformeerde mensen beseften dat je daarna nooit klaar was, maar dat God een leven lang werk met je hield en dat je daarom zo vaak mogelijk in de werkplaats van God moest verschijnen en die werkplaats is de kerk, waar de Geest werkt door het Woord.”

Dekker meent dat deze opvatting in verregaande mate is verdwenen en dat als gevolg daarvan aan de kerkdienst “van alles geknutseld” wordt. Dat is geen oplossing, want “als ik niet voor mijn eeuwig heil naar de kerk moet, dan zijn er altijd wel weer andere dingen belangrijk”. Op de tegenwerping dat deze kwestie niet erg relevant is wanneer het erom gaat ‘buitenstaanders’ te bereiken, antwoordt Dekker: “Maar mijn stelling is, dat geen mens van buiten geboeid zal worden door iets dat in wezen vrijblijvend en gemoedelijk is.” Hij roept gereformeerde mensen op weer te gaan geloven dat onder de preek doden worden opgewekt. “Dat is dan tevens de beste dienst die ze aan welke zoeker dan ook kunnen bewijzen.”

Heeft Dekker gelijk met zijn analyse van de situatie en met zijn visie op de prediking? Hetzelfde artikel stond in het Reformatorisch Dagblad met een wat andere titel: “Wervende preek moet vol gloed en aandrang zijn”. De koppen zijn waarschijnlijk van de redacties van de respectievelijke bladen, maar die van het ND is pregnanter en geeft scherper aan waar het Dekker om gaat.

Waarschijnlijk nodigt zo’n titel ook eerder uit tot tegenspraak dan die in het RD. Een in de kolommen van het ND niet geheel onbekende scribent reageerde dan ook op raillerende wijze. Het kernpunt van zijn kritiek is dat de preek wordt overschat, omdat de Geest ook op andere wijzen werkt en niet alleen in de kerkdiensten.

Het is waar dat het allemaal begint bij het Woord zelf. Dat keert nooit leeg weer. Dat betekent dat de preek niet teveel belang mag worden toegekend. Een preek kan soms teleurstellen, maar daarmee verliest de kerkdienst nog niet zijn waarde zolang het Woord klinkt. En veel christenen in deze wereld moeten het zonder regelmatige prediking stellen.

Het is ook waar dat de Geest niet alleen via de kerkdiensten werkt. Opvoeding, onderwijs, bijbelstudie – individueel en in verenigingsverband -, huisbezoeken, het zijn allemaal middelen die de Geest gebruikt. Dat laat onverlet dat de verkondiging van het Woord door hen die daartoe geroepen zijn, een sleutelrol speelt in het kerkelijk leven.

Dat woord ‘sleutelrol’ kan hier letterlijk genomen worden. In zondag 31 van de Heidelbergse Cathechismus wordt de verkondiging van het evangelie één van de sleutels van het hemelrijk genoemd, waardoor het koninkrijk van de hemel voor de gelovigen geopend en voor de ongelovigen gesloten wordt. Dat brengt grote verantwoordelijkheid mee voor de prediker en voor zijn toehoorders. Het is daarom terecht dat Dekker het zo formuleert als hij doet.

Dat betekent dat aan slordige kerkgang zwaar getild moet worden. Ik ben er niet zeker van dat dit ook het geval is. Ik ben waarschijnlijk niet de enige die constateert dat vooral het bezoek van de middagdiensten sterk is teruggelopen. Of door kerkenraden daaraan, bijvoorbeeld op huisbezoek, ook aandacht wordt besteed, onttrekt zich aan mijn waarneming. Ik heb niet de indruk dat het altijd en overal als een bijzonder urgent probleem wordt gezien.

De opmerking van Dekker dat de veranderde visie op de prediking leidt tot “geknutsel” aan de eredienst is heel herkenbaar. En dat geknutsel is ook sterk aan mode onderhevig. Jaren geleden was het ineens “in” allerlei voorwerpen de kansel op te slepen, soms zo voor de hand liggende dingen dat je je afvroeg of de voorganger dacht dat er alleen kinderen in de kerk zaten.

Maar dat is nu helemaal uit. Nu wordt vooral gestreefd naar variatie. Wanneer elke dienst volgens een vast patroon verloopt, komt de sleur erin en haakt een deel van de gemeente af. Nieuwe muziekstijlen, bij voorkeur beïnvloed door de popmuziek, moeten de jongeren enthousiast maken. De Geneefse psalmen, met hun ‘gedragen’ melodieën, zijn te weinig dynamisch. En steeds weer dezelfde teksten, die gaan na verloop van tijd het ene oor in en het andere uit. Dus worden de Tien Geboden, wanneer het zo uitkomt, maar eens vervangen door iets anders, eventueel van eigen makelij. En desnoods zetten we de gemeente aan het discussiëren. Niet te lang natuurlijk, want dat gaat ook vervelen.

Dat zulke middelen het meestal maar een paar jaar uithouden laat zien dat ze niet werken. De vroeger bekende reclameslogan ‘Geen fratsen, dat scheelt’ is ook op de kerkdiensten van toepassing. Wanneer het besef ontbreekt dat de heilige Geest door middel van de kerkdiensten het geloof wil werken zullen ook allerlei modieuze fratsen geen mens in de kerk krijgen. En als aan kerkdiensten geen hogere eisen worden gesteld dan dat ze “ergens over gaan”, zoals ik een tijd geleden uit een gesprek van jongeren opving, dan valt niet te verwachten dat men sterke aandrang voelt elke zondag twee keer in “de werkplaats van God” te verschijnen.

Dekker spreekt in zijn artikel niet alleen de toehoorders aan, hij richt zich ook op de voorgangers. Niet alleen bij de toehoorders, maar ook bij de predikers is het besef verbleekt “dat onder de prediking doden worden opgewekt. Wanneer de predikers dit niet meer beseffen, verdwijnen gloed en aandrang uit hun preken, het wordt vooral onderhoudend en gemoedelijk, bemoedigend en vertrouwd: het was wel weer mooi vanmorgen. Maar het was helemaal niet mooi, want er is niets gebeurd!”

Het zal wel waar zijn dat predikanten de druk voelen van de wensen die in de gemeente leven ten aanzien van de prediking. En je moet wel ruggegraat hebben om daarvoor niet te buigen, wanneer je ervan overtuigd bent dat je dan tekort doet aan wat je opdracht is. En wanneer je kerkenraad dan ook nog geneigd is te buigen als een knipmes, wanneer gemeenteleden hun wensen op tafel leggen, wordt je leven er niet eenvoudiger op.

Het helpt wanneer predikanten zich realiseren dat ze niet in de eerste plaats verantwoording schuldig zijn aan de gemeente, maar aan hun Zender. Een preek is geen verzoeknummer. Predikers moeten de vermaning van Paulus aan het adres van Timotheüs (2 Tim 4,2) ter harte nemen: “Verkondig de boodschap, blijf aandringen, of het nu uitkomt of niet”.

Die boodschap omvat “oude” en “nieuwe” dingen, zoals Jezus zelf aangeeft, wanneer Hij een “schriftgeleerde die leerling in het koninkrijk van de hemel is geworden” vergelijkt met “een huismeester die uit zijn voorraadkamer nieuwe en oude dingen te voorschijn haalt” (Mt 13,53). Nieuwe dingen komen alleen te voorschijn, wanneer de prediker studeert en het resultaat daarvan in zijn prediking vertaalt. Maar ook “oude dingen” moeten blijven klinken, want – zoals Dekker terecht stelt – Gods werk aan zijn kinderen duurt hun leven lang.

In de eredienst moet het inderdaad “ergens over gaan”. Als het over dood en leven gaat, dan gaat het ergens over en dan gebeurt er wat.

Het kerklied en de kerkliedjes

18 maart 2010 2 reacties

“De bisschoppelijke censor van het bisdom Den Bosch heeft onlangs bepaald dat een aantal kerkliederen niet meer gezongen mag worden in de rooms-katholieke liturgie”, meldde Katholiek Nederland onlangs. De censor, pastoor Mennen uit ‘s-Hertogenbosch, behoort daarvoor argumenten aan te dragen. Dat doet hij ook.

Daartoe behoren “dat een lied theologisch niet klopt, niet conform de aard van de liturgie is, niet over God gaat, of gewoonweg te banaal is. Dat laatste is volgens de censor het geval bij Wij gaan de weg van oude woorden. ‘Dit lied is te banaal om in de rk-liturgie gebruikt te kunnen worden. De gemeenschap bespreekt zichzelf; het lied mist in grote mate christelijke geloofsinhoud.’”

Ik ken dat lied niet noch de andere liederen die in de verschillende persberichten genoemd worden. Dat een aantal van die liederen gedicht is door Huub Oosterhuis heeft direct al kwaad bloed gezet en tot de verdachtmaking geleid dat het er vooral om gaat hem een hak te zetten. Zoals zo vaak bij meningsverschillen worden de zaken direct weer persoonlijk gemaakt. Dat is nogal zwak en lijkt vooral bedoeld te zijn om een inhoudelijke discussie uit de weg te gaan.

“De Kerk schrijft voor, zegt de bisschoppelijke censor in Katholiek Nederland Radio, dat liturgische gezangen in eerste instantie Bijbelteksten zijn. Vrije composities moeten theologisch juist zijn, ondubbelzinnig en liturgisch bruikbaar.” Daar lijkt me weinig op af te dingen. Juist dat eerste punt zal bij de liederen van Huub Oosterhuis een probleem zijn. Theologisch kan hij als vrijzinnig worden beschouwd en dat zal in sommige van zijn liederen wel naar voren komen.

Ook elders heeft de censor van zich laten horen. In het Nederlands Dagblad van 18 maart j.l. is te lezen dat door de censor van het aartsbisdom Utrecht Lied 328 uit het Liedboek voor de Kerken is afgekeurd. Dat begint zo: “Here Jezus, om uw woord / zijn wij hier bijeengekomen”. “Te protestants in zijn visie op de samenkomst, luidde het oordeel van de censor van het aartsbisdom.” Rome en Reformatie liggen nog steeds mijlenver uit elkaar, zo mag daaruit geconcludeerd worden.

Intussen is het wel terecht dat dit lied dan wordt afgekeurd. In reformatorische kerken worden tenslotte ook geen liederen gezongen waarin Maria wordt vereerd als ‘moeder Gods’ of het kruis wordt aangesproken. Liederen behoren “theologisch juist” te zijn, dat wil zeggen dat ze niet in strijd mogen zijn met de leer van de kerk. Dat geldt voor gereformeerde kerken en de rooms-katholieke kerk in gelijke mate. Dat er nu pas wordt opgetreden tegen de wildgroei van ‘kerkliedjes’, zoals de kop in het ND ze noemt, is wel merkwaardig. Jarenlang heeft men deze zaak laten versloffen. Dat er protest komt wanneer dan eindelijk wordt opgetreden, is begrijpelijk. Een kerk kan niet zonder censuur. Een kerk die daarmee geen ernst maakt, moet daarvan te zijner tijd de wrange vruchten plukken.

Theologische maatstaven leveren op zichzelf geen probleem op. Moeilijker wordt het als ook de stijl ter sprake komt. De berichten over de ten aanzien daarvan aangelegde criteria zijn enigszins verwarrend. Volgens het Nederlands Dagblad zegt Mennen dat de tekst niet al te dichterlijk moet zijn – “een normaal mens moet het kunnen begrijpen”. Op de site van Katholiek Nederland klinkt het toch wat anders. “‘Ze mogen wel poëtisch zijn, liefst wel.’ De poëtische beelden moeten door de gelovigen echter wel worden begrepen, zegt Mennen.”

Laten we het er maar op houden dat de liederen wel poëtisch moeten zijn, maar niet zodanig dat een ‘normaal mens’ het niet kan begrijpen. Dat roept wel wat vragen op. Wat is een ‘normaal mens’? Natuurlijk moet een lied begrijpelijk zijn. Het is tenslotte de bedoeling dat de gemeente – of gemeenschap, zoals roomsen dat noemen – het zingt en daarmee moet het een lied van de gemeente zijn. Maar mag niet verwacht worden dat de gelovigen enige moeite doen een lied te begrijpen? Eén van de kwaliteiten van de cantates van Bach – en van veel andere religieuze muziek uit zijn tijd – is dat er meerdere lagen in zitten. Dat betekent dat je er steeds weer nieuwe dingen in ontdekt. Zo zou dat eigenlijk met een kerklied ook moeten zijn. Voor veel liederen uit het Liedboek voor de Kerken geldt dat ook.

Elders heb ik enige tijd terug geschreven over het oprukken van de evangelische liedcultuur in reformatorische kerken. Het zogenaamde ‘opwekkingsrepertoire’ bestaat voor het grootste deel ook uit ‘liedjes’. Ze zijn meestal eendimensionaal en hebben slechts één laag – na drie keer lezen ontdek je er niets meer in dan de eerste keer. Ze missen elke diepgang en gaan daardoor snel vervelen. Ze leggen ook alles uit; er blijft niets te raden over. En zowel tekstueel als muzikaal zijn die liedjes meestal onder de maat.

Wat meer kritische zin bij het toelaten van liederen die in de liturgie een plaats kunnen krijgen, zou wel gewenst zijn. Wat dat betreft kunnen de reformatorische kerken aan de censoren van de rooms-katholieke kerk een voorbeeld nemen. Een beoordeling naar theologische criteria vindt daar wel plaats. Maar naar kwaliteit wordt nauwelijks gekeken. Over smaak valt te twisten, over kwaliteit niet.

En ook een toetsing op liturgische bruikbaarheid is geen overbodige luxe. Maar dat is een lastige opgave als een duidelijke en en bijbels gefundeerde visie op liturgie ontbreekt.

Follow

Get every new post delivered to your Inbox.