Archief

Archive for februari, 2013

Een roomse oplossing

Kleine politieke partijen mogen zich niet vaak in een grote belangstelling van de media verheugen, zeker partijen met een religieus karakter niet. Dat kan veranderen wanneer ze ineens een sleutelrol in de politiek gaan spelen, zoals de ChristenUnie jaren geleden en de SGP in het meer recente verleden. Die laatste heeft ook nog om een andere reden de aandacht van de media: de opvattingen van de SGP over de rol van de vrouw in de politiek en vooral de praktische consequenties die ze daaraan altijd heeft verbonden, zijn de representanten van het emancipatiestreven een doorn in het oog. De gevolgen zijn bekend: om een eventueel verbod van de partij te voorkomen, heeft het hoofdbestuur besloten vrouwen niet langer het passief kiesrecht te ontzeggen. Dat betekent dat vrouwen zich in principe mogen aanmelden voor een plaats op de kandidatenlijsten van de SGP.

In de praktijk zijn de gevolgen te verwaarlozen. De grondbeginselen van de partij, waartoe behoort dat de vrouw het regeerambt niet toekomt, veranderen immers niet. Dat betekent dat een vrouwelijke kandidaat moet verdedigen dat de vrouw geen regeerambt mag bekleden. Aangezien de SGP van mening is dat een volksvertegenwoordiger een regeerambt bekleedt, maakt dat haar positie in feite onmogelijk. Bovendien zijn het nog altijd de partijleden die beslissen wie op de kandidatenlijsten komen. Wanneer ze ervoor kiezen alleen mannen te kandideren is dat hun goed recht. Ze hebben geen verantwoordingsplicht.

Niets aan de hand dus, zou je zeggen. Toch wringt er iets. “Een typisch roomse oplossing”, las ik op de website van een krant. Ook binnen de SGP krijgt het hoofdbestuur niet alle handen op elkaar voor deze constructie. Vooral op de rechterflank van de partij wordt stevige kritiek niet geschuwd. Een scribent is van mening dat de SGP er beter aan zou doen vast te houden aan de tot nu toe gevolgde gedragslijn en de consequenties dan maar te accepteren. Hij trekt een vergelijking met de drie vrienden van Daniël, die – op straffe van verbranding in de vuuroven – weigerden te knielen voor het beeld dat de Babylonische koning Nebukadnessar had laten oprichten. Een andere scribent vindt die vergelijking misplaatst: SGP’ers die weigeren hun houding ten aanzien van de rol van de vrouw in de politiek aan te passen, worden niet met de vuuroven bedreigd. Van geloofsvervolging is in Nederland nog altijd geen sprake.

De gekozen vergelijking is inderdaad overdreven en de desbetreffende schrijver zou er wellicht beter aan hebben gedaan een ander voorbeeld te kiezen. Nu leidt het ongelukkig gekozen voorbeeld af van waar het in feite om gaat. De vraag is of de SGP er goed aan heeft gedaan zich te corformeren aan wat de overheid van haar verlangt. SGP-voorman Van der Staaij probeerde daar een mooie en principiële lading aan te geven. De SGP is een gezagsgetrouwe partij en wil “als beginselpartij” wel handelen binnen de grenzen van onze Nederlandse rechtsorde. “Dat is ook een principiële keus. Wij zijn geen oproerkraaiers.” (Nederlands Dagblad, 14.1.13).

Hoe het ook verpakt wordt, het valt niet te ontkennen dat de SGP zwicht onder seculiere druk. Van der Staaij mag zich erover beklagen dat die externe druk de zuiverheid van de discussie vertroebelt en het interne beraad bemoeilijkt, effectief blijkt die wel te zijn. En de vraag moet gesteld worden of daarmee niet de weg is gebaand voor het opvoeren van de druk op allerlei christelijke organisaties om die aspecten van hun identiteit en beleid, die bij seculier Nederland op weerstand stuiten, bij het grofvuil te zetten.

De SGP’ers die roepen dat er wel belangrijkere zaken zijn om zich druk over te maken dan over het passieve vrouwenkiesrecht, hebben wellicht gelijk, maar zijn ook wat naïef. Want voor veel SGP’ers is dit nu juist een wezenlijk onderdeel van de identiteit van de partij. Zij verdedigen de traditionele opvatting betreffende de rol van de vrouw in de politiek met principiële argumenten en tot niet zo lang geleden deed de SGP als partij dat ook. Er waren altijd al tegengestelde of in elk geval meer genuanceerde geluiden, maar die bleven in de marge. De ‘traditionalisten’ in de SGP hebben betere papieren dan de ‘nieuwlichters’.

De SGP heeft de situatie waarin ze zich nu bevindt, geheel aan zichzelf te wijten. We zien hier het resultaat van getreuzel en aarzelingen en vooral van het streven de kool en de geit te sparen. Binnen een organisatie en dus ook een politieke partij kan men best over bepaalde zaken van mening verschillen, zonder dat daar direct bloed uit vloeit. Maar wanneer het gaat over een zaak die in elk geval voor een deel van die organisatie een sterk principieel karakter draagt, kan men er niet omheen een keuze te maken. De door de SGP gekozen constructie is in feite de voortzetting van de oude lijn in een nieuwe verpakking. Wat de SGP nu doet is wat men in het Engels “window-dressing” noemt. De etalage ziet er anders uit, maar het aanbod in de winkel is als vanouds. De vraag is of dit op de lange termijn zal werken.

Wat hier gebeurt zou wel eens de voorbode kunnen zijn van wat christelijk Nederland te wachten staat. De druk zich aan te passen aan seculiere ‘normen’ zal groeien, daar is niet veel fantasie voor nodig. Het ligt voor de hand zich af te vragen waar de grens ligt. Welke aanpassingen kunnen christelijke organisaties zich veroorloven zonder hun identiteit fundamenteel aan te tasten? Wanneer is de tijd gekomen dat men “nee” moet zeggen en de eventuele consequenties moet accepteren?

Ik denk dat we de spade wat dieper in de grond moet steken. Het gaat maar niet om de vraag hoeveel vrijheden christenen en christelijke organisaties nog hebben. De discussie moet – in elk geval vooralsnog – zeker niet gaan over de vraag of christelijke organisaties wellicht een beroep kunnen doen op een uitzonderingsclausule. Het moet er niet om gaan getolereerd te worden – tegen heug en meug – maar als volwaardige leden van de samenleving geaccepteerd te worden.

Nodig is vooral een principiële discussie over de reikwijdte van wetgeving en daarmee de pretenties van de overheid. Dat heeft alles te maken met de idee van de maakbaarheid van de samenleving. Die wordt traditioneel geassocieerd met ‘links’, maar vindt ook ‘rechts’ weerklank. ‘Links’ wil vooral christenen in het gareel dwingen, ‘rechts’ richt zijn pijlen op moslims. Het komt uiteindelijk op hetzelfde neer: het vastleggen van de ‘heersende’ moraal en die via wetgeving afdwingen van burgers en hun organisaties. Dat leidt in feite tot een monocultuur. Dat ideaal wordt vaak geassocieerd met de PVV, maar ook andere partijen zijn daar gevoelig voor, zoals D66 en GroenLinks met hun intolerantie ten aanzien van christenen.

Zo gezien zouden de critici van het ‘vrouwenbesluit’ van de SGP wel eens meer het gelijk aan hun kant kunnen hebben dan menigeen lief is. De vergelijking met de drie vrienden van Daniël mag overdreven zijn, zij kunnen wel als voorbeelden dienen. Soms is er geen andere mogelijkheid dan “nee” te zeggen, wat de consequenties ook mogen zijn. Met “roomse oplossingen” komen we er dan niet meer.

Advertenties

Het is nu eenmaal zo

Er wordt nog weleens geklaagd in christelijk Nederland dat je als christen – of, in wijder verband, als kerk – zoveel moet. Je moet evangeliseren, je moet de liturgie op de schop nemen, je moet actief zijn in de buurt, je moet als broeders en zusters naar elkaar omzien, je moet over de kerkmuren heenkijken, enzovoort enzovoort. Je zou er moe van worden en sommigen worden dat ook.

Maar er is ook iets anders. Je leest het in artikelen en hoort het in interviews en toespraken, expliciet of impliciet. “Het is nu eenmaal zo dat …” en dan volgt in de regel een verwijzing naar een moderne trend of het moderne levensgevoel. In elk geval gaat het dan om iets dat typerend is voor onze tijd en waar de kerk, wil ze zich niet irrelevant maken, rekening mee moet houden. Je kunt daar een mooie term voor verzinnen. Dat deed bijvoorbeeld ds. Wim van der Schee (GKV Amsterdam-Z/W), toen hij in 2011 een toespraak hield op een vergadering in Zwolle, waar gesproken werd over de vraag wat kerken moeten met de tweede kerkdienst. Hij sprak over “door niemand geregisseerde veranderingen”.

Het is waar dat sommige ontwikkelingen niet ‘geregisseerd’ zijn. Er kan inderdaad van een mentaliteitsverandering gesproken worden ten aanzien van het bezoeken van kerkdiensten. De vanzelfsprekendheid is verdwenen. Die mentaliteitsverandering is niet ‘geregisseerd’: er is niet een collectief besluit genomen dat het bijwonen van kerkdiensten niet meer vanzelf spreekt. Maar het zijn uiteindelijk wel mensen die besluiten al dan niet een kerkdienst te bezoeken. Daarop kunnen ze aangesproken worden. De vraag is of kerkenraden dat ook doen. Ik vermoed dat dit weinig of niet gebeurt. Kerkenraden hebben het zien gebeuren en ze hebben het laten gebeuren. Wanneer de trend zich eenmaal heeft doorgezet, is het tij nauwelijks meer te keren. Dan wordt het ook steeds moeilijker, kerkleden op hun kerkgang aan te spreken.

Hier lijkt sprake te zijn van een soort van defaitisme. Dan past men zich aan ‘gedane zaken’ aan. Dat komt dan bijvoorbeeld daarin tot uiting dat de tweede dienst wordt afgeschaft dan wel als facultatief wordt beschouwd, zoals in de gemeente van ds. Van der Schee. In de meeste gemeenten gaat men niet zover. Maar wanneer geen actie wordt ondernomen, zouden andere gemeenten dat voorbeeld kunnen gaan volgen.

Ook ten aanzien van andere onderwerpen kan defaitisme gesignaleerd worden. Ik denk dan bijvoorbeeld aan een interview met ds. Peter Buijs, dat De Wekker, het officiële orgaan van de Christelijke Gereformeerde Kerk, publiceerde. Het Nederlands Dagblad van 31 januari bericht daarover. Buijs was voorzitter van de laatste Generale Synode van zijn kerken en blikt in het interview vooruit naar de komende synode. Hij gaat speciaal in op de contacten met andere kerken, die weer op de agenda van de synode zullen staan. Het zoeken naar kerkelijke eenheid typeert hij als een achterhoedegevecht. “Mensen lijken het inderdaad steeds minder van belang te vinden tot welk kerkverband een gemeente behoort”, zo wordt hij geciteerd. Hij vreest dat het streven naar eenheid met de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) en de Nederlands Gereformeerde Kerken zal leiden tot breuken in zijn kerken, omdat bepaalde behoudende kerken grote moeite hebben met een ‘institutionele eenheid’ met die kerken. Daarom vraagt hij zich af of zijn kerken zich daarvoor moeten blijven inzetten.

Het defaitisme druipt ervan af. Hij betreurt dat gemeenten steeds vaker “liggingsgemeenten” worden, zoals hij dat zelf uitdrukt. Maar dat is toch al heel lang zo? Dat is het resultaat van toegeeflijkheid van kerkelijke vergaderingen. Die hebben zich immers neergelegd bij het verschijnsel van de geperforeerde kerkgrenzen waardoor mensen van dezelfde ‘ligging’ elkaar opzoeken om het samen fijn eens te zijn. Er zijn predikanten die niet mogen voorgaan in naburige gemeenten van een andere ‘ligging’. Kerkelijke vergaderingen stonden erbij en keken ernaar, maar deden niets. Dan is het vreemd zich daar nu ineens over te beklagen. Dat gemeenten van een bepaalde ‘ligging’ problemen hebben met een eventuele ‘institutionele eenheid’ met GKV en NGK is het resultaat van een ontwikkeling die men op haar beloop heeft gelaten. We hebben het niet over zaken die ‘gebeuren’ en ‘niet geregisseerd’ zijn. Het gaat hier over kerkelijke vergaderingen die geen besluiten hebben genomen. Dat is ook een vorm van regie.

Ik noem nog een voorbeeld, dat zich op hetzelfde vlak bevindt. De PKN heeft de kleine reformatorische kerkgenootschappen uitgenodigd voor een gesprek. “Het doel is van gedachten te wisselen over de vraag ‘of er nog dwingende redenen zijn om in onze gescheidenheid voort te gaan’, aldus het protestantse moderamen dat ontkerkelijking en secularisatie als argumenten opvoerde”, aldus het Nederlands Dagblad van 29 januari. In hetzelfde bericht wordt gemeld dat de Christelijke Gereformeerde Kerken niet op de uitnodiging zullen ingaan. Niet alleen heeft het Deputaatschap eenheid van gereformeerde belijders daarvoor geen mandaat, zijn voorzitter, ds. Willem van ’t Spijker, deelt ook mee dat contacten met de Protestantse Kerk nogal gevoelig liggen. “De breedheid van het kerkgenootschap en de manier waarop met tucht wordt omgegaan zijn binnen onze kerk moeilijke punten”.

Op 1 februari schreef ds. Bert Loonstra, predikant van de CGK in Gouda, in dezelfde krant een artikel, waarin hij de deputaten oproept de uitnodiging te aanvaarden. In zijn artikel bestrijdt hij de typering van de PKN die zijn collega Van ’t Spijker geeft, niet. Hij beweert niet dat de PKN een belijdende kerk is en erkent dat ze niet voldoet aan de kenmerken van de ware kerk, zoals die door de Nederlandse Geloofsbelijdenis worden geformuleerd. Maar dan maakt hij een draai om de door hem bepleite deelname aan het gesprek te rechtvaardigen.

“In onze beoordelingen beschouwen wij onszelf als de maat van alle dingen. Als we het ergens niet mee eens zijn en er wordt niet naar ons geluisterd, zoeken we onze eigen weg. Dat wij overgeleverd zijn aan het vrijmachtige, genadige goeddunken van de Allerhoogste, is ver weggezakt.” Hij gaat vervolgens specifiek in op de tucht. Die wordt, zo is het verwijt van de kleine gereformeerde kerken, in de PKN niet toegepast. Loonstra bestrijdt het niet, maar zet vervolgens kritische kanttekeningen bij de toepassing van de tucht in zijn kerk. Hij meent dat die niet ontkomt aan willekeur: ongehuwd samenwonenden worden er wel door getroffen, maar ten aanzien van echtscheiding en hertrouwen is de kerk aanzienlijk toegeeflijker. Hij gaat nog een stap verder. “En, belangrijkste vraag: heeft de tucht geen averechts effect als ze wordt toegepast op de mondige mensen uit de 21e eeuw?”

Daarmee zijn we midden in de problematiek die de inzet was van deze bijdrage: hoe kan de tucht nog functioneren in het kader van ‘door niemand geregisseerde veranderingen’? “Het bedoelde effect is de persoon in kwestie terug te brengen tot Christus en de gemeente. Maar het toepassen van tucht staat haaks op het moderne levensbesef en leidt dus tot onbegrip. Daar gaat nog een probleem aan vooraf: dat moderne levensbesef maakt het moeilijk voor de ambtsdragers die daarmee ook behept zijn, de tucht zuiver in te zetten.”

De opmerking dat “wij” onszelf als de maat van alle dingen beschouwen kan niet anders worden opgevat dan als een relativering van de belijdenis die hij zelf heeft beloofd te zullen hooghouden. Want zijn kerken passen bij hun taxatie van de PKN geen particuliere normen toe, maar de normen van een belijdenis die formeel nog steeds tot de grondslag van de PKN behoort. Dat de tucht niet altijd consequent wordt toegepast en dat tuchtoefening niet altijd zuiver is – wie zal het ontkennen? Maar is dat een reden er minder gewicht aan toe te kennen?

Ik laat dat verder rusten. Het gaat me nu vooral om het fatalisme dat uit de opmerkingen over de tucht spreekt. In feite wordt het belang daarvan sterk gerelativeerd met een beroep op de cultuur waarin we leven en de daarbij behorende mentaliteit. Loonstra pleit er niet met zoveel woorden voor de tucht maar bij het grofvuil te zetten. Maar hij relativeert impliciet wel het gebrek aan tuchtoefening in de PKN.

We zijn daarmee in feite terug bij het begin. Want de tucht is geen op zichzelf staan verschijnsel. Het probleem dat velen met de tucht hebben, wordt daardoor veroorzaakt dat daarbij vooral of zelfs uitsluitend gedacht wordt aan maatregelen, zoals afhouding van het avondmaal en uiteindelijk uitsluiting aan de gemeente. Maar dat is de slotfase. De tucht begint met de verkondiging van het evangelie. Dat is, volgens Zondag 31 van de Heidelbergse Catechismus, de eerste sleutel van het hemelrijk. Daarmee wordt ook direct duidelijk hoe essentieel het voor kerkenraden is toe te zien op de kerkgang van de gemeente. De kerkenraad die op dat punt zijn taak verwaarloost, ondermijnt de werking van de prediking als middel voor de tucht, die, zoals ds. Loonstra terecht schrijft, bedoeld is om iemand terug te brengen tot Christus en de gemeente. Daarom moeten gereformeerde kerken elk defaitisme van zich afschudden en weer pro-actief worden, zeker als het om de kerkgang gaat.

Maar die ‘door niemand geregisseerde veranderingen’ dan? Bestaan die niet of moet de kerk die negeren?

Er valt weinig af te dingen op de vaststelling dat kerkelijke normen botsen op de mentaliteit die in onze samenleving domineert en ook de kerk niet voorbijgaat. Dat geldt voor het artikel van ds. Loonstra niet minder dan voor de uitlatingen van ds. Van der Schee en ds. Buijs. Maar is dat nieuw? Staan de normen van de christelijke kerk – en die zijn uiteindelijk niets anders dan de normen van de Schrift – niet altijd haaks op de cultuur? Ze stonden haaks op de Griekse cultuur zoals Paulus die tegenkwam tijdens zijn discussies op de Areopagus in Athene. Ze stonden recht tegenover de heidense cultuur van het Romeinse rijk. Maar toen het christendom aan invloed won, veranderde ook die cultuur. Dat is de kracht van het evangelie: het kan mensen en culturen veranderen. Dat zien we in de zendingsgebieden. Wanneer het christelijk geloof de cultuur van een heidens Afrikaans land kan veranderen, waarom dan niet de in veel opzichten even heidense cultuur van het Westen, of die nu ‘modern’ of ‘postmodern’ is?

Dat kan alleen wanneer de boodschap van de Schrift onversneden en onaangepast wordt uitgedragen. Wanneer de kerk het hoofd in de schoot legt en zich willoos en klakkeloos aanpast aan ‘door niemand geregisseerde’ veranderingen, wordt de boodschap krachteloos en zal ze haar uitwerking missen.

Kerken en hun vertegenwoordigers zouden eens wat minder vaak moeten zeggen dat “het nu eenmaal zo is”. Er zijn maar heel weinig dingen “nu eenmaal zo”.