Archief

Berichten getagged ‘VVD’

Het gebed van Cees Vork

Cees Vork is leider van de gebedsbeweging ‘Op de Bres voor Nederland‘. Naar aanleiding van het aantreden van het nieuwe kabinet schreef hij in het Nederlands Dagblad een artikel onder de titel “Met dit nieuwe kabinet zijn gebeden verhoord”. Daarin schrijft hij: “In Romeinen 13 vers 1 lezen we dat de overheid door God wordt bepaald. Vanuit deze gedachte kunnen we stellen dat de nieuwe regering onder leiding van minister-president Rutte door God is gewild en bepaald. Dit is belangrijk om te aanvaarden. In ons democratisch bestel gaan we ervan uit dat de meerderheid bepaalt welke overheid er komt. De Bijbel zegt echter dat God de bepaler is van overheden.”

Dat klinkt allemaal heel mooi. Toch heb ik het idee dat hij dit artikel niet geschreven zou hebben – of niet met deze inhoud – wanneer het kabinet een andere samenstelling had gehad, bijvoorbeeld met alleen ‘paarse’ partijen. De kop van het artikel wijst ook al in die richting. “De Bijbel roept gelovigen op te bidden voor de hooggeplaatsten en leert ons ook dat God gebeden hoort en verhoort.” Maar het maakt wel uit hoe je bidt en wat de inhoud van dat gebed is. Wanneer je Vorks artikel verder leest, is er alle reden kritisch te zijn over wat kennelijk de inhoud van zijn gebed is geweest.

“Een gebedspunt dat regelmatig naar voren kwam, was het gebed dat er vele christelijke politici plaats zouden nemen in de nieuwe regering. Als we nu kijken naar de samenstelling van dit nieuwe kabinet constateren we dat een groot gedeelte christelijke wortels heeft vanuit de protestantse en katholieke traditie. Ook minister-president Rutte is actief verbonden met de kerk. Kunnen we dit zien als een gebedsverhoring?” Die laatste vraag lijkt me een retorische, want uit de strekking van Vorks artikel blijkt dat zijn antwoord op die vraag “ja” is. Maar moet het daarom gaan, of er christelijke politici in het kabinet zitten?

Het past mensen niet over het geloof van andere mensen te oordelen. Je kunt alleen afgaan op wat er in de praktijk van blijkt. Laten we aannemen dat een substantieel deel van de leden van het kabinet “christelijke wortels” heeft. Heeft de samenleving daar iets aan? Veel ongelovigen, zelfs atheïsten, hebben “christelijke wortels”, maar daardoor laten ze zich hooguit inspireren om zich er tegen af te zetten. Van Mark Rutte wordt beweerd dat hij “actief verbonden” is met de kerk. Heeft de samenleving daar iets aan, wanneer dat op geen enkele manier zijn politieke denken of handelen beïnvloedt?

De aanwezigheid van christenen als zodanig heeft geen betekenis. Waar het om gaat is in hoeverre het regeringsbeleid beantwoordt aan de normen die de Schrift stelt. En daartoe behoort het bevorderen van recht en gerechtigheid. Dat wordt op de site van ‘Op de Bres voor Nederland’ zelfs expliciet als gebedspunt genoemd: “Bid om een eerlijke verdeling van de kosten in verband met de bezuinigingen.” Valt dat van dit kabinet te verwachten? Het regeerakkoord wijst in de omgekeerde richting. Wat heeft de samenleving aan een kabinet met christenen, wanneer de gevolgen van de financieel-economische crisis vooral bij de lagere inkomensgroepen gelegd worden?

Een tweede gebedspunt wordt genoemd: “Dank en bid dat het rijke Europa hulp blijft geven aan landen die hulp nodig hebben vanwege armoede en rampen.” Valt te verwachten dat met de komst van dit kabinet deze bede is verhoord? Voor wat Nederland betreft lijkt het er niet op. Eerder valt te verwachten dat de geldkraan wordt dichtgedraaid. Nederland zal onder dit kabinet steeds meer met de rug naar de buitenwereld gaan staan. Het kabinetsbeleid zal, zowel ten aanzien van het sociaal beleid in het binnenland als het ontwikkelingsbeleid in internationaal verband, uitgaan van het liberale principe dat iedereen z’n eigen broek moet ophouden.

“Er is gebeden dat de nieuwe regering een sterke band met Gods volk Israël zou hebben. Ook hierin zien we een tastbare gebedsverhoring. Ook Geert Wilders, die dit kabinet gedoogsteun geeft, heeft een duidelijke pro-Israëlvisie,” schrijft Vork. Is een kritiekloze bewondering voor de Israëlische politiek, zoals Geert Wilders die tentoonspreidt, in overeenstemming met de Schrift? Zouden recht en gerechtigheid die de regering behoort te bevorderen, ook in internationaal verband, niet vragen om een iets genuanceerder benadering?

Zou het met de eenzijdige, onschriftuurlijke gerichtheid op Israel te maken kunnen hebben dat op de site geen enkele oproep te vinden is te bidden voor een rechtvaardige behandeling van de islamitische minderheid in ons land? Juist onder dit kabinet is die in gevaar. Van het nieuwe kabinet gaat vooral de boodschap uit dat moslims hooguit worden getolereerd, maar niet geaccepteerd. Heeft dat iets met christelijke politiek te maken?

Over de opdracht zorgvuldig met de schepping om te gaan, zowel nationaal als wereldwijd, hebben we het dan nog niets eens gehad. Ook op dat punt valt van dit kabinet niet veel goeds te verwachten.

Tenslotte: christenen in de politiek dienen zich er niet alleen voor in te spannen dat het regeringsbeleid zoveel mogelijk beantwoordt aan wat volgens de Schrift van de overheid mag worden verwacht. Ze behoren ook in hun manier van politiek bedrijven als christenen herkenbaar te zijn. De laatste maanden is daar in elk geval van de kant van het CDA niet veel van gebleken. De manier waarop met de ‘dissidenten’ in en buiten de fractie is omgesprongen, was niet bepaald een getuigenis van christelijke politiek. En het feit dat deze partij bereid is gedoogsteun te aanvaarden van een beweging die gebrek aan wellevendheid en respect tot handelsmerk van haar manier van politiek bedrijven heeft gemaakt, is dat evenmin. Volgens Vork zitten er in de fractie van de PVV “diepgelovige mensen”. Heeft de samenleving daar iets aan, wanneer ze deel uitmaken van een politieke beweging die groepen in de samenleving tegen elkaar opzet en er geen enkele behoefte aan heeft tegenstellingen te overbruggen?

Is dit kabinet een verhoring van het gebed? Het hangt er maar vanaf waarom je gebeden hebt. Vooralsnog lijkt het vanuit christelijk perspectief eerder een straf dan een zegen.

Coalitie op de kansel

De besprekingen om tot een coalitie van VVD en CDA, met gedoogsteun van de PVV, te komen zorgen voor flinke maatschappelijke onrust. Meer en minder prominente leden van het CDA komen in het geweer om hun bezwaren tegen samenwerking van hun partij met de PVV, in welke vorm dan ook, kenbaar te maken. Daartegenover melden zich dan weer anderen, die de uitkomst van de besprekingen willen afwachten. In de media en op internet bestoken voor- en tegenstanders elkaar in vaak weinig verheffende bewoordingen.

Ook de kerken laat de kwestie niet onberoerd. Verschillende voorgangers uit met name de PKN aarzelen niet vanaf de kansel te verkondigen dat elke vorm van regeringsverantwoordelijkheid van de PVV onverantwoord is. Als reactie daarop laten voorgangers uit vooral de evangelische hoek weten dat juist de PVV een bastion is tegen de dreigende ‘islamisering’ van Nederland. Daarmee lijken oude tijden te herleven. Vooral in de jaren ’70 en ’80 van de vorige eeuw was het heel gebruikelijk dat in Hervormde en (synodaal) Gereformeerde Kerken op de kansel politieke standpunten werden verkondigd. Eén van de heetste hangijzers was toen de kernbewapening; veel voorgangers van linkse snit gebruikten hun preken om te pleiten voor de afschaffing van de kernwapens, te beginnen in Nederland.

Sindsdien lijkt het wat stil te zijn geworden. Werd toentertijd heftig geprotesteerd tegen ‘politieke preken’, daarvan is de laatste decennia weinig sprake meer. Het lijkt erop dat voorgangers wat terughoudender geworden zijn in hun politieke uitspraken. Ook kerkelijke organen en vergaderingen melden zich minder vaak in het debat over maatschappelijke vraagstukken. Het voert te ver hier uitgebreid in te gaan op de oorzaken van deze ontwikkeling. Ze heeft ongetwijfeld te maken met de verandering van het politieke landschap.

In de jaren ’70 en ’80 van de vorige eeuw was dat landschap vrij overzichtelijk. ‘Links’ en ‘rechts’ waren begrippen die beide een scala aan politieke opvattingen vertegenwoordigden, die duidelijk van elkaar te onderscheiden waren. Er bestond weinig onduidelijkheid over de vraag of een partij ‘links’ dan wel ‘rechts’ was. Dat had ook alles te maken met de onderwerpen die toen hoog op de politieke agenda stonden. Dat is inmiddels grondig veranderd, vooral onder invloed van het einde van de Koude Oorlog en de tegenstelling tussen ‘Oost’ en ‘West’. Politieke partijen en maatschappelijke organisaties schudden hun ideologische veren af en de politieke agenda veranderde. Het gevolg is dat ‘links’ en ‘rechts’ inmiddels wat onduidelijke begrippen zijn geworden.

Zeker ten aanzien van de islam is de scheiding tussen ‘links’ en ‘rechts’ niet altijd gemakkelijk te maken. De vrijheid van godsdienst is traditioneel bij ‘rechts’ in veiliger handen dan bij ‘links’. Maar terwijl ‘links’ ernaar streeft publieke uitingen van het christelijk geloof zoveel mogelijk terug te dringen, verzetten juist ‘linkse’ politici zich tegen pogingen van de PVV de vrijheid van moslims hun geloof uit te dragen, in te perken. Anderzijds zijn van ‘linkse’ politici uitspraken te noteren, die evenzogoed uit de mond van Wilders hadden kunnen komen.

Die verwarring zou weleens één van de oorzaken kunnen zijn dat voorgangers niet zo gauw politieke uitspraken op de kansel doen, al wordt dat niet toegegeven. Mw. Netty de Jong-Dorland, PKN-predikante van de Domkerk in Utrecht, is wars van politiek op de kansel. “Je hebt op de kansel te maken met eenrichtingsverkeer. Daardoor heb je als predikant een machtspositie. Het enige wat gemeenteleden kunnen doen om hun onvrede te tonen, is weglopen. Of je dat wilt is maar de vraag.”

Dat is een stellingname die van gezond inzicht getuigt, maar tegelijk de innerlijke zwakte van een kerk als de PKN blootlegt. Het is goed wanneer voorgangers zich bewust zijn van hun bijzondere positie. In de meeste kerkelijke samenkomsten is de voorganger als enige aan het woord. En dat brengt een grote verantwoordelijkheid mee. De voorganger moet er vooral voor waken dat de boodschap van de Schrift niet in diskrediet wordt gebracht door zijn persoonlijke politieke of maatschappelijke stellingnames. En die mogen al helemaal niet met ambtelijk gezag worden bekleed.
Maar het simpele feit dat sommige kerkgangers moeite hebben met wat vanaf de kansel wordt verkondigd, mag geen reden zijn met een boog om controversiële zaken heen te lopen. Dan moet een voorganger natuurlijk wel zeker weten wat de boodschap van de Schrift is. En wat hij als waarheid verkondigt, mag dan niet door een andere voorganger in dezelfde kerkelijke gemeenschap worden tegengesproken. En daar zit precies de zwakte van de PKN.

Wolter Broekema, PKN-predikant in Nijverdal, besteedt in zijn preken wel aandacht aan de Haagse politiek, maar zonder politieke partijen bij de naam te noemen. Hij vreest dat hij gemeenteleden van zich zou vervreemden als hij dat wel zou doen. “We zijn een gemeente met 2.500 zielen. Daar zullen ongetwijfeld PVV-stemmers tussen zitten.” Het is terecht politieke partijen buiten de verkondiging te laten, maar de verwijzing naar het stemgedrag van gemeenteleden is daarvoor niet bepaald een steekhoudend argument. Dat feit zou eerder aanleiding moeten zijn, het gedachtegoed van die beweging tegen het licht van de Schrift te houden.

Ds. Jan-Peter Kruiger, GKV-predikant van Utrecht-N/W, is eveneens terughoudend. Hij spreekt de kerkgangers vooral persoonlijk aan. “Wat doet Jezus in jouw leven, vraag ik de mensen. Wilders heeft daarmee niet zoveel te maken.” Echt niet? Wat Jezus in het leven van mensen doet blijkt toch ook uit de manier waarop ze over moslims en immigranten spreken en hoe ze reageren op de publieke opinie hierover? De manier waarop tegenwoordig vaak wordt gesproken over illegalen of over wie zich aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt staat haaks op de leer van Christus, en dat mag toch in de preek wel naar voren komen? Zoals ik in een eerdere bijdrage al schreef, het leven is één en de vraag wat Jezus in het leven van de gelovige doet kan dus niet losgemaakt worden van diens maatschappelijke en politieke stellingnames en keuzes.

Terecht zegt Kruiger: “Mensen hebben al gestemd. Dus wat heeft het voor zin om nu de coalitiebesprekingen te behandelen? Ik denk niet dat kerkgangers hier echt wat mee kunnen.” Dat ligt voor PKN-voorgangers waarschijnlijk anders. Zij hebben, in tegenstelling tot hun GKV-collega’s, waarschijnlijk nogal wat CDA-leden in hun gemeente. En die hebben, via het toegezegde partijcongres over de resultaten van de coalitiebesprekingen, dus wel degelijk nog invloed op de uitkomst van het formatieproces.

Hoe dan ook, geen voorganger kan negeren wat het maatschappelijk en politiek debat in hoge mate beheerst. Het is zijn taak het Woord van God te verkondigen, en daarbij past het niet een bepaalde politieke partij op de korrel te nemen, laat staan een standpunt in te nemen over de meest gewenste of een ongewenste coalitie. Maar de huidige politieke constellatie is wel het gevolg van het stemgedrag van mensen. En dat staat onder de kritiek van de Schrift. Voorgangers moeten ook laten zien wat de consequenties van het evangelie zijn. Het gebod “heb uw naaste lief als uzelf” is één van de twee hoofdgeboden die Jezus heeft verkondigd. De aantrekkingskracht van de mentaliteit waardoor de PVV zich laat leiden, geeft alle aanleiding dit gebod in de prediking concreet te maken.

(*) De gegeven citaten stammen uit een artikel in Trouw van 21.8.10.

Discriminatie of evangelisatie?

Naarmate de vorming van een ‘rechts’ kabinet waaraan ook de PVV op één of andere manier bijdraagt, dichterbij komt, lopen de emoties steeds hoger op. In kranten en tijdschriften en niet het minst op internetsites gaan voor- en tegenstanders van zo’n kabinet elkaar te lijf, niet zelden met grof geschut. Ook in christelijke kring is de verdeeldheid groot.

Dat bleek nog eens duidelijk na de verkiezingen. Al bij de eerste consultatieronde liet de SGP weten eventueel wel gedoogsteun te willen verlenen aan een zodanig kabinet. Ook in de reacties op de informatieronde van Ruud Lubbers viel de open houding van de SGP tegenover een ‘rechts’ kabinet op. Dat staat in schril contrast met de afkeer van de PVV en vooral van het meeregeren door de PVV, die de ChristenUnie ten toon spreidt. De verklaring van senator Egbert Schuurman op de site van de partij spreekt wat dat betreft duidelijke taal. Een krant vermeldde in dit verband dat de ChristenUnie geldt als de felste politieke tegenstander van de PVV.

Inmiddels heeft een Comité voor de Rechtsstaat een oproep doen uitgaan naar de leden van de Tweede-Kamerfracties van VVD en CDA, waarin hun wordt gevraagd een coalitie af te wijzen, waarbij de PVV op enigerlei wijze betrokken is, met een verwijzing naar standpunten van de PVV, die op gespannen voet staan met het wezen van de rechtsstaat. Op het discussieforum van het Nederlands Dagblad werd daarop overwegend zeer negatief gereageerd. Weliswaar kan men er niet zonder meer vanuit gaan dat iedereen die reageert christen is, uit de reacties kan toch worden opgemaakt dat dit voor de meesten wel geldt. En dan valt het op hoe negatief wordt gesproken over de islam, en hoever men bereid is te gaan om het vermeende gevaar van de ‘islamisering’ tegen te gaan. Daarbij worden opvattingen geventileerd die je ook in kringen van de PVV kunt horen.

Nu is er voor christenen geen enkele reden positief te zijn over de islam. Wie ervan overtuigd is dat het christelijk geloof het enig ware geloof is en dat niemand tot de Vader kan komen dan door de Zoon, kan niet anders dan de islam als een valse godsdienst bestempelen. Maar wat betekent dat in de praktijk? Is dat een vrijbrief om de aanhangers van dat geloof te beledigen of hen als tweederangsburgers te behandelen? Geeft dat het recht hun vrijheden te ontzeggen die men voor zichzelf – als christenen – wel opeist? Laten we even aannemen dat Nederland inderdaad het gevaar loopt te ‘islamiseren’. Hoe ga je dat gevaar dan tegen?

Het merkwaardige is dat degenen die altijd roepen dat de scheiding van kerk en staat betekent dat de staat zich niet moet bemoeien met de kerk, in het geval van de islam ineens bepleiten dat de overheid zich wel bemoeit met de moskee. Er moet nauwkeurig voor gewaakt worden dat daar geen opvattingen worden uitgedragen die haaks staan op wat wij in Nederland aanvaardbaar vinden. Maar in de kringen van christenen die met de PVV sympathiseren blijft het meestal akelig stil, als het gaat om de geestelijke strijd tegen de islam. Binnen christelijke kerken zijn weliswaar mensen actief ten behoeve van de evangelieverkondiging onder moslims en er zijn gemeenten die speciaal iemand hebben aangesteld om zich hiermee bezig te houden, maar ik heb niet de indruk dat deze activiteiten op erg veel sympathie kunnen rekenen van degenen die in de PVV een bondgenoot zien in de strijd tegen de ‘islamisering’.

Voor een geestelijke strijd tegen de islam moet je natuurlijk niet bij de PVV zijn. Ondanks het feit dat ze er prat op gaat de ‘joods-christelijke cultuur’ van Nederland te verdedigen tegen de ‘aanvallen’ van de islam, moet deze beweging als volstrekt nihilistisch beschouwd worden. De PVV is niet gebaseerd op een levensbeschouwing en heeft moslims dus niets te bieden. Nu is het niet de taak van een politieke partij mensen tot een bepaald geloof te bekeren. Maar het is evenmin haar taak een bepaald geloof te bestrijden en de aanhangers daarvan het belijden van dat geloof onmogelijk te maken.

Wanneer dat geloof leidt tot maatschappelijke misstanden, dan moeten die aangepakt worden. Maar dat betekent niet dat dan aan het achterliggende geloof beperkingen opgelegd mogen worden. Er wordt beweerd dat de islam een politieke ideologie is. Dat is echter geen wetenschappelijk vaststelbaar feit maar een subjectieve interpretatie. Van de islam wordt misbruik gemaakt voor het bereiken van politieke doeleinden. Maar dat is in de loop van de geschiedenis met het christelijk geloof ook gebeurd. Daaruit trekt niemand de conclusie dat het christelijk geloof zelf een politieke ideologie is.

De geestelijke strijd tegen de islam is de taak van de kerk. En juist degenen die zich zoveel zorgen maken over een dreigende ‘islamisering’, zouden zich hiervoor actief moeten inzetten. Bekering tot het christelijk geloof is immers het meest effectieve wapen tegen de ‘islamisering’. Maar dan zitten we wel met een probleem. Want als je iemand wilt bekeren, zul je eerst contact moeten leggen en dat vervolgens moeten onderhouden en ontwikkelen. Iedereen begrijpt dat zo’n contact niet ontstaat en zeker geen stand houdt, wanneer wederzijds respect ontbreekt. En daar zit ‘m de kneep. PVV-sympathisanten hebben geen respect voor moslims, en hun wijze van optreden en hun uitlatingen roepen bij moslims begrijpelijkerwijs geen respect op.

Daaruit moet geconcludeerd worden dat degenen die in Wilders en zijn beweging een bondgenoot zien, in feite het meest effectieve wapen tegen de ‘islamisering’ buiten werking stellen. Naarmate de opvattingen van Wilders meer aanhang krijgen, wordt de evangelieverkondiging onder moslims moeilijker. En het is bepaald niet denkbeeldig dat degenen die moslims benaderen met het evangelie zich steeds vaker expliciet van de PVV en haar strijd tegen de islam zullen moeten distantiëren.

De politieke strijd tegen de islam en de evangelieverkondiging onder moslims laten zich niet verenigen. De uiteindelijke vraag voor christelijke PVV-sympathisanten is daarom wat het zwaarst weegt: het eigen tijdelijke welzijn of het eeuwige welzijn van de moslim.

Ruimte voor geloof

Onder bovenstaande titel schreef Tijs van den Brink een column in Visie, het programmablad van de EO (22-28.5.10). Hij begint zijn column met de vraag: “Is de vrijheid van godsdienst in ons land serieus in gevaar?” Aanleiding voor die vraag zijn de reacties van gesprekspartners in zijn programma ‘Moraalridders’ als hij en Andries Knevel de vrijheid van gelovigen aan de orde stelden. Hij meldt dat Femke Halsema van GroenLinks vindt dat religieuze organisaties sollicitanten die geen christen of moslim zijn niet mogen weigeren. En Alexander Pechtold van D66 vindt dat orthodoxe scholen vrijzinnige docenten niet mogen weigeren alleen omdat ze vrijzinnig zijn. Ervan uitgaande dat Van den Brink de opvattingen van beide politici correct weergeeft, laat dat zien dat met de mond beleden vrijheden – met name vrijheid van godsdienst en vrijheid van vereniging en vergadering – in de praktijk zeker niet onbedreigd zijn. Maar sinds de uitspraak van de Hoge Raad over het ‘vrouwenstandpunt’ van de SGP wisten we dat al.

Van den Brink denkt dat het niet zo’n vaart loopt. “Maar een typisch Nederlandse verworvenheid, zoals de vrijheid van onderwijs, zou in haar huidige vorm wel eens zijn langste tijd gehad kunnen hebben”, schrijft hij aan het eind van zijn column. Het gevaar moet inderdaad niet overdreven worden. De opvattingen van mensen als Halsema en Pechtold zijn nog lang geen beleid. En uit de nasleep van de ‘SGP-uitspraak’ blijkt dat niet alleen christenen van mening zijn dat de staat daarmee de grenzen van zijn bevoegdheden heeft overschreden, en dat dit vèrgaande en ernstige consequenties kan hebben, en zeker niet alleen voor christenen.

Maar de waarschuwing dat vooral de vrijheid van onderwijs onder vuur zal komen te liggen, lijkt me eveneens terecht. Het aangekondigde wetsvoorstel van D66 dat bijzondere scholen het recht ontneemt een leraar te ontslaan dan wel niet aan te nemen omdat hij een homosexuele relatie heeft, wijst al in die richting. Het is geen wonder dat een bij uitstek anti-christelijke partij als D66 haar pijlen vooral op het onderwijs richt. Juist daar vindt immers voor een belangrijk deel de overdracht van normen en waarden plaats. En een partij als D66 – en dat geldt niet minder voor partijen als GroenLinks en de VVD – ziet heel goed in dat juist de inperking van de vrijheid van onderwijs een middel is om de geloofsoverdracht tegen te gaan.

Ook wanneer er geen reden is al te alarmistisch te reageren op zulke ontwikkelingen, het christelijk onderwijs doet er goed aan zich erop voor te bereiden dat haar vrijheid sterk wordt ingeperkt. Voor het gereformeerd onderwijs is er geen reden achterover te leunen, alsof haar niets kan gebeuren. Natuurlijk staat ze in zekere zin sterker. Gereformeerde scholen hebben immers een grondslag, die iemand die een homosexuele relatie heeft, in eerlijkheid niet kan onderschrijven. Het komt er dan wel op aan die grondslag serieus te nemen, ook bij sollicitatieprocedures.

Het verruimen van het personeelsbeleid is in dit licht nogal riskant. Gereformeerde scholen zijn ertoe overgegaan ook leerkrachten uit andere dan de vrijgemaakt-gereformeerde kerken aan te nemen, vooral de Christelijke Gereformeerde Kerken (CGK) en de Nederlands-Gereformeerde Kerken (NGK). Aangezien geloof en kerk niet van elkaar losgemaakt kunnen worden, verdient dit beleid geen bijval. De toenemende bedreiging van de vrijheid van onderwijs is een reden te meer hier nog eens kritisch naar te kijken.

De kans dat een sollicitant uit één van deze kerken zich als ‘vrijzinnig’ ontpopt, lijkt me niet erg groot. Veel waarschijnlijker is het dat een sollicitant ongehuwd samenwoont of een homosexuele relatie blijkt te hebben. Christelijke organisaties worden geconfronteerd met het feit dat juist hierover ook binnen orthodoxe christelijke kerken uiteenlopende opvattingen bestaan. Als gevolg daarvan loopt ook het beleid van kerkenraden, bijvoorbeeld in de toepassing van censuur, sterk uiteen. Dat geldt in het bijzonder voor de NGK. Binnen dat kerkverband zijn er bijvoorbeeld kerkenraden die geen bezwaar hebben tegen homosexuele ambtsdragers die een relatie hebben. En een kind van lesbische ouders kan daar gedoopt worden.

Het gereformeerd onderwijs moet zich niet in allerlei bochten gaan wringen of allerlei trucs uit gaan halen om een confrontatie met de overheid te voorkomen. Het moet juist zelfbewust de confrontatie aangaan. Op deze manier kan ze ook duidelijk maken waar ze voor staat en waarom. Maar anderzijds, ze moet zich niet nodeloos kwetsbaar maken wanneer de overheid het bijzonder onderwijs de duimschroeven aandraait. Dat betekent dat niet alleen de grondslag voluit moet functioneren, maar dat ook de exclusieve binding met de Gereformeerde Kerken moet worden gehandhaafd en waar nodig hersteld. Die kerken moeten dan wel hun eigen grondslag – de Schrift en de gereformeerde belijdenis – handhaven en ernaar handelen, ook wanneer dat bij deze en gene weerstand oproept. In het verlengde daarvan ligt de consequente toepassing van censuur. Dat is ook in het belang van het gereformeerd onderwijs.

Follow

Get every new post delivered to your Inbox.