Archief

Archive for augustus, 2011

Gereformeerd Appèl

In 1992 werd een beweging opgericht die zich Gereformeerd Appèl noemde. Ze bestaat uit leden van drie kleine reformatorische kerken: de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) (GKV), de Christelijke Gereformeerde Kerken (CGK) en de Nederlands-Gereformeerde Kerken (NGK). Ze doet regelmatig van zich spreken, vooral aan het begin van een nieuw seizoen, in augustus/september, wanneer een openbare bijeenkomst plaatsvindt, waar leden van de diverse kerken het woord voeren. Daar wordt ook gebeden om eenheid, met name van de drie genoemde kerken.

Het streven naar kerkelijke eenheid is een nobel streven. Sterker nog, het is voluit bijbels. Want Christus wil dat allen die in Hem geloven één zijn. Dat komt nergens zo duidelijk en indringend tot uiting als in het zogenaamde ‘hogepriesterlijk gebed’, dat is opgetekend in Johannes 17. “Ik bid niet alleen voor hen [de leerlingen], maar voor allen die door hun verkondiging in mij geloven. Laat hen allen één zijn, Vader. Zoals u in mij bent en ik in u, laat hen zo ook in ons zijn, opdat de wereld gelooft dat u mij hebt gezonden”. Eenheid van allen die in Christus geloven is dus een belangrijk instrument voor evangelisatie. Dan moet die eenheid wel zichtbaar zijn. De ‘oecumene van het hart’ is dat niet. En evangelisatieactiviteiten waarbij de kerkelijke verdeeldheid onder het tapijt wordt geveegd zijn tot onvruchtbaarheid gedoemd.

Op het streven van het Gereformeerd Appèl is dus niets aan te merken. Integendeel, het verdient krachtige steun. Het is wel belangrijk dat daarbij de juiste toon wordt aangeslagen. Dat lijkt niet altijd het geval te zijn. Ik heb weleens de indruk gekregen dat het Gereformeerd Appèl zich soms gedroeg als een actiegroep die de kerken onder druk wilde zetten om toch vooral haast te maken.
Er is uiteraard niets op tegen wanneer leden van de desbetreffende kerken laten merken hoezeer de kerkelijke verdeeldheid hen aan het hart gaat. Maar daarbij moet vermeden worden dat men zich gaat afzetten tegen wat al gauw als ‘kerkelijke elite’ wordt aangeduid. De suggestie wordt gewekt dat die het proces van kerkelijke eenwording eerder vertraagt dan versnelt. De vergelijking met het politieke populisme, dat ‘het volk’ opzet tegen ‘de elite’, dringt zich bijna onvermijdelijk op.

Op 23 augustus meldde het Reformatorisch Dagblad dat het Gereformeerd Appèl zich wil verbreden. Ook leden van andere kerken zouden hierbij betrokken moeten worden. Klaas van Breugel, voorzitter van de werkgroep van het Gereformeerd Appèl, denkt aan “een brede gebedsbeweging, waarin broeders en zusters hun verdriet en pijn over de verdeeldheid delen, waar de schuld die wij tegenover elkaar en tegenover de Heere hebben belijden, waar wordt gebeden voor leiders, predikanten, deputaten en synodes die zoeken naar wegen om elkaar daadwerkelijk tot een hand en een voet te zijn.” Welke andere kerken hij op het oog heeft, wordt duidelijk uit een bericht in het Nederlands Dagblad van 24 augustus: gedacht wordt aan de Hersteld Hervormde Kerk, de Gereformeerde Gemeenten en de Gereformeerde Bond in de PKN.

Dat roept vragen op.

Van Breugel wil dat de leden van die kerken de pijn en het verdriet over de verdeeldheid delen. Wordt die ook altijd gevoeld? Daar ben ik niet zo zeker van. Er moet schuld beleden worden. Waarover dan? Kerkelijke verdeeldheid kan inderdaad zonde zijn en dan is schuldbelijdenis op haar plaats. Maar is àlle kerkelijke verdeeldheid zonde waarvoor schuld beleden moet worden?

Er is ook verdeeldheid die het gevolg is van principiële verschillen. In de NGK doen zich allerlei ontwikkelingen voor die bij de GKV en de CGK op ernstige bezwaren stuiten. Daarbij kan gedacht worden aan de toelating van de vrouw tot het bijzondere ambt, de visie op homosexualiteit, de hier en daar bestaande praktijk om kinderen tot het avondmaal toe te laten en de vrijheden ten aanzien van kerkverbandelijke regels en afspraken die sommige gemeenten zich permitteren.
Vrijgemaakt-gereformeerden en christelijke gereformeerden nemen daar terecht afstand van. Wanneer daardoor kerkelijke eenheid niet van de grond komt is dat bepaald geen reden voor schuldbelijdenis. Die zou eerder op haar plaats zijn wanneer zulke zaken terwille van de kerkelijke eenheid met de mantel van de liefde zouden worden bedekt.

Het is natuurlijk prachtig samen te bidden om kerkelijke eenheid. Maar daarbij moeten we de zin voor de realiteit niet verliezen. Als we samen met leden van de Gereformeerde Bond bidden om kerkelijke eenheid, waar bidden we dan om? Iedereen onder het dak van de PKN, waar in de praktijk volledige leervrijheid bestaat? Iets anders zit er niet in, aangezien de Gereformeerde Bond herhaaldelijk duidelijk heeft gemaakt dat afscheiding van de PKN geen optie is.
Er lijkt ook weinig reden aan te nemen dat leden van de Gereformeerde Gemeenten warmlopen voor kerkelijke eenheid met GKV, CGK en NGK. Hun geestverwanten binnen de CGK verzetten zich met kracht tegen de ‘kleine oecumene’. Van leden van de Gereformeerde Gemeenten kan nauwelijks een positievere houding verwacht worden. En dan laat ik hier nog de principiële verschillen tussen de Gereformeerde Gemeenten en de drie reformatorische kerken buiten beschouwing.

De verbreding van het Gereformeerd Appèl leidt onvermijdelijk tot verwatering. Dat blijkt ook uit de persberichten. Volgens Van Breugel moet gebeden worden voor “leiders, predikanten, deputaten en synodes die zoeken naar wegen om elkaar daadwerkelijk tot een hand en een voet te zijn.” Hoe waardevol dat op zich ook is, dat is toch iets anders dan kerkelijke eenheid. In het ND lezen we: “De verbreding is in deze tijd gemakkelijker omdat kerkelijke eenheid niet alleen draait om het samenvoegen van instituten. ‘Het voeren van het geloofsgesprek is belangrijk geworden. Daarom willen wij ons niet langer beperken tot bepaalde kerken.'”

Kerkelijke eenheid is een Schriftuurlijke eis, christelijke samenwerking over kerkgrenzen heen is dat niet. Door voor het laatste te kiezen beperkt het Gereformeerd Appèl zich tot pijnbestrijding, maar laat hij de kwaal onbehandeld. Met Christus’ bede “Laat hen allen één zijn” heeft dat niet veel te maken.

Advertenties

Avondmaal en kerklidmaatschap

Het is tijd mijn verhaal over de sacramenten en het kerklidmaatschap voort te zetten. In de vorige bijdrage ging het over de doop. Aan het slot kwam de kwestie ter sprake die de uiteindelijke aanleiding vormde voor deze serie: de positie van kerkleden die zich in een andere kerkelijke gemeenschap laten ‘overdopen’. Heeft een ‘overdoop’ gevolgen voor het kerklidmaatschap of kan iemand die zich laat ‘overdopen’ gewoon lid van de gemeente blijven? Ik heb die vraag toen nog opengelaten. Er is een goede reden eerst de relatie tussen avondmaal en kerklidmaatschap te behandelen. Want degenen die zich laten ‘overdopen’ zijn meestal volwassenen, die ook al vaak belijdenis hebben gedaan en dus het recht hebben aan de viering van het avondmaal deel te nemen.

In de vorige bijdrage liet ik zien dat het feit dat de doop binnen de gemeente plaatsvindt, impliceert dat er sprake is van geloofseenheid tussen de doopouders en de gemeente. Die wordt op allerlei manieren bij de bediening van de doop onderstreept. Bovendien wordt de dopeling door de doop formeel in de gemeente opgenomen. Ook tussen avondmaal en kerklidmaatschap bestaat een nauwe band.

Het avondmaal is allereerst een uitdrukking van de band tussen Christus en de gemeente. Christus zelf heeft die bij de instelling van het avondmaal geproclameerd. Paulus onderstreept deze in zijn eerste brief aan de Corinthiërs. “Maakt de beker waarvoor wij God loven en danken ons niet één met het bloed van Christus? Maakt het brood dat wij breken ons niet één met het lichaam van Christus?” (1 Cor. 10,16). Hij laat daar direct op volgen dat het avondmaal ook een gemeenschap met elkaar is. “Omdat het één brood is zijn wij, hoewel met velen, één lichaam, want wij hebben allen deel aan dat ene brood.” (1 Cor. 10,17). In de christelijke gemeente die met Pinksteren in Jeruzalem ontstaat, is het “breken van het brood” een teken dat de leerlingen met elkaar een gemeenschap vormden (Hand. 2,42). Omdat de viering van het avondmaal een uitdrukking is van de eenheid van de gemeente, gaat Paulus in zijn eerste brief aan de Corinthiërs ook zo uitvoerig in op de misbruiken rond het avondmaal. Die zijn een aanwijzing dat het in de gemeente aan eensgezindheid ontbreekt. Dat had Paulus in de voorgaande hoofdstukken al gesignaleerd toen hij wees op de vele partijschappen.

De belijdenis van het geloof, voorafgaand aan de viering van het avondmaal, onderstreept dat hierin de geestelijke eenheid van de gemeente tot uiting komt. Maar die is niet pas in de avondmaalsviering zichtbaar. Die komt in de eerste plaats tot uitdrukking in de wekelijkse samenkomsten waarin het Woord wordt verkondigd. Woord en sacrament mogen ook in die zin niet van elkaar worden losgemaakt dat het ene vrijblijvend zou zijn en het andere geestelijke verbondenheid veronderstelt.

Wanneer Woord en sacrament onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn heeft dat consequenties.

Wie elke week het Evangelie hoort verkondigen kan zich niet onthouden van de viering van het avondmaal. Omgekeerd kan wie zich aan de wekelijkse evangelieverkondiging onttrekt, geen recht op deelname aan het avondmaal laten gelden. In beide gevallen worden Woord en sacrament van elkaar losgemaakt.

De eenheid tussen Woord en sacrament moet ook dan in stand gehouden worden wanneer gemeenten van verschillende kerkverbanden samen avondmaal vieren. Tussen de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) (GKV), de Christelijke Gereformeerde Kerken (CGK) en soms ook de Nederlands Gereformeerde Kerken (NGK) is in toenemende mate toenadering te constateren. Steeds meer gemeenten erkennen elkaar als gemeente van Christus. Dat is een verheugende ontwikkeling, wanneer deze erkenning gebaseerd is op de normen die de Schrift en de gereformeerde belijdenis hiervoor aanreiken. Ze leidt gewoonlijk tot kanselruil, gemeenschappelijke erediensten en gezamenlijke avondmaalsvieringen. Die drie elementen mogen niet van elkaar gescheiden worden. Wanneer bijvoorbeeld een CGK van tijd tot tijd met de GKV avondmaal viert, maar op andere momenten erediensten belegt met de NGK, terwijl deze door de GKV niet als kerk van Christus wordt erkend, worden Woord en sacrament losgeknipt.

Dat gebeurt ook wanneer gelovigen van buiten de kerkelijke gemeenschap wel het avondmaal willen meevieren, maar voor de wekelijkse Woordverkondiging hun heil in hun eigen gemeente zoeken. Het avondmaal is alleen opengesteld voor wie de geestelijke eenheid van de gemeente wil onderhouden. Daar hoort de Woordverkondiging bij.

Het onderhouden van de eenheid van de gemeente verdraagt zich ook niet met het vieren van het avondmaal in gemeenten waarmee geen geestelijke eenheid bestaat. Gereformeerden kunnen geen avondmaal vieren in een PKN- of evangelische gemeente. Daarmee zetten ze de toegang tot het avondmaal in hun eigen gemeente op het spel.

Ik keer terug tot de vraag die de aanleiding vormde tot deze serie: kan iemand die zich laat ‘overdopen’ lid van de gemeente blijven? Op grond van wat is opgemerkt ten aanzien van de relatie tussen sacrament en kerklidmaatschap moet deze vraag met “nee” beantwoord worden. Wie zich in een gemeente laat ‘overdopen’ belijdt geestelijk één te zijn met die gemeente en verbreekt daarmee de eenheid met de gemeente waarvan hij lid is. Dat moet in elk geval als consequentie hebben dat hij niet meer tot de viering van het avondmaal wordt toegelaten. Er is immers geen sprake van “één lichaam en één geest, (…) één geloof, één doop”, kenmerken van de eenheid van de Geest (Ef. 4). Wanneer er geen formele basis bestaat om in een dergelijk geval te concluderen dat van een “feitelijke onttrekking” sprake is, wordt het tijd dat de kerken door middel van een synodaal besluit uitspreken dat ‘overdoop’ een onttrekking aan de gemeente impliceert. Dat zou ook de uitspraak van de Generale Synode van Harderwijk van de GKV dat een tweede doop “in strijd is met wat de Schrift leert en de kerken belijden” onderstrepen.

Christelijke kruistocht of de vrede van de stad

Vrijdag 22 juli 2011 werd de wereld opgeschrikt door twee terreurdaden die – volgens de toen bekende cijfers – bijna 100 dodelijke slachtoffers opleverden. Nadat aanvankelijk algemeen werd aangenomen dat de daders in de islamitische wereld gezocht moesten worden, werd na de arrestatie van de vermoedelijke dader duidelijk dat het om een autochtone Noor ging. Opvallend was een toevoeging die in de media rondzong: hij zou zich als een conservatief christen beschouwen. Hadden we het nu eens niet met een fundamentalistische moslim, maar met een fundamentalistische christen te doen?

Inmiddels is dat beeld nogal gecorrigeerd en hoor je die verwijzingen vrijwel niet meer. Dat is vooral te danken aan de publicaties die de dader op het internet heeft gezet en gedeeltelijk ook verspreid. Daarin komt niet bepaald een beeld naar voren dat doet denken aan fundamentalistische christenen, zoals we die uit andere landen – vooral de Verenigde Staten – kennen. Duidelijk is inmiddels dat Breiviks christendom vooral van culturele aard is. Daarin lijkt hij op Geert Wilders. Die schermt wel met de christelijk-joodse cultuur, die beschermd moet worden tegen de ‘islamisering’, maar hij noemt zichzelf een atheïst. Breivik zegt van zichzelf dat hij niet bijzonder religieus is. En wie kijkt door wie hij zich heeft laten inspireren komt geen opvallende figuren uit de christelijke wereld tegen. Hij heeft scherpe kritiek geuit op de (staats)kerk van Noorwegen, maar dan vooral vanwege haar zijns inziens slappe houding ten aanzien van de islam. Over de theologische koers van die kerk – het toelaten van vrijzinnigheid bijvoorbeeld – hoor je hem niet.

Dat is een hele opluchting. Nu hoeven we ons als christenen tenminste niet voor de wandaden van Breivik te verantwoorden. Of dachten sommigen wellicht dat alleen moslims zich moeten verantwoorden wanneer één van hen zich aan terrorisme schuldig maakt?
Maar zo gemakkelijk komen we er niet vanaf. Breivik grijpt vooral terug op de middeleeuwen. Dat is de tijd van de kruistochten, van de ridders zonder vrees of blaam, die een goed werk voor God dachten te doen toen ze talloze ‘ongelovigen’ over de kling joegen in hun strijd voor de ‘bevrijding’ van het ‘Heilige Land’. Daarvan kunnen christenen zich niet zomaar distantiëren alsof het niet tot hun eigen geschiedenis behoort. De kruistochten vonden plaats met toestemming van en zelfs gestimuleerd door de nog ongedeelde christelijke kerk. De kruisvaarders gingen op weg met de zegen van de ambtsdragers van de kerk. En hun kreet “God wil het” werd door de kerk niet weersproken. Integendeel.

En dan zijn er nog de moderne kruisvaarders. Dan kan gedacht worden aan degenen die aanslagen plegen op abortusklinieken in de Verenigde Staten of abortusartsen vermoorden. Ook zij zijn ervan overtuigd een godvruchtig werk te verrichten. En ook daar zijn geestelijken te vinden die hen eerder in deze overtuiging sterken dan die weerspreken. Ver van ons bed? Dat valt te bezien. In Nederland loopt iemand rond die zich ‘joods-christelijk pastor’ noemt en geen traan laat om de doden van Oslo en Utøya.

Zowel het verleden als het heden leveren voldoende redenen voor christenen om niet al te hoog van de toren te blazen als het om de bezinning over de aanslagen in Noorwegen gaat. Want ook zij blijken tot wandaden in staat te zijn.

Terroristen die zich door een religieus of ideologisch ideaal laten leiden hebben vaak één ding gemeen: ze hebben zich overgegeven aan een utopie. Die bestaat vooral daarin dat men meent een bepaald veelomvattend ideaal – soms zelfs geproclameerd als ‘heilstaat’ – te kunnen realiseren. Wanneer dat niet lijkt te lukken, laten ze zich niet ontmoedigen. Ze komen al helemaal niet tot het inzicht dat de realisering misschien helemaal niet binnen de menselijke mogelijkheden ligt. Ze zijn er zo diep van overtuigd dat het door menselijke inspanning tot stand gebracht kan worden dat ze gaan zoeken naar factoren die obstakels vormen. En dat blijken dan niet zelden mensen of groepen van mensen te zijn. De zondebok is geboren.

Na de Russische revolutie waren het de boeren, in het nationaal-socialisme de joden, in het Cambodja van Pol Pot de intellectuelen – ze stonden de realisering van het nagestreefde ideaal in de weg. Breivik streeft naar een Europa dat vrij is van de islam. Zijn agressie richt zich echter niet in de eerste plaats tegen moslims; zij waren niet het doelwit van zijn aanslagen. Hèt obstakel voor het ontstaan van een islam-vrij Europa is de politieke en maatschappelijke elite, en die bestaat in Noorwegen voor een groot deel uit de sociaal-democraten. Daarom waren die het doelwit van zijn terreur.

Dat lijkt allemaal ver van christenen af te staan. Die geloven immers niet in een utopie. De heilstaat – in christelijke termen: het koninkrijk van God – wordt niet door mensen tot stand gebracht. Het komt van God en daalt vanuit de hemel neer. Het krijgt pas volledig gestalte na de terugkomst van Jezus Christus en de vernieuwing van de hemel en de aarde. Maar christenen geloven ook dat het koninkrijk al tijdens de geschiedenis zich begint af te tekenen en dat ze zelf een rol mogen spelen in de komst van dat koninkrijk. En daar zit een gevaar. Sommige christenen lijken wel erg goed te weten hoe dat koninkrijk er uit zal zien. En ze kunnen zomaar in de verleiding komen daar een tastbare bijdrage aan te leveren die zich niet verdraagt met de bijbelse notie dat het koninkrijk van God niet door geweld tot stand komt. De middeleeuwse kruisvaarder kan zomaar opnieuw tot leven komen.

Ik denk dat in deze tijd een ander gevaar christenen meer bedreigt. Ze zijn in de westerse wereld in toenemende mate een minderheid geworden, waarmee in het maatschappelijk leven steeds minder rekening wordt gehouden. Ook politiek worden ze steeds minder relevant. De deelname van de Christenunie aan het vorige kabinet en de spilpositie van de SGP in de huidige politieke constellatie veranderen daar niets aan. Veel Nederlanders voelen zich vreemden in eigen land en zien hun positie bedreigd door de islam of door Europa of door de globalisering. Ze vrezen dat hun de regie over hun leven uit handen wordt genomen en keren zich steeds feller tegen wat ze als de veroorzakers daarvan beschouwen.

Veel christenen zullen dat gevoel herkennen. Ze belijden wel dat ze vreemdelingen zijn op aarde, maar in de praktijk viel dat vaak nog wel mee. Er waren christelijke organisaties die ertoe deden en niet weinig sleutelposities in de maatschappij werden door mensen bekleed die in elk geval geworteld waren in de christelijke wereld. Die tijden zijn voorbij. Christenen ervaren de vreemdelingschap steeds meer aan den lijve. En dan is het gevaar niet denkbeeldig dat ze zich gaan afkeren van de maatschappij en meegaan in de wereldse trend naar zondebokken te zoeken.

Voor Breivik en voor Wilders zijn dat wat zij als de politieke en maatschappelijke elite beschouwen. En die associëren zij vooral met ‘links’, vertegenwoordigd door partijen als D66, GroenLinks en de PvdA. Deze zijn de belangrijkste obstakels op de weg naar hun ideaal, een Europa zonder moslims. Het valt te vrezen dat ook christenen dat tot hun ideaal maken. Ook onder hen voelen velen de islam als een bedreiging voor hun positie. Daarbij wordt verwezen naar de weinig benijdenswaardige situatie van christenen in islamitische landen. De dreiging van een toenemende marginalisering komt nog uit een andere hoek: de in toenemende mate als agressief ervaren ‘seculieren’. Die vinden ze grotendeels bij dezelfde partijen die Geert Wilders en zijn PVV bestrijden. En dat verklaart waarom een toenemend aantal christenen zich in het kamp van Wilders schaart.

In mijn politieke weblog Dingen van de Dag heb ik betoogd dat de terreurdaden van Breivik aanleiding zouden moeten zijn tot bezinning op het politieke en maatschappelijke klimaat in Nederland. Christenen zouden hier een belangrijke rol in kunnen spelen. Maar dat kan alleen wanneer ze eerst enig zelfonderzoek doen.

Wat is de taak van christenen in de maatschappij? De brief van de profeet Jeremia aan de Joodse ballingen in Babylonië is in dit verband bijzonder relevant. Zou je hun positie in de Babylonische samenleving niet met die van christenen in de westerse, grotendeels ontkerstende maatschappij kunnen vergelijken? En lijkt hun ballingschap niet op de vreemdelingschap van de westerse christenen? Dit is wat Jeremia schrijft: “Bid tot de Heer voor de stad waarheen ik jullie weggevoerd heb en zet je in voor haar bloei, want de bloei van de stad is ook jullie bloei” (Jer. 29,7). De ballingen worden opgeroepen deel te nemen aan het economische en maatschappelijke leven, ook al worden ze publiek vernederd (Psalm 137). En uit het boek Daniël kunnen we concluderen dat ook het nemen van verantwoordelijkheid op het politieke vlak bepaald geen taboe was.

Christenen moeten zich dus niet laten meeslepen in de populistische afkeer van de samenleving en de daarin functionerende instituties. Net als in de dagen van Daniël nemen die beslissingen die strijdig zijn met de wil van God. Maar dat is geen reden zich daarvan af te keren en die instituties zelf in de beklaagdenbank te zetten. En dat is precies wat de PVV doet, of het nu ‘de politiek’, ‘de rechterlijke macht’ of ‘de cultuur’ is. Het is juist de voortdurende voeding van de publieke afkeer van het ‘establishment’ die bijdraagt aan het ontstaan van een maatschappelijk klimaat waarin mensen naar geweld kunnen grijpen omdat ze het geloof in de politiek hebben verloren. Flirten met de anti-establishmentretoriek van Wilders is bepaald geen onschuldige bezigheid, zoals de terreur van Breivik laat zien.

Het maatschappelijke en politieke klimaat zou er mee gebaat zijn wanneer juist christenen, die zich steeds vaker vreemden in eigen huis voelen, desondanks volop blijven deelnemen aan de samenleving. Juist zij zouden ervoor moeten waken dat bepaalde instellingen of groepen mensen als zondebokken worden weggezet, of dat nu ‘de seculieren’ of ‘de moslims’ zijn. In andere vertalingen van het geciteerde vers uit Jeremia 29 wordt gesproken over de “vrede van de stad”. Die vrede ligt niet in de uitsluiting van groepen mensen op grond van hun religieuze of politieke overtuiging, maar in het zoeken naar wat verbindt en het bouwen van bruggen die de samenleving – bij alle blijvende verschillen – leefbaar houden.