Archief

Berichten getagged ‘ND’

Een kudde zonder herders? (4)

Na een onderbreking sluit ik met deze vierde aflevering de serie onder de titel “Een kudde zonder herders?” af. Waar ging het ook al weer over? Prof. Douma wees er op zijn website op dat veel lezers van gereformeerde persorganen het gevoel hebben dat zij geen begeleiding meer krijgen. Uit zijn verdere betoog valt op te maken dat hij doelt op leiding. In het vervolg neemt hij dan De Reformatie en het Nederlands Dagblad op de korrel.

In het eerste artikel wees ik erop dat de leiding die in het verleden werd gegeven door bladen als De Reformatie en het Gereformeerd Gezinsblad – voorganger van het Nederlands Dagblad – niet berustte op enig ambtelijk gezag, maar op de brede aanvaarding van de leiding die de scribenten in de genoemde bladen gaven. In het tweede artikel betoogde ik dat de taak leiding te geven berust bij de ambtsdragers in de kerkelijke gemeenten, die daartoe door God zelf geroepen zijn. In het derde artikel ging het vervolgens over de manier waarop de gemeente daarmee moet omgaan en vooral hoe ze moet reageren wanneer er geen of verkeerde leiding wordt gegeven.

Het is nu tijd terug te keren naar het betoog van Douma. Hij noemt enkele voorbeelden van bijdragen in De Reformatie en het Nederlands Dagblad waarin – naar zijn mening – geen leiding wordt gegeven of een verkeerde weg wordt gewezen. Doet hij de desbetreffende bladen en de betrokken scribenten recht?

Douma noemt allereerst enkele voorbeelden van artikelen in De Reformatie waarin naar zijn mening verhullend gesproken wordt, bijvoorbeeld over de zonde van het ongehuwd samenwonen en de manier waarop daarmee in de tuchtoefening moet worden omgegaan. Uit een reactie van de schrijver van het artikel over het genoemde onderwerp en het antwoord van Douma daarop blijkt dat het verschil uiteindelijk minder groot is dan aanvankelijk het geval leek. Dat is ook bij een ander door hem genoemd artikel het geval. In beide gevallen moet wel geconstateerd worden dat sommige auteurs blijkbaar niet in staat zijn een duidelijke visie te formuleren die geen aanleiding is voor misverstanden. Of zou de oorzaak zijn dat de auteurs een beetje bang zijn al te scherp uit de hoek te komen? Natuurlijk, wie iets aan papier toevertrouwt, moet voorzichtig zijn. Het geschrevene kan zomaar z’n doel missen. Maar wanneer het geschrevene onduidelijkheid tot gevolg heeft of misverstanden veroorzaakt, mist het zijn doel evenzeer.

Naar aanleiding van de opmerkingen van Douma over enkele artikelen in De Reformatie maak ik nog twee algemene opmerkingen. In de eerste plaats: wanneer een predikant een artikel schrijft, is hij niet minder gebonden aan de Schrift en de belijdenis dan wanneer hij op de kansel staat. Dat betekent dat ook hier de kerkenraad de taak heeft toezicht te houden op wat hij naar voren brengt. Wanneer een gemeentelid meent dat zijn predikant in bijvoorbeeld De Reformatie een artikel heeft geschreven dat niet in overeenstemming is met de Schrift, is hij gerechtigd hem – en eventueel zijn kerkenraad – daarop aan te spreken.
Het tweede is dat in het aanvankelijk door Douma bekritiseerde artikel de hedendaagse cultuur een belangrijke rol speelt. De neiging zich aan te sluiten bij de ‘post-christelijke’ cultuur is vooral op het terrein van de kerkplanting nogal sterk. Het is een onderwerp dat belangrijk genoeg is om er nog eens apart op terug te komen.

In zijn beschouwing over de koers van het Nederlands Dagblad schetst Douma eerst hoe de krant zich van een exclusief op de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) gericht blad heeft ontwikkeld tot een blad dat als ondertitel “christelijk betrokken” draagt. Als journalisten werden ook leden van andere kerken aangetrokken. Douma schrijft: “Toch leek het er voor een korte tijd op dat het gereformeerde karakter een stempel op de krant zou blijven drukken. Helaas is daar weinig van terecht gekomen. Juister lijkt het mij daarom de krant maar gewoon ‘christelijk betrokken’ te noemen, wat ook op de voorpagina staat. En wat ‘christelijk betrokken’ betekent, is zeer rekbaar, zoals uit menig artikel en ook uit de sfeer van de krant blijkt.”

Douma specificeert dan zijn kritiek op de koers van de krant. Hij gaat allereerst in op de manier waarop ‘religieus nieuws’ wordt ingevuld. Daaronder vallen allerlei nieuwsberichten en artikelen die niets met ‘gereformeerd’ te maken hebben. Daar heeft hij op zich gelijk in; zijn voorbeelden zijn welsprekend genoeg. Maar: moet ‘religie’ worden ingevuld als ‘gereformeerd’? De genoemde artikelen hebben zeker wat met ‘religie’ te maken, zoals dat begrip in de maatschappij gehanteerd wordt. Ik kan me best voorstellen dat Douma aan de genoemde bijdragen geen behoefte heeft. Maar dat is geen criterium. Het feit dat ik economisch nieuws oversla, is voor mij geen reden te zeggen dat het er niet in zou moeten staan.

Ik haal twee door Douma genoemde voorbeelden aan. “In een rubriek ‘Religie overal en nergens’ krijgen soms bekende Nederlanders aandacht, zoals Brigitte Kaandorp. We lezen van haar dat ze wel eens naar de kerk gaat (16-10-2009). Val je er fris in, aldus Brigitte, dan is het een leuk, informatief uur op de zondagochtend. Je hoort nog eens wat! In een andere rubriek lezen we van twee glamourfiguren dat ze in hun boekenkast de Bijbel, de koran en andere heilige boeken naast elkaar hebben staan (16-07-2010). Hun oudste zoon is buddhist, en de moeder wil ook nog graag een christelijk en een islamitisch kind, Voor haar hoeft er overigens geen God te zijn.”
Is dat informatief? In zekere zin wel. Ondanks het feit dat in de toonaangevende kranten en tijdschriften vooral negatief over religie en geloof wordt geschreven, praten allerlei figuren die een publieke rol vervullen, onbekommerd over hun eigen religieuze overtuiging. Dat zou de gedachte kunnen doen postvatten dat het met de antireligieuze gezindheid van deze ‘post-christelijke’ tijd nogal meevalt. Je hoort het ook beweren in kringen waar men zich met evangelisatie en kerkplanting bezighoudt: de moderne mens staat weer open voor geloof. Maar is dat waar? Ik denk dat juist zulke artikelen als hier aangehaald nuttig zijn om die bewering te relativeren. Mijns inziens behoort het juist tot de taak van een christelijke krant alles wat zich als ‘religieus’ of ‘gelovig’ aandient, nader te onderzoeken. En dan blijkt al gauw dat niet alles wat zich als ‘religieus’ aandient die naam verdient en dat het meestal zeer ver afstaat van het christelijk geloof. Het komt meestal neer op een soort ‘geloof’ waarin de mens centraal staat en zijn behoeften bevredigd worden. Staan de aanhangers van zo’n geloof ook open voor een geloof dat van de mens afwijst en dat verplichtingen meebrengt? Artikelen als die waarnaar Douma verwijst kunnen dienen om al te veel optimisme op dat punt te temperen.

“Het Nederlands Dagblad is, zeker op pag. 2, gewoon een doorgeefluik geworden van allerlei nieuws uit oude en nieuwe dozen, zonder nog enige functie te hebben voor de opbouw van het gereformeerde geloof.” Dat is in directe zin misschien waar. Maar moet nieuws worden gebruikt om het gereformeerde geloof op te bouwen? Zijn daar niet in de eerste plaats de opiniërende artikelen voor bedoeld? En zou de opbouw van het gereformeerde leven niet eerder de taak van ambtsdragers zijn en van kerkelijke bladen?

Douma noemt vervolgens voorbeelden van een zijns inziens onrechtvaardige beoordeling van historische gebeurtenissen. Daarbij constateert hij een zekere – en soms grote mate van – afstandelijkheid tegenover het eigen verleden. De door hem aangehaalde voorbeelden betreffen vrijwel uitsluitend bijdragen van columnisten. Mijns inziens is het niet terecht die de redactie van het Nederlands Dagblad aan te wrijven. Er zijn wel vragen te stellen over het beleid ten aanzien van columnisten. Deze genieten terecht de nodige vrijheid, en één van de taken van de columnist is, de lezer te prikkelen. Maar daar zijn wel grenzen aan. Douma noemt in elk geval één voorbeeld waarbij de columnist ver over de schreef ging van wat in een christelijke krant aanvaardbaar is. De redactie had hier behoren in te grijpen.
Er bestaat binnen gereformeerde kring een wat men wel eens ‘weg-met-ons-mentaliteit’ noemt, waarbij men nauwelijks anders dan in negatief-kritische zin over het eigen verleden kan spreken. Die neiging kom je in het Nederlands Dagblad zeker ook tegen. Maar ik zou dat niet als typerend voor de krant willen bestempelen. De door mij al eerder genoemde biografie van Pieter Jongeling van ND-journalist Herman Veenhof is wel kritisch, maar zeker niet negatief.

Zijn er dan geen kritische noten te kraken? Zeker wel. Het is goed dat de redactie op de opiniepagina vogels van verschillende pluimage aan het woord laat. Maar ze zou wel eens wat kritischer mogen zijn ten aanzien van de plaatsing van artikelen. Er staan nogal eens stukken in die haaks staan op de gereformeerde belijdenis – die nog altijd tot de grondslag van de krant behoort – en die geen weerwoord krijgen. Wanneer geen scribent van buiten zich daarvoor meldt, dan zou de redactie die taak zelf op zich moeten nemen. Ook in de hoofdartikelen zou, zeker als het om kerkelijke zaken gaat, weleens duidelijker en confessioneler positie kunnen worden gekozen.

Dat de verbreding van de krant invloed heeft op de inhoud is onvermijdelijk. Maar was er een alternatief? Aan het eind van zijn beschouwing over het Nederlands Dagblad laat Douma merken wel degelijk oog te hebben voor de situatie waarin de krant zich bevindt. Hij wijst erop dat jongeren in de kerk niet meer warm te krijgen zijn voor een abonnement. Men kan natuurlijk betreuren dat het Nederlands Dagblad medewerkers aantrekt van buiten de GKV. Maar wanneer de verbreding van de krant niet was doorgevoerd, zou het ND nu wellicht niet meer bestaan of zich hebben moeten omvormen tot een weekblad.

Het is duidelijk dat die verbreding impliceert dat men zijn verwachtingen moet bijstellen. Wie gewend was aan een krant die geestelijk leiding gaf, zal het moeilijk vinden te wennen aan het huidige redactionele beleid. Maar zoals in de eerste aflevering werd opgemerkt is er geen sprake van dat de redactie van een krant de taak zou hebben leiding te geven in een kerkelijke gemeenschap. De herders van de kudde zijn niet gevestigd aan de Hermesweg in Barneveld, maar in de kerkelijke gemeente.

P.S. Ik was van plan ook nog in te gaan op de kritische opmerkingen van Douma over de ChristenUnie. Daar zie ik op dit moment van af. Ik kom er hopelijk binnenkort op terug in het kader van een beschouwing over de rol van de belijdenis in de ChristenUnie en de consequenties daarvan voor het lidmaatschap en het passieve kiesrecht.

Het gebed van Cees Vork

Cees Vork is leider van de gebedsbeweging ‘Op de Bres voor Nederland‘. Naar aanleiding van het aantreden van het nieuwe kabinet schreef hij in het Nederlands Dagblad een artikel onder de titel “Met dit nieuwe kabinet zijn gebeden verhoord”. Daarin schrijft hij: “In Romeinen 13 vers 1 lezen we dat de overheid door God wordt bepaald. Vanuit deze gedachte kunnen we stellen dat de nieuwe regering onder leiding van minister-president Rutte door God is gewild en bepaald. Dit is belangrijk om te aanvaarden. In ons democratisch bestel gaan we ervan uit dat de meerderheid bepaalt welke overheid er komt. De Bijbel zegt echter dat God de bepaler is van overheden.”

Dat klinkt allemaal heel mooi. Toch heb ik het idee dat hij dit artikel niet geschreven zou hebben – of niet met deze inhoud – wanneer het kabinet een andere samenstelling had gehad, bijvoorbeeld met alleen ‘paarse’ partijen. De kop van het artikel wijst ook al in die richting. “De Bijbel roept gelovigen op te bidden voor de hooggeplaatsten en leert ons ook dat God gebeden hoort en verhoort.” Maar het maakt wel uit hoe je bidt en wat de inhoud van dat gebed is. Wanneer je Vorks artikel verder leest, is er alle reden kritisch te zijn over wat kennelijk de inhoud van zijn gebed is geweest.

“Een gebedspunt dat regelmatig naar voren kwam, was het gebed dat er vele christelijke politici plaats zouden nemen in de nieuwe regering. Als we nu kijken naar de samenstelling van dit nieuwe kabinet constateren we dat een groot gedeelte christelijke wortels heeft vanuit de protestantse en katholieke traditie. Ook minister-president Rutte is actief verbonden met de kerk. Kunnen we dit zien als een gebedsverhoring?” Die laatste vraag lijkt me een retorische, want uit de strekking van Vorks artikel blijkt dat zijn antwoord op die vraag “ja” is. Maar moet het daarom gaan, of er christelijke politici in het kabinet zitten?

Het past mensen niet over het geloof van andere mensen te oordelen. Je kunt alleen afgaan op wat er in de praktijk van blijkt. Laten we aannemen dat een substantieel deel van de leden van het kabinet “christelijke wortels” heeft. Heeft de samenleving daar iets aan? Veel ongelovigen, zelfs atheïsten, hebben “christelijke wortels”, maar daardoor laten ze zich hooguit inspireren om zich er tegen af te zetten. Van Mark Rutte wordt beweerd dat hij “actief verbonden” is met de kerk. Heeft de samenleving daar iets aan, wanneer dat op geen enkele manier zijn politieke denken of handelen beïnvloedt?

De aanwezigheid van christenen als zodanig heeft geen betekenis. Waar het om gaat is in hoeverre het regeringsbeleid beantwoordt aan de normen die de Schrift stelt. En daartoe behoort het bevorderen van recht en gerechtigheid. Dat wordt op de site van ‘Op de Bres voor Nederland’ zelfs expliciet als gebedspunt genoemd: “Bid om een eerlijke verdeling van de kosten in verband met de bezuinigingen.” Valt dat van dit kabinet te verwachten? Het regeerakkoord wijst in de omgekeerde richting. Wat heeft de samenleving aan een kabinet met christenen, wanneer de gevolgen van de financieel-economische crisis vooral bij de lagere inkomensgroepen gelegd worden?

Een tweede gebedspunt wordt genoemd: “Dank en bid dat het rijke Europa hulp blijft geven aan landen die hulp nodig hebben vanwege armoede en rampen.” Valt te verwachten dat met de komst van dit kabinet deze bede is verhoord? Voor wat Nederland betreft lijkt het er niet op. Eerder valt te verwachten dat de geldkraan wordt dichtgedraaid. Nederland zal onder dit kabinet steeds meer met de rug naar de buitenwereld gaan staan. Het kabinetsbeleid zal, zowel ten aanzien van het sociaal beleid in het binnenland als het ontwikkelingsbeleid in internationaal verband, uitgaan van het liberale principe dat iedereen z’n eigen broek moet ophouden.

“Er is gebeden dat de nieuwe regering een sterke band met Gods volk Israël zou hebben. Ook hierin zien we een tastbare gebedsverhoring. Ook Geert Wilders, die dit kabinet gedoogsteun geeft, heeft een duidelijke pro-Israëlvisie,” schrijft Vork. Is een kritiekloze bewondering voor de Israëlische politiek, zoals Geert Wilders die tentoonspreidt, in overeenstemming met de Schrift? Zouden recht en gerechtigheid die de regering behoort te bevorderen, ook in internationaal verband, niet vragen om een iets genuanceerder benadering?

Zou het met de eenzijdige, onschriftuurlijke gerichtheid op Israel te maken kunnen hebben dat op de site geen enkele oproep te vinden is te bidden voor een rechtvaardige behandeling van de islamitische minderheid in ons land? Juist onder dit kabinet is die in gevaar. Van het nieuwe kabinet gaat vooral de boodschap uit dat moslims hooguit worden getolereerd, maar niet geaccepteerd. Heeft dat iets met christelijke politiek te maken?

Over de opdracht zorgvuldig met de schepping om te gaan, zowel nationaal als wereldwijd, hebben we het dan nog niets eens gehad. Ook op dat punt valt van dit kabinet niet veel goeds te verwachten.

Tenslotte: christenen in de politiek dienen zich er niet alleen voor in te spannen dat het regeringsbeleid zoveel mogelijk beantwoordt aan wat volgens de Schrift van de overheid mag worden verwacht. Ze behoren ook in hun manier van politiek bedrijven als christenen herkenbaar te zijn. De laatste maanden is daar in elk geval van de kant van het CDA niet veel van gebleken. De manier waarop met de ‘dissidenten’ in en buiten de fractie is omgesprongen, was niet bepaald een getuigenis van christelijke politiek. En het feit dat deze partij bereid is gedoogsteun te aanvaarden van een beweging die gebrek aan wellevendheid en respect tot handelsmerk van haar manier van politiek bedrijven heeft gemaakt, is dat evenmin. Volgens Vork zitten er in de fractie van de PVV “diepgelovige mensen”. Heeft de samenleving daar iets aan, wanneer ze deel uitmaken van een politieke beweging die groepen in de samenleving tegen elkaar opzet en er geen enkele behoefte aan heeft tegenstellingen te overbruggen?

Is dit kabinet een verhoring van het gebed? Het hangt er maar vanaf waarom je gebeden hebt. Vooralsnog lijkt het vanuit christelijk perspectief eerder een straf dan een zegen.

Discriminatie of evangelisatie?

Naarmate de vorming van een ‘rechts’ kabinet waaraan ook de PVV op één of andere manier bijdraagt, dichterbij komt, lopen de emoties steeds hoger op. In kranten en tijdschriften en niet het minst op internetsites gaan voor- en tegenstanders van zo’n kabinet elkaar te lijf, niet zelden met grof geschut. Ook in christelijke kring is de verdeeldheid groot.

Dat bleek nog eens duidelijk na de verkiezingen. Al bij de eerste consultatieronde liet de SGP weten eventueel wel gedoogsteun te willen verlenen aan een zodanig kabinet. Ook in de reacties op de informatieronde van Ruud Lubbers viel de open houding van de SGP tegenover een ‘rechts’ kabinet op. Dat staat in schril contrast met de afkeer van de PVV en vooral van het meeregeren door de PVV, die de ChristenUnie ten toon spreidt. De verklaring van senator Egbert Schuurman op de site van de partij spreekt wat dat betreft duidelijke taal. Een krant vermeldde in dit verband dat de ChristenUnie geldt als de felste politieke tegenstander van de PVV.

Inmiddels heeft een Comité voor de Rechtsstaat een oproep doen uitgaan naar de leden van de Tweede-Kamerfracties van VVD en CDA, waarin hun wordt gevraagd een coalitie af te wijzen, waarbij de PVV op enigerlei wijze betrokken is, met een verwijzing naar standpunten van de PVV, die op gespannen voet staan met het wezen van de rechtsstaat. Op het discussieforum van het Nederlands Dagblad werd daarop overwegend zeer negatief gereageerd. Weliswaar kan men er niet zonder meer vanuit gaan dat iedereen die reageert christen is, uit de reacties kan toch worden opgemaakt dat dit voor de meesten wel geldt. En dan valt het op hoe negatief wordt gesproken over de islam, en hoever men bereid is te gaan om het vermeende gevaar van de ‘islamisering’ tegen te gaan. Daarbij worden opvattingen geventileerd die je ook in kringen van de PVV kunt horen.

Nu is er voor christenen geen enkele reden positief te zijn over de islam. Wie ervan overtuigd is dat het christelijk geloof het enig ware geloof is en dat niemand tot de Vader kan komen dan door de Zoon, kan niet anders dan de islam als een valse godsdienst bestempelen. Maar wat betekent dat in de praktijk? Is dat een vrijbrief om de aanhangers van dat geloof te beledigen of hen als tweederangsburgers te behandelen? Geeft dat het recht hun vrijheden te ontzeggen die men voor zichzelf – als christenen – wel opeist? Laten we even aannemen dat Nederland inderdaad het gevaar loopt te ‘islamiseren’. Hoe ga je dat gevaar dan tegen?

Het merkwaardige is dat degenen die altijd roepen dat de scheiding van kerk en staat betekent dat de staat zich niet moet bemoeien met de kerk, in het geval van de islam ineens bepleiten dat de overheid zich wel bemoeit met de moskee. Er moet nauwkeurig voor gewaakt worden dat daar geen opvattingen worden uitgedragen die haaks staan op wat wij in Nederland aanvaardbaar vinden. Maar in de kringen van christenen die met de PVV sympathiseren blijft het meestal akelig stil, als het gaat om de geestelijke strijd tegen de islam. Binnen christelijke kerken zijn weliswaar mensen actief ten behoeve van de evangelieverkondiging onder moslims en er zijn gemeenten die speciaal iemand hebben aangesteld om zich hiermee bezig te houden, maar ik heb niet de indruk dat deze activiteiten op erg veel sympathie kunnen rekenen van degenen die in de PVV een bondgenoot zien in de strijd tegen de ‘islamisering’.

Voor een geestelijke strijd tegen de islam moet je natuurlijk niet bij de PVV zijn. Ondanks het feit dat ze er prat op gaat de ‘joods-christelijke cultuur’ van Nederland te verdedigen tegen de ‘aanvallen’ van de islam, moet deze beweging als volstrekt nihilistisch beschouwd worden. De PVV is niet gebaseerd op een levensbeschouwing en heeft moslims dus niets te bieden. Nu is het niet de taak van een politieke partij mensen tot een bepaald geloof te bekeren. Maar het is evenmin haar taak een bepaald geloof te bestrijden en de aanhangers daarvan het belijden van dat geloof onmogelijk te maken.

Wanneer dat geloof leidt tot maatschappelijke misstanden, dan moeten die aangepakt worden. Maar dat betekent niet dat dan aan het achterliggende geloof beperkingen opgelegd mogen worden. Er wordt beweerd dat de islam een politieke ideologie is. Dat is echter geen wetenschappelijk vaststelbaar feit maar een subjectieve interpretatie. Van de islam wordt misbruik gemaakt voor het bereiken van politieke doeleinden. Maar dat is in de loop van de geschiedenis met het christelijk geloof ook gebeurd. Daaruit trekt niemand de conclusie dat het christelijk geloof zelf een politieke ideologie is.

De geestelijke strijd tegen de islam is de taak van de kerk. En juist degenen die zich zoveel zorgen maken over een dreigende ‘islamisering’, zouden zich hiervoor actief moeten inzetten. Bekering tot het christelijk geloof is immers het meest effectieve wapen tegen de ‘islamisering’. Maar dan zitten we wel met een probleem. Want als je iemand wilt bekeren, zul je eerst contact moeten leggen en dat vervolgens moeten onderhouden en ontwikkelen. Iedereen begrijpt dat zo’n contact niet ontstaat en zeker geen stand houdt, wanneer wederzijds respect ontbreekt. En daar zit ‘m de kneep. PVV-sympathisanten hebben geen respect voor moslims, en hun wijze van optreden en hun uitlatingen roepen bij moslims begrijpelijkerwijs geen respect op.

Daaruit moet geconcludeerd worden dat degenen die in Wilders en zijn beweging een bondgenoot zien, in feite het meest effectieve wapen tegen de ‘islamisering’ buiten werking stellen. Naarmate de opvattingen van Wilders meer aanhang krijgen, wordt de evangelieverkondiging onder moslims moeilijker. En het is bepaald niet denkbeeldig dat degenen die moslims benaderen met het evangelie zich steeds vaker expliciet van de PVV en haar strijd tegen de islam zullen moeten distantiëren.

De politieke strijd tegen de islam en de evangelieverkondiging onder moslims laten zich niet verenigen. De uiteindelijke vraag voor christelijke PVV-sympathisanten is daarom wat het zwaarst weegt: het eigen tijdelijke welzijn of het eeuwige welzijn van de moslim.

Preken voor het leven

In gereformeerde kring is altijd veel aandacht geweest voor de prediking. Over preken werd gesproken, na de dienst, op bijbelstudieverenigingen. En nog steeds mag het onderwerp zich in grote belangstelling verheugen. Wanneer een predikant moet worden beroepen, komen allerlei eisen en verlangens op tafel. Maar zijn preken zijn toch nog steeds een belangrijk, misschien zelfs wel doorslaggevend argument voor het al dan niet uitbrengen van een beroep.

Intussen worden aan preken wel andere eisen gesteld dan vroeger. Ieder heeft zo zijn eigen wensen. Al te moeilijk mag het niet zijn. En de voorganger moet ook zo preken dat het gemiddelde gemeentelid er iets aan heeft voor de komende week. Hij moet uiteraard de jeugd aanspreken, ook al is ook in de kerk de vergrijzing inmiddels zichtbaar. En dan is er nog de evangelisatie: eigenlijk moet er zo gepreekt worden dat ook toevallige bezoekers snappen waar het over gaat. Kortom, de taak van de prediker is er niet eenvoudiger op geworden.

De vraag is dan wel of daarmee de prediking op haar juiste waarde wordt geschat. Wim Dekker, hoofd vorming en educatie van de “IZB – vereniging voor zending in Nederland” (vroeger functionerend binnen de Nederlandse Hervormde Kerk, tegenwoordig de PKN), schreef daarover een artikel in het Nederlands Dagblad van 8 april j.l. Het had als opschrift: “Het besef is verbleekt dat in de kerk doden worden opgewekt”.

Een citaat geeft Dekkers visie op de prediking goed weer. “Gereformeerde mensen hadden een diep besef van verlorenheid, dat God eraan te pas moest komen om je uit je verlorenheid op te rapen en dat Hij dat bij voorkeur deed door de prediking. Gereformeerde mensen beseften dat je daarna nooit klaar was, maar dat God een leven lang werk met je hield en dat je daarom zo vaak mogelijk in de werkplaats van God moest verschijnen en die werkplaats is de kerk, waar de Geest werkt door het Woord.”

Dekker meent dat deze opvatting in verregaande mate is verdwenen en dat als gevolg daarvan aan de kerkdienst “van alles geknutseld” wordt. Dat is geen oplossing, want “als ik niet voor mijn eeuwig heil naar de kerk moet, dan zijn er altijd wel weer andere dingen belangrijk”. Op de tegenwerping dat deze kwestie niet erg relevant is wanneer het erom gaat ‘buitenstaanders’ te bereiken, antwoordt Dekker: “Maar mijn stelling is, dat geen mens van buiten geboeid zal worden door iets dat in wezen vrijblijvend en gemoedelijk is.” Hij roept gereformeerde mensen op weer te gaan geloven dat onder de preek doden worden opgewekt. “Dat is dan tevens de beste dienst die ze aan welke zoeker dan ook kunnen bewijzen.”

Heeft Dekker gelijk met zijn analyse van de situatie en met zijn visie op de prediking? Hetzelfde artikel stond in het Reformatorisch Dagblad met een wat andere titel: “Wervende preek moet vol gloed en aandrang zijn”. De koppen zijn waarschijnlijk van de redacties van de respectievelijke bladen, maar die van het ND is pregnanter en geeft scherper aan waar het Dekker om gaat.

Waarschijnlijk nodigt zo’n titel ook eerder uit tot tegenspraak dan die in het RD. Een in de kolommen van het ND niet geheel onbekende scribent reageerde dan ook op raillerende wijze. Het kernpunt van zijn kritiek is dat de preek wordt overschat, omdat de Geest ook op andere wijzen werkt en niet alleen in de kerkdiensten.

Het is waar dat het allemaal begint bij het Woord zelf. Dat keert nooit leeg weer. Dat betekent dat de preek niet teveel belang mag worden toegekend. Een preek kan soms teleurstellen, maar daarmee verliest de kerkdienst nog niet zijn waarde zolang het Woord klinkt. En veel christenen in deze wereld moeten het zonder regelmatige prediking stellen.

Het is ook waar dat de Geest niet alleen via de kerkdiensten werkt. Opvoeding, onderwijs, bijbelstudie – individueel en in verenigingsverband -, huisbezoeken, het zijn allemaal middelen die de Geest gebruikt. Dat laat onverlet dat de verkondiging van het Woord door hen die daartoe geroepen zijn, een sleutelrol speelt in het kerkelijk leven.

Dat woord ‘sleutelrol’ kan hier letterlijk genomen worden. In zondag 31 van de Heidelbergse Cathechismus wordt de verkondiging van het evangelie één van de sleutels van het hemelrijk genoemd, waardoor het koninkrijk van de hemel voor de gelovigen geopend en voor de ongelovigen gesloten wordt. Dat brengt grote verantwoordelijkheid mee voor de prediker en voor zijn toehoorders. Het is daarom terecht dat Dekker het zo formuleert als hij doet.

Dat betekent dat aan slordige kerkgang zwaar getild moet worden. Ik ben er niet zeker van dat dit ook het geval is. Ik ben waarschijnlijk niet de enige die constateert dat vooral het bezoek van de middagdiensten sterk is teruggelopen. Of door kerkenraden daaraan, bijvoorbeeld op huisbezoek, ook aandacht wordt besteed, onttrekt zich aan mijn waarneming. Ik heb niet de indruk dat het altijd en overal als een bijzonder urgent probleem wordt gezien.

De opmerking van Dekker dat de veranderde visie op de prediking leidt tot “geknutsel” aan de eredienst is heel herkenbaar. En dat geknutsel is ook sterk aan mode onderhevig. Jaren geleden was het ineens “in” allerlei voorwerpen de kansel op te slepen, soms zo voor de hand liggende dingen dat je je afvroeg of de voorganger dacht dat er alleen kinderen in de kerk zaten.

Maar dat is nu helemaal uit. Nu wordt vooral gestreefd naar variatie. Wanneer elke dienst volgens een vast patroon verloopt, komt de sleur erin en haakt een deel van de gemeente af. Nieuwe muziekstijlen, bij voorkeur beïnvloed door de popmuziek, moeten de jongeren enthousiast maken. De Geneefse psalmen, met hun ‘gedragen’ melodieën, zijn te weinig dynamisch. En steeds weer dezelfde teksten, die gaan na verloop van tijd het ene oor in en het andere uit. Dus worden de Tien Geboden, wanneer het zo uitkomt, maar eens vervangen door iets anders, eventueel van eigen makelij. En desnoods zetten we de gemeente aan het discussiëren. Niet te lang natuurlijk, want dat gaat ook vervelen.

Dat zulke middelen het meestal maar een paar jaar uithouden laat zien dat ze niet werken. De vroeger bekende reclameslogan ‘Geen fratsen, dat scheelt’ is ook op de kerkdiensten van toepassing. Wanneer het besef ontbreekt dat de heilige Geest door middel van de kerkdiensten het geloof wil werken zullen ook allerlei modieuze fratsen geen mens in de kerk krijgen. En als aan kerkdiensten geen hogere eisen worden gesteld dan dat ze “ergens over gaan”, zoals ik een tijd geleden uit een gesprek van jongeren opving, dan valt niet te verwachten dat men sterke aandrang voelt elke zondag twee keer in “de werkplaats van God” te verschijnen.

Dekker spreekt in zijn artikel niet alleen de toehoorders aan, hij richt zich ook op de voorgangers. Niet alleen bij de toehoorders, maar ook bij de predikers is het besef verbleekt “dat onder de prediking doden worden opgewekt. Wanneer de predikers dit niet meer beseffen, verdwijnen gloed en aandrang uit hun preken, het wordt vooral onderhoudend en gemoedelijk, bemoedigend en vertrouwd: het was wel weer mooi vanmorgen. Maar het was helemaal niet mooi, want er is niets gebeurd!”

Het zal wel waar zijn dat predikanten de druk voelen van de wensen die in de gemeente leven ten aanzien van de prediking. En je moet wel ruggegraat hebben om daarvoor niet te buigen, wanneer je ervan overtuigd bent dat je dan tekort doet aan wat je opdracht is. En wanneer je kerkenraad dan ook nog geneigd is te buigen als een knipmes, wanneer gemeenteleden hun wensen op tafel leggen, wordt je leven er niet eenvoudiger op.

Het helpt wanneer predikanten zich realiseren dat ze niet in de eerste plaats verantwoording schuldig zijn aan de gemeente, maar aan hun Zender. Een preek is geen verzoeknummer. Predikers moeten de vermaning van Paulus aan het adres van Timotheüs (2 Tim 4,2) ter harte nemen: “Verkondig de boodschap, blijf aandringen, of het nu uitkomt of niet”.

Die boodschap omvat “oude” en “nieuwe” dingen, zoals Jezus zelf aangeeft, wanneer Hij een “schriftgeleerde die leerling in het koninkrijk van de hemel is geworden” vergelijkt met “een huismeester die uit zijn voorraadkamer nieuwe en oude dingen te voorschijn haalt” (Mt 13,53). Nieuwe dingen komen alleen te voorschijn, wanneer de prediker studeert en het resultaat daarvan in zijn prediking vertaalt. Maar ook “oude dingen” moeten blijven klinken, want – zoals Dekker terecht stelt – Gods werk aan zijn kinderen duurt hun leven lang.

In de eredienst moet het inderdaad “ergens over gaan”. Als het over dood en leven gaat, dan gaat het ergens over en dan gebeurt er wat.

Follow

Get every new post delivered to your Inbox.