Home > kerk > De predikant op de schopstoel

De predikant op de schopstoel

In de kerken van de Reformatie spelen predikanten een belangrijke rol. Ze staan vaak in het middelpunt van de aandacht. Een vacante gemeente zoekt volhardend een nieuwe predikant en beroepingsberichten mogen op veel belangstelling rekenen. En ook in de gesprekken over kerk en gemeente gaat het al gauw over de predikant. Conflicten rond ouderlingen of diakenen halen de krant niet, die rond predikanten vaak wel.

Het is dus ook begrijpelijk dat het ambt van predikant op kerkelijke vergaderingen aan de orde komt. Dat heeft allereerst te maken met de opleiding van predikanten, meestal een theologische universiteit, die – in elk geval in de kleinere kerkgenootschappen – van de kerken uitgaat en (grotendeels) door de kerken wordt gefinancierd. Maar in toenemende mate gaat het ook over conflicten waarin predikanten en gemeenten verwikkeld raken. Er is groeiende aandacht voor de positie van de predikant, die steeds gecompliceerder lijkt te worden. Er zijn duidelijke signalen dat predikanten steeds vaker moeite hebben met de eisen die aan hen gesteld worden.

De landelijke vergadering van de Nederlands Gereformeerde Kerken heeft zich beziggehouden met een rapport van een commissie die een predikantsprofiel heeft opgesteld. Er was nogal wat kritiek op de conclusies van de commissie. Vooral de uitspraak dat de predikant zich moet concentreren op de verkondiging van het Woord en dat het ‘geestelijk en organisatorisch leiding geven’ niet direct tot zijn taak behoort, moest het ontgelden. Er werd door critici gesproken van een ‘eenzijdige en beperkte visie op de rol van de predikant’, zelfs van een ‘degradatie van het ambt van predikant’. Ook werd zorg uitgesproken over de lijst van competenties waaraan de predikant moet voldoen. Gewaarschuwd werd voor het gebruik van deze lijst als een soort van checklist door kerkenraden.

Tegenover de kritiek merkte de commissie op geen waterscheiding te zien tussen de verschillende taken. Het was er vooral om begonnen de al te hoge verwachtingen van de gemeente ten aanzien van de taken van de predikant te dempen. Eén van de afgevaardigden waarschuwde tegen professionalisering en de verzakelijking die daarmee gepaard gaat. De roeping als basis voor het predikantsambt moet wel overeind blijven. Hiermee is het probleem geschetst: van de predikant wordt steeds meer verwacht, ook dingen die hij in zijn opleiding niet heeft meegekregen. Wanneer hij aan de eisen niet kan voldoen ligt een conflict voor de hand.

Dit soort problemen spelen ook in andere kerken. Dat blijkt bijvoorbeeld uit het rapport van de Deputaten Dienst en Recht in de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) dat op de eerstkomende Generale Synode (Harderwijk, 2011) behandeld wordt. Er moet steeds vaker worden opgetreden bij conflicten tussen predikanten en kerkenraden en/of gemeenten en steeds meer predikanten voelen zich overvraagd. In het rapport wordt een aantal aanbevelingen gedaan waarvan het Nederlands Dagblad van 6 november melding maakte. “Vrijgemaakt-gereformeerde predikanten dienen niet langer dan zes jaar in dezelfde gemeente te werken,” was de eerste alinea van het desbetreffende artikel. Daaruit mag niet worden afgeleid dat de synode een besluit van die strekking zou kunnen nemen. Predikanten zijn in dienst van de plaatselijke gemeenten en over hun ‘arbeidsvoorwaarden’ gaat de synode niet.

Het rapport levert voldoende stof voor discussie op. De problemen die gesignaleerd worden en de oorzaken die daaraan ten grondslag liggen, geven een weinig verheffend beeld van de stand van zaken in de Gereformeerde Kerken. En op de voorstellen van de deputaten om de problemen te lijf te gaan valt het nodige af te dingen.

Eén van de kernpunten in het rapport is de mobiliteit van predikanten. Gerefereerd wordt aan de oproep van de Generale Synode van Zwolle 2008 aan kerkenraden en predikanten mee te werken aan bevordering van de mobiliteit van predikanten. Dat betekent concreet: predikanten zouden vaker van gemeente moeten wisselen. Het valt niet te ontkennen dat er nogal wat predikanten zijn die lang in een gemeente staan. Dat is wel eens anders geweest. Zeker de eerste 10 à 15 jaar na de breuk van de jaren ’60 van de vorige eeuw – die tot het ontstaan van de Nederlands Gereformeerde Kerk leidde – kwam het vaak voor dat een predikant hooguit vier, vijf jaar in een gemeente stond. Soms was het zelfs niet meer dan drie jaar. Dat was begrijpelijk, want het aantal vacatures was groot. Maar de overtuiging groeide dat het zowel voor een predikant als voor een gemeente niet bepaald ideaal was wanneer de verbintenis zo kort duurde. Wellicht heeft dat mede tot gevolg gehad dat nu het omgekeerde plaatsvindt: er zijn predikanten die zelfs in hun eerste – meestal kleine – gemeente niet minder dan 10 jaar doorbrengen. Wat daarvan ook de oorzaken zijn, kennelijk groeit nu de overtuiging dat dit nu ook weer niet de bedoeling is.

In hoofdstuk 8 van het rapport wordt een beschouwing gegeven over de situatie in de kerken die nauw samenhangt met de overtuiging dat het goed zou zijn als predikanten niet al te lang in één gemeente staan. Gewezen wordt op veranderingen in de cultuur maar ook op de gegroeide kerkelijke verscheidenheid. “Vele kerken zoeken eigen wegen binnen ruim geïnterpreteerde kaders. De cultuur van gemeenschappelijke vreugde om Gods kerk en van verbondenheid met de eigen identiteit is geen gemeengoed meer. De kerkelijke samenleving is hierin een afspiegeling van de brede samenleving.” Even later lezen we: “Als gevolg van de differentiatie in benaderingen passen predikanten niet meer in iedere gemeente. Als een predikant ‘toevallig’ verkeerd terecht komt, ligt daarmee een basis voor een probleem, het probleem van de ‘omvallende’ predikant.”

Niemand zal verbaasd opkijken van deze analyse. Maar: hoe gaat de kerk daarmee om? Het deputaatschap zoekt de oplossing in de bevordering van de mobiliteit van predikanten. “Predikanten zouden niet langer dan zo’n zes jaar in een zelfde gemeente moeten werken.
Anders ontstaat er eenzijdigheid, een tunnelvisie, dynamiek wordt belemmerd, groei wordt beperkt en de eigen ontwikkeling wordt geremd. Bovendien voorkomt het sneller rouleren binnen kerkelijke functies het ontstaan van bepaalde culturen en opvattingen. Met andere
woorden: mobiliteit is gezond voor een predikant en voor de kerken.”

Nu valt voor meer doorstroming best iets te zeggen. En het is een goede zaak dat predikanten die wel voor een beroep in aanmerking zouden willen komen en vacante gemeenten met elkaar in contact gebracht kunnen worden. Voor een gemeente in het midden van het land is het niet zo eenvoudig zicht te krijgen op geschikte predikanten in de noordelijke provincies. De meeste daarvan zal men waarschijnlijk niet kennen en dus ook niet beroepen. Op deze manier kan de actieradius van vacante gemeenten vergroot worden. En ook kan op die manier voorkomen worden dat alleen die predikanten beroepen worden die – bijvoorbeeld door publicaties of publieke functies – een grote mate van bekendheid genieten.

Maar het gaat te ver als algemene regel te formuleren dat predikanten niet langer dan zes jaar in een gemeente zouden moeten staan. Predikanten zijn aan een gemeente verbonden doordat ze geroepen zijn – door een gemeente, maar uiteindelijk door God zelf. Die roeping houdt niet ineens na een x aantal jaren op. Het is strijdig met de aard van de roeping dat daaraan bij voorbaat een termijn verbonden wordt. In het rapport wordt ook de suggestie gedaan predikanten die langer dan zes jaar in hun gemeente staan, te benaderen met de vraag of ze bereid zijn van standplaats te wisselen. Wanneer het antwoord negatief is, zou hun gevraagd moeten worden daarvoor argumenten aan te dragen. Dat is de omgekeerde wereld: wie een roeping heeft ontvangen, hoeft toch niet te argumenteren waarom hij daaraan gehoor wil blijven geven? Het is beter argumenten te vragen aan degenen die laten weten wel van gemeente te willen veranderen.

Maar de echte kwestie is een andere: met maatregelen als door de deputaten voorgesteld wordt de achterliggende problematiek niet opgelost.

De Gereformeerde Kerken beginnen steeds meer op een lappendeken te lijken. Van een duidelijk herkenbare gemeenschappelijke identiteit is steeds minder sprake. Natuurlijk, ook vroeger paste een predikant niet overal. Dat hoeft ook niet: een predikant die past bij een gemeente in Limburg hoeft niet noodzakelijkerwijs ook in Groningen op zijn plaats te zijn. Maar de verscheidenheid binnen de Gereformeerde Kerken krijgt steeds meer een inhoudelijk karakter. “Vele kerken zoeken eigen wegen binnen ruim geïnterpreteerde kaders.” Naarmate die kaders ruimer worden zullen de problemen die predikanten ondervinden, navenant toenemen. Regelmatig verkassen lost dat probleem niet op.

Het deputaatschap heeft er kennelijk voor gekozen de geschetste stand van zaken te accepteren zoals die zich voordoet. Dat is wel erg defaitistisch. Het is bovendien niet effectief. Een medisch probleem wordt nooit opgelost door aspirine toe te dienen. Bovendien is daar steeds meer van nodig om effect te sorteren.

In plaats van de adviezen van de deputaten te volgen zou de Generale Synode er goed aan doen de geestelijke stand van zaken in de Gereformeerde Kerken eens serieus onder het vergrootglas te leggen, naast een geopende bijbel. Verscheidenheid binnen de kerken mag er zijn, maar die heeft wel grenzen. En wie geen vreemdeling in Jeruzalem is weet dat die grenzen worden overschreden. De kerkelijke samenleving is inderdaad steeds meer een afspiegeling van de ‘brede samenleving’. En dat is precies het probleem. Wanneer iemand op zijn partner is uitgekeken, wordt die ingewisseld voor een ander. Wanneer iemand ontevreden is met zijn partij, stemt hij bij de volgende verkiezingen op een andere. En wanneer de gemeente of de kerk niet bevalt, zoekt men een andere.

Wordt ook het ambt van predikant het slachtoffer van deze wereldse mentaliteit? Kan een gemeente, die op zijn predikant is uitgekeken, die inruilen voor een andere? En wordt predikanten die het met hun gemeente gehad hebben, een goed heenkomen naar comfortabeler oorden geboden? Moet een kerk die pretendeert kerk van Christus te zijn, zich erbij neerleggen dat de mentaliteit die in de ‘brede samenleving’ gemeengoed is, ook in de kerk veld wint? Zou het geen aanbeveling verdienen het begrip roeping weer eens op te poetsen en er over na te gaan denken wat dat concreet inhoudt?

Dat zou wel eens een beter medicijn kunnen zijn dan de predikant op de schopstoel te zetten.

Advertenties
  1. Nog geen reacties.
  1. 8 november 2010 om 08:20

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: