Archief

Archive for juli, 2017

Afscheiden of doorploeteren?

Het komt niet vaak voor dat de bouw van een kerk de landelijke seculiere pers haalt. Als dat gebeurt, moet er wel iets aan de hand zijn. Dat was dan ook het geval in Yerseke, waar de Gereformeerde Gemeente een nieuwe kerk met 2000 zitplaatsen wil bouwen, in de publiciteit als ‘megakerk’ betiteld. Daarvoor gingen in het Zeeuwse dorp niet alle handen op elkaar. De bezwaren richtten zich vooral op de grootte van het gebouw, de plaats waar het moet komen te staan en de overlast, die ervan verwacht wordt. Dat zo’n kerk in seculier Nederland leidt tot irritatie en een oprisping van afkeer van geloof en kerk is te verwachten. Maar ook onder christenen klonken kritische geluiden. De locale fractie van de Christenunie stemde tegen het verlenen van een bouwvergunning. Op 12 juli j.l. reageerde Sjirk Kuijper, hoofdredacteur van het Nederlands Dagblad, in een commentaar onder de titel ‘Kerkelijk comfort’. Dat ging vooral over de ‘kwestie-Yerseke’, maar Kuijper betrok hier een andere kwestie bij.

De Doorbrekers, die zichzelf omschrijven als “een moderne kerk met een passie voor Jezus en voor mensen”, kondigden aan een vestiging te beginnen in Drechtsteden, het gebied rond Dordrecht. Dat riep bij bestaande kerken nogal wat kritiek op. Als men zo nodig mensen voor Jezus wil winnen, waarom vestigt men zich dan uitsluitend in gebieden waar de kerkdichtheid nogal groot is? Voorbeelden zijn Barneveld – midden in wat als biblebelt bekend staat – en Amersfoort.

Zijn commentaar kwam Kuijper op nogal wat kritiek te staan. Ik zag op Twitter allerlei kritische opmerkingen voorbij komen. Op Facebook schreef iemand zelfs dat hij nu zijn abonnement op het Nederlands Dagblad zou opzeggen. Dat is een nogal drastische stap als reactie op een commentaar. Kennelijk heeft Kuijper een gevoelige snaar geraakt waardoor nogal wat mensen vertoornd zijn geraakt. Is daar reden voor?

Om te beginnen: de bouw van een ‘megakerk’ door de Gereformeerde Gemeente van Yerseke is niet vergelijkbaar met de vestiging van een filiaal van de Doorbrekers in Drechtsteden. In het eerste geval is er sprake van een kerk die te klein geworden is. Kuijper wijst op het verschijnsel dat zich in de bevindelijke flank van christelijk Nederland manifesteert: gelovigen kruipen bij elkaar en als gevolg daarvan worden bestaande kerken te klein, terwijl elders kerken leeglopen en gemeenten worden opgeheven. Eén van de punten van kritiek was dat hij hier zijn pijlen wel erg eenzijdig op de Gereformeerde Gemeenten richt. Want het is de vraag of dat verschijnsel zich tot de bevindelijke kerken beperkt. Ook de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) kennen hun bolwerken. Dat zijn dan niet gemeenten als Bunschoten-Spakenburg, waar de gereformeerden traditioneel al sterk vertegenwoordigd waren. Eerder moet je dan denken aan steden als Amersfoort en Zwolle, die in de loop van een paar decennia zich sterk hebben uitgebreid, niet alleen burgerlijk, maar ook kerkelijk.

Burgerlijke en kerkelijke uitbreiding hebben overigens alles met elkaar te maken. Zaken als beschikbare huisvesting, bereikbaarheid en aard en omvang van werkgelegenheid hebben ongetwijfeld de kerkelijke groei gestimuleerd. Daarbij moet dan ook bedacht worden dat in lang niet elke gemeente vrije vestiging mogelijk is. In zijn commentaar noemt Kuijper ook de beschikbaarheid van een reformatorische basisschool als oorzaak van de ‘samenklontering’ van leden van de Gereformeerde Gemeenten. Maar dat is in vrijgemaakt-gereformeerde kring niet anders, al is daar waarschijnlijk vooral de aanwezigheid van voortgezet onderwijs doorslaggevend (geweest). Dat nogal wat mensen met opgroeiende kinderen zich in de nabijheid van zulk onderwijs vestig(d)en, heeft (had) zeker ook financiële en praktische redenen. Openbaar vervoer is in de loop van de tijd duurder geworden en in sommige gevallen nog slechts mondjesmaat beschikbaar. Het is overigens de vraag hoelang deze trek naar de centra zal aanhouden, gezien het feit dat gereformeerd onderwijs voor steeds meer ouders geen bijzonder hoge prioriteit meer heeft.

Uit deze observaties mag de conclusie getrokken worden dat in dit opzicht de kritiek op de concentratie van leden van de Gereformeerde Gemeenten niet helemaal eerlijk is.

Meer houdt snijdt de tweede oorzaak die Kuijper noemt: kerksplitsing of dubbele diensten zijn geen optie vanwege het tekort aan predikanten. “De hoge drempel voor het predikambt houdt de schaarste aan dominees in stand.” Dat is een terechte constatering, evenals zijn opmerking dat dit het gevolg is van de geloofsleer van de Gereformeerde Gemeenten (en van de bevindelijke kerken in het algemeen). Slechts zelden worden studenten tot de theologische opleiding toegelaten, en dat zijn dan vaak ook nog mannen op leeftijd. Ze moeten overtuigend kunnen aantonen dat ze bekeerd zijn en dat betekent dat ze een verhaal moeten kunnen vertellen hoe God in hun leven heeft ingegrepen. Dan wordt de spoeling dun.

Aan het eind van zijn commentaar gaat Kuijper nog in op het initiatief van de Doorbrekers. “[Daar] hebben bezoekers vaak veel kilometers achter de wielen als ze de theaterzaal betreden. Toch gaat Doorbrekers (gesticht door ex-leden van de Gereformeerde Gemeenten) juist daar zitten waar het al barst van de kerken en christenen: Barneveld, Amersfoort, Zwolle, Goes, en nu dus de Drechtsteden. De ervaring is dat zulke aansprekende megakerken vooral bekeerlingen trekken die de ‘traditionele’ kerk waarin ze opgroeiden voor Geesteloos of zelfs dood verklaard hebben.” Men spreekt in dit verband wel eens ironisch over het ‘rondpompen’ van gelovigen.

Het zal duidelijk zijn dat we hier met een verschijnsel te maken hebben dat niet zonder meer met de samenklontering in bevindelijke kring vergeleken kan worden. In het laatste geval is immers geen sprake van een achterliggende theologische motivatie: er ligt geen kerkelijk conflict aan ten grondslag. Dat is bij de Doorbrekers anders: die zien zich als een alternatief voor bestaande kerken waarover ze zich een algemeen negatief oordeel aanmatigen. Daarom mist de kritiek op hun vestigingsbeleid doel. Je zou in zekere zin kunnen zeggen dat hier wel sprake is van een kerkelijk conflict, zij het niet in organisatorische zin.

Kritiek op de Doorbrekers zal dan ook een theologische moeten zijn. Maar die blijft achterwege. Dat is overigens ten aanzien van de Gereformeerde Gemeenten ook het geval. Het blijft bij een constatering, waaraan verder geen oordeel wordt verbonden. Dat is natuurlijk ook lastig, wanneer een helder beoordelingscriterium ontbreekt. Dat heeft Kuijper nog eens expliciet verwoord in de rubriek ‘Van de redactie’ op 15 juli, waar hij – na eraan te hebben herinnerd dat de krant 25 jaar geleden de exclusieve binding aan de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) had opgegeven – schrijft: “Later is ook de exclusieve band met de gereformeerde belijdenissen losgeknoopt.” Goed beschouwd is dat wel ironisch: wat ongetwijfeld als stap naar een grotere mate van vrijheid werd (wordt) beschouwd, is in feite een handenbinder. Want elk ander beoordelingscriterium dan dat van de gereformeerde belijdenis – als samenvatting van de Schrift – is per definitie subjectief en dus vatbaar voor kritiek.

De slotzin van het commentaar vat de teneur van het betoog samen. “Afscheiden, iets nieuws en waars beginnen, veilig op één hoop gaan zitten: dat gaat Nederlandse christenen beter af dan trouw verder ploeteren met de dolende en kwijnende gemeenschap waarin God je geplaatst en geroepen heeft, en zijn werk met je begonnen is.”

Het gebruik van het woord “afscheiden” doet hier nogal vreemd aan. Want in de besproken kwesties gaat het helemaal niet over “afscheiden”. In de kwestie-Yerseke is, zoals ik al opmerkte, geen sprake van een theologisch conflict. En alhoewel de Doorbrekers zich als alternatief voor bestaande kerken presenteren, zijn ze geen “afscheiding” van zulke kerken. Hooguit kun je zeggen dat veel – de meeste? – van hun leden zich van de kerken waarvan ze lid waren, hebben afgescheiden. Maar wellicht zouden ze dat ook zonder de Doorbrekers wel gedaan hebben; er zijn immers genoeg kramen op de kerkelijke markt. Want dat ze zich van hun kerken hebben afgescheiden heeft ongetwijfeld een theologische achtergrond. Wanneer men zich in zijn denken van de kerk waarvan men lid is, verwijdert, is het niet zo vreemd dat men daarmee breekt. Had Kuijper met het gebruik van het woord “afscheiden” wellicht de ontwikkelingen binnen de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) in gedachten, na de besluiten over vrouw en ambt van de dit jaar gehouden Generale Synode?

De afsluitende alinea heeft een duidelijk gereformeerde trek, wanneer Kuijper spreekt over “trouw verder ploeteren met de dolende en kwijnende gemeenschap waarin God je geplaatst en geroepen heeft, en zijn werk met je begonnen is.” Het bloed kruipt kennelijk waar het niet gaan kan. Het is ongetwijfeld een Schriftuurlijke gedachte dat iedereen door God op een bepaalde plek geplaatst is en dat daar dus zijn of haar verantwoordelijkheid begint. Dat geldt voor het gezin even zo goed als voor de kerk. Maar daarmee is het verhaal niet afgelopen. Volgens de Nederlandse Geloofsbelijdenis dient elke kerk altijd gemeten te worden aan wat de Schrift over de kerk zegt; dat wordt in deze belijdenis in enkele artikelen samengevat. Daaruit volgt dat ieder kerklid altijd moet toetsen of de kerk waarvan hij door geboorte of door een beslissing van zijn ouders lid is, nog wel aan die maatstaven voldoet.

“Afscheiden, iets nieuws en waars beginnen” – de formulering en de context suggereren dat Kuijper dit negatief waardeert. De Nederlandse Geloofsbelijdenis doet dit niet. Sterker nog: ze spreekt zelfs uit dat afscheiding een plicht is wanneer de kerk niet meer de titel ‘kerk van Christus’ verdient. Zonder die confessionele basis wordt het dilemma “afscheiden of doorploeteren” een onontwarbare knoop.

Advertenties

Een kerk op dwaalwegen

Van 15 tot 17 juni j.l. heeft de Generale Synode van de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) (GKV) een aantal besluiten genomen die diepe sporen trekken binnen de kerkelijke gemeenschap. Besloten werd de ambten van diaken, ouderling en predikant open te stellen voor vrouwen. Terwijl het eerstgenoemde besluit vrijwel unaniem werd genomen, liet de stemverhouding ten aanzien van de twee andere zaken zien dat de kerken over deze kwesties diep verdeeld zijn. De reacties op de besluiten van voor- en tegenstanders bevestigden dat beeld. De komende maanden – en vooral na de zomervakantie, wanneer kerkenraden zich over de synodebesluiten zullen gaan buigen – zal menige discussie gevoerd worden, niet alleen binnen kerkenraden maar ook in de gemeenten. Volgens het Reformatorisch Dagblad hebben de GKV een wissel omgezet. Is dat een juiste analyse?

Ja en nee. Om met het laatste te beginnen, de besluiten van de Generale Synode passen in een proces dat al jaren gaande is. Stukje bij beetje hebben de GKV hun koers verlegd. De veranderingen zijn vrijwel altijd op lokaal niveau begonnen. Gemeenten en kerkenraden hebben zich een steeds grotere mate van vrijheid toegeëigend om hun koers te bepalen in zaken, waarover tevoren altijd op het niveau van meerdere vergaderingen, en speciaal dat van generale synoden, werd gediscussieerd en besloten. Die betreffen niet alleen ontwikkelingen op liturgisch gebied – die wellicht het meest in het oog springen – maar ook zaken als de contacten met andere kerken en samenwerking op het gebied van evangelisatie, de pastorale omgang met ongehuwd samenwonenden en homosexuele relaties en de toelating van gasten aan het avondmaal. Hoewel er duidelijke kerkverbandelijke afspraken bestaan dat in de regel ’s zondags twee kerkdiensten plaatsvinden, dat in de morgendienst de wet gelezen wordt, dat alleen kerkverbandelijk toegelaten liturgische formulieren gebruikt worden en dat gemeenten alleen diegenen als lid aanvaarden die op hun grondgebied wonen, gaan ook daarin gemeenten hun eigen gang. Die grotere plaatselijke eigenzinnigheid heeft de vorige Generale Synode in feite van een stempel van goedkeuring voorzien door de aanvaarding van een nieuwe kerkorde, waarin veel minder is vastgelegd. Eerder werd de grotere diversiteit al gestimuleerd door bijvoorbeeld af te zien van duidelijke regels met betrekking tot het liedrepertoire.

Het feit dat de hierboven geschetste ontwikkelingen geleidelijk plaatsvonden en zich vaak op plaatselijk niveau voltrokken, verklaart ook, zoals ik op dit weblog al eens heb gesignaleerd, dat een expliciete verantwoording van gewijzigde standpunten en handelwijzen meestal ontbreekt. Dat is vooral dan een ernstige omissie, wanneer het gaat om zaken waarover nog maar enkele decennia geleden ferme tegenovergestelde standpunten werden gehuldigd en uitgedragen.

In dat licht is het winst dat de Generale Synode nu duidelijke uitspraken heeft gedaan. Daarmee hebben de GKV een bepaalde positie gemarkeerd die je, met de commentator van het Reformatorisch Dagblad, als het omzetten van een wissel mag beschouwen. Want met deze besluiten is in ieder geval ten aanzien van de toelating van vrouwen tot de ambten vastgelegd wat nu als het standpunt van de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) mag gelden. Dat moet inderdaad zo geformuleerd worden, allerlei uitlatingen ten spijt die ten doel hebben de pil voor de tegenstanders wat te vergulden en hun vertrek uit de kerkelijke gemeenschap te voorkomen. In zijn interview met het Nederlands Dagblad trekt de preses van de GS, dr. M.H. Oosterhuis, een rookgordijn op.

Ten aanzien van de genomen besluiten over de toelating van de vrouw tot de ambten zegt hij: “We hebben heel lang geleefd bij de schijnzekerheid dat de Bijbel klip en klaar was over dit thema. De synode doet niets anders dan een stap terug zetten en erkennen dat het ingewikkelder ligt. Je mag elkaar niet binden aan iets waarover geen nadrukkelijke zekerheid bestaat. Je mag de ander niet binden aan jouw Bijbeluitleg.” Op deze weergave van wat zich heeft afgespeeld, valt wel wat aan te merken. Als de synode inderdaad van mening was de de bijbel geen helderheid over dit onderwerp geeft – wat op zichzelf ook een vorm van exegese is – had ze moeten uitspreken dat er meer tijd van studie en meningsvorming nodig was. Maar ze heeft duidelijk stelling genomen en dat is wat anders dan een stap terug zetten. Het is een stap vooruit, naar mijn overtuiging in de verkeerde richting.

En of de synode de kerken niet heeft gebonden aan een bepaalde uitleg van de bijbel is nog maar de vraag (*). Ze heeft uitgesproken “dat er Schriftuurlijke gronden zijn om naast mannen ook vrouwen te roepen tot de dienst in het opzicht, het pastoraat en het onderwijs en daardoor tot het ambt van ouderling” (Besluit 5) en “dat er Schriftuurlijke gronden zijn om naast mannen ook vrouwen te roepen tot de dienst van verkondiging en onderwijs en daarmee tot het ambt van predikant” (Besluit 6). Nee, daarmee legt de synode niet een bepaalde exegese van specifieke bijbelteksten aan de kerken op. Maar haar besluiten zijn wel gebaseerd op een bepaalde lezing van de Schrift en een bepaalde weging van Schriftgedeelten en specifieke teksten. Hoeveel vrijheid is er binnen de kerken dan nog om uit te dragen dat de besluiten van de synode in strijd zijn met de Schrift en berusten op een principieel onjuiste lezing daarvan?

De synode besloot ook “ruimte te geven aan de plaatselijke kerken om zelf te bepalen of en zo ja op welke wijze en wanneer ze in de lijn van deze besluiten willen handelen” (Besluit 7). Dit besluit schept onvoldoende duidelijkheid. Het gebruik van het woord of suggereert dat kerkenraden mogen besluiten geen vrouwen tot de ambten toe te laten – niet maar tijdelijk, maar voor altijd. Hebben ze ook de vrijheid daarvoor principiële gronden aan te voeren en uit te spreken dat de openstelling van de ambten van ouderling en predikant voor vrouwen in strijd is met de Schrift? Of worden ze dan – op grond van de synodebesluiten – tot de orde geroepen, bijvoorbeeld wanneer leden van de gemeente in beroep gaan tegen het beleid van hun kerkenraad?

Laten we aannemen dat kerkenraden inderdaad die vrijheid hebben. Het is de vraag of dat de vrede in de gemeente dient. De vrede in het kerkverband dient het in elk geval niet. Want een gemeente is geen eiland. Gemeenten zijn op allerlei manieren met elkaar verbonden, via attestaties, meerdere vergaderingen en kanselruil. Wat zijn de consequenties van de synodebesluiten voor het samenleven als kerkverband? Wie het spreken van de belijdenis over de kerk en de gemeenschap van de heiligen serieus neemt, kan zich uiteindelijk niet neerleggen bij allerlei ‘pragmatische’ oplossingen, die in andere kerkverbanden, zoals de PKN, worden gehanteerd. Het zou ook ongeloofwaardig zijn, gezien de kritiek op deze ‘oplossingen’ die in het nog niet zo verre verleden vanuit de GKV klonk. Ook hier lijkt een principiële verantwoording van een eventuele koerswijziging geen overbodige luxe.

Zo’n koerswijziging kan weinig anders inhouden dan de keuze voor het model van de plurale kerk. Dat betekent dat in de ene gemeente vanaf de kansel en in het pastoraat als Schriftuurlijk mag worden uitgedragen wat in een andere gemeente als in strijd met de Schrift wordt bestempeld. Het vereist nogal wat geestelijke rek- en strekoefeningen om dat in te passen in wat de gereformeerde belijdenissen over de kerk zeggen.

Gezien de hier geschetste ontwikkelingen is het begrijpelijk dat leden van de GKV zich afvragen: wat nu?

Voor een definitief antwoord op die vraag lijkt de tijd me nog niet rijp. Dat geldt in elk geval voor mij. Als lid van een GKV zit ik nog midden in het proces van overweging en overdenking. De komende maanden is het vakantietijd en gebeurt er weinig op kerkelijk terrein. Dat geeft gelegenheid in alle rust de ontwikkelingen te overwegen. Pas na de vakantie zullen kerkenraden met de genomen besluiten aan de slag gaan en zullen ze wellicht daarover met de gemeente in gesprek gaan. Ik zet hieronder een paar elementen op een rijtje die in elk geval in mijn overwegingen een rol spelen.

Het is begrijpelijk dat de synodebesluiten over de ambten nu alle aandacht krijgen, want daarover heeft de Generale Synode uitspraken gedaan die nu als de officiële standpunten van de Gereformeerde Kerken mogen worden beschouwd. Maar er is meer aan de hand. Zoals hierboven al geschetst, maken deze besluiten deel uit van een proces. Het is dus nodig ze in een breder kader aan de orde te stellen. In dit verband wil ik wijzen op de besluiten die genomen zijn ten aanzien van de contacten met andere kerken. Er wordt nu gestreefd naar een fusie met de Nederlandse Gereformeerde Kerken (NGK). Door een minderheid van de Deputaten Kerkelijke Eenheid is er terecht op gewezen dat de binding van ambtsdragers aan de belijdenis binnen de NGK de nodige vragen oproept. Ik voeg daaraan toe dat een fusie tussen GKV en NGK de ontwikkelingen waarover GKV’ers zich zorgen maken en waarvan ik er aan het begin van dit stuk een aantal heb opgesomd, niet zal afremmen maar eerder versnellen. Ik herinner ook aan de plannen om de contacten met de PKN te intensiveren (zie daarover mijn blog ‘Kerkelijke eenheid – kiezen of delen’).

Formeel is de enige manier om de genomen besluiten van tafel te krijgen een verzoek om revisie bij de eerstvolgende Generale Synode. Die weg moet inderdaad gevolgd worden, maar het is de vraag of die enig soelaas biedt. Een revisieverzoek heeft geen opschortende werking, dus de hiervoor geschetste problemen worden daarmee niet opgelost. Bovendien moeten er nieuwe argumenten aangedragen worden, maar veel argumenten voor en tegen zijn al onderwerp van discussie geweest, ook ter synode. Verschillende scribenten hebben er op gewezen dat achter de meningsverschillen over de toelating van de vrouw tot de ambten een hermeneutisch verschil van mening zit. Volgens hen is er geen eenstemmigheid over de vraag hoe de bijbel gelezen moet worden en welke rol onze cultuur in de exegese moet of mag spelen. Het lijkt me daarom van groot belang vooral dat onderwerp op de eerstkomende synode aan de orde te stellen. Daar moet dan de vraag aan gekoppeld worden op welke manier de Schrift normatief is op ethisch terrein. Want ook op dat vlak zijn verschuivingen waarneembaar.

Juist omdat de besluiten betreffende de ambten in een breder verband staan, moeten ze niet als een soort sjibbolet gaan fungeren. Of je er voor of tegen bent, is niet een soort lakmoesproef om te bepalen of iemand wel of niet ‘Schriftgetrouw’, ‘confessioneel betrouwbaar’ of ‘goed gereformeerd’ is. Er zijn nogal wat kerkleden die bezwaren hebben tegen een aantal ontwikkelingen in de GKV, maar over dit onderwerp (nog) geen afgeronde eigen visie hebben. Er zijn er ook die de toelating van de vrouw tot het ambt positief waarderen, maar problemen hebben met de daarvoor aangevoerde gronden en daarin bedenkelijke tendenzen waarnemen. Kortom, er is alle reden de communicatie gaande te houden.

Dat brengt me bij een belangrijk element in de overwegingen over wat ‘bezwaarde’ leden van de GKV te doen staat. We zijn als leden van de kerk voor elkaar verantwoordelijk. Die verantwoordelijkheid betreft in de eerste plaats onze eigen gemeente. Maar ze beperkt zich daar niet toe. Als kerken zijn we niet alleen formeel met elkaar verbonden, maar in de eerste plaats geestelijk. Kerken hebben zich vrijwillig tot een kerkverband aaneengesloten, omdat ze op hetzelfde geestelijke fundament staan. Dat komt bijvoorbeeld tot uiting in de drie formulieren van eenheid – die uitdrukking is veelzeggend. Van die verantwoordelijkheid mogen we ons niet gemakkelijk afmaken, bijvoorbeeld door nu direct maar de uitgang van de kerk op te zoeken.

Maar verantwoordelijkheid heeft ook een andere kant, die je misschien voor de duidelijkheid aansprakelijkheid zou kunnen noemen. Gereformeerde kerken zijn niet van bovenaf, maar van onderop georganiseerd. Leden van gemeenten hebben daarmee de mogelijkheid de leer en de manier waarop de Schrift in prediking en pastoraat gehanteerd wordt, langs de kerkelijke weg aan de orde te stellen. De logische consequentie is dat ze daarmee ook aangesproken kunnen worden op wat de kerk leert en welke besluiten kerkelijke vergaderingen nemen. En daar wringt de schoen. Want als kerklid moet ik me de vraag stellen of, en zo ja, hoe lang en op welke punten ik op de kerkelijke leer en praktijk aangesproken wil worden. Beslissend is daarbij niet, of ik er zelf gelukkig mee ben, maar of ze in het licht van de Schrift en de belijdenis te verantwoorden zijn. Er kan een moment komen dat de last van die aansprakelijkheid te zwaar wordt.

De spanning tussen verantwoordelijkheid en aansprakelijkheid zal vooral gevoeld worden door diegenen die vanwege hun ambt – predikant of ouderling – geroepen zijn geestelijk leiding te geven aan de gemeente. Maar ook wie geen ambt bekleedt, zal die spanning ervaren. Bovendien: de eerste verantwoordelijkheid van iedere gelovige is die voor zijn eigen geestelijk welbevinden. Dat kan ernstig geschaad worden wanneer men te lang meeloopt met een kerkelijke gemeenschap die zich op dwaalwegen begeeft.

(*) De besluiten van de GS betreffende “m/v en ambt” zijn hier te downloaden.