Archief

Archive for juni, 2010

Kerkelijk consumentisme

“De klant is koning” is een vaak gehoorde kreet. Wie zijn producten of diensten aan de man wil brengen, zal zich moeten richten op wat de klant wil. Wie dat niet doet, blijft met z’n spullen zitten. De macht van de consument is de laatste decennia voortdurend toegenomen. ‘Merkentrouw’ bestaat niet meer: als je met de één niet tevreden bent, ga je naar de ander. De overheid heeft de positie van de klant op haar beurt verder versterkt: door afbraak van monopolies en privatisering wordt de concurrentie vergroot, met de bedoeling de kwaliteit van vooral de dienstverlening te verbeteren. De neveneffecten van dit proces worden steeds duidelijker en roepen de vraag op of we met dit proces wel op de goede weg zijn.

De versterkte macht van de klant heeft ook bijgedragen tot zijn mentaliteitsverandering. Hij is steeds veeleisender geworden, op het extreme af. En dat strekt zich niet maar uit tot de winkel en de dienstverlening maar ook tot de politiek. De partij die met mooie beloften veel zetels wint is die zomaar weer kwijt wanneer ze niet levert wat ze heeft beloofd.

Deze mentaliteit gaat aan de kerk niet voorbij. Gelovigen zijn net gewone mensen, dus erg vreemd is dat niet. De gevolgen daarvan worden steeds meer zichtbaar, maar vooralsnog lijkt dat niet tot een brede bezinning te leiden.

Dat consumentisme komt bijvoorbeeld tot uiting in de manier waarop tegen de kerk wordt aangekeken. Het Reformatorisch Dagblad interviewde Ed Anker, tot voor kort lid van de Tweede Kamer voor de ChristenUnie. Daarin komt ook zijn kerklidmaatschap aan de orde. In Zaanstad was hij lid van de Gereformeerde Kerk (vrijgemaakt), maar na zijn verhuizing naar Den Haag zijn hij en zijn vrouw op zoek gegaan naar een gemeente die bij hen paste. Ze kwamen bij een evangelische gemeente uit. Deze houding lijkt typerend te zijn voor de manier waarop velen tegenwoordig met het kerklidmaatschap omgaan.

Je kunt het ook lezen wanneer een jong stel, dat tot verschillende kerken behoort, gaat trouwen. Samen gaan ze op zoek naar een kerk die bij hen past. Het kan zelfs zover komen dat leden van een gereformeerde kerk, die zich elders vestigen, maar in de nieuwe gemeente naar hun mening niet hartelijk genoeg ontvangen worden, hun boeltje pakken en zich bij de ‘concurrentie’ melden. De klant is koning, tenslotte.

Nu is zo’n houding niet nieuw. Het onderwerp ‘de kerk’ is al heel lang controversieel. Ook in het kerkelijk conflict binnen de GKV in de jaren ’60 van de vorige eeuw, dat uiteindelijk tot het ontstaan van de Nederlands Gereformeerde Kerk leidde, speelde dit een belangrijke rol. Toch is er wat veranderd.

Wat lange tijd een onderstroom binnen de Gereformeerde Kerken was lijkt nu de hoofdstroom te zijn geworden. Het kerklidmaatschap wordt door steeds meer kerkleden als een kwestie van persoonlijke keuze beschouwd. En dat wordt niet meer unaniem door kerkenraden en vanaf de kansel weerlegd. Als Zondag 21 van de Heidelbergse Catechismus aan de orde is, wordt te vaak om de hete brei heengedraaid. En wie de discussies over de relatie tussen de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) en de Nederlands Gereformeerde Kerk volgt, krijgt de indruk dat het conflict dat aan de scheiding van deze kerken ten grondslag ligt, achteraf bezien één grote vergissing is geweest.

Het consumentisme doet zich ook op andere gebieden gelden. Hier valt te denken aan de inrichting van de liturgie, waar prof. J. Douma op zijn kortgeleden gelanceerde website ook over schrijft (zie: Kort commentaar). De liturgie lijkt wel een kleurige lappendeken, waarin voor iedereen iets van zijn gading is, behalve dan voor degenen die hechten aan een doordachte en samenhangende liturgie. En als ergens tot uiting komt hoezeer de liturgie verworden is tot een spiegel van persoonlijke voorkeuren zijn het trouwdiensten. Dat het bruidspaar enige invloed heeft op de liturgische vormgeving valt te billijken. Maar enige sturing van kerkenraadszijde zou toch wel gewenst zijn. Het is moeilijk te vatten dat een bruidspaar er wel aan hecht zijn huwelijk in de Gereformeerde Kerk te laten bevestigen, maar tegelijk zich niets gelegen wil laten liggen aan de liturgische afspraken die daar gelden, bijvoorbeeld ten aanzien van de voor kerkelijk gebruik vrijgegeven liederen. Het resultaat is soms een dienst waarin de helft van de liederen geheel vreemd is aan wat een gereformeerde liturgie mag heten.

Ook in de manier waarop de kerk naar buiten treedt speelt het marktdenken een niet geringe rol. Men wringt zich soms in allerlei bochten om de buitenstaander te behagen. Men moet dan wel eerst weten wat de buitenstaander behaagt. En daarbij is het probleem dat de buitenstaander niet bestaat. Er is geen sprake meer van een dominante cultuur; we leven in een landschap van subculturen. Wat buitenstaanders eventueel in een kerk zoeken is nauwelijks te definiëren. Bovendien, zoals al opgemerkt, is de consument grillig: wat nu in de mode is kan over twee maanden zomaar weer ‘uit’ zijn.

“Wie met de tijdgeest trouwt is snel weduwnaar”, zegt het spreekwoord. De kerk moet daarom vooral haar zelfstandigheid bewaren. In plaats van in te spelen op de steeds wisselende vraag moet de kerk zich concentreren op het steeds gelijk blijvende aanbod. De vraag van Luther: “Hoe krijg ik een genadig God”, heeft nog niets van zijn betekenis verloren.

Advertenties

Het leven is één

De uitslag van de verkiezingen van 9 juni j.l. heeft een schokgolf binnen christelijk Nederland veroorzaakt. Nooit eerder werd de aanhang van de christelijke politieke partijen zo gereduceerd. Nauwelijks een zesde deel van de bankjes in de Tweede Kamer zal de komende jaren door vertegenwoordigers van het CDA, de ChristenUnie en de SGP worden bezet. Sommigen voorspellen dat dit nog maar het begin is, en dat de rol van de christelijke politieke partijen voor lange tijd zal zijn uitgespeeld.

Dat lijkt allemaal wat overdreven. Het kiezersvolk is op drift en wanneer er over zes maanden weer verkiezingen zouden plaatsvinden, kunnen de bordjes zomaar weer verhangen worden. Zo ooit dan geldt nu de waarschuwing: vandaag hosanna, morgen ‘kruisigt hem’.

Een tweede kanttekening is dat nu ineens het CDA wel erg gemakkelijk bij de christelijke partijen wordt ingelijfd. Van dat christelijk karakter is de afgelopen decennia meestal niet veel gebleken. Ook de ChristenUnie heeft tijdens het laatste kabinet-Balkenende van het CDA niet veel steun ervaren, wanneer zaken aan de orde kwamen die voor de christelijke politiek veel gewicht behoren te hebben. Wel is waar dat binnen het CDA althans nog enig begrip bestaat voor politici en partijen voor wie niet de mens de maat van alle dingen is, maar die de normen voor goed en kwaad buiten zichzelf zoeken. Bij de grote meerderheid van de Nederlandse politici is het begrip daarvoor geheel verdwenen.

Nu gaat deze weblog niet over politiek. Dat komt in mijn weblog ‘Dingen van de Dag’ aan bod. Dat ik er hier toch over schrijf, heeft een reden. Ook de ChristenUnie heeft een flinke veer moeten laten. Zetelverlies was wel te verwachten, vooral aangezien een flink hogere opkomst werd verwacht, met name gezien de deelname van de PVV. In feite viel de opkomst flink lager uit. Toch verloor de ChristenUnie een zetel en meer dan 80.000 stemmen. Daarmee staan we voor de vraag waardoor dit verlies veroorzaakt is.

De ChristenUnie en de SGP konden altijd op een trouwe achterban rekenen. Maar ook die tijd lijkt voorbij te zijn. Bij de laatste Europese verkiezingen liep een deel van de SGP-achterban over naar Wilders. De ChristenUnie leek haar aanhang beter te kunnen vasthouden. Maar waarschijnlijk is dat slechts schijn. Het is voorstelbaar dat een deel van de natuurlijke aanhang van de ChristenUnie al eerder afgehaakt is, maar dat dit werd gecompenseerd door nieuwe kiezers – bijvoorbeeld onder christen-immigranten – en door mensen die weliswaar de principiële uitgangspunten van de ChristenUnie niet delen, maar zich wel aangetrokken voelen door vele onderdelen van haar politieke programma.

Juist het laatstgenoemde soort kiezers staat bij Kamerverkiezingen aan de verleiding bloot strategisch te gaan stemmen om zo de vorming van een kabinet te kunnen beïnvloeden. En het is zeker mogelijk dat de kort voor de verkiezingen opgelaaide discussie over de eventuele kandidatuur van homosexuelen met een relatie hen gestimuleerd heeft hun heil dit keer bij een andere partij te zoeken.

Dit laat zien dat de ChristenUnie zich niet rijk moet rekenen, zoals de laatste jaren weleens is gebeurd. Kiezers die geen band met het christelijk geloof hebben, zullen nooit tot de vaste aanhang van de ChristenUnie gaan behoren. De partij doet er daarom goed aan zich nadrukkelijker te richten op de christelijke kiezer. Want ook hier is iets aan de hand.

Uit de eerste analyses blijkt dat voor christenen het stemmen op een christelijke partij geen vanzelfsprekendheid meer is. Ook onder hen wordt strategisch gestemd. Een stem op Cohen zou een kabinet van VVD en PVV misschien kunnen voorkomen. En daarnaast zijn ook christenen niet immuun voor de neiging van de moderne kiezer de politiek op te delen in losse thema’s, zonder een duidelijke ideologische samenhang. Christenen die zich sterk maken voor een goed milieubeleid kunnen dan zomaar bij GroenLinks terecht komen, daarmee de antichristelijke intolerantie van deze partij negerend.

Gaat dit alles de kerken voorbij? Ik dacht het niet. De tijd dat predikanten vanaf de kansel meer of minder openlijk de gelovigen opriepen op een bepaalde partij te stemmen, is voorbij. Dat is maar goed ook, want daarvoor is de kansel niet bedoeld. Maar daarmee is de kous niet af. De achtergrond van de desertie van de christelijke kiezers is een onderwerp dat de kerk wel degelijk aangaat. Een versterking van de macht van de antichristelijke partijen is bepaald niet in het belang van de christelijke kerken.

Belangrijker is dat de kerken zich bezinnen op de signalen die van de recente verkiezingsuitslag uitgaan. Het lijkt erop dat steeds meer christenen er moeite mee hebben of er geen heil in zien, hun geloof met politieke en maatschappelijke ontwikkelingen te verbinden. Ze leven in toenemende mate in twee werelden, die steeds meer van elkaar gescheiden lijken te zijn. En als dan ook de samenhang tussen op het eerste gezicht afzonderlijke politieke en maatschappelijke verschijnselen steeds meer uit het zicht verdwijnt, is het niet verwonderlijk dat steeds meer christenen de noodzaak van een voluit christelijke politiek niet meer inzien.

Daar ligt een taak voor de kerk. Predikanten en kerkenraden zijn zich zeer wel bewust van het feit dat het geloof vaak niet doorwerkt in het dagelijks leven. Daaraan wordt in preken en anderszins dan ook wel aandacht besteed. Maar waarom zouden politieke keuzen dan buiten schot moeten blijven? Wanneer predikanten in hun preken erop wijzen dat het christelijk geloof consequenties heeft voor de moraal in het dagelijks leven, bijvoorbeeld ten aanzien van huwelijk en sexualiteit, waarom zou dan ook geen aandacht gevraagd kunnen worden voor politieke en maatschappelijke keuzen? Eén van de kandidaten van de PVV voor de verkiezingen is lid van een gereformeerd-vrijgemaakte kerk in Kampen. En in Bunschoten-Spakenburg is een partij in de gemeenteraad gekomen die op de lijn van de PVV zit en geleid wordt door een lid van een gereformeerd-vrijgemaakte gemeente.

Moeten we dit als een normaal en aanvaardbaar verschijnsel beschouwen? Dat lijkt me niet. Zulke dingen zijn symptomen van een verzwakking of zelfs het verdwijnen van de overtuiging dat het leven één is. Die term is decennia geleden gebruikt om de oprichting van gereformeerde organisaties te rechtvaardigen. Hoe men daarover ook mag denken, de idee dat het leven één is en dat het christelijk geloof consequenties heeft, ook op politiek en maatschappelijk vlak, en dus ook in het stemhokje, is voluit schriftuurlijk. Het zou goed zijn wanneer dat in de komende jaren ook vanaf de kansel en in pastorale gesprekken aandacht zou krijgen.

Ruimte voor geloof

Onder bovenstaande titel schreef Tijs van den Brink een column in Visie, het programmablad van de EO (22-28.5.10). Hij begint zijn column met de vraag: “Is de vrijheid van godsdienst in ons land serieus in gevaar?” Aanleiding voor die vraag zijn de reacties van gesprekspartners in zijn programma ‘Moraalridders’ als hij en Andries Knevel de vrijheid van gelovigen aan de orde stelden. Hij meldt dat Femke Halsema van GroenLinks vindt dat religieuze organisaties sollicitanten die geen christen of moslim zijn niet mogen weigeren. En Alexander Pechtold van D66 vindt dat orthodoxe scholen vrijzinnige docenten niet mogen weigeren alleen omdat ze vrijzinnig zijn. Ervan uitgaande dat Van den Brink de opvattingen van beide politici correct weergeeft, laat dat zien dat met de mond beleden vrijheden – met name vrijheid van godsdienst en vrijheid van vereniging en vergadering – in de praktijk zeker niet onbedreigd zijn. Maar sinds de uitspraak van de Hoge Raad over het ‘vrouwenstandpunt’ van de SGP wisten we dat al.

Van den Brink denkt dat het niet zo’n vaart loopt. “Maar een typisch Nederlandse verworvenheid, zoals de vrijheid van onderwijs, zou in haar huidige vorm wel eens zijn langste tijd gehad kunnen hebben”, schrijft hij aan het eind van zijn column. Het gevaar moet inderdaad niet overdreven worden. De opvattingen van mensen als Halsema en Pechtold zijn nog lang geen beleid. En uit de nasleep van de ‘SGP-uitspraak’ blijkt dat niet alleen christenen van mening zijn dat de staat daarmee de grenzen van zijn bevoegdheden heeft overschreden, en dat dit vèrgaande en ernstige consequenties kan hebben, en zeker niet alleen voor christenen.

Maar de waarschuwing dat vooral de vrijheid van onderwijs onder vuur zal komen te liggen, lijkt me eveneens terecht. Het aangekondigde wetsvoorstel van D66 dat bijzondere scholen het recht ontneemt een leraar te ontslaan dan wel niet aan te nemen omdat hij een homosexuele relatie heeft, wijst al in die richting. Het is geen wonder dat een bij uitstek anti-christelijke partij als D66 haar pijlen vooral op het onderwijs richt. Juist daar vindt immers voor een belangrijk deel de overdracht van normen en waarden plaats. En een partij als D66 – en dat geldt niet minder voor partijen als GroenLinks en de VVD – ziet heel goed in dat juist de inperking van de vrijheid van onderwijs een middel is om de geloofsoverdracht tegen te gaan.

Ook wanneer er geen reden is al te alarmistisch te reageren op zulke ontwikkelingen, het christelijk onderwijs doet er goed aan zich erop voor te bereiden dat haar vrijheid sterk wordt ingeperkt. Voor het gereformeerd onderwijs is er geen reden achterover te leunen, alsof haar niets kan gebeuren. Natuurlijk staat ze in zekere zin sterker. Gereformeerde scholen hebben immers een grondslag, die iemand die een homosexuele relatie heeft, in eerlijkheid niet kan onderschrijven. Het komt er dan wel op aan die grondslag serieus te nemen, ook bij sollicitatieprocedures.

Het verruimen van het personeelsbeleid is in dit licht nogal riskant. Gereformeerde scholen zijn ertoe overgegaan ook leerkrachten uit andere dan de vrijgemaakt-gereformeerde kerken aan te nemen, vooral de Christelijke Gereformeerde Kerken (CGK) en de Nederlands-Gereformeerde Kerken (NGK). Aangezien geloof en kerk niet van elkaar losgemaakt kunnen worden, verdient dit beleid geen bijval. De toenemende bedreiging van de vrijheid van onderwijs is een reden te meer hier nog eens kritisch naar te kijken.

De kans dat een sollicitant uit één van deze kerken zich als ‘vrijzinnig’ ontpopt, lijkt me niet erg groot. Veel waarschijnlijker is het dat een sollicitant ongehuwd samenwoont of een homosexuele relatie blijkt te hebben. Christelijke organisaties worden geconfronteerd met het feit dat juist hierover ook binnen orthodoxe christelijke kerken uiteenlopende opvattingen bestaan. Als gevolg daarvan loopt ook het beleid van kerkenraden, bijvoorbeeld in de toepassing van censuur, sterk uiteen. Dat geldt in het bijzonder voor de NGK. Binnen dat kerkverband zijn er bijvoorbeeld kerkenraden die geen bezwaar hebben tegen homosexuele ambtsdragers die een relatie hebben. En een kind van lesbische ouders kan daar gedoopt worden.

Het gereformeerd onderwijs moet zich niet in allerlei bochten gaan wringen of allerlei trucs uit gaan halen om een confrontatie met de overheid te voorkomen. Het moet juist zelfbewust de confrontatie aangaan. Op deze manier kan ze ook duidelijk maken waar ze voor staat en waarom. Maar anderzijds, ze moet zich niet nodeloos kwetsbaar maken wanneer de overheid het bijzonder onderwijs de duimschroeven aandraait. Dat betekent dat niet alleen de grondslag voluit moet functioneren, maar dat ook de exclusieve binding met de Gereformeerde Kerken moet worden gehandhaafd en waar nodig hersteld. Die kerken moeten dan wel hun eigen grondslag – de Schrift en de gereformeerde belijdenis – handhaven en ernaar handelen, ook wanneer dat bij deze en gene weerstand oproept. In het verlengde daarvan ligt de consequente toepassing van censuur. Dat is ook in het belang van het gereformeerd onderwijs.