Home > christendom, kerk > Dominee ZZP

Dominee ZZP

De arbeidsmarkt is al jaren flink in beweging. Eén van de meest opvallende verschijnselen is dat vooral degenen die voor het eerst de arbeidsmarkt betreden, nauwelijks nog kans hebben op een vaste aanstelling. Ook al wat oudere werknemers die – na ontslag bij hun werkgever – een nieuwe baan zoeken kunnen er vaak niet vanuit gaan dat ze een vast contract krijgen aangeboden. Er zit soms niets anders op dan als ZZP’er aan de slag te gaan. Als je tegenwoordig zeker wilt zijn van een vast contract kun je het beste dominee worden.

Maar ook dat moet veranderen, in elk geval als het aan ds. Gert Zomer (GKV Houten) ligt. In een artikel in het Nederlands Dagblad pleit hij ervoor dat predikanten niet meer vast aan één gemeente verbonden zijn maar flexibel op verschillende plaatsen, met hun specifieke kwaliteiten, ingezet worden. De aanleiding voor zijn pleidooi was een column van redacteur Gerard ter Horst onder de titel ‘Dominees met een vlekje’. Die schreef hij onder de indruk van een discussie op de Generale Synode van de Christelijke Gereformeerde Kerken over predikanten die in hun gemeente zijn vastgelopen en daarvan zijn losgemaakt. Eerder waren in het Nederlands Dagblad trouwens al artikelen verschenen waarin gewezen werd op de pijn die zo’n proces bij alle betrokkenen – predikant, kerkenraad en gemeente – veroorzaakt. De tragiek van een losmaking wordt nog versterkt door het feit dat de losgemaakte predikant vaak nergens meer ‘aan de bak’ komt. Ook al ligt de oorzaak van de losmaking niet – of niet uitsluitend – aan hem, hij wordt toch gezien als iemand ‘met een vlekje’ en er zijn niet veel kerkenraden die het aandurven zo iemand ter beroeping aan hun gemeente voor te stellen.

Zomers motivatie is dat de discussie zich meestal concentreert op wat hij “de achterkant van het probleem” noemt: de gevolgen wanneer het mis gaat tussen predikant en gemeente. Hij wil graag “aan de voorkant van het probleem iets bijdragen. Voorkomen is immers beter dan genezen. Ik pleit ervoor om alle predikanten los te maken van hun gemeente.”

Waarom eigenlijk?

Een predikant, zegt Zomer, is voor inkomen en huisvesting meestal geheel afhankelijk van zijn gemeente. Mij ontgaat wat daarbij het probleem zou zijn. Voor wat de huisvesting betreft mogen predikanten hun handjes stijf dichtknijpen. Ze betalen geen huur en zaken als behangen en schilderen worden door de gemeente of in haar opdracht door anderen verricht. Dat zouden veel huurders ook wel willen maar die moeten zelf de handen uit de mouwen steken.

Als de predikant een huis koopt, wordt van hem verwacht dat hij dat op het grondgebied van de gemeente doet. Dat laatste lijkt me logisch en is niet in de eerste plaats de consequentie van zijn verbintenis als predikant, maar van zijn lidmaatschap van de gemeente. In de Gereformeerde Kerken is het nog altijd gebruik dat het lidmaatschap door geografische grenzen wordt bepaald, ook al wordt daarmee inmiddels op ruime schaal de hand gelicht. Het is overigens maar de vraag of het zo verstandig en gewenst is dat een predikant een huis koopt, en niet maar alleen om financiële redenen.

Zomer noemt de sociale component: de sociale contacten en activiteiten als ‘gewoon gemeentelid’. Daar ligt natuurlijk wel een probleem. Kan een predikant binnen de gemeente speciale vrienden hebben? Dat hangt ervan af hoe alle betrokkenen daarmee omgaan. Dat kan inderdaad gevoelig liggen. Maar in deze tijd van mobiliteit hoeft een predikant niet te vereenzamen wanneer hij binnen de gemeente geen vrienden heeft. Die kan hij ook elders zoeken. Moet een predikant lid worden van een ‘gemeentekring’? In mijn gemeente zijn er zulke kringen (huiskringen), maar ik heb nooit gemerkt dat er vanuit de kerkenraad of de gemeente enige druk werd uitgeoefend op de predikant om zich bij zo’n huiskring aan te sluiten. Als er gemeenten zijn waar dat wel gebeurt, zijn er goede redenen daaraan niet te voldoen. Een predikant is nu eenmaal nooit een ‘gewoon gemeentelid’. Predikant van je gemeente ben je zeven dagen per week en 24 uur per dag. (Wat uiteraard niet betekent dat hij al die tijd op afroep beschikbaar moet zijn.)

De predikant “heeft met zijn vrouw en kinderen, indien aanwezig, een voorbeeldfunctie, die hem overlevert aan de verwachtingen en denkpatronen van de gemeente.” Heeft de predikant een voorbeeldfunctie? Dat was ooit ongetwijfeld zo. Mijns inziens staat de predikant vrijwel nergens meer op een zodanig voetstuk dat hij overal zijn gezicht moet laten zien of overal het goede voorbeeld zou moeten geven. De meeste gemeenteleden zijn tegenwoordig realist genoeg om te beseffen dat een predikant ook maar een gewoon (zondig) mens is.

Zomer is van mening dat de geschetste nadelen te ondervangen zijn wanneer predikanten niet meer vast aan een gemeente verbonden zijn. Hij beroept zich daarbij op de apostel Paulus. “Van de apostel Paulus heb ik geleerd dat het voor een brenger van het goede nieuws een voorwaarde is dat hij vrij is. Paulus koos ervoor niet afhankelijk te zijn van de gemeente (1 Korintiërs 9). Hij verkondigt omdat hij niet anders kan, niet omdat hij ervoor betaald wordt. Hij doet het ook niet uit vrije wil; dan zou hij zijn hoorders afhankelijk maken van zijn grillen en grollen. De opdracht is hem toevertrouwd door Jezus zelf. Dat maakt dat hij zich volledig vrij voelt om zich aan te passen aan zijn gehoor (‘voor de Joden een Jood, voor de zwakken zwak’). Niet om dat gehoor naar de mond te praten, maar om hen te bereiken met het evangelie dat van Boven komt. Hij hoeft niet aan verwachtingen van mensen te voldoen, hij is niet van de gemeente, hij is van Jezus en wordt door Hem gestuurd.”

Dit beroep op Paulus lijkt me nogal problematisch. De predikant in onze dagen is Paulus niet. De apostel was uniek: door God hoogstpersoonlijk en direct – niet, zoals de predikanten van nu, via een gemeente – geroepen tot zijn taak. Die taak was ‘apostel van de heidenen’ te zijn. Het was niet zijn roeping aan één gemeente verbonden te zijn. Maar daarmee is niet gezegd dat zo’n verbintenis vreemd zou zijn aan de Schrift. Verschillende apostelen bleven zolang bij één bepaalde gemeente dat je zeker van een soort ‘vaste verbintenis’ kunt spreken. Wanneer Paulus naar Macedonië reist, laat hij Timotheus in Efeze achter. Als je kijkt naar de aanwijzingen die hij in 1 Timotheus geeft, is er alle reden Timotheus als ‘herder en leraar’ van die gemeente te beschouwen. Het boek Openbaringen bevat brieven aan een aantal gemeenten, die geadresseerd zijn aan de ‘engel’ van die gemeenten. Daarmee wordt naar algemene opvatting de voorganger bedoeld. Ook in dat geval hebben we dus wel degelijk te maken met een vaste verbintenis aan één specifieke gemeente.

Zomer pleit voor wat hij “een soort freelance predikant” noemt. Dat is dan iemand die met zijn specifieke kwaliteiten ingezet kan worden waar die nodig zijn, of dat nu op het gebied van de prediking, de catechisatie of het pastoraat is. Dat heeft ontegenzeglijk iets aantrekkelijks. Niemand kan overal even goed in zijn. Binnen een gemeente leven verschillende wensen als een predikant beroepen moet worden. Sommigen willen graag vooral goede en aansprekende preken. Jongeren stellen prijs op iemand die voor hen aanspreekbaar is, die open staat voor hun leefwereld. Ouderen hechten veel waarde aan pastorale zorg, zeker diegenen die niet meer regelmatig aan het gemeentelijke leven kunnen deelnemen. Het is voor een predikant onmogelijk aan alle wensen in gelijke mate te voldoen. Een specialist kan dan uitkomst bieden.

Maar daar staan niet geringe nadelen tegenover. Natuurlijk is het fijn wanneer de predikant op pastoraal gebied zijn mannetje staat en met bijvoorbeeld ouderen een goed geestelijk gesprek kan voeren. Maar zitten die ouderen op een ‘pastoraal specialist’ te wachten? Of willen ze toch vooral hun herder zien? Het is fijn voor jongeren wanneer een predikant oog en oor heeft voor hun leef- en denkwereld. Maar dan staat er iemand op de kansel die zij helemaal niet persoonlijk kennen. Zouden ze niet liever iemand op de preekstoel zien die in zijn preek ook nu en dan terugkomt op wat hij eerder – op catechisatie of in informele gesprekken – met hen heeft besproken?

Natuurlijk staat in de prediking de uitleg van de Schrift op de eerste plaats. Maar de boodschap van de Schrift moet ook worden toegepast. Ze moet concreet worden gemaakt, niet maar in algemene zin voor mensen van nu – want wie zijn dat precies? – maar voor een specifieke gemeente. Het kan nodig zijn een bepaald gedeelte van de bijbelse boodschap te belichten, omdat deze gemeente die boodschap nodig heeft. Wanneer er persoonlijke conflicten zijn, een gebrek aan aandacht voor elkaar, een gebrek aan openheid naar de samenleving of wanneer er sprake is van specifieke zonden, dan kan daaraan in de verkondiging niet voorbijgegaan worden. Daarbij komt het er op aan de juiste insteek te vinden en de juiste toon aan te slaan. Daarvoor moet de voorganger de gemeente kennen. Is dat niet het geval, dan kunnen er gemakkelijk ongelukken gebeuren. De predikant is een herder van zijn gemeente. Die term impliceert dat hij zorg aan zijn gemeente besteedt. Die zorg is zijn verantwoordelijkheid. Zonder een vaste verbintenis aan één bepaalde gemeente lossen beide in lucht op.

“Laat er landelijk of regionaal een maatschap van predikanten komen, waarin materiële zaken als inkomen, emeritaat, arbeidsomstandigheden en mobiliteit geborgd zijn. Ik daag de deskundigen op dat gebied uit hierover door te denken. Evenals over de geestelijke kant van opzicht en tucht over de predikant.” Ik laat de financiële en arbeidsrechtelijke kant van deze passage rusten; daar heb ik geen verstand van. Maar deze suggestie is in elk geval niet bruikbaar als het om opzicht en tucht gaat. Zonder vaste verbintenis lijkt me dit nogal problematisch. Alleen een kerkenraad is bevoegd tot het uitoefenen van de tucht. Dat betekent dat een predikant in actieve dienst toch op de één of andere manier aan een gemeente verbonden moet zijn. Maar dat opzicht wordt wel erg lastig wanneer het grootste deel van zijn werkzaamheden zich elders afspeelt.

Een model zoals Zomer dat in overweging geeft heeft positieve en negatieve kanten. Ik heb een aantal daarvan op een rijtje gezet. Maar het belangrijkste is nog niet genoemd. Dit model sluit in feite – ook al bedoelt Zomer dat ongetwijfeld niet zo – aan op de tegenwoordig dominante mentaliteit: we gaan met elkaar in zee voor zover en voor zolang het ons bevalt en iemand levert waaraan we behoefte hebben. Hij suggereert “een aanstelling als ‘hoofdprediker’ voor bijvoorbeeld twee jaar, die verlengd kan worden als het goed bevalt.” Is dat een criterium? Het wezen van een verbintenis tussen een predikant en een gemeente is vergelijkbaar met die tussen man en vrouw in het huwelijk: for better or for worse, in goede en slechte tijden. Het is een oefening in christelijk leven: genieten van elkaars gaven, geduld hebben met elkaars tekortkomingen.

In het economisch leven komt men er langzamerhand achter dat het werken met tijdelijke contracten en het inhuren van ZZP’ers wellicht niet zo’n goed idee is. Er is geen binding tussen werkgever en werknemer. Beide investeren niet in goede relaties, want die kunnen zomaar weer verbroken worden. Daar worden beide niet beter van. Daar zou de kerk van moeten leren. De problemen zijn reëel, maar dominee ZZP is geen panacee.

Advertenties
  1. Nog geen reacties
  1. No trackbacks yet.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: