Archief

Archive for december, 2013

Rouwdiensten zullen niet worden belegd

“Rouwdiensten zullen niet worden belegd”. Zo luidt artikel 71 van de Kerkorde van de Gereformeerde Kerken in Nederland, die gehanteerd wordt in de Gereformeerde Kerken vrijgemaakt (GKV). Als het aan Deputaten Liturgie en Kerkmuziek ligt, komt daar verandering in. Ze hebben een uitvaartliturgie ontworpen en stellen de komende Generale Synode voor deze vast te stellen. Men mag aannemen dat dit voorstel niet uit de lucht komt vallen. Kennelijk hebben de deputaten een behoefte aan zo’n liturgie gesignaleerd. Dat is op zichzelf opmerkelijk. De moderne mens – ook de moderne kerkmens – acht zich mans genoeg zelf te bepalen hoe allerlei zaken geregeld moeten worden. Bruidsparen hechten er in de regel zeer aan dat zij zelf de liturgie van de huwelijksbevestiging kunnen samenstellen. Ook wanneer ouders hun kind ten doop houden willen ze graag invloed op de keuze van het lied of de liederen die bij de doopsbediening gezongen worden. Het is dan wel opmerkelijk dat men bij de invulling van een bijeenkomst voorafgaand aan een begrafenis door de kerk bij het handje wil worden genomen en ideeën voor een liturgie wil krijgen aangereikt. Dat is te meer opvallend aangezien kerkelijke gemeenten zich de laatste jaren steeds minder gelegen laten liggen aan liturgische afspraken en regelingen die door de kerken gezamenlijk zijn vastgesteld.

Het is van belang erop te wijzen dat het voorstel uit de koker van de Deputaten Liturgie en Kerkmuziek komt. Die hebben uiteraard geen bemoeienis met de inhoud van de Kerkorde. Sinds jaar en dag is het gebruikelijk dat kerkboeken ook aanwijzingen bevatten voor bijvoorbeeld het gebruik van de Psalmen en Gezangen bij speciale gelegenheden. Bovendien worden allerlei gebeden aangeboden die bij specifieke omstandigheden gebruikt kunnen worden. Die zijn geheel vrijblijvend: men kan ze gebruiken maar ook terzijde leggen. In dat licht is er niets op tegen wanneer Deputaten met suggesties komen over de manier waarop een bijeenkomst voorafgaand aan een begrafenis zou kunnen worden ingevuld. Wie dat wil kan daarvan gebruik maken, maar aangezien de Gereformeerde Kerken er altijd van zijn uitgegaan dat zo’n bijeenkomst in principe een familieaangeledenheid is, staat het de nabestaanden geheel vrij daaraan hun eigen invulling te geven.

De berichtgeving over de voorgestelde liturgie (Nederlands Dagblad, 20.11.13) laat zien dat Deputaten verder gaan. De bijeenkomst krijgt in hun voorstel het karakter van een kerkdienst. Votum, groet en zegen maken er onderdeel van uit, evenals Schriftlezing en preek. De dienst eindigt pas na de zegen bij het graf. Wanneer de voorgestelde liturgie in deze vorm wordt aanvaard, kan het niet anders dan dat het geciteerde kerkorde-artikel wordt geschrapt. Want dan moet toch echt van een rouwdienst gesproken worden.

Deze bepaling van de Kerkorde is al oud en gaat terug tot de begintijd van de Reformatie. Ze moet tegen de achtergrond van de toen nog levendige praktijken rond dood en begrafenis gezien worden. Lijkpredikatiën, zoals men die toen noemde, behoorden tot de roomse superstitiën en paapse stoutigheden die men uit de kerkelijke samenleving wilde verbannen. De rituelen rond sterven en begraven werden gestempeld door het geloof dat men door middel van gebed iets kon bijdragen aan het zieleheil van de overledene. Bij gereformeerden van de 21e eeuw zullen zulke ideeën geen weerklank vinden. Er speelde echter nog iets anders mee in het verzet tegen de roomse praktijken. In zijn commentaar op de Kerkorde van 1923 schrijft Joh. Jansen dat men kennelijk bang was dat de “lof der afgestorvenen” al te zeer op de voorgrond zou staan. Dat heeft aan actualiteit niets ingeboet, integendeel. Met de toegenomen individualisering en personalisering van de maatschappij is bij begrafenissen de persoon van de overledene steeds meer in het middelpunt komen te staan. Bij christelijke begrafenissen zal echt nog wel het Woord klinken, maar toch wel vaak in relatie met de overledene, hoe hij of zij bijvoorbeeld in het geloof stond en daarvan getuigde. Maar de grotere aandacht voor de persoon kan zomaar vormen aannemen die tot gevolg hebben dat de verkondiging van het Woord in de knel komt.

Nu zou men dit als een argument kunnen gebruiken om een liturgie voor een uitvaartdienst aan te bieden. Op deze manier kunnen allerlei ongewenste ontwikkelingen wellicht worden tegengegaan. Die lijn volgt D. Griffioen in een artikel in De Reformatie (jg 72, 1996, pp. 301-304). Hij wijst erop dat een kerkenraad formeel geen mogelijkheden heeft corrigerend in te grijpen, wanneer gemeenteleden hun doden op “hun eigen manier” willen begraven. Veel meer dan een verwijzing naar een gegroeide traditie van een christelijke begrafenis of een algemene vermaning dat bij een begrafenis “iets” van het Evangelie moet klinken zit er niet in.

Griffioens uitgangspunt is dat de kerk bij een begrafenis aanwezig moet zijn. “Het argument dat een begrafenis uiteinde­lijk een zaak is van de familie gaat maar ten dele op. (…) [De] kerkenraad met de ge­meente is na de familie wel de meest nauw betrokkene bij het sterven en het begraven van leden van de gemeente.” Met deze opvatting kan men het moeilijk oneens zijn. Juist rond sterven en begraven moet de kerk pastoraal aanwezig zijn. Er moet vanuit de Schrift troost en uitzicht geboden worden. Als die uitblijven, waar moeten de nabestaanden die dan vandaan halen? Maar daarmee is nog niet de vraag beantwoord of de Schrift moet klinken in het kader van een kerkdienst. Griffioen verwijst naar andere schrijvers die met argumenten betogen dat een door de kerkenraad uitgeschreven dienst in dit geval niet de voorkeur verdient. Hij gaat daarin in zoverre mee dat ook hij van mening is dat er geen sprake kan zijn van een reguliere dienst. Hij pleit voor een soort van ‘aangepaste’ dienst. Daarin kan bijvoorbeeld in de keuze van de te zingen liederen een zekere vrijheid betracht worden, die in ‘gewone’ kerkdiensten niet bestaat.

Nu is het nog maar de vraag of men een kerkdienst met een daarbij behorend liturgisch kader mag gebruiken om ongewenste ontwikkelingen tegen te gaan. Het is waar, zoiets is in het verleden ook gebeurd. Calvijn was bepaald geen voorstander van het houden van kerkdiensten op christelijke feestdagen anders dan op de zondag. Toch is men al in een vroeg stadium ertoe overgegaan op zulke dagen diensten te beleggen, vooral om ‘lediggang’ en allerlei ongewenste activiteiten op zulke (vrije) dagen tegen te gaan. Maar dat is nog geen reden om zoiets opnieuw te doen.

Bovendien valt te vrezen dat dit inmiddels een gepasseerd station is. Griffioen schreef zijn artikel in 1996 en inmiddels zijn meer dan vijftien jaar verstreken. Daarin is de vrijheid die kerkleden zich permitteren steeds verder opgerekt; kerkenraden zijn daarin meegegaan. Een sprekend voorbeeld is de wijze waarop kerkdiensten worden vormgegeven waarin een huwelijk wordt bevestigd. Dat een bruidspaar invloed heeft op de manier waarop die dienst verloopt en op de samenstelling van de liturgie is vrij algemeen geaccepteerd. Het lijkt er echter op dat bruidsparen vrijwel geheel de vrije hand wordt gelaten in bijvoorbeeld de keuze van de liederen. Dan kan het gebeuren dat in zo’n dienst van de gezongen liederen meer dan de helft in geen enkele bundel voorkomt die voor kerkelijk gebruik is vrijgegeven. De al gesignaleerde individualisering en personalisering speelt ook hier een rol. Het komt niet zelden voor dat de voorganger eerst het bruidspaar en zijn familie aanspreekt en pas dan de gemeente. Soms krijg je bijna de indruk dat de gemeente tot toeschouwer wordt gereduceerd.

Nu zou een kerkenraad hier regulerend kunnen optreden. Een trouwdienst is tenslotte ruim tevoren bekend en er is tijd genoeg om over de inhoud van de dienst van gedachten te wisselen en eventuele bezwaren tegen, bijvoorbeeld, de liedkeuze te bespreken. Bij een begrafenis ligt dat uiteraard anders. Daar moet alles op korte termijn geregeld worden. Voor het bespreken van eventuele bezwaren tegen de vormgeving van een bijeenkomst is weinig tijd. Bovendien is een begrafenis nu niet bepaald een gelegenheid waarbij een conflict tussen kerkenraad of voorganger enerzijds en de nabestaanden anderzijds zou moeten plaatsvinden. Juist dan zou elke onenigheid moeten worden voorkomen. In geval van een door de familie geregisseerde bijeenkomst lukt dat wel. Uiteindelijk levert de predikant alleen maar een bijdrage. Hij en zijn kerkenraad dragen geen verantwoordelijkheid voor het geheel en zijn daarop ook niet aanspreekbaar. Dat is anders wanneer de bijeenkomst voorafgaand aan de begrafenis het karakter van een kerkdienst zou krijgen.

Conflicten zijn dan alleen te voorkomen wanneer de kerkenraad voetstoots alles accepteert wat door de nabestaanden wordt voorgesteld. Maar was het niet juist de bedoeling ongewenste ontwikkelingen tegen te gaan? Kerkenraden zijn zeer tolerant ten aanzien van de vormgeving van trouwdiensten. Wanneer ze hier al niet op hun strepen gaan staan en zich inspannen ervoor te zorgen dat de trouwdienst qua inhoud en vormgeving echt kerkdienst mag heten en niet haaks staat op wat in de kerk gebruikelijk is, zullen ze dat bij eventuele ‘rouwdiensten’ wel gaan doen? Moet de kerkenraad ingrijpen wanneer de nabestaanden van plan zijn uitgebreid het doopceel van de overledene te lichten of wanneer familieleden en vrienden uitvoerig verslag doen van hun herinneringen aan hem of haar? En wat te doen wanneer kinderen hun overleden opa of oma gaan toespreken, alsof hij of zij nog onder de levenden is? Hoe moet de voorganger reageren als een nabestaande over “stoffelijk overschot” spreekt? Volgens de voorstellen van Deputaten zou de dienst eindigen met de zegen na de teraardebestelling. Past in zo’n dienst het optreden van een dweilorkest, zoals één van de lezers in het Nederlands Dagblad van 21 november 2013 als zijn voorkeur opgeeft?

Wanneer een kerkenraad een kerkdienst belegt dient hij erop toe te zien dat deze qua karakter een echte kerkdienst is. Dan zullen er bepaalde grenzen moeten worden gesteld. Men zou bij trouwdiensten een begin kunnen maken. Wanneer de Generale Synode zou besluiten dat kerkenraden begrafenisdiensten kunnen beleggen, dienen ook daarvoor duidelijke afspraken te worden gemaakt. Kerkenraden moeten voorkomen dat conflicten bij de voorbereiding van een begrafenis ontstaan. Dat kan door in prediking en pastoraat vragen rond sterven en begraven aan de orde te stellen. Ik heb niet de indruk dat dit gebeurt. Wanneer ook in gereformeerde kring in rouwadvertenties de overledene wordt toegesproken, zou dat dan geen reden moeten zijn hierop in de prediking in te gaan? Zulke aanspraken zijn dan wellicht meestal van kinderen afkomstig, maar zou hun niet al vanaf jonge leeftijd moeten worden geleerd dat de doden niets weten – dat wil zeggen: geen kennis hebben van wat op aarde tegen hen of over hen wordt gezegd?

Enige reformatie ten aanzien van de inmiddels gegroeide praktijken rond overlijden en begraven lijkt bepaald niet overbodig. Het aangewezen middel daarvoor is prediking en pastoraat. Liturgische handreikingen kunnen een goed hulpmiddel zijn om rouwbijeenkomsten op een verantwoorde manier vorm te geven. Maar voorstellen voor het beleggen van rouwdiensten moeten voorlopig maar even in de ijskast gelegd worden. “Rouwdiensten zullen niet worden belegd” – laat dat vooral maar in de Kerkorde blijven staan.

Advertenties