Home > kerk > Een kudde zonder herders? (4)

Een kudde zonder herders? (4)

Na een onderbreking sluit ik met deze vierde aflevering de serie onder de titel “Een kudde zonder herders?” af. Waar ging het ook al weer over? Prof. Douma wees er op zijn website op dat veel lezers van gereformeerde persorganen het gevoel hebben dat zij geen begeleiding meer krijgen. Uit zijn verdere betoog valt op te maken dat hij doelt op leiding. In het vervolg neemt hij dan De Reformatie en het Nederlands Dagblad op de korrel.

In het eerste artikel wees ik erop dat de leiding die in het verleden werd gegeven door bladen als De Reformatie en het Gereformeerd Gezinsblad – voorganger van het Nederlands Dagblad – niet berustte op enig ambtelijk gezag, maar op de brede aanvaarding van de leiding die de scribenten in de genoemde bladen gaven. In het tweede artikel betoogde ik dat de taak leiding te geven berust bij de ambtsdragers in de kerkelijke gemeenten, die daartoe door God zelf geroepen zijn. In het derde artikel ging het vervolgens over de manier waarop de gemeente daarmee moet omgaan en vooral hoe ze moet reageren wanneer er geen of verkeerde leiding wordt gegeven.

Het is nu tijd terug te keren naar het betoog van Douma. Hij noemt enkele voorbeelden van bijdragen in De Reformatie en het Nederlands Dagblad waarin – naar zijn mening – geen leiding wordt gegeven of een verkeerde weg wordt gewezen. Doet hij de desbetreffende bladen en de betrokken scribenten recht?

Douma noemt allereerst enkele voorbeelden van artikelen in De Reformatie waarin naar zijn mening verhullend gesproken wordt, bijvoorbeeld over de zonde van het ongehuwd samenwonen en de manier waarop daarmee in de tuchtoefening moet worden omgegaan. Uit een reactie van de schrijver van het artikel over het genoemde onderwerp en het antwoord van Douma daarop blijkt dat het verschil uiteindelijk minder groot is dan aanvankelijk het geval leek. Dat is ook bij een ander door hem genoemd artikel het geval. In beide gevallen moet wel geconstateerd worden dat sommige auteurs blijkbaar niet in staat zijn een duidelijke visie te formuleren die geen aanleiding is voor misverstanden. Of zou de oorzaak zijn dat de auteurs een beetje bang zijn al te scherp uit de hoek te komen? Natuurlijk, wie iets aan papier toevertrouwt, moet voorzichtig zijn. Het geschrevene kan zomaar z’n doel missen. Maar wanneer het geschrevene onduidelijkheid tot gevolg heeft of misverstanden veroorzaakt, mist het zijn doel evenzeer.

Naar aanleiding van de opmerkingen van Douma over enkele artikelen in De Reformatie maak ik nog twee algemene opmerkingen. In de eerste plaats: wanneer een predikant een artikel schrijft, is hij niet minder gebonden aan de Schrift en de belijdenis dan wanneer hij op de kansel staat. Dat betekent dat ook hier de kerkenraad de taak heeft toezicht te houden op wat hij naar voren brengt. Wanneer een gemeentelid meent dat zijn predikant in bijvoorbeeld De Reformatie een artikel heeft geschreven dat niet in overeenstemming is met de Schrift, is hij gerechtigd hem – en eventueel zijn kerkenraad – daarop aan te spreken.
Het tweede is dat in het aanvankelijk door Douma bekritiseerde artikel de hedendaagse cultuur een belangrijke rol speelt. De neiging zich aan te sluiten bij de ‘post-christelijke’ cultuur is vooral op het terrein van de kerkplanting nogal sterk. Het is een onderwerp dat belangrijk genoeg is om er nog eens apart op terug te komen.

In zijn beschouwing over de koers van het Nederlands Dagblad schetst Douma eerst hoe de krant zich van een exclusief op de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) gericht blad heeft ontwikkeld tot een blad dat als ondertitel “christelijk betrokken” draagt. Als journalisten werden ook leden van andere kerken aangetrokken. Douma schrijft: “Toch leek het er voor een korte tijd op dat het gereformeerde karakter een stempel op de krant zou blijven drukken. Helaas is daar weinig van terecht gekomen. Juister lijkt het mij daarom de krant maar gewoon ‘christelijk betrokken’ te noemen, wat ook op de voorpagina staat. En wat ‘christelijk betrokken’ betekent, is zeer rekbaar, zoals uit menig artikel en ook uit de sfeer van de krant blijkt.”

Douma specificeert dan zijn kritiek op de koers van de krant. Hij gaat allereerst in op de manier waarop ‘religieus nieuws’ wordt ingevuld. Daaronder vallen allerlei nieuwsberichten en artikelen die niets met ‘gereformeerd’ te maken hebben. Daar heeft hij op zich gelijk in; zijn voorbeelden zijn welsprekend genoeg. Maar: moet ‘religie’ worden ingevuld als ‘gereformeerd’? De genoemde artikelen hebben zeker wat met ‘religie’ te maken, zoals dat begrip in de maatschappij gehanteerd wordt. Ik kan me best voorstellen dat Douma aan de genoemde bijdragen geen behoefte heeft. Maar dat is geen criterium. Het feit dat ik economisch nieuws oversla, is voor mij geen reden te zeggen dat het er niet in zou moeten staan.

Ik haal twee door Douma genoemde voorbeelden aan. “In een rubriek ‘Religie overal en nergens’ krijgen soms bekende Nederlanders aandacht, zoals Brigitte Kaandorp. We lezen van haar dat ze wel eens naar de kerk gaat (16-10-2009). Val je er fris in, aldus Brigitte, dan is het een leuk, informatief uur op de zondagochtend. Je hoort nog eens wat! In een andere rubriek lezen we van twee glamourfiguren dat ze in hun boekenkast de Bijbel, de koran en andere heilige boeken naast elkaar hebben staan (16-07-2010). Hun oudste zoon is buddhist, en de moeder wil ook nog graag een christelijk en een islamitisch kind, Voor haar hoeft er overigens geen God te zijn.”
Is dat informatief? In zekere zin wel. Ondanks het feit dat in de toonaangevende kranten en tijdschriften vooral negatief over religie en geloof wordt geschreven, praten allerlei figuren die een publieke rol vervullen, onbekommerd over hun eigen religieuze overtuiging. Dat zou de gedachte kunnen doen postvatten dat het met de antireligieuze gezindheid van deze ‘post-christelijke’ tijd nogal meevalt. Je hoort het ook beweren in kringen waar men zich met evangelisatie en kerkplanting bezighoudt: de moderne mens staat weer open voor geloof. Maar is dat waar? Ik denk dat juist zulke artikelen als hier aangehaald nuttig zijn om die bewering te relativeren. Mijns inziens behoort het juist tot de taak van een christelijke krant alles wat zich als ‘religieus’ of ‘gelovig’ aandient, nader te onderzoeken. En dan blijkt al gauw dat niet alles wat zich als ‘religieus’ aandient die naam verdient en dat het meestal zeer ver afstaat van het christelijk geloof. Het komt meestal neer op een soort ‘geloof’ waarin de mens centraal staat en zijn behoeften bevredigd worden. Staan de aanhangers van zo’n geloof ook open voor een geloof dat van de mens afwijst en dat verplichtingen meebrengt? Artikelen als die waarnaar Douma verwijst kunnen dienen om al te veel optimisme op dat punt te temperen.

“Het Nederlands Dagblad is, zeker op pag. 2, gewoon een doorgeefluik geworden van allerlei nieuws uit oude en nieuwe dozen, zonder nog enige functie te hebben voor de opbouw van het gereformeerde geloof.” Dat is in directe zin misschien waar. Maar moet nieuws worden gebruikt om het gereformeerde geloof op te bouwen? Zijn daar niet in de eerste plaats de opiniërende artikelen voor bedoeld? En zou de opbouw van het gereformeerde leven niet eerder de taak van ambtsdragers zijn en van kerkelijke bladen?

Douma noemt vervolgens voorbeelden van een zijns inziens onrechtvaardige beoordeling van historische gebeurtenissen. Daarbij constateert hij een zekere – en soms grote mate van – afstandelijkheid tegenover het eigen verleden. De door hem aangehaalde voorbeelden betreffen vrijwel uitsluitend bijdragen van columnisten. Mijns inziens is het niet terecht die de redactie van het Nederlands Dagblad aan te wrijven. Er zijn wel vragen te stellen over het beleid ten aanzien van columnisten. Deze genieten terecht de nodige vrijheid, en één van de taken van de columnist is, de lezer te prikkelen. Maar daar zijn wel grenzen aan. Douma noemt in elk geval één voorbeeld waarbij de columnist ver over de schreef ging van wat in een christelijke krant aanvaardbaar is. De redactie had hier behoren in te grijpen.
Er bestaat binnen gereformeerde kring een wat men wel eens ‘weg-met-ons-mentaliteit’ noemt, waarbij men nauwelijks anders dan in negatief-kritische zin over het eigen verleden kan spreken. Die neiging kom je in het Nederlands Dagblad zeker ook tegen. Maar ik zou dat niet als typerend voor de krant willen bestempelen. De door mij al eerder genoemde biografie van Pieter Jongeling van ND-journalist Herman Veenhof is wel kritisch, maar zeker niet negatief.

Zijn er dan geen kritische noten te kraken? Zeker wel. Het is goed dat de redactie op de opiniepagina vogels van verschillende pluimage aan het woord laat. Maar ze zou wel eens wat kritischer mogen zijn ten aanzien van de plaatsing van artikelen. Er staan nogal eens stukken in die haaks staan op de gereformeerde belijdenis – die nog altijd tot de grondslag van de krant behoort – en die geen weerwoord krijgen. Wanneer geen scribent van buiten zich daarvoor meldt, dan zou de redactie die taak zelf op zich moeten nemen. Ook in de hoofdartikelen zou, zeker als het om kerkelijke zaken gaat, weleens duidelijker en confessioneler positie kunnen worden gekozen.

Dat de verbreding van de krant invloed heeft op de inhoud is onvermijdelijk. Maar was er een alternatief? Aan het eind van zijn beschouwing over het Nederlands Dagblad laat Douma merken wel degelijk oog te hebben voor de situatie waarin de krant zich bevindt. Hij wijst erop dat jongeren in de kerk niet meer warm te krijgen zijn voor een abonnement. Men kan natuurlijk betreuren dat het Nederlands Dagblad medewerkers aantrekt van buiten de GKV. Maar wanneer de verbreding van de krant niet was doorgevoerd, zou het ND nu wellicht niet meer bestaan of zich hebben moeten omvormen tot een weekblad.

Het is duidelijk dat die verbreding impliceert dat men zijn verwachtingen moet bijstellen. Wie gewend was aan een krant die geestelijk leiding gaf, zal het moeilijk vinden te wennen aan het huidige redactionele beleid. Maar zoals in de eerste aflevering werd opgemerkt is er geen sprake van dat de redactie van een krant de taak zou hebben leiding te geven in een kerkelijke gemeenschap. De herders van de kudde zijn niet gevestigd aan de Hermesweg in Barneveld, maar in de kerkelijke gemeente.

P.S. Ik was van plan ook nog in te gaan op de kritische opmerkingen van Douma over de ChristenUnie. Daar zie ik op dit moment van af. Ik kom er hopelijk binnenkort op terug in het kader van een beschouwing over de rol van de belijdenis in de ChristenUnie en de consequenties daarvan voor het lidmaatschap en het passieve kiesrecht.

Advertenties
  1. Nog geen reacties.
  1. No trackbacks yet.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: