Home > kerk > Een kudde zonder herders? (3)

Een kudde zonder herders? (3)

Naar aanleiding van de klacht dat in de Gereformeerde Kerken geen leiding meer wordt gegeven ging het in de tweede bijdrage over de ambtsdragers in de gemeente. De aandacht richtte zich daarbij op de oorsprong en de aard van hun taak en het gezag dat daarmee verbonden is. Ook werd aandacht besteed aan de manier waarop dat gezag bedreigd en ondermijnd kan worden. In deze derde bijdrage richt ik de schijnwerper op de gemeente. Hoe moet de gemeente zich opstellen tegenover de ambtsdragers? Wat staat haar te doen wanneer er geen of verkeerde leiding wordt gegeven?

In het formulier voor de bevestiging van ouderlingen (en diakenen) wordt de gemeente afzonderlijk aangesproken. Nadat de bevestiging heeft plaatsgevonden, wordt de gemeente opgeroepen de ambtsdragers te ontvangen “als opzieners en herders van de gemeente”. Daar wordt aan toegevoegd: “Gehoorzaamt uw voorgangers en onderwerpt u aan hen, want zij zijn het die waken over uw zielen, daar zij rekenschap zullen moeten afleggen.” In het formulier voor de bevestiging van predikanten staat mutatis mutandis hetzelfde.

In het laatstgenoemde formulier staat wel een belangrijke restrictie. We lezen daar: “Denkt eraan, dat God zelf u door hem [de dienaar des Woords] aanspreekt. Neemt daarom de woorden, die hij naar de Schrift tot u spreekt, met blijdschap aan.” Gehoorzaamheid en onderwerping aan de ambtsdragers is dus niet ongeclausuleerd. Ambtsdragers mogen van de gemeente wel verwachten dat hun gezag wordt aanvaard, maar altijd onder de voorwaarde dat hun woorden en daden in overeenstemming zijn met de Schrift.

Daaruit volgt voor de gemeente twee dingen. Ze moet zich aan de ambtsdragers onderwerpen en hun gezag aanvaarden, ook wanneer ze moeite heeft met hun optreden, zolang dat valt binnen de grenzen die de Schrift aangeeft. En tegelijk zal ze steeds de woorden en daden van de ambtsdragers moeten toetsen aan de Schrift. Ik verwijs hier naar Hand. 17 waar wordt gezegd dat de Joden in Berea “dagelijks de Schriften [bestudeerden] om te zien of het waar was wat er werd gezegd”. Dat is een activiteit van ieder gemeentelid afzonderlijk, maar ook van de gemeente als geheel. De ambtsdragers dienen dat niet af te remmen of te frustreren, maar moeten dat stimuleren.

Dat betekent natuurlijk niet dat overal een bijbeltekst voor te vinden is. Overal een bijbeltekst voor willen hebben is wat men terecht biblicisme noemt. Het is geheel conform de gereformeerde visie op de Schrift dat ook wat logisch uit haar kan worden afgeleid, tot de gereformeeerde leer kan worden gerekend. Het bekendste voorbeeld is natuurlijk de kinderdoop. Een bijbeltekst waarin staat dat elk kind van gelovige ouders moet worden gedoopt, is niet te vinden. Maar in de belijdenis en de doopsformulieren wordt overtuigend aangetoond dat dit wel als schriftuurlijke opdracht mag worden aangemerkt. Dat gebeurt vooral door heel de Schrift in haar samenhang te laten spreken. Dat is de manier waarop de belijdenisgeschriften tot hun formulering van de gereformeerde leer komen. (Ik kom daarop nog een keer terug in verband met de grondslag van de ChristenUnie en andere organisaties.)

Daarmee zijn we er nog niet. Er zijn ook kerkelijke regels. Beter gezegd: beloften die we als kerken binnen het kerkverband aan elkaar hebben gedaan. Daarmee hebben kerkleden – en ook ambtsdragers – soms nogal wat moeite, vooral als ze een dam opwerpen tegen wat men eigenlijk graag zou willen. Het kan gebeuren dat zulke regels tegen de Schrift worden uitgespeeld. Er was een tijd dat de kreet “What would Jesus do?” nogal populair was. In dit geval kan daarop als antwoord worden gegeven: Hij zou zich aan gemaakte afspraken houden. Zei Hij niet zelf in de Bergrede: “Laat jullie ja ja zijn, en jullie nee nee”? (Mt 5,37). Wanneer ambtsdragers dus kerkverbandelijk gemaakte afspraken naast zich neerleggen, kan hun met recht verweten worden onschriftuurlijk te handelen.

Wanneer gesproken kan worden van onschriftuurlijk handelen, is het tijd de kerkenraad aan te spreken en ter verantwoording te roepen. Maar ook dan moet het ambt gerespecteerd worden. Dat betekent dat de wijze waarop de ambtsdragers benaderd worden, in overeenstemming moet zijn met wat de Schrift zegt over het respect voor wie over ons gesteld zijn. Ambtsdragers mogen en moeten worden aangesproken op de wijze waarop ze hun ambt vervullen. Maar daar rust alleen zegen op wanneer dat op een respectvolle manier gebeurt. Wie de gemeente wil bewaren bij de leer van Christus, dient in de geest van Christus te handelen. De Bergrede heeft ons ook wat te zeggen wanneer het gaat om het aanspreken en eventueel bekritiseren van ambtsdragers. Ook de binnen de Gereformeerde Kerken afgesproken regels ten aanzien van de behandeling van meningsverschillen dienen gerespecteerd te worden. Het publiek aan de schandpaal nagelen van ambtsdragers of hen in publicaties of op internetsites voor schorsingswaardig verklaren is niet in overeenstemming met het respect waarop ambtsdragers recht hebben en ook niet met de kerkverbandelijke afspraken.

Ik wil in dit verband wijzen op het vijfde gebod, zoals we dat vinden in Exodus 20. Het gaat hier over het eren van de ouders. Het zal duidelijk zijn dat dit niet gelijkgesteld kan worden met gehoorzamen. Wanneer kinderen volwassen zijn geworden en het ouderlijk huis verlaten, houdt de plicht tot gehoorzaamheid, die minderjarige kinderen hebben, op. Dat is ook de implicatie van wat Paulus in Efeze 5 schrijft, namelijk dat de man zijn ouders zal verlaten en zich aan zijn vrouw zal hechten (vs 31). Dan valt de plicht tot gehoorzaamheid aan de ouders weg. Maar de plicht tot het eren van de ouders niet. Modern gezegd: geen gehoorzaamheid meer, maar wel respect. Zo is het ook in de relatie tussen de gemeente en de ambtsdragers. Het kan zover komen dat er de plicht bestaat de gehoorzaamheid aan de kerkenraad – in elk geval op een bepaald punt – op te zeggen. Maar daarmee blijft de plicht de ambtsdragers met respect te bejegenen. Bovendien wijst de Heidelbergse Catechismus (Zondag 39) bij de uitleg van dit gebod erop dat we met de zwakheden en gebreken van allen die gezag over ons ontvangen hebben, geduld moeten hebben.

Dat geduld sluit overigens niet uit dat actie wordt ondernomen. In het gereformeerde kerkrecht wordt gemeenteleden die menen dat de kerkenraad hun onrecht heeft gedaan of een koers vaart die in strijd is met de Schrift en de belijdenis, de mogelijkheid geboden in appèl te gaan bij de classis. Die gang naar de classis zou ook mogelijk moeten zijn wanneer de kerkenraad zich, naar de mening van een gemeentelid, niet houdt aan wat kerkverbandelijk is afgesproken. Maar hier hebben we wel een probleem. Op generaal-synodaal niveau is, vooral ten aanzien van de kerkorde-artikelen die over de liturgie en de inrichting van de erediensten gaan, aan de gemeenten een zodanige vrijheid gelaten dat elke kerk haar eigen beleid kan ontwikkelen.

Natuurlijk, het is geheel in overeenstemming met het gereformeerde kerkrecht dat de gemeente een grote mate van autonomie heeft. Maar in de praktijk betekent het vooral een grote autonomie van kerkenraden. En dan kan het gebeuren dat in plaatselijke kerken allerlei liederen worden gezongen die door de Generale Synode niet voor kerkelijk gebruik zijn vrijgegeven. Het beleid van een kerkenraad uit het midden van het land laat dat zien. Volgens een synodebesluit mogen in bijzondere diensten niet-vrijgegeven liederen gezongen worden. Dat was voor de desbetreffende kerkenraad de reden elke dienst als ‘bijzonder’ aan te merken om zo zulke liederen onbeperkt te kunnen gebruiken. De overeenkomst met gemeentebesturen die hun gemeente als toeristisch gebied aanwijzen om de hand te kunnen lichten met de winkeltijdenwet is treffend.

Maar wanneer een gemeentelid hier bezwaar tegen heeft, wordt het lastig in appèl te gaan bij de classis. Er is hier immers sprake van de vrijheid van de plaatselijke kerk? Het lijdt geen twijfel dat de lijn die op dit punt wordt gevolgd, z’n uitwerking niet zal missen op de manier waarop in bredere zin met kerkorde en kerkelijke afspraken wordt omgegaan. Het gevaar is reëel dat de autonomie van de kerkenraad ertoe leidt dat de gemeente monddood wordt gemaakt en haar de mogelijkheden voor appèl worden ontnomen. Dat moet bezwaarde gemeenteleden er overigens niet van weerhouden toch deze weg te gaan wanneer wezenlijke zaken in geding zijn.

Ter afsluiting nog een laatste punt. Conflicten en wrijvingen in de gemeente worden niet altijd veroorzaakt door ambtelijk handelen of spreken dat op gespannen voet staat met de Schrift, de belijdenis of de kerkorde. Er zijn ook zaken die op het vlak liggen van wat men geneigd is als persoonlijke smaak of gevoel of cultuur aan te duiden. Soms is dat terecht, maar lang niet altijd. Over allerlei zaken is wel meer en ook meer fundamenteels en principieels te zeggen dan dat het een kwestie van smaak is. Wanneer een predikant in zijn gemeente consequent vooral opwekkingsliederen in de dienst laat zingen handelt hij niet in strijd met wat kerkordelijk is afgesproken, tenminste wanneer hij zich beperkt tot de liederen die voor kerkelijk gebruik zijn vrijgegeven. Dat kun je natuurlijk helemaal tot het gebied van de persoonlijke smaak rekenen. Maar over dit onderwerp valt wel wat meer te zeggen, zeker vanuit de overtuiging dat een gereformeerde liturgie iets anders is dan een evangelische liturgie.

Maar zelfs al was het alleen maar een kwestie van smaak, dan is daarmee de kous nog niet af. Predikanten en kerkenraden zijn er voor heel de gemeente, niet alleen voor een bepaalde groep, bijvoorbeeld de jongeren. Het is best mogelijk dat bepaalde beleidsvoornemens passen binnen de grenzen van de Schrift en de belijdenis en ook binnen wat we als kerken samen hebben afgesproken. Toch kan er reden zijn van zulke voornemens af te zien. Ook met de gevoelens van gemeenteleden zal rekening gehouden moeten worden, zolang die – naar de normen van de Schrift – legitiem zijn. In dit verband is het goed nog eens terug te keren naar de brief van Paulus aan de Efeziërs. Daar schrijft hij over de relatie tussen ouders en kinderen. Hij wekt de kinderen op hun ouders te gehoorzamen, “uit ontzag voor de Heer” (vs 1). Maar daarop laat hij volgen: “Vaders, maak uw kinderen niet verbitterd, maar vorm en vermaan hen bij het opvoeden zoals de Heer dat wil.” (vs 4) Ook dit gebod kan worden doorgetrokken naar de relatie tussen de ambtsdragers en de gemeente. De ambtsdragers dienen ervoor te waken dat ze de gemeente waarover ze zijn aangesteld, niet verbitteren.

Uit het aangehaalde vers blijkt dat het verbitteren van de kinderen het tegenovergestelde is van het “opvoeden zoals de Heer dat wil”. Vertaald naar de omgang van de ambtsdragers met de gemeente betekent het dat het niet verbitteren van de gemeente een onvervreemdbaar onderdeel is van hun taak de gemeente voor te gaan in de dienst aan God.

In de laatste aflevering van deze serie keer ik terug naar het begin: de klacht van prof. Douma dat binnen de Gereformeerde Kerken geen leiding meer wordt gegeven. Hij noemt een aantal concrete gevallen, o.a. uit het Nederlands Dagblad, maar ook neemt hij enkele aspecten van het beleid van de ChristenUnie op de korrel. Is zijn kritiek terecht?

Advertenties
  1. Nog geen reacties.
  1. No trackbacks yet.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: