Home > christendom, kerk > Wij geloven met het hart

Wij geloven met het hart

Verstand en gevoel, kennis en beleving – velen zien in die twee begrippenparen een tegenstelling. In christelijke kring worden daarover vaak de degens gekruisd, en bepaald niet pas sinds gisteren. Het speelt ook een rol in de manier waarop bijvoorbeeld gereformeerden en evangelischen naar elkaar kijken. Gereformeerden hebben de naam nogal verstandelijk te zijn en dat is in evangelische kringen bepaald geen aanbeveling. Omgekeerd zien gereformeerden – soms met afgrijzen, soms met jaloezie – hoe evangelischen onbekommerd hun gevoel laten spreken wanneer het om geloofszaken gaat. Ook kerkdiensten of gemeentelijke samenkomsten worden vaak door de bril van het gevoel of het verstand bekeken en beleefd.

Twee recente berichten in het Nederlands Dagblad laten zien hoe het kerkelijk leven hiervan de weerslag ondervindt. In de krant van 5 mei staat een artikel waarin gesignaleerd wordt dat de bijbelkennis van jongeren in christelijke kerken sterk is afgenomen. Onder de deskundigen die gevraagd wordt hoe daarmee moet worden omgegaan, heerst vooral verwarring. Niemand heeft een recept, maar er tekent zich in de reacties wel een patroon af. Wim Verboom, oud-hoogleraar namens de Gereformeerde Bond, wordt als volgt geciteerd: “In de theologische bezinning is steeds meer gezegd: het gaat niet om feitenkennis, maar om relationele en functionele kennis.” Dat idee lijkt vrij algemeen te zijn overgenomen. Hier wordt op z’n minst gesuggereerd dat er een tegenstelling bestaat tussen feitenkennis en beleving.

Van diezelfde tegenstelling lijken ook de predikanten Burger en Schaeffer uit te gaan, die op de jaarvergadering van de Bijbelstudiebond binnen de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) spraken over de doop. De redactie van het Nederlands Dagblad zette boven het verslag op 9 mei de kop: “Sacramenten lijden onder de preek”. Volgens Schaeffer staat de preek nog teveel centraal, waar de sacramenten van doop en avondmaal onder lijden. Burger keert zich tegen de concentratie op het woord: “Het geloof wordt op die manier een zaak van het hoofd, terwijl het net zo goed een zaak van het lichaam is.” Over de wenselijkheid dat in de kerkdiensten ook iets te zien is, kan best een zinvolle discussie gevoerd worden, ook gezien de veranderingen in de cultuur. Maar de beide predikanten maken die discussie niet eenvoudiger door een tegenstelling tussen preek en sacrament te construeren.

Er is trouwens wel enige reden zich over hun uitlatingen te verbazen. Ik heb bepaald niet de indruk dat de sacramenten te weinig aandacht krijgen. De huidige dooppraktijk wijkt sterk af van wat nog zo’n twintig jaar geleden gangbaar was. Het komt vrijwel niet meer voor dat de moeder niet bij de doop van haar kind aanwezig is. In de regel wordt gewacht tot ze voldoende is hersteld om er bij te zijn. Sterker nog, vaak wordt een datum voor de doopbediening gekozen die ook familie en vrienden in staat stelt aanwezig te zijn. Het is geen uitzondering wanneer de doop pas enkele maanden na de geboorte plaatsvindt, ook wanneer daarvoor geen medische gronden aanwezig zijn.
Rond de doopbediening hebben zich allerlei rituelen ontwikkeld die wijzen op het belang dat daaraan gehecht wordt. Kinderen uit de gemeente scharen zich rond de doopvont en worden soms nog apart toegesproken, ouders krijgen soms de gelegenheid een getuigenis af te leggen, ze mogen vaak het dooplied kiezen en wanneer de keus valt op een lied dat geen enkele kerkelijke status heeft wordt daar in de regel niet moeilijk over gedaan.

Ook het avondmaal krijgt meer nadruk dan voorheen. Net als het aantal doopformulieren is ook het aantal formulieren voor de bediening van het avondmaal uitgebreid. Terwijl enkele decennia geleden in de meeste gemeenten het avondmaal eenmaal per kwartaal of per twee maanden werd gevierd, zijn er nu nogal wat gemeenten waar dit elke maand plaatsvindt. Naast de vroeger gangbare zittende viering worden nu ook andere vormen gebruikt, zoals de gaande en de staande viering. Ook de groeiende tendens de avondmaalstafel open te stellen voor leden van andere kerkgenootschappen wijst op een verandering in de manier waarop met dit sacrament wordt omgegaan.

Wat men van deze ontwikkelingen ook vindt – en bij sommige kunnen zeker wel kritische kanttekeningen worden geplaatst -, ze wijzen toch bepaald niet op een onderwaardering van de sacramenten.

De tegenstelling tussen de sacramenten en de preek is nogal discutabel. Ds. Schaeffer relativeert die trouwens, wellicht onbedoeld, wanneer hij zegt: “Ieder kind wordt gedoopt met gewoon water, maar door de woorden die God zelf aan de doop verbindt, krijgt dat vervolgens een veel diepere betekenis dan ‘gewoon een plons water’.” Daarmee geeft hij precies aan waarom preek en sacrament een eenheid zijn, die verbonden worden door het woord – of, beter gezegd, het Woord. Want de sacramenten zijn in feite plaatjes bij het verhaal dat in de prediking centraal staat. Kinderen worden niet door de doop in het verbond opgenomen: ze zijn het al. De doop stelt dat aanschouwelijk voor. De verzoening door het lijden en sterven van Christus vindt niet door brood en wijn plaats. Die zijn slechts de aanschouwelijke voorstelling van het feit van de verzoening. Preek en sacrament verkondigen dezelfde boodschap.

Bij de bediening van de sacramenten mag dan meer te beleven zijn, die beleving is wel geworteld in de feiten zoals die door de bijzondere zorg van de heilige Geest in de Schrift zijn opgetekend. Een beleving die niet op feiten is gebaseerd is als een huis dat op zand is gebouwd. Geloofsbeleving die tegen een stootje kan, moet gefundeerd zijn op de rots van in de Schrift overgeleverde feiten.

Die feiten zijn ook de basis van de preek. Het Woord van God staat daarin immers centraal. Dat impliceert dat wat de heilige Geest nodig oordeelde in de Schrift op te nemen, in de prediking een centrale plaats moet hebben. De hele Schrift moet in de volle breedte aan de orde komen, Oude èn Nieuwe Testament. De prediking wordt soms aangeduid als verkondiging of bediening van het Woord of van het evangelie. Dat suggereert al dat er meer gebeurt dan het weergeven en uitleggen van feiten. Een ouderwetse uitdrukking maakt dat nog duidelijker: ‘bediening van de verzoening’. Daaruit komt naar voren dat het maar niet gaat om een afstandelijke analyse van geopenbaarde feiten. In de Schrift openbaart God zichzelf, laat hij zichzelf kennen. Dat maakt een afstandelijke omgang met het Woord onmogelijk.

‘Naam en feit’ staan niet in tegenstelling tot ‘relationele’ of ‘functionele’ kennis. In de omgang met de Schrift is alle kennis per definitie relationeel. Maar wanneer in de Schrift God zichzelf laat kennen – in zijn zoon, maar ook in de geschiedenis – is onderzoek en kennis van de feiten essentieel. De prediking van apostelen en profeten is niet gebaseerd op ‘vernuftige verzinsels’ (2 Petr 1,16), maar op de verslagen van oor- en ooggetuigen. Lukas schreef zijn evangelie op basis van een grondig onderzoek van de feiten. Kennis van de feiten verhindert de constructie van een op maat gesneden beeld van God en van zijn wil.

De tegenstelling tussen ‘hoofd’ en ‘lichaam’ is een valse. Of het Woord nu klinkt in de preek of in het sacrament – of ook in de bijbelstudie of het godsdienst- of catechetisch onderwijs -, nooit gaat het om het hoofd of het lichaam. Het gaat uiteindelijk altijd om het hart. Dat is de mens zelf, de hele mens, met zijn hoofd en zijn lichaam. Preek en sacrament zijn niet hetzelfde. Maar beide doen een beroep op de hele mens. Ze verkondigen het Woord en vragen om een antwoord.

Advertenties
  1. Nog geen reacties.
  1. No trackbacks yet.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: