Archief

Archive for oktober, 2015

Kom van die troon af!

Onder christenen wordt al zeker honderd jaar – en misschien nog wel langer – gediscussieerd over de verhouding tussen geloof en wetenschap. Die discussie spitst zich vooral toe op de relatie tussen geloof en natuurwetenschap. Natuurlijk worden ook in andere wetenschappen, zoals de psychologie en de sociologie, theorieën gedebiteerd waartegen vanuit een christelijke overtuiging bezwaar kan worden gemaakt. Maar die worden meestal niet universeel omarmd. Je zou hier bijvoorbeeld kunnen denken aan de neurobioloog Dick Swaab die een ‘materialistische’ en ‘deterministische’ visie op het menselijk brein heeft. “[De] natuurkundige en chemische processen in onze hersenen bepalen hoe we reageren en wie wij zijn”, zoals samengevat door Wikipedia. Dat dit gevolgen heeft voor de visie op menselijk gedrag en daarmee ook op hoe men denkt over zonde en het menselijk vermogen keuzes te maken, is duidelijk. Maar zijn visie is ook binnen het vakgebied omstreden en je hoeft geen christen te zijn om die theorie te verwerpen. In de natuurwetenschappen ligt dat in veel gevallen anders, en dat geldt zeker voor wat onder christenen het heetste hangijzer is: de evolutietheorie.

Die wordt vrijwel alleen door christenen – op grond van wat zij in de Schrift lezen – verworpen of in elk geval betwijfeld. Binnen de natuurwetenschap vertegenwoordigen degenen die kritiek leveren op de uitgangspunten van de evolutietheorie hooguit een zijstroom. De hoofdstroom bestaat uit wetenschappers die deze theorie als bewezen aanvaarden. Dat maakt de discussie over dit onderwerp bij voorbaat al gecompliceerd. Het is voor natuurwetenschappers vrij gemakkelijk kritiek af te doen als voortkomend uit een gebrek aan kennis. Natuurwetenschap wordt – in tegenstelling tot sociale wetenschappen als de psychologie – als een ‘harde’ wetenschap beschouwd. Het gaat daarin om feiten, die te controleren zijn. Theorieën als de evolutietheorie zijn gebaseerd op metingen, die herhaalbaar zijn en dus verifieerbaar. Daarmee staan vertegenwoordigers van de natuurwetenschap al bij voorbaat op voorsprong wanneer ze in discussie gaan met bijvoorbeeld theologen. Die beroepen zich immers op de Schrift, die op verschillende manieren wordt uitgelegd. Tegenover elk argument tegen de evolutietheorie dat wordt ondersteund met een beroep op de Schrift staat een tegenovergesteld argument waarvoor men zich op diezelfde Schrift beroept.

Ook op een andere manier trekken theologen aan het kortste eind. De natuurwetenschap is niet zomaar voor iedereen toegankelijk. Je moet er een grondige kennis van hebben om argumenten pro en contra de evolutietheorie te kunnen wegen. Er zullen niet veel theologen zijn die zulke kennis in huis hebben. Daar tegenover staat dat natuurwetenschappers zich zonder al te veel scrupules op het terrein van de exegese begeven. Ze menen over voldoende kennis te beschikken om op dat terrein uitspraken te doen. In zekere zin is dat nog terecht ook: de Schrift is immers aan de gemeente – de gelovigen samen dus – toevertrouwd en de exegese is niet voorbehouden aan enkele ‘deskundigen’.

De discussie over ‘schepping of evolutie’ – om het maar even populair uit te drukken – heeft nieuwe voeding gekregen door het recent verschenen boekje Het geheime logboek van topnerd Tycho, geschreven door nanobioloog Cees Dekker, hoogleraar aan de TU Delft, en Corien Oranje, vooral bekend als auteur van kinderboeken. Dit boekje is dan ook voor kinderen bestemd en wil hun duidelijk maken dat er geen tegenstelling bestaat tussen het serieus nemen van de Schrift en de aanvaarding van de evolutietheorie. Ik heb het niet gelezen, maar het lijkt me op voorhand een ongelukkig initiatief. Kinderen kunnen immers de verschillende argumenten niet wegen en hebben geen inzicht in de consequenties die een aanvaarding van die theorie voor het lezen van de Schrift kan hebben. De geschiedenis van de schepping beperkt zich tenslotte niet tot de eerste hoofdstukken van Genesis. Op allerlei plaatsen in de bijbel wordt ernaar verwezen. Zo’n boekje zou op z’n minst onder begeleiding gelezen moeten worden, maar de meeste ouders en leerkrachten beschikken over te weinig natuurwetenschappelijke kennis om het naar voren gebrachte van ter zake doend commentaar te voorzien. Het blootstellen van kinderen aan een op z’n minst omstreden theorie gaat op deze manier wel enigszins op indoctrinatie lijken.

Het wekt ook enige verbazing wanneer Corien Oranje in een interview met het Nederlands Dagblad (18.9.15) zegt: “De uitgever vroeg ons eerst om twee opties aan te reiken, het creationisme en theïstische evolutie. Cees wilde dat niet, en hoe meer ik erover ging lezen, hoe meer ook ik dacht: de evolutietheorie klopt gewoon.” Gaat dat zo gemakkelijk? Ik betwijfel of ze over grondige natuurwetenschappelijke kennis beschikt om de argumenten die ter verdediging van de ‘theïstische evolutie’ worden aangevoerd, te toetsen. Daarmee lijkt me de conclusie dat de evolutietheorie ‘gewoon’ klopt op z’n minst voorbarig. In het slechtste geval heeft ze zich door de geleerdheid van haar medeauteur en de boekjes die haar – door hem? – zijn aangereikt, laten intimideren.

Maar wellicht moeten we dit in een breder kader plaatsen. De christelijke wereld lijkt zich in een fase te bevinden waarin monumenten van zekerheid ernstige vormen van verval beginnen te vertonen. Opinieleiders die in een niet eens zo ver verleden uitstraalden dat ze alles – of in elk geval heel veel – zeker wisten, gedragen zich nu als zoekende zielen of brengen hun overtuigingen nog slechts mompelend en met veel mitsen en maren naar voren. Ze willen vooral niet de indruk wekken dat ze overtuigd zijn van hun gelijk, laat staat van anderen te verwachten dat ze dat gelijk erkennen. Deze houding past bij het geestelijk klimaat van deze tijd, niet minder dan dat de zekerheden van vroeger en de manier waarop ze werden uitgedragen, pasten bij een tijd waarin het ideologische gelijk en de overtuiging dat er een absolute waarheid bestond het politieke en maatschappelijke debat beheersten.

Enkele weken geleden had ik het genoegen een promotie aan de Theologische Universiteit van de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) in Kampen bij te wonen. Dr. A.P. van Langevelde verdedigde als proefschrift een biografie van Cornelis Veenhof, vroeger hoogleraar aan deze universiteit (toen nog Theologische Hogeschool geheten). “In zijn jeugd worstelde hij met de vraag of hij wel echt bekeerd was en of hij wel tot het domineesambt geroepen was. Die twijfels verdwenen toen hij boeken van Klaas Schilder en Antheun Janse las, twee gereformeerde opinieleiders in de jaren dertig. Beiden hadden een afkeer van bevindelijke twijfels en benadrukten de zekerheid van Gods beloften in de Bijbel. Het ging hun om absolute gehoorzaamheid aan de Bijbel, die helder en slechts voor één uitleg vatbaar was. Veenhof kwam terecht in de ‘het klimaat van het absolute’, schrijft Van Langevelde. In dat klimaat werd fel gediscussieerd over bijvoorbeeld de geloofszekerheid, het genadeverbond en de pluriformiteit van de kerk. De stijl van de debatten was rationeel, consequent en absoluut. Het leidde tot verwijdering en droeg bij aan de Vrijmaking, de scheuring in de Gereformeerde Kerken in 1944”, zo vat het Nederlands Dagblad van 23 september 2015 Van Langevelde’s analyse samen.

Op de analyses van Van Langevelde valt wel iets af te dingen. Vooral het label ‘het klimaat van het absolute’ dat hij Schilder en zijn medestanders en de latere tegenstanders van Veenhof (in de jaren ’60 van de vorige eeuw) opplakt, lijkt me aanvechtbaar. Hij lijkt het conflict vooral vanuit sociologisch gezichtspunt te benaderen; de geestelijke dimensie – die voor de hoofdrolspelers de hoofdzaak was – blijft onderbelicht, zoals één van de opponenten ook opmerkte. Maar Van Langevelde heeft ongetwijfeld gelijk als hij een verband legt tussen de zekerheid die door Schilder en – tijdens het kerkelijk conflict binnen de GKV – door iemand als Kamphuis werd verdedigd enerzijds en het maatschappelijke klimaat van de jaren ’30 respectievelijk de jaren ’60 anderzijds. Dat is op zichzelf niet verrassend: de kerk en haar leden maken deel uit van het maatschappelijk leven en krijgen dus altijd iets – of zelfs veel – mee van het daar heersende klimaat.

Maar als dat zo is geldt dat ook voor onze tijd. Het feit dat de positie van Veenhof in de huidige GKV op nogal wat sympathie kan rekenen, is veelzeggend. Maar daarbij blijft het niet. Sinds de jaren ’90 van de vorige eeuw vindt in Nederland iets plaats wat je ‘ontideologisering’ zou kunnen noemen. Bekend is de uitspraak van voormalig premier Kok, die als leider van de PvdA van mening was dat zijn partij haar ideologische veren moest afschudden. Ideologie staat tegenwoordig in een kwade reuk. Het riekt naar zekerheid en die is verdacht. Dat in de praktijk ideologie helemaal niet is uitgestorven en politici en opiniemakers nog steeds uitgaan van hun eigen gelijk heb ik al eens eerder betoogd. Maar dat wordt niet van de daken geschreeuwd. Het staat tegenwoordig in elk geval niet netjes er rond voor uit te komen dat je overtuigd bent van je eigen gelijk. En dat heeft ook in christelijke kring consequenties. Dan kan het zelfs gebeuren dat een predikant twijfel als iets positiefs beschouwt.

Wanneer zekerheden ‘niet meer van deze tijd’ zijn – om het meest inhoudsloze ‘argument’ van onze tijd te gebruiken – is het begrijpelijk dat ook christelijke boegbeelden hun zekerheden onder het tapijt schuiven of daarvan zelfs helemaal afstand nemen. Dat allerlei christenen nu tot de conclusie komen dat de evolutietheorie ‘gewoon klopt’ lijkt niet zozeer het gevolg van een dieper inzicht in de Schrift, laat staan in de natuurwetenschap, maar vooral van een algehele twijfel ten aanzien van de waarheid van wat we in de Schrift lezen. Als gevolg daarvan wordt het beroep op de Schrift om een bepaald standpunt te verdedigen dan wel te weerleggen, steeds problematischer. Een typerend voorbeeld is de manier waarop het argument dat Jezus in zijn gesprekken gewoon verwijst naar de schepping wordt ‘weerlegd’. Hij paste zich aan het begripsvermogen van zijn gehoor aan. Daarmee wordt in feite elk beroep op wat Hij heeft gezegd bij voorbaat ontkracht. Want Hij verwijst ook naar andere zaken die wetenschappelijk gezien op z’n minst twijfelachtig zijn, zoals het verblijf van Jona in de vis en de verandering van de vrouw van Lot in een zoutpilaar.

En wat te denken van de opstanding? “Theoloog Reinier Sonneveld stelde dat God zich in het scheppingsverhaal aanpast aan de cultuur en het bevattingsvermogen van mensen. Maar bestaat dan de kans dat we straks ook de opstanding van Jezus en zijn wonderen niet meer letterlijk nemen? ‘Ik zie het om me heen niet gebeuren’, antwoordde hij. ‘Alle evangelicale theologen die ik lees, zijn hartstikke theïstisch evolutionistisch maar houden tegelijk hartstikke vast aan de letterlijke uitleg van Jezus’ opstanding.” (ND, 25.9.15). Wellicht zegt dit vooral iets over de boeken die hij leest en over het gebrek aan logisch consistent denken van de auteurs. Je zou van geluk moeten spreken wanneer mensen de uiterste consequenties van wat ze voor waar aannemen niet altijd trekken of misschien niet eens zien. Maar erg geruststellend is dat niet. Sonneveld vervolgt: “Bovendien: tegen de opstanding zie ik geen wetenschappelijke bezwaren, omdat de wetenschap daarover helemaal niet gaat. Ook is nooit bewezen dat er geen wonderen bestaan.” Dat lijkt me nogal inconsequent: als wonderen kunnen bestaan, waarom dan het wonder van de schepping niet? Het is me ook niet duidelijk waarom er geen wetenschappelijke bezwaren tegen de opstanding zouden bestaan. Ik denk niet dat ook maar één bioloog zal durven beweren dat een mens kan opstaan uit de dood.

In deze kwestie komen twee lijnen samen. De eerste is een toenemende onzekerheid over de betrouwbaarheid van wat we in de Schrift lezen. Die heeft gevolgen voor de ethiek, zoals blijkt uit een door het Nederlands Dagblad gehouden onderzoek naar de omgang van vijftigplussers met het geloof. Het komt ook tot uiting in de verlegenheid met de tegenstelling tussen wat de Schrift als echt gebeurd presenteert en de waarheidsaanspraken van de wetenschap. Het lijkt erop dat de aanspraken van de Schrift met steeds grotere scepsis worden bejegend terwijl die van de wetenschap onkritisch worden omarmd, zelfs wanneer men daarvan hooguit oppervlakkige kennis bezit en de reikwijdte en consequenties ervan niet overziet. Daarbij kan men er op wijzen dat de Schrift op allerlei punten verschillend wordt uitgelegd. Maar dat is geen argument om vervolgens de wetenschap op de troon te zetten. Want zelfs als alle natuurwetenschappers het eens zijn over een wetenschappelijke theorie is dat nog geen reden die als waar te aanvaarden. Tenslotte is alle wetenschap – hoe ‘hard’ ook – mensenwerk en gebaseerd op menselijke waarnemingen. Dat is geen verwijt, maar gewoon het constateren van een feit. Een mens kan nu eenmaal niet verder kijken dan zijn menselijke neus lang is. Er zou veel gewonnen zijn wanneer wetenschappers zich dat meer zouden realiseren en dat ook publiek zouden erkennen. Maar dan moeten ze wel van hun troon afkomen en dat is voor vele van hen waarschijnlijk teveel gevraagd. “U hebt hem bijna een god gemaakt” en “u hebt hem toevertrouwd het werk van uw handen”. Daarmee zet David in Psalm 8 de mens – met al zijn mogelijkheden en inzichten – op zijn plaats. De troon komt hem niet toe.

Wie kunnen we geloven? Dat is niet in de eerste plaats een kwestie van kennis, maar van vertrouwen. Dat bepaalt aan wiens antwoorden je het meeste geloof hecht. Dat zou voor christenen geen vraag moeten zijn.

Advertenties