Archief

Posts Tagged ‘ambt’

Het ambt als knellende band

Eén van de kenmerken van kerken uit de Reformatie is het ambt. Daarin onderscheiden ze zich van ‘vrije’ groepen, zoals die met name in de evangelische beweging te vinden zijn. Het belang dat ze aan het ambt hechten, delen ze met de rooms-katholieke kerk. Het conflict met Rome zat niet in het ambt als zodanig, maar betrof de status die eraan werd toegekend en de hiërarchische ambtelijke structuur van de kerk.

Het ambt staat de laatste tijd nogal ter discussie. Terwijl in de evangelische beweging vaak conflicten optreden rond voorgangers, die zichzelf als zodanig hebben opgeworpen, omdat ze een ‘bediening’ zouden hebben, lijken de kerken van de Reformatie daarvan gevrijwaard te zijn, juist dankzij de ambtelijke structuur. Maar de schandalen in de rooms-katholieke kerk hebben ons er met de neus op gedrukt dat het ambt geen garantie is tegen machtsmisbruik. Wellicht zijn de gevallen van seksueel misbruik in die kerk gerelateerd aan het celibaat, maar het lijdt geen twijfel dat veel misbruik kon plaatsvinden en naderhand werd toegedekt door de status die met het ambt verbonden was.

Misbruik van het ambt bedreigt ook reformatorische kerken. Vooral in bevindelijke kerkgenootschappen hebben ambtsdragers vaak een bijzondere status. Dat brengt grote risico’s mee en het is dan ook niet verwonderlijk dat sommigen bezwijken voor de verleiding over een gemeente te gaan heersen. In dat opzicht lijken die kerken soms wel erg op de door hen zo verfoeide rooms-katholieke kerk.

Over deze aspecten zal ik het nu verder niet hebben. Ik laat hier ook buiten beschouwing dat binnen kerken van de Reformatie een stevige discussie woedt over de vraag of alleen mannen voor de ambten in aanmerking komen of dat deze ook voor vrouwen open staan. Ik heb daarover al diverse malen geschreven en kom daar binnenkort ongetwijfeld op terug. Het gaat mij hier nu om iets anders, dat evenzeer de aandacht verdient.

Het heeft er alle schijn van dat wat door de eeuwen heen als één van de zegeningen van reformatorische kerken is beschouwd, steeds meer als een last wordt ervaren. Die last is tweeërlei, zoals naar voren komt uit enkele recent verschenen artikelen in het Nederlands Dagblad.

In de editie van 26 oktober 2018 vinden we een interview met Daniel Kehanpour en Pieter Jan Kruizinga, twee HBO-studenten die onderzoek hebben gedaan naar het functioneren van jonge predikanten of kerkelijk werkers in de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) (GKV) en de Christelijke Gereformeerde Kerken (CGK). Het blijkt dat een aantal van de door hen geïnterviewden het ambt als een keurslijf ervaren. Ze worstelen met twijfels en zijn niet altijd overtuigd van alle onderdelen van de geloofsleer. Dat levert veel spanning op, omdat van hen wordt verwacht – in overeenstemming met hun handtekening onder het ondertekeningsformulier – dat ze die leer zullen uitdragen en verdedigen en alles zullen weerleggen, wat die leer weerspreekt. Om die reden is het ook problematisch twijfels bespreekbaar te maken.

De geïnterviewden worden aangeduid als millennials. Daarmee worden mensen bedoeld die tussen 1980 en 2000 zijn geboren. De studenten hebben hun onderzoek tot deze leeftijdsgroep beperkt. Maar de problematiek speelt breder. Enkele jaren geleden deed een predikant van een eerdere generatie al enig stof opwaaien door openlijk te spreken over zijn twijfels en de manier waarop hij daarmee omging.

Nog op een andere manier uit zich de spanning van het ambt. Dat komt tot naar voren in een interview met ds. Gert Zomer in het ND van 29 september 2018. Hij is verbonden aan de GKV van Houten, maar heeft zich – mede om gezondheidsredenen – elders gevestigd; zijn verbintenis met zijn kerk loopt binnenkort af. De titel van het stuk is veelzeggend: “Niet langer gevangen in de kerk”. Ook hij heeft het ambt in toenemende mate als knellend ervaren. “Paulus schrijft dat hij vrij is om te dienen. Ik heb ervaren dat dat belangrijk is: niet gebonden zijn. Terwijl je als predikant met handen en voeten gebonden bent aan de kerk: voor je geld, voor je huis – meestal woon je in een pastorie – en voor je sociale contacten, ben je op je gemeente aangewezen. Bijbelstudie, je kring, alles speelt zich af binnen de gemeente die je dient.”

Niettemin komt uit het interview naar voren dat ook hij twijfels heeft over onderdelen van de geloofsleer en daardoor is zijn geval toch weer gerelateerd aan de uitkomst van het zojuist genoemde onderzoek. Op de vraag wat het probleem is van deelname aan bijbelstudie met gemeenteleden zegt hij: “Als er een lastige vraag op tafel komt, draaien alle hoofden naar de dominee. Die heeft toch de antwoorden? Terwijl een kring daar niet voor bedoeld is. Dat is de plek waar je met elkaar zoekt en worstelt. Ik heb weleens mijn twijfels geuit op een kringavond. Ik zei dat ik niet zo zeker ben van de Dordtse Leerregels, op het punt van Gods ‘besluit tot verwerping’. In die belijdenis staat dat een mens komt tot geloof op grond van Gods verkiezing. Dat betekent dat God besloten heeft om een aantal mensen dat geloof niet te geven. Bij dat zogeheten ‘besluit tot verwerping’ heb ik mijn twijfels gedeeld. Achteraf hoorde ik dat mensen dat niet waardeerden. Er wordt als dominee van je verwacht dat je ‘gewoon meedoet’, maar je voelt constant aan: ik ben niet een van jullie.”

Nu is het gemakkelijk de staf te breken over de hier aangehaalde uitingen van twijfels en spanning. Maar laten we wat voorzichtig zijn en allereerst erkennen dat de positie van ambtsdragers – en dan met name voorgangers – niet eenvoudig is. Iedere gelovige kan met twijfels te maken krijgen. We komen in de bijbel al twijfelaars tegen. Het kunnen heel fundamentele twijfels zijn, zoals aan het bestaan van God, zijn schepping en onderhouding van de wereld of de realiteit van een hemel en een hel. Het kan ook gaan om bepaalde stukken van de geloofsleer, zoals die in de belijdenisgeschriften zijn vastgelegd. En dan zijn er nog allerlei ethische standpunten, die worden beargumenteerd vanuit de Schrift of de belijdenis, maar die aan sterke verandering onderhevig zijn, deels door maatschappelijke ontwikkelingen, maar soms ook door persoonlijke ervaringen.

Als het goed is kan een gemeentelid met vragen en twijfels bij broeders en zusters in de gemeente terecht. En hij kan ook een beroep doen op de ambtsdragers, zijn wijkouderling en zijn predikant. Tenslotte is zielszorg een kerntaak van ambtsdragers, zoals uit de bevestigingsformulieren naar voren komt. Maar waar kan een predikant – om ons tot hem te beperken – zelf terecht? Dat is nogal problematisch. Want het uiten van twijfels aan elementen van de leer of bepaalde ethische overtuigingen heeft overmijdelijk gevolgen voor het ambtelijk functioneren. Hoe kun je mensen die aan je zorgen zijn toevertrouwd, houden bij de leer van de Schrift, wanneer je daarover zelf ernstige twijfels hebt? Een predikant zal er in het algemeen voor kiezen, zijn twijfels binnenboord te houden. “Als ik echt heel eerlijk zou zijn, zou het losbarsten in de gemeente”, hoorden de studenten van geïnterviewden. Maar dat zal een groeiende spanning veroorzaken, die het ambtelijk functioneren steeds moeilijker zal maken.

Hoe kom je daar uit? Twee radicale oplossingen dienen zich aan. De eerste is dat de ambtsdrager zijn ambt neerlegt. Voor een ouderling is dat niet al te ingrijpend; het hoeft zijn functioneren in de gemeente niet negatief te beïnvloeden. Voor een predikant ligt dat uiteraard anders. Zoals Zomer in het interview al opmerkt, een predikant is met handen en voeten aan een gemeente gebonden en dat perkt zijn vrijheid in. Het neerleggen van het ambt heeft vèrgaande consequenties, ook op het persoonlijke en financiële vlak. In dat geval zal de predikant naar een andere werkkring moeten omzien.

De tweede oplossing gaat in een andere richting. Dat is het loslaten van de verwachtingen die met het ambt verbonden zijn. Een predikant hoeft dan niet langer een schriftelijk vastgelegde geloofsleer te verdedigen en kan frank en vrij zijn twijfels – ook als die van fundamentele aard zijn – met zijn gemeente delen. Dat kan ertoe leiden dat de kerk predikanten krijgt die over bijbelse geschiedenissen, inclusief de heilsfeiten, zeggen dat ze wel waar, maar niet echt gebeurd zijn of dat Jezus nooit bestaan heeft. Dat is de praktijk in de PKN.

Dat laatste is uiteraard geen optie voor die kerken uit de Reformatie die belang hechten aan de feitelijke waarheid en het gezag van de Schrift en die de belijdenissen beschouwen als een samenvatting van de leer van de apostelen en profeten. Het neerleggen van het ambt kan dan de uiterste consequentie zijn, wanneer een predikant niet meer in staat is met overtuiging de leer van de kerk uit te dragen. Maar je zou wensen dat er een structuur zou worden ontwikkeld, waarin het predikanten mogelijk gemaakt wordt in een beschermde omgeving zielszorg te ontvangen. Want ook predikanten hebben pastorale zorg nodig en we moeten zo eerlijk zijn te erkennen dat die in de eigen gemeente meestal niet geboden kan worden. Dat geldt zeker bij twijfels aan (onderdelen van) de leer van de Schrift.

Voorwaarde is natuurlijk wel dat dat men z’n twijfels als problematisch ervaart. Het valt niet uit te sluiten dat juist deze ervaring aan slijtage onderhevig is. Twijfel kan iedereen overvallen, ook predikanten. Maar wanneer men daarvoor ruimte vraagt, verwacht of zelfs opeist, of wanneer men die twijfels gaat koesteren, hebben we als kerken een levensgroot probleem. Het hoeft ons overigens niet te verwonderen. Want we leven in een tijd van individualisme, waarin de idee van een algemeen aanvaarde en onbetwijfelde waarheid niet op veel applaus mag rekenen. Het is geen wonder dat ambtsdragers zoiets als een ondertekeningsformulier als een knellende band ervaren.

Dat blijkt ook uit de artikelen waarnaar ik verwees. De millennials laten hun eigen overtuigingen zwaar wegen. Eén van de conclusies van de twee studenten is dat ze “eroverheen zijn dat de orthodoxe kern van hun geloof een voorwaarde is voor hun werk. (…) De gesprekken waren vooral realistisch. We spraken echt geen Klaas Hendrikse-achtige personen, die het bestaan van God ontkennen. Maar er zitten gradaties in wat iemand wel of niet gelooft. Dat is voor een nieuwe generatie ook minder een probleem, zoals deze generatie haar geloof ook niet tegenover de wetenschap zet. De houding is eerder: ik weet het niet precies, en daar heb ik vrede mee.” Maar in feite komt uit het interview met Zomer hetzelfde naar voren. “Ik ben iemand die graag buiten de lijntjes kleurt, die zich afvraagt hoe we loskomen van vastgeroeste gedachtegangen.” Dat laatste kan natuurlijk heel gezond zijn: Jezus zelf geeft, bijvoorbeeld in de bergrede, daarvan een welsprekend voorbeeld. Maar wanneer een predikant daartoe ook rekent dat hij kanttekeningen bij onderdelen van de geloofsleer mag plaatsen, wordt het een ander verhaal.

Buiten de lijntjes kleuren is niet per definitie een goede eigenschap. Het kan ook betekenen dat men voor zichzelf een vrijheid claimt die pastoraal niet verantwoord is. Zomer suggereert dan dat predikanten wellicht in algemene dienst kunnen werken, zonder aan een gemeente verbonden te zijn. Of de voorbeelden die hij noemt, hout snijden, weet ik niet, want ik ken de regelingen niet die in die gevallen getroffen zijn. De regel is dat predikanten, ook wanneer ze niet in een bepaalde gemeente werken maar bijvoorbeeld in de gevangenis of in een verpleeghuis, toch aan een gemeente verbonden zijn en daarmee onderworpen aan opzicht en tucht van een kerkenraad. Dat moet ook zo blijven.

De ambtelijke structuur van reformatorische kerken is altijd beschouwd als een bescherming tegen theologische vrijbuiterij, waarbij elke predikant de vrijheid heeft ideeën en ideetjes, rijp en groen, op de gemeente los te laten. Juist uit pastorale overwegingen wordt de vrijheid van ambtsdragers ingeperkt. Onbeperkte vrijheid leidt er uiteindelijk toe dat de gemeente verward en verweesd achterblijft.

In een kerk die zich wil binden aan de gezonde leer van de Schrift, is er geen ruimte voor vrije vogels. De voorgangers die het ambt als een knellende band ervaren, zullen eerst met zichzelf in het reine moeten komen. Ze moeten voor ogen houden dat het om de kudde gaat die aan hun zorg is toevertrouwd. Haar welbevinden weegt zwaarder dan de vraag of zij hun ei wel kwijt kunnen.

Advertenties

In gemeenschap met de kerk van alle tijden en plaatsen

Er zijn nogal wat bijbels in omloop. Naast de bekende vertalingen, zoals de Nieuwe Bijbelvertaling en de Herziene Statenvertaling, zijn er ook allerlei zogenaamde ‘doelgroepenbijbels’: een bijbel in gewone taal, een vrouwenbijbel, een mannenbijbel, een startbijbel, een meidenbijbel. Het lijkt wel alsof iedereen z’n eigen bijbel heeft.

Maar zelfs al leest iedereen dezelfde bijbel(vertaling), je zou bijna de indruk krijgen dat ze allemaal een andere bijbel lezen. Er zijn nogal wat Schriftgedeelten en bijbelteksten die op heel verschillende manieren worden uitgelegd. Dat gebeurt door theologen, maar ook door ‘gewone’ bijbellezers. Want lezen en uitleggen zijn geen strikt gescheiden processen: iedereen is tijdens het lezen al bezig dat wat hij leest te interpreteren. Maar hoe doe je dat? Waarom legt de ene lezer een tekst heel anders uit dan de andere? Er zijn teksten die – althans voor de lezer van nu – niet zo duidelijk zijn dat er slechts één interpretatie mogelijk is. Niet altijd hoeven interpretaties elkaar uit te sluiten. Maar het komt ook voor dat twee interpretaties echt diametraal tegenover elkaar staan. Dat kan soms belangrijke consequenties hebben, bijvoorbeeld op het vlak van de ethiek of voor de organisatie van het kerkelijk leven.

Dat laatste is bijvoorbeeld het geval bij de uitleg van teksten over de plaats van de vrouw in de kerk. De discussies in de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) over de vraag of de ambten van predikant, ouderling en diaken voor vrouwen opengesteld moeten worden, hebben geleid tot onzekerheid en onenigheid over de manier waarop de bijbel gelezen wordt of moet worden. Eeuwenlang is de uitsluiting van vrouwen uit deze ambten met een beroep op de Schrift verdedigd. Nu levert diezelfde Schrift, als je de voorstanders moet geloven, de argumenten voor de openstelling van deze ambten voor vrouwen. Ook in het huidige debat over deze kwestie worden diametraal tegenovergestelde visies met een beroep op één en dezelfde bijbel verdedigd. Kunnen we uit de bijbel dan nog wel richtlijnen voor ons handelen vandaag afleiden? Of hangt het er maar helemaal vanaf wie die bijbel leest en met welke bril?

Voorstanders van de openstelling van de ambten voor vrouwen leggen er vaak de nadruk op dat je in de interpretatie van de bijbel altijd je eigen cultuur meeneemt. Dat in vroeger tijden de ambten werden gereserveerd voor mannen, is het gevolg van de maatschappelijke context, waarin mannen de dienst uitmaakten. Maat als de cultuur waarin je leeft zo’n invloed heeft op de manier waarop je de bijbel leest, geldt dit uiteraard ook voor de voorstanders. Ook zij staan onder invloed van onze maatschappelijke context, waarin alle functies in principe open staan voor mannen en vrouwen. Dat wordt door hen ook niet ontkend. Sommigen zien dat als onvermijdelijk, maar er zijn er ook, die dat zelfs positief waarderen. Net zoals – in hun visie – de apostel Paulus, op wie tegenstanders zich vaak beroepen, zich door de maatschappelijke opvattingen liet leiden, zo moeten ook wij dat doen. Het was volgens hen Paulus’ streven niet onnodig aanstoot te geven en dus moest de gemeente zich zo veel mogelijk aan de toen geldende normen aanpassen. Daarin moeten wij hem navolgen en dat leidt dan in het onderhavige geval tot conclusies die haaks staan op de door de apostel geformuleerde voorschriften.

Ik ga in dit kader op deze denklijn niet verder in. Wat mij hier vooral zal bezighouden, is de vraag hoe we ons in onze interpretatie van de Schrift verhouden tot de cultuur waarin we leven.

Dat die cultuur invloed heeft op ons denken en voelen staat buiten kijf. Zeker gereformeerden zijn vatbaar voor invloeden uit de cultuur. Dat heeft alles te maken met de traditie waarin ze zijn opgegroeid. Die is in hoge mate gevormd door Abraham Kuyper. Zijn houding tegenover de cultuur wordt vaak samengevat met zijn kernachtige spreuk: “Geen duimbreed is er op deze wereld waarvan Christus niet zegt: Het is Mijn!” Het heeft geresulteerd in allerlei vormen van politieke en maatschappelijke actie. Het heeft de gereformeerden de reputatie van activisme opgeleverd, tot op de dag vandaag. Maar als je de cultuur wilt beïnvloeden, stel je je tegelijk bloot aan de invloed van die cultuur. En in de loop van de tijd zijn de getalsverhoudingen sterk gewijzigd. Terwijl het in de eerste helft van de 20e eeuw nog mogelijk was een stempel op de samenleving te drukken, is dat tegenwoordig veel minder het geval. Het christendom is in veel opzichten marginaal geworden en de seculiere cultuur breidt zich als een olievlek uit. De tot die cultuur behorende opvattingen, bijvoorbeeld op ethisch vlak, zijn steeds dominanter geworden en lijken door een overgrote meerderheid van de bevolking omarmd te worden. Dat laat christenen niet onberoerd. Het wordt steeds lastiger zich aan de in de maatschappij geldende normen te onttrekken en vast te houden aan opvattingen, die door de samenleving in meerderheid als achterhaald of zelfs als discriminerend worden beschouwd.

In hoeverre beïnvloedt dit de manier waarop christenen de bijbel lezen? Gaan ze die lezen met de bril, die hun door de samenleving wordt aangereikt?

Een antwoord is niet zo eenvoudig. Want in de huidige discussies over ‘vrouw en ambt’ blijkt dat mensen, die onderdeel zijn van dezelfde samenleving, ten aanzien van dit onderwerp tot heel verschillende conclusies komen, ook in de interpretaties van de bijbelteksten, die voor dit onderwerp van belang zijn. Dat maakt al duidelijk dat de relatie tussen de cultuur en de uitleg van de Schrift niet zo eenduidig is als soms wordt gesuggereerd.

Nu zou men kunnen tegenwerpen dat het nog maar de vraag is of alle deelnemers aan de discussies zich in dezelfde maatschappelijke context bevinden en dezelfde cultuur inademen. Er is alle reden voor enige reserve bij het spreken over de cultuur. Er is geen sprake van een eensgezind, monolithisch blok; ook op ethisch vlak staan de neuzen echt niet allemaal één kant op. We leven in een multiculturele samenleving. Dat begrip wordt meestal in verband gebracht met de immigratie van mensen uit andere delen van de wereld, die hun eigen cultuur meebrengen. Maar ook als zij er niet waren en Nederland slechts door ‘autochtonen’ werd bevolkt, zou de samenleving multicultureel zijn. Er wordt tegenwoordig terecht gewezen op de groeiende tegenstellingen tussen groepen in de samenleving, die – zo wordt gevreesd – weleens zouden kunnen uitgroeien tot bijna onoverbrugbare kloven. Daarbij wordt dan gedacht aan tegenstellingen tussen hoger- en lager-opgeleiden, ouderen en jongeren, stad en platteland en tussen kosmopolieten en meer naar binnen gekeerden, die alles vooral vanuit nationaal of regionaal perspectief bekijken. Met die verschillende groepen worden ook verschillende opvattingen over maatschappelijke en ethische kwesties verbonden.

Zou men van daaruit de verschillen van opvatting tussen voor- en tegenstanders van de openstelling van de ambten voor vrouwen kunnen verklaren? Ik denk van niet. Want de relatie tussen de ‘groep’ waartoe mensen behoren en de opvattingen die ze koesteren, is niet simpel een kwestie van één op één. Voor- en tegenstanders van een zwarte Piet – om een sprekend voorbeeld van maatschappelijke discussie te noemen – vind je zowel in de stad als op het platteland en zowel onder ouderen als jongeren. Hetzelfde geldt voor de kerkelijke discussie over ‘vrouw en ambt’. Ook hier lopen de tegenstellingen door alle gesignaleerde ‘groepen’ heen. Voor- en tegenstanders van de openstelling van de ambten voor de vrouw zijn er onder hoger- en lageropgeleiden, in de stad en op het platteland en onder ouderen en jongeren. Vanuit dat perspectief is er alle reden de invloed van de samenleving en haar normen op de discussie over ‘vrouw en ambt’ te relativeren. Er kan weinig twijfel over bestaan dat de samenleving ons op allerlei manieren beïnvloedt. Maar de manier waarop en de mate waarin dat gebeurt, kunnen sterk verschillen. In ieder geval is het vrijwel onmogelijk te bewijzen dat de in de samenleving dominerende opvattingen onze lezing van de Schrift en de exegese van Schriftgedeelten doorslaggevend beïnvloeden.

Dat betekent niet dat we de invloed van de samenleving moeten negeren in onze kerkelijke discussies. We kunnen ons niet isoleren van de maatschappij waarin we leven en de cultuur die we inademen. Het heeft dus ook geen zin krampachtig te proberen de invloed daarvan uit te schakelen. Eén van de eigenschappen van de kerk – en daarin is ze in toenemende mate uniek – is dat haar leden deel uitmaken van allerlei verschillende (sub)culturen en de invloeden daarvan meebrengen. Dat is niet haar zwakte, maar juist haar kracht. In de kerk kunnen mensen van alle rangen en standen op voet van gelijkheid met elkaar van gedachten wisselen en hun uitleg van de Schrift aan elkaar voorleggen. Daarbij mogen ze elkaar bevragen op hun vooroordelen en de culturele invloeden die hun interpretaties zouden kunnen beïnvloeden. De christelijke gemeente anno 2018 kan een voorbeeld nemen aan de Joodse gelovigen in Berea die de Schriften bestudeerden “om te zien of het inderdaad waar was wat er werd gezegd” (Hand. 17,11).

Maar er is meer. We belijden ons geloof in gemeenschap met de kerk van alle tijden. De kerkgeschiedenis begint niet met ons: we staan op de schouders van ons voorgeslacht, dat zich ook dagelijks met de Schrift heeft beziggehouden. Het heeft ons op allerlei manieren de resultaten van die dagelijkse omgang met de Schrift nagelaten. Zichtbare tekenen daarvan zijn de belijdenisgeschriften. Die worden, ook in gereformeerde kring, in toenemende mate als irrelevant beschouwd, omdat ze uit een andere tijd en cultuur dateren. Maar dat spreekt niet tegen hen; het spreekt juist in hun voordeel. Omdat ze in een heel andere tijd en een heel andere cultuur zijn ontstaan, kunnen die ons ervoor behoeden ons te laten inpakken door de hedendaagse samenleving, die ons probeert wijs te maken dat de Schrift en de daaruit voortvloeiende christelijke ethiek ‘niet meer van deze tijd’ zijn. Laten we daarbij ook niet vergeten dat die belijdenissen geen nieuws brachten en inzichten formuleerden, die er nooit eerder geweest waren. Ze zijn het product van een beweging, die geen revolutie predikte, maar een reformatie wilde zijn: terug naar de bron. Zo staan de belijdenissen op hun beurt in een traditie van eeuwen, die uiteindelijk teruggaat op de kerk van het Nieuwe Testament.

We belijden ons geloof ook in gemeenschap met de kerk van alle plaatsen. De kerk in Nederland is geen oase in een wereld die ‘woest en ledig’ is. Je bent als kerk gezegend, wanneer je over de hele wereld gelovigen tegenkomt, die in dezelfde traditie willen staan en die de Schrift lezen in hun – soms heel afwijkende – culturele context. Juist de internationale gemeenschap van gelovigen kan de kerk in Nederland anno 2018 helpen bij de les te blijven en zich bewust te worden van invloeden van de eigen culturele context. Buitenlandse christenen hebben vaak een scherp oog voor de manier waarop het moderne levensgevoel van westerse culturen de lezing van de Schrift beïnvloedt.

Een kerk die op het punt staat met een traditie van vele eeuwen te breken, moet niet de gemeenschap met de kerk van alle tijden en plaatsen uit het oog verliezen. Ze doet er goed aan zich door die kerk kritisch te laten bevragen. Dat is haar oecumenische taak.

In ons kloffie naar de Koning

Op 9 mei j.l. stond er op de site van het Christelijk Informatie Platform een artikel van Tim van Dijl. Hij is verbonden aan de Stichting De Hoop in Dordrecht en via presentaties van het werk van deze stichting preekt hij in allerlei evangelische gemeenten. In het artikel vertelt hij dat hij na afloop van een dienst werd aangesproken door een dame van 92 jaar. “Op vriendelijke toon vroeg ze mij: ‘Beste jongeman, zou je die kleren ook aandoen als je bij de koningin op visite ging?’. Ik had een casual spijkerbroek aan met daarboven een gekleurd overhemd. Naar mijn mening prima kleding om in te preken. Deze keurige oude dame vond het blijkbaar niet netjes genoeg. Wat moest ik haar antwoorden?”

Van Dijl trad op als voorganger en werd ook als zodanig aangesproken. Je zou kunnen zeggen dat het punt van discussie was welke kleding een ambtsdrager in een kerkdienst zou moeten dragen. Maar terwijl in reformatorische kerken het ambt een belangrijk onderwerp is, speelt dat in evangelische kringen nauwelijks een rol. Iedereen die zich geroepen voelt kan het spreekgestoelte bestijgen en zich de mantel van voorganger omhangen. Dat is reden het onderwerp wat breder te bezien en de kleding van kerkgangers anno nu aan een nadere beschouwing te onderwerpen. Ook in de manier waarop Van Dijl zijn kledingkeuze verdedigt, maakt hij geen onderscheid tussen voorganger en toehoorder.

Enkele decennia geleden werd het steeds gebruikelijker bij allerlei ‘officiële’ gelegenheden minder formele kleding aan te trekken. Ook in een werkomgeving, waar vroeger formele kleding gangbaar was, is het tegenwoordig niet meer ongewoon werknemers in kleding aan te treffen die men in vroeger tijden in het geheel niet droeg of hooguit in de vrije tijd. Het duurde niet lang of deze manier van kleden drong ook tot de kerkdiensten door. Het zijn hooguit nog vertegenwoordigers van de oudere generatie die zich speciaal voor een kerkdienst kleden.

Ooit werd over dit onderwerp gediscussieerd en geschreven, bijvoorbeeld in kerkbladen. Maar, zoals het zo vaak gaat, de honden blaffen, maar de karavaan trekt verder. Het gesputter van diegenen, die van mening waren dat het bijwonen van een kerkdienst toch wel iets bijzonders is en dat dit in de kleding tot uiting moet komen, heeft geen effect gehad. Dat ligt waarschijnlijk niet alleen daaraan dat jongere generaties meestal niet geneigd zijn zich van de kritiek van ouderen iets aan te trekken. Eén van de oorzaken is wellicht ook dat de gebruikte argumenten niet zo sterk waren.

Tegenwoordig vormt het nog maar zelden een onderwerp van discussie. Wie het aan de orde stelt, ontmoet hooguit meewarig hoofdschudden. Maar de ironie is dat juist informele kleding vaak heel goed bij het karakter van de kerkdienst past. Die is namelijk in de loop van enkele decennia grondig veranderd. Kerkdiensten zijn tegenwoordig in veel gevallen even informeel als de kleding van de kerkgangers. De informaliteit van kerkdiensten beperkt zich allang niet meer tot de evangelische wereld, maar is ook in reformatorische kringen doorgedrongen. Alleen in kerkdiensten van bevindelijke kerkgenootschappen vindt men nog de kleding, die zo’n vijftig jaar geleden ook in ‘lichtere’ kerken nog gangbaar was.

Dat informele karakter van kerkdiensten momt bijvoorbeeld tot uitdrukking in de liedcultuur: het evangelische lied, dat meestal een nogal informele toon aanslaat en een geest van vrijmoedigheid – en soms zelfs van vrijpostigheid – ademt, heeft z’n intocht gedaan in kerken van reformatorische snit en is hard op weg de psalmen en de daarmee verwante liederen uit het Liedboek te verdringen.

Het liedrepertoire en, niet te vergeten, de daarbij passende begeleidingsvormen hebben er zonder twijfel toe bijgedragen dat kerkdiensten informeler, ‘huiselijker’ zijn geworden. Dat komt ook naar voren in de manier waarop de toehoorders worden aangesproken. De aanspraak ‘gemeente’ of ‘broeders en zusters’ maakt steeds meer plaats voor minder ‘formele’ alternatieven. En waar vroeger de toehoorders nog collectief met ‘u’ werden aangesproken, is het tegenwoordig bijna algemeen gebruik hen – jong of oud – te tutoyeren. Zelfs de inrichting van kerkzalen weerspiegelt de tendens naar informaliteit. Nieuwe kerken of kerkzalen worden ingericht als huiskamers, bestaande ruimten aangepast aan wat als het nieuwe ideaal geldt: het moet wel een beetje gezellig zijn.

We moeten nog een spade dieper steken. De manier waarop de kerkdiensten worden vormgegeven en verlopen en de manier waarop kerkzalen zijn ingericht, zeggen iets over ons Godsbeeld. Het beeld van God in die christelijke kringen, waar men pretendeert ‘schriftuurlijk’ te zijn, dreigt steeds meer nogal eenzijdig te worden. God is er vooral om ons over de bol te aaien, ons te troosten en ons uit de put te halen en ons te voorzien van wat we nodig hebben. Dat is allemaal waar, maar tegelijk niet meer dan één kant van het verhaal. Oude en Nieuwe Testament laten ons God als een God van liefde zien, maar ook als een God, die het kwaad en de zonde serieus neemt en zich daarover kwaad maakt. En de Schrift maakt – in Oude èn Nieuwe Testament – glashelder dat er een grote afstand tussen God en mens bestaat: God blijft God en de mens blijft altijd slechts een mens.

Hoe reëel het gevaar van een eenzijdig Godsbeeld is, blijkt ook uit de antwoorden die Van Dijl op de vraag van de oude zuster geeft.

Welke kleren zou hij aandoen als hij bij de koningin op bezoek ging, vraagt ze hem. (Ik weet niet of hij haar correct citeert; in het vervolg heeft hij het steeds over de koning, wat voor de argumentatie verder geen verschil maakt.) “Ten eerste is God niet alleen mijn Koning, Hij is ook mijn Vader. Als ik bij mijn vader op bezoek ga trek ik niet speciaal een pak aan. (…) Enerzijds is het waar dat we, door naar de kerk te gaan, op bezoek gaat bij de Grote Koning, maar tegelijk is die Koning ook onze Vader. En Hij wil graag dat we bij Hem komen zoals we zijn.”

Het is goed dat Van Dijl hiermee begint. Want dat is het kenmerkende verschil tussen het beeld van God dat de bijbel geeft en de godsbeelden in andere religies, zoals de islam. Daardoor komt ook Christus in het centrum te staan, want alleen dankzij Hem mogen we God onze Vader noemen. Maar de invulling die Van Dijl vervolgens aan het begrip ‘vader’ geeft, is wel heel erg Nederlands en 21e-eeuws. De informaliteit die de relatie tussen ouders en kinderen tegenwoordig vaak kenmerkt, is in de bijbel niet terug te vinden. De vader, zoals die in het Oude Testament wordt getekend, is toch echt een andere figuur. Het is degene die het gezag in het gezin heeft, leiding geeft en verantwoordelijkheid draagt. Er bestond zonder twijfel een substantiële afstand tussen een vader en zijn kinderen en eveneens tussen man en vrouw. Dat laatste onderstreept Petrus, wanneer hij er in zijn eerste brief op wijst dat Sara haar man Abraham ‘heer’ noemde (3,6).

Dit betekent niet dat de relatie tussen ouders en kinderen, zoals die tegenwoordig gangbaar is en door velen – ouders èn kinderen – als ideaal wordt gezien, verwerpelijk is. Maar ze mag niet ons beeld van God gaan bepalen. Jezus leert ons bidden: “Onze Vader, die in de hemelen zijt”. Volgens Zondag 46 van de Heidelbergse Catechismus is de zin van die verwijzing naar de hemel dat we over “de hemelse majesteit van God” niet “aards” gaan denken. Dat is geen overbodige waarschuwing.

Opvallend is ook het element dat God graag wil “dat we bij Hem komen zoals we zijn”. Ook dat is een gangbare opvatting: je mag zijn wie je bent, je bent welkom zoals je bent. Dat heeft zeker een waarheidselement: niemand is te vuil om bij God welkom te zijn. We komen juist bij Hem om schoon gemaakt te worden. Maar daaruit kan niet zomaar de conclusie getrokken worden dat het niet uitmaakt, hoe je komt. De bijbel laat ook de andere kant van het verhaal zien. In het Oude Testament wordt herhaaldelijk van het volk gevraagd zich te reinigen, voordat het tot God mag naderen. Dat geldt nog nadrukkelijker voor de priesters die in de tempel dienst doen. En als het in het Nieuwe Testament over het bruiloftsmaal gaat, wordt van de gasten verlangd dat ze zich passend kleden. Dat mag niet één-op-één vertaald worden naar de kleding die tijdens kerkdiensten gedragen wordt. Maar het laat wel zien dat de uitspraak dat we bij God mogen komen, zoals we zijn, op z’n minst enige nuancering behoeft.

Zo’n één-op-één vertaling zou een vorm van biblicisme zijn. Dat wordt vaak gedefinieerd als de letterlijke interpretatie van bijbelteksten. Maar het kan ruimer worden opgevat: alles wat we als waarheid naar voren brengen, moet door bijbelcitaten gesteund worden. Van Dijl ontkomt niet aan dat gevaar. Over de idee dat een kerkdienst speciale kleding vereist, schrijft hij dat “het neigt naar een ‘menselijk gebod’. Jezus gaat in Mattheüs 15 tekeer tegen de Schriftgeleerden en Farizeeën die (vers 9) ‘geboden van mensen’ aan andere mensen onderwijzen. Het gebod “je moet nette kleding dragen in de kerk” zie ik niet direct terug in de bijbel. Het lijkt daarom mijns inziens een ‘gebod van mensen’.”

Hier zien we een voorbeeld van biblicisme in optima forma. In het Nieuwe Testament, dat in de regel als de belangrijkste bron van informatie over en inspiratie voor onze kerkdiensten wordt gehanteerd, treffen we inderdaad geen specifieke kledingvoorschriften aan. Maar er zijn wel meer zaken waarvoor in de Schrift geen voorschriften te vinden zijn. In reformatorische kring is het gebruikelijk in de morgendiensten regelmatig de Tien Geboden voor te lezen – hoewel die gewoonte steeds meer onder druk komt te staan – terwijl daarvoor geen enkel voorschrift te vinden is. Hetzelfde geldt voor de vaste plaats van de geloofsbelijdenis in middagdiensten; ook voor de viering van christelijke feestdagen kan men zich niet op de bijbel beroepen. Concrete teksten die verplichten tot de kinderdoop zul je in de bijbel niet vinden. Toch belijdt de kerk van de Reformatie met overtuiging het recht en de plicht van de kinderdoop, o.a. in de Heidelbergse Catechismus. Het gaat er dan ook niet om voor elk dogma of elke gewoonte een bijbeltekst te vinden. Het gaat om de grote lijnen in de Schrift en, ook al zijn er geen concrete voorschriften m.b.t. de vereiste kleding voor bijeenkomsten van de gemeente, er zijn wel degelijk allerlei elementen waar te nemen die wijzen in de richting van het belang van het op een gepaste manier verschijnen voor God.

Het derde argument dat Van Dijl gebruikt, laat zien dat, als het om kerkdiensten gaat, het brandpunt verschoven is. Was vroeger de aandacht bij de inrichting van kerken en de vormgeving van erediensten vooral verticaal gericht, tegenwoordig is die in horizontale richting verschoven. “Een kerk vol net geklede mensen krijgt (…) automatisch een bepaalde sfeer. Een elitaire sfeer van stijfheid.” Ongelovigen kunnen zich ongemakkelijk voelen “als ze in een kerk komen vol verplicht net-geklede mensen. De sfeer echter die wél willen overdragen (Gods liefde, blijdschap en vrede) worden hierdoor minder goed zichtbaar.”

Het gaat hier helemaal om de manier waarop mensen – en dan vooral ‘buitenstaanders’ – kerkdiensten ervaren. Deze benadering is ongetwijfeld beïnvloed door de grotere aandacht voor de missionaire taak van de kerk, die weer het gevolg is van de toegenomen secularisatie. Dat is op zichzelf een goede zaak, maar het is de vraag of kerkdiensten nu de meest geschikte middelen zijn om die mensen te bereiken, die van het christelijk geloof zijn vervreemd of daarmee nog nooit in aanraking zijn geweest.

Dat leidt ertoe dat kerkdiensten soms verregaand worden aangepast om ‘buitenstaanders’ tegemoet te komen. Daarbij laat men zich niet zelden leiden door wat men denkt dat buitenstaanders zien of horen. Zien ‘buitenstaanders’ een kerk vol ‘verplicht’ net-geklede mensen? Of zijn het vooral kerkmensen die er zo tegenaan kijken? Zou het misschien ook zo kunnen zijn dat buitenstaanders eerder mensen zien die kerkdiensten blijkbaar zo belangrijk vinden dat ze bereid zijn zich ervoor in nette kleding te steken?

De aanleiding voor dit stuk was een vraag betreffende de kleding tijdens een kerkdienst. Maar dat is slechts de oppervlakte. Wat we aantrekken zegt vooral iets over de manier waarop we naar de kerkdienst kijken. En onze kerkdiensten zeggen iets over ons beeld van God.

Als we in ons kloffie bij de Koning op bezoek gaan, wie is Hij dan eigenlijk voor ons?

Falend leiderschap

De Generale Synode van de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) (GKV) heeft haar werkzaamheden beëindigd. Ze zal later dit jaar nog een keer bijeenkomen, maar de belangrijkste zaken zijn afgehandeld. De meeste aandacht is, zoals te verwachten was, uitgegaan naar de behandeling van wat als het meest controversiële onderwerp werd beschouwd: de vraag of de ambten van predikant, ouderling en diaken voor vrouwen kunnen worden opengesteld.

Na langdurige discussies die zich over meerdere dagen uitstrekten heeft de synode deze hete aardappel doorgeslikt – of moeten we eerder zeggen: uitgespuwd? Want een definitief besluit is niet genomen en welke richting de GKV op dit punt de komende jaren zullen inslaan is nog allerminst duidelijk. De besluitvorming is daarvoor te diffuus en in zekere zin ook te tegenstrijdig. Het rapport van de meerderheid van de deputaten dat pleitte voor de openstelling van de ambten voor vrouwen, is unaniem afgewezen. Daaruit mag niet geconcludeerd worden dat de synode deze opvatting als zodanig heeft verworpen. De unanimiteit van de afwijzing wijst daar al op. Het was vooral de argumentatie onder de uitgedragen visie die als ontoereikend en deels ook onjuist werd beoordeeld. Bovendien sprak de synode uit dat in de kerk ruimte blijft voor pleidooien voor openstelling van de ambten voor vrouwen, zolang er vanuit de Schrift geargumenteerd wordt.

Er komt een studie naar de ambten, omdat uit de discussies ter synode en daarbuiten gebleken is dat daarover geen eenstemmigheid bestaat. De ambtsstructuur zoals die in de GKV functioneert, kan niet rechtstreeks aan de Schrift worden ontleend en dus is er ruimte voor bezinning die eventueel tot aanpassingen zou kunnen leiden. Er is op zichzelf niets op tegen het ambt kritisch tegen het licht te houden. Maar het is wel de vraag of dat nu echt iets fundamenteel nieuws zal opleveren. We moeten niet de suggestie wekken dat de kerken van de Reformatie in het verleden alles volledig uit hun duim hebben gezogen toen ze de huidige ambtsstructuur vormgaven.

Men kan zich ook afvragen waarom uitgerekend nu een bezinning op het ambt plaatsvindt. Was daar niet al eerder aanleiding toe? In veel gemeenten is de voorziening in de ambten al jaren problematisch en er zijn allerlei initiatieven genomen om de daardoor ontstane tekorten in het ambtelijk werk op te vangen. De figuur van de pastoraal werker is daar een voorbeeld van. Ook het fenomeen van de huiskring moet in dit kader gezien worden. Dat roept vragen op over de verdeling van taken en verantwoordelijkheden over ambtsdragers en ‘ambteloze’ gemeenteleden, maar dat is kennelijk geen reden geweest het ambt als zodanig op de agenda te zetten. Dat dit nu wel gebeurt, geeft wel enige reden tot wantrouwen. Is het de bedoeling het ambt zodanig te kneden en bij te schaven dat de bezwaren tegen de openstelling voor vrouwen kunnen worden weggenomen? Het is overigens de vraag of dit vraagstuk wordt opgelost, wanneer er bijvoorbeeld een splitsing wordt gemaakt tussen ambtsdragers aan wie de taak van ‘opzicht en tucht’ wordt toevertrouwd en hen die pastorale en diaconale werkzaamheden verrichten. Zullen (radicale) voorstanders van de openstelling van de ambten daarmee tevreden zijn? Er zou immers dan nog steeds een verschil tussen mannen en vrouwen bestaan en daarvan willen zij niets weten.

De vraag of het ambt van predikant ook voor vrouwen opengesteld moet worden wordt daarmee in elk geval niet beantwoord. Zijn belangrijkste taak is de bediening van het evangelie, vooral door middel van de prediking. Die is volgens de Heidelbergse Catechismus één van de sleutels van het hemelrijk en daarmee een middel tot tuchtoefening en dus uitoefening van ambtelijk gezag. Het ontnemen van het gezag aan de predikant reduceert de prediking tot een bijdrage aan de discussie. Moet men daarvoor elke zondag naar de kerk?

Zoals gezegd heeft de synode uitgesproken dat binnen de kerk weliswaar gepleit mag worden voor de openstelling van de ambten voor vrouwen, maar onder de voorwaarde dat de argumenten aan de Schrift ontleend zijn. In sommige reacties werd opgemerkt dat dit – zeker voor de synode van een gereformeerde kerk – een open deur is. Daar ben ik niet zo zeker van. De tijd dat discussies in gereformeerde kring werden gevoerd op basis van de Schrift en de gereformeerde belijdenis ligt al een tijd achter ons. Afgaande op de weblog die de redacteur van het Nederlands Dagblad ter synode bijhield, moet men wel constateren dat er nogal eens argumenten werden aangevoerd die naadloos in de huidige door gevoelens gedomineerde populistische cultuur passen. Wie eens een kijkje neemt op allerlei internetfora komt veel reacties van voorstanders tegen die zich zelden op de Schrift beroepen en als ze dat al doen, vaak op een nogal willekeurige en onzorgvuldige manier. In de discussies gaat het vooral veel over de ‘belangen’ van vrouwen en in het bijzonder van hen die zich geroepen voelen hun capaciteiten in het ambt in te zetten. Ook de tegenstanders zullen niet ontkennen dat er vrouwen zijn die de capaciteiten hebben voor de vervulling van de verschillende ambten. Vanuit de Schrift is dat echter niet doorslaggevend. Het gaat niet om de vraag wie zich geroepen voelt, maar wie naar de normen van de Schrift geroepen wordt. Dat geldt overigens voor mannen evenzeer als voor vrouwen. Gezien de aard van de discussies is het goed dat de synode hier een piketpaaltje heeft geslagen.

Sommigen zullen ook een andere uitspraak van de synode als zodanig beschouwen. Daarin wordt vastgesteld dat in de Schrift twee lijnen zichtbaar zijn: enerzijds de gelijkwaardigheid van man en vrouw en anderzijds een onderscheid in verantwoordelijkheid. Voorstanders zien dit als een obstakel op de weg naar openstelling en wellicht zullen de tegenstanders met enige opluchting van deze uitspraak kennis genomen hebben. Het is maar de vraag of dat terecht is. Echt richtinggevend in de bezinning lijkt me die uitspraak niet. Want welke lijn weegt uiteindelijk het zwaarste en moet de doorslag geven? Ook wanneer beide lijnen onderkend worden, kan de meningsvorming nog verschillende kanten uitgaan. Dit is niet maar alleen een kwestie van exegese, maar ook van hermeneutiek, de manier waarop de bijbel gelezen en geïnterpreteerd moet worden. Dat laatste heeft tijdens de beraadslagingen wel een rol gespeeld, maar heeft uiteindelijk niet geleid tot een besluit een deputaatschap aan het werk te zetten om daarover meer duidelijkheid te scheppen. Dat is wellicht daaruit te verklaren dat de meerderheid van de deputaten – en waarschijnlijk ook de voorstanders van de openstelling van de ambten ter synode – ontkennen dat hun manier van het lezen van de Schrift afwijkt van wat in gereformeerde kring altijd gebruikelijk geweest is. Als er al geen overstemming is over het bestaan van een probleem kun je geen besluit verwachten om dat probleem op te lossen.

Het besluit een studie naar het ambt te laten verrichten kan – hoezeer op zichzelf ook positief te waarderen – moeilijk anders worden geïnterpreteerd dan als een verlegenheidsoplossing, waarmee in elk geval weer tijd wordt gewonnen. Men kan zich niet aan de indruk onttrekken dat hier ook angst meespeelt. De verdeeldheid tussen de synodeafgevaardigden is een weerspiegeling van de verdeeldheid onder kerkleden. Wanneer de synode een definitief besluit ten gunste van de openstelling van de ambten zou hebben genomen, zou dit vèrstrekkende gevolgen kunnen hebben. Het zou kunnen leiden tot het vertrek van degenen die zich daarin beslist niet kunnen vinden, en daaronder ook een aantal predikanten. Maar ook een tegenovergesteld besluit zou zo’n effect kunnen hebben. Men zou kunnen zeggen dat een definitief besluit hoe dan ook tot verlies zou leiden. Te winnen viel er weinig.

Met de huidige besluiten zal een uittocht naar de ene of naar de andere kant wellicht uitblijven. Maar is dat winst? Je kunt niet maar blijven pappen en nathouden. Ooit zullen de GKV kleur moeten bekennen. En dan volgt een uittocht – groot of klein – alsnog. Met leidinggeven heeft dit allemaal weinig te maken. Juist van kerkelijke vergaderingen – de verzamelde ‘wijsheid’ van het kerkverband – mag geestelijk leiderschap gevraagd worden. De synode heeft op dit punt in elk geval gefaald. Dat lijkt trouwens een algemeen verschijnsel binnen het kerkverband te zijn. Te vaak worden zaken op hun beloop gelaten, waardoor het bevoegd gezag zijn greep op de ontwikkelingen verliest. Men kan bezwaren hebben tegen de opvattingen van de meerderheid van de deputaten, maar ze was in elk geval niet bang zich duidelijk uit te spreken. Dat is op zichzelf een verademing, want al te vaak vinden binnen plaatselijke kerken en het kerkverband als geheel soms vèrgaande veranderingen plaats, die op geen enkele manier worden verantwoord. De deputaten – meerderheid en minderheid – hadden hun visie in elk geval onderbouwd, wat de mogelijkheid bood de argumenten te toetsen en daarover een oordeel uit te spreken. Maar waar argumentatie achterwege blijft, wordt elke poging tot gedachtenwisseling in de kiem gesmoord. Juist dat is één van de grote frustraties van degenen die zich zorgen maken over de manier waarop de GKV zich ontwikkelen.

Het streven “de boel bij elkaar te houden” is op zichzelf lovenswaardig. Maar dat wordt niet bereikt door besluiteloosheid en wankelmoedigheid. Ook tijdens de beraadslagingen van de synode speelde het motief van het ‘draagvlak’ mee. Dat is echter geen statisch gegeven. Een draagvlak kun je ook creëren. De synode had een voorbeeld kunnen nemen aan burgemeester John Berends van Apeldoorn. Hem was gevraagd in zijn gemeente Volkert van der Graaf, de moordenaar van Pim Fortuyn, te huisvesten. Hij besloot daaraan gevolg te geven en informeerde vervolgens eerst de gemeenteraad en daarna de bewoners van het gebied waar Van der Graaf zich zou vestigen.

Een burgemeester vertegenwoordigt de bevolking van zijn stad of dorp. Maar dat betekent niet dat hij zijn oren naar de burgers moet laten hangen. Dat deed Berends dan ook niet. Hij nam het verzoek dat hem gedaan werd in overweging en nam vervolgens een besluit op grond van een aantal principiële overwegingen. In zijn informatie tegenover de gemeenteraad en vervolgens de inwoners van zijn stad was hij daarin heel duidelijk. Van der Graaf heeft zijn straf uitgezeten en heeft daarmee het recht zich ergens te vestigen om zijn leven weer op de rails te zetten. Het optreden van Berends blonk uit door een principiële positiekeuze, heldere argumentatie en de beslistheid waarmee hij zijn keuze verdedigde. Zou het daarmee te maken hebben dat de inwoners van Apeldoorn zo begripvol reageerden?

Zulke beslistheid is tijdens deze Generale Synode node gemist. Wie de kool en de geit wil sparen loopt een goede kans beide te verliezen. Van een synode mag geestelijke leiding en koersvastheid verwacht worden. Maar wat we gezien hebben is een voorbeeld van falend leiderschap. Daar is de kerk nog nooit beter van geworden.

Zoetsappig christendom

Het christelijk geloof is in Nederland op de terugtocht, zo hoor je vaak beweren. De feiten liegen niet: kerken lopen leeg, veel mensen weten vrijwel niets van het christelijk geloof en wie gelooft is inmiddels een vreemde vogel. Of valt het allemaal nog wel mee? Matthijs Haak, predikant van de Gereformeerde Kerk (vrijgemaakt) van Rotterdam-Delfshaven, schreef in een artikel in het Nederlands Dagblad van 4 januari 2014: “Je hoort zeggen dat God weer terug is in Nederland. Dat zijn comeback bijvoorbeeld te zien is in veel media-aandacht voor het christelijk geloof.” Hij wijst op een recensie van theologische boeken in het zeer seculiere NRC-Handelsblad. “Je mag weer geloven in God. Zelfs in Jezus. Die ommekeer hangt al langer in de lucht. Zo zei de alom gewaardeerde columnist J.L. Heldring bij zijn terugblik op vijftig jaar opinieschrijven dat God terug was van weggeweest (NRC Handelsblad 4 januari 2010).” Er valt ook te denken aan de waardering die seculiere politici ten toon spreiden voor de rol van kerken in de samenleving, bijvoorbeeld op het vlak van diaconale hulpverlening. Dat laatste kan gemotiveerd zijn door eigenbelang: dankzij diaconale hulp houdt de overheid geld in haar zak. Dat betekent niet dat die waardering niet oprecht gemeend kan zijn.

De vraag is dan wel: welk christendom is weer “in”? Ds. Haak relativeert die herleefde aandacht voor het christelijk geloof. Hij geeft verschillende voorbeelden waaruit een versmalling of zelfs vertekening van het christelijke geloof naar voren komt. “Het blijkt (…) dat zelfs (geloven in) Jezus weer sexy is. Maar om wélke Jezus gaat het? Nu de kerk weinig meer voorstelt, dogma’s als onwenselijk aanvoelen en ieder het geloof invult zoals hij het zelf ziet, wordt dat een heel spannende vraag.”

Het christelijk geloof is onlosmakelijk verbonden met de kerk. Ook al zijn er tegenwoordig steeds meer christenen die zeggen wel te geloven, maar niets te hebben met de kerk, vanuit de Schrift gezien zijn die twee niet te scheiden. Dat is in de ogen van veel ‘buitenstaanders’ trouwens ook het geval. Men wijst het christelijk geloof af door te wijzen op – feitelijke of vermeende – misstappen van de kerk. Dat men daarbij de verschillende kerken niet uit elkaar kan houden valt te begrijpen. Daarom slaan de misstanden in één kerk terug op alle kerken. Ook het gedrag van christenen met wie niet-gelovigen zelf in aanraking komen of over wie ze iets lezen of horen speelt een rol in de beeldvorming.

Het is voor kerken en individuele christenen dan verleidelijk zich in hun uitlatingen en gedrag voorzichtig op te stellen en alles te vermijden wat aanstoot zou kunnen geven. Daar kan de angst achter zitten niet meer voor vol te worden aangezien en niet meer op voet van gelijkheid te kunnen deelnemen aan het openbare leven en de daar plaatsvindende meningsvorming. Dat zal niet zo gauw worden toegegeven. Eerder wordt het principieel beargumenteerd: men moet alles vermijden wat mensen ervan zou kunnen weerhouden zich aan Christus en het christelijk geloof gewonnen te geven.

Maar aan welke Christus moet men zich gewonnen geven? Als alles wat aanstoot zou kunnen geven moet worden vermeden, wordt het christelijk geloof dan niet erg zoetsappig? Waar blijven de scherpe randen die ook in de prediking van Jezus ruimschoots aanwezig waren? Houden we dan nog iets anders over dan een feel good christendom?

Het is mooi wanneer de kerk haar diaconale taak serieus neemt en die niet beperkt tot het goeddoen aan de gelovigen maar ook daar te hulp schiet waar niet-gelovigen in de knel komen. Maar mag het daarbij blijven? De diaconale taak van de kerk is altijd nauw verbonden geweest met haar diepste overtuiging dat alleen Christus redding brengt in een geschonden bestaan. Sterker nog: daarin ligt haar diepste motivatie voor haar diaconale werk. Dat komt al in de eerste hoofdstukken van het boek Handelingen naar voren. Er is geen scheiding tussen de verkondigende en de diaconale taak van de kerk. Eén van de eerste diakenen, Stefanus, moest zijn vrijmoedige getuigenis met de dood bekopen.

Het is mooi wanneer de overheid haar waardering uitspreekt voor de maatschappelijke betrokkenheid van christelijke kerken. Maar van die waardering zou wel eens weinig over kunnen blijven wanneer de kerk haar aanspreekt op de manier waarop zij met haar kwetsbare onderdanen omgaat. Of wanneer de kerk zaken ter discussie stelt die inmiddels als maatschappelijke verworvenheden gelden. De kerk mag wel pleisters plakken, maar wordt verder geacht te zwijgen. De vraag van ds. Haak, die eerder geciteerd werd, is dus een heel relevante: als het over Jezus gaat, over wèlke Jezus gaat het dan? Over iemand die mensen een aai over de bol geeft of over iemand die ook zegt: Zondig niet meer?

Waartoe de angst voor een slechte naam van de kerk kan leiden bleek in december van het vorige jaar. Leden van een hervormde wijkgemeente in Zeist riepen hun broeders en zusters op twee supermarkten te boycotten, aangezien deze besloten hadden op zondag de deuren te openen. De oproep kwam in de pers terecht en de verontwaardiging was algemeen. Eén van de winkeliers repte van ‘chantage’ en een poging hem en zijn bedrijf kapot te maken. Nu kan over zo’n actie van alles gezegd worden, ook in kritische zin. Maar de maatschappelijke verontwaardiging was op z’n minst nogal hypocriet. Actiegroepen roepen regelmatig op tot een boycot van winkels vanwege de verkoop van producten die het milieu schaden of die onder erbarmelijke omstandigheden in een Derde-Wereldland zijn geproduceerd. Nog niet zo lang geleden nagelde zelfs een minister een winkelketen publiek aan de schandpaal. En daarbij gaat het dan om oproepen aan iedereen, terwijl de desbetreffende hervormden zich alleen op de eigen gemeente richtten.

Je zou mogen verwachten dat christelijke opiniemakers hier voor enige nuance zouden zorgen en in elk geval het goed recht van de actievoerders zouden verdedigen. In plaats daarvan meende Marco van der Straten, hoofdredacteur van Visie, het programmablad van de EO, dat hij de geprangde winkelier in bescherming moest nemen. Daarbij vond hij het niet eens nodig kennis te nemen van de feiten, aangezien hij meende dat de actievoerders hun visie wilden opleggen aan diegenen die er geen moeite mee hebben op zondag boodschappen te doen. In dit verband sprak hij van “intolerantie”. Ernstiger is dat hij de manier waarop Jezus met de sabbat omgaat voor zijn karretje spande. Daar blijkt hij niet veel van begrepen te hebben. Jezus verdedigt zijn werk op de sabbat, in antwoord op de kritiek van de Farizeeën, met de uitspraak dat de mens heer is over de sabbat – en daarmee bedoelde hij niet zomaar ieder mens, maar zichzelf. En dat is nu precies de reden waarom christenen als deze Zeister hervormden protest aantekenden tegen de zondagopenstelling van twee supermarkten. Jezus verdedigde zijn recht goed te doen op de sabbat. Dat is iets heel anders dan spullen verkopen om de kas te spekken.

Wie goed oplet komt steeds vaker gevallen tegen waarin christenen op een soms krampachtige manier hun best doen alles te vermijden wat aanstoot zou kunnen geven. De motieven daarvoor mogen dan heel respectabel zijn, de vraag is welk beeld van het christelijk geloof en de christelijke kerk daarmee wordt geschapen. ‘Buitenstaanders’ zouden zich weleens kunnen gaan afvragen hoe serieus christenen hun eigen geloof eigenlijk nemen.

In Trouw schrijft Beatrijs Ritsema over ‘Moderne manieren’. Ze beantwoordt vragen van lezers die haar advies willen in allerlei zaken die met de omgang tussen mensen te maken heeft. Op 5 januari beantwoordde ze een brief van iemand die met een groep mensen van de kerk was gaan klussen bij een moslimfamilie. “Toen we het klussen onderbraken voor de lunch met allerlei lekkernijen, wilde iemand van ons clubje graag bidden. Dat heeft ze ook gedaan en enkele groepsleden deden mee. Ik voelde me behoorlijk opgelaten, omdat moslims er andere gebedsmomenten op nahouden en door ons werden uitgesloten. Hadden we het bidden niet beter achterwege kunnen laten?”

Nee, vindt Ritsema. “Als de leden van uw klusgroepje gewend zijn om te bidden voor het eten, moeten ze dat vooral doen. Dat kan overal, dus ook in het huis van moslims.” Dat geldt te meer omdat de briefschrijfster zelf meedeelde dat de vrouw des huizes de overeenkomsten tussen islam en christendom beklemtoonde. Iemand reageerde: “Een moslim kan het juist waarderen dat je als christen serieus bent. Het wordt dus ook meestal als een positief gebaar ervaren dat men de gelegenheid neemt om te bidden. Zowel in de brief als in meerdere reacties hieronder komt het beeld naar voren dat niet de gastvrouw er een probleem van maakt, maar juist anderen.” Daarmee slaat de schrijver de spijker op de kop. Moslims nemen hun geloof meestal heel serieus. Het zou de waardering voor het christelijk geloof wel eens eerder kunnen bevorderen dan schaden wanneer christenen dat ook doen. Bijvoorbeeld door eerlijk en consequent uit te komen voor die aspecten die veel mensen – en, als ze eerlijk zijn, van nature ook henzelf – tegen de borst stuiten.

De neiging zich aan te passen aan wat algemeen aanvaard is en te vermijden wat irritatie zou kunnen opwekken is kennelijk sterk. Die dateert niet van vandaag of gisteren. In Nader Bekeken (december 2013) schreef ds. Henk Drost dat hij bij zijn intrede in een nieuwe gemeente geïnterviewd werd en daarbij liet weten dat hij geloofde in het laatste oordeel. “Interessant was de reactie die met name van de kant van de evangelisatiecommissie van die gemeente kwam. Die waren niet erg ingenomen met mijn eerlijkheid. Ze vonden dat het een negatieve insteek was. Ze vonden dat we als kerken moeten werken aan een positief imago. Blijkbaar past het laatste oordeel daar niet in”.

Maar de kerk en het christelijk geloof worden echt niet aantrekkelijker door de kool en de geit te sparen, zoals Sake Stoppels, docent gemeenteopbouw aan de Vrije Universiteit in Amsterdam, kortgeleden opmerkte (ND, 12.2.14). Voor een houding als “hier sta ik, ik kan ook anders” zullen weinig mensen respect kunnen opbrengen. Natuurlijk wekt het weerstand, wanneer de kerk belijdt en zonder mitsen en maren uitdraagt dat pasgeboren kinderen gedoopt behoren te worden. Ze vergroot haar aantrekkingskracht niet wanneer ze haar overtuiging bijstelt en kinder- en geloofsdoop als keuzemenu aanbiedt. De kerk loopt in de ogen van de wereld achter, wanneer ze vrouwen de toegang tot het ambt ontzegt. Maar degenen die daartegen de wapens opnemen worden echt niet ontvankelijk voor de boodschap van de kerk wanneer die het ambt voor vrouwen openstelt om de moderne samenleving niet te mishagen. Wellicht zijn er goede argumenten om de tot nu toe verdedigde overtuigingen ten aanzien van de doop of het ambt bij het vuilnis te zetten, maar dat zullen dan toch echt andere argumenten moeten zijn dan zulke die ontleend zijn aan wat ‘men’ aanvaardbaar vindt.

Stoppels roept gemeenten op een “sterk profiel” te kiezen. Dat kan niets anders zijn dan de onversneden boodschap van de Schrift. Net als de meeste medicinale drankjes is die niet zoetsappig, maar wel heilzaam en geneeskrachtig.

U verdient eerherstel

Ik ben netjes opgevoed, al zeg ik het zelf. Mensen die ik niet persoonlijk ken, spreek ik met u aan. Dat geldt ook voor de jongeman of jongedame achter de kassa bij de supermarkt, ook al is die kennelijk de 20 nog niet gepasseerd. Wanneer zo iemand vraagt: “wil je de kassabon?”, antwoord ik: “alstublieft”.

Als ik me voorstel noem ik m’n voor- èn achternaam. Dat schijnt tegenwoordig nogal ongebruikelijk te zijn. In mijn gemeente wordt vóór de dienst de aanwezigen verzocht degenen die in hun directe omgeving zitten een hand te geven en kennis te maken. Ik probeer dat te vermijden, want ik vind dat een nogal zinloze exercitie. Soms lukt dat niet. Dan zegt iemand: “Hoi, ik ben Jan”. Dat is fijn voor hem maar niet erg informatief voor mij. Er zijn tenslotte wel meer hondjes die Fikkie heten. Je gaat bijna denken dat we terug zijn in het tijdperk toen de meeste mensen geen achternaam hadden.

Waar vroeger het tutoyeren en het aanspreken met de voornaam beperkt bleef tot de kring van familie en vrienden, gebeurt het tegenwoordig te pas en te onpas. Ik heb een abonnement op Nader Bekeken. Sinds enkele maanden weet ik nu hoe alle scribenten van voren heten. Heel interessant, maar worden de artikelen daar beter van? Krijg ik daardoor het idee dat ik hen nu beter ken? Ik dacht het niet.

We schijnen het tutoyeren en het gebruik van voornamen als winst te moeten beschouwen. Men vindt blijkbaar dat de samenleving daar leuker van wordt. Daar ben ik niet zo zeker van. Gemakkelijker wordt ze er in elk geval niet van. Mensen hebben rituelen en vaste patronen nodig om hun weg in de samenleving te kunnen vinden. Spreek je iemand die zich met de voornaam voorstelt zomaar met je aan of gebruik je toch maar u? En geeft dat de vrijheid dan ook maar zijn of haar voornaam te gebruiken of wordt het toch meneer en mevrouw? Onze koning vindt dat iedereen hem maar moet aanspreken zoals men zelf wil en waar men zich comfortabel bij voelt. Maar juist die houding heeft tot gevolg dat mensen zich oncomfortabel voelen. Die uitspraak valt daarom in de categorie ‘een beetje dom’.

Uiteraard gaan de hier geschetste tendenzen de kerk niet voorbij. Ze moet tenslotte met de tijd meegaan. En dus nemen veel voorgangers de vrijheid hun toehoorders met je en jij aan te spreken, of die nu 20 dan wel 80 zijn. Niemand heeft hun ooit gevraagd of ze dat wel goed vinden. Het is dan ook geen wonder dat de predikanten zelf ook getutoyeerd worden en met hun voornaam worden aangesproken. Veel van hen willen dat zelfs. Is dat winst? Wordt de kerkelijke samenleving daar leuker van? Daar ben ik niet zo zeker van. Beter wordt ze er in elk geval niet van.

In het dagblad Trouw loopt momenteel een serie over Respect. In de eerste bijdrage gaat Peter Henk Steenhuis uitvoerig in op het begrip respect. Hij laat zien dat dit oorspronkelijk betekende ontzag of eerbied. “De patiënt keek tegen de arts op omdat de man ervoor gestudeerd had en gezondheid een belangrijk goed was. Zo had je ook respect voor een predikant: die vertegenwoordigde iets wat voor jouw leven van belang was.” Inmiddels wordt dit begrip op een heel andere manier gehanteerd. Steenhuis verwijst naar een ethicus, volgens wie respect tegenwoordig “is gericht op een onvervreemdbare waardigheid die wij allemaal bezitten. Die waardigheid zou je ook kunnen vertalen als ‘autonomie van ieder mens, die we in acht moeten nemen’.”

Hij signaleert vervolgens een andere betekenis, die nog eens in twee tegengestelde aspecten uiteenvalt: “het respect voor de onvervreemdbare waardigheid (wij zijn allemaal gelijkwaardig) en dat voor het bijzondere dat wij allemaal menen te bezitten: wij zijn allemaal als individu ongelijkwaardig en dienen zo behandeld te worden.” Die twee aspecten zijn in feite onverenigbaar. Niettemin lijkt me dat ze wel iets gemeenschappelijks hebben: ze zijn beide ik-gericht. In beide gevallen wordt respect gevraagd of zelfs geëist, niet gegeven. Respect eisen gaat de meeste mensen wel goed af, respect betonen veel minder.

Ook de kerk wordt daarmee geconfronteerd. Tegen geloven wordt geen bezwaar gemaakt, maar de kerk moet vooral niet de pretentie hebben te beschikken over de waarheid en waarden en normen uit te dragen die voor iedereen gelden. Daarmee zou ze zich niet alleen verheffen boven andere krachten in de samenleving, maar laat ze het bovendien ontbreken aan respect voor andersdenkenden.

Ook binnen de kerk wordt respect gevraagd en soms zelfs opgeëist. Kerkleden vinden het in toenemende mate moeilijk broeders en/of zusters aan te spreken op hun opvattingen of gedragingen. Er is een sfeer ontstaan waarin iedereen zelf moet bepalen wat hij gelooft en hoe hij zijn leven inricht. Kritiek daarop wordt steeds minder geaccepteerd. Daarmee hebben ook ambtsdragers te maken. Het feit dat ze een ambt bekleden speelt nauwelijks meer een rol in de manier waarop wordt omgegaan met wat zij – naar hun overtuiging op grond van de Schrift – naar voren brengen.

Het valt echter te vrezen dat ze dit soms zelf ook in de hand werken. Durven ze zich nog als ambtsdrager te presenteren en geloven ze nog dat het ambt hun gezag verleent? Het feit dat steeds meer predikanten zich met de voornaam laten aanspreken en laten tutoyeren wijst er niet op dat ze een sterk besef van hun ambt en het daarmee gepaard gaande gezag hebben. De nadruk op de gelijkheid tussen ambtsdragers en de ‘ambteloze burgers’ in de kerk ondermijnt het besef dat ambtsdragers met gezag bekleed zijn en dat ze daarmee principieel niet gelijk zijn aan anderen.

Het gebruik van de achternaam of de ambtstitel – zoals ‘dominee’ – en de aanspraak met u worden tegenwoordig als afstandelijk gezien. Dat lijkt me niet terecht. Afstandelijkheid zit ‘m niet in de aanspraak maar in de omgang: ook mensen die elkaar met u en met de achternaam aanspreken kunnen vriendschappelijk en zelfs vertrouwelijk met elkaar omgaan.

Een ambtsdrager mag zich tegenover de gemeente en individuele gemeenteleden niet afstandelijk gedragen. Maar dat betekent niet dat enige afstand niet gewenst is. Dat heeft niet alleen te maken met de gevaren die in een te grote vertrouwelijkheid schuilen. Een gebrek aan afstand maakt het ook moeilijk gemeenteleden te vermanen wanneer dat nodig is. Het spreekwoord zegt: “Het is een vriend die mij mijn feilen toont”. In dat geval wordt iemand aangesproken door iemand die principieel zijn gelijke is. Hij kan de kritiek aanvaarden, omdat die van een vriend afkomstig is. Hij kan ook de vriendschap op het spel zetten door de kritiek te verwerpen. Bij het optreden van een ambtsdrager ligt dit principieel anders. Een gemeentelid dient deze kritiek niet te aanvaarden omdat die van een vriend – en dus van zijn gelijke – komt, maar omdat de ambtsdrager – op grond van de van God ontvangen roeping – de taak heeft hem te vermanen. Dat vermaan moet broederlijk zijn en vanuit de Schrift geargumenteerd worden, maar mag niet vrijblijvend zijn. Daarvoor is dan wel nodig dat zijn gezag aanvaard wordt.

Er is daarom alle reden het besef van de betekenis van het ambt en het daarmee gepaard gaande gezag te herstellen. Maar dan moeten ambtsdragers – en dat geldt in het bijzonder voor predikanten – hun gezag niet laten uithollen door al te familiair te worden. Om een echte herder te zijn hoeft een predikant zich niet met zijn voornaam te laten aanspreken en zich te laten tutoyeren. U verdient eerherstel, zeker in de kerk.

Evangelische schutkleur

27 juni 2012 1 reactie

Andries Knevel, presentator van de Evangelische Omroep, organiseerde op 18 juni j.l. een symposium over de vraag of de tegenstelling tussen reformatorisch en evangelisch achterhaald is. Zelf had hij die vraag al bevestigend beantwoord, zoals blijkt uit een interview met het Nederlands Dagblad (16.6.12). Zijn antwoord is vooral gebaseerd op de feiten zoals hij die waarneemt. Daartoe behoren de toegenomen contacten tussen vertegenwoordigers van beide stromingen. Op de pinksterconferentie Opwekking lopen gereformeerden en evangelischen door elkaar alsof het de gewoonste zaak van de wereld is. Jongeren maken zich niet druk over zaken die voor ouderen belangrijk zijn. “Voor oudere christenen doen de theologische verschillen er nog toe, maar jongeren interesseren zich niet meer voor verschillen op het gebied van verbond, verkiezing of de verhouding tussen rechtvaardiging en heiliging. Voor hen spelen culturele, sociologische aspecten een veel belangrijker rol. Zij zijn bezig met de vraag ‘ben ik een geliefd kind van God?’. Ze geven een andere expressie aan hun geloof, zingen uit de Opwekkingsbundel, kennen een zintuiglijke liturgie, en incorporeren postmoderne cultuuruitingen.” Op de vraag of hij dan geen verschillen ziet, antwoordt Knevel: “Kinderdoop versus volwassendoop en de waardering van de kerk der eeuwen, denk ik. Het instituut, met canon en credo, met synodes aan de ene kant, en aan de andere kant vrije gemeenten die soms in een los verband bij elkaar komen, maar waarbij het verband geen zeggenschap heeft over de theologie in een willekeurige gemeente.”

De door Knevel gesignaleerde feiten zijn niet te ontkennen. Maar de conclusies die hij daaruit trekt zijn nogal gemakzuchtig. De geringe belangstelling van jongeren voor zulke kwesties kan toch moeilijk als argument voor de irrelevantie van de verschillen dienen. Veel jongeren zien de gevaren van drankgebruik niet in. Is dat een reden hen hun gang te laten gaan? Knevel lijkt de door hem gesignaleerde verschillen bijna als bijzaken te beschouwen. Daarmee miskent hij hun belang en reikwijdte.

“De afwijzing van de kinderdoop staat zelden op zichzelf. (…) Naar mijn overtuiging is de kinderdoop (…) niet maar een zwerfkei tussen allerlei theologische thema’s, maar een exponent van onze theologische grondstructuur”, aldus ds. A.J. Mensink, predikant in de PKN en lid van het hoofdbestuur van de Gereformeerde Bond. Hij wijst erop dat de afwijzing van de kinderdoop vaak gepaard gaat met een visie op de erfzonde en de vrije wil die haaks staat op de gereformeerde belijdenis. De visie op de doop heeft ook alles te maken met zaken als verbond en uitverkiezing. Daaruit kan de conclusie getrokken worden dat de vraag waarmee jongeren zich volgens Knevel vooral bezighouden, namelijk “ben ik een geliefd kind van God?”, helemaal niet zo ver afstaat van thema’s als verkiezing en verbond, waaraan volgens hem vooral ouderen grote waarde hechten. Zolang jongeren daarop geen Schriftuurlijk zicht hebben, zullen ze geen antwoord op hun vraag vinden.

Ook de visie op de kerk is geen ‘zwerfkei’. In het evangelische denken speelt de kerkgeschiedenis geen grote rol. Dat heeft veel met het sterk individualistische karakter van de evangelische beweging te maken. De kerkgeschiedenis maakt duidelijk dat de gelovigen onderdeel zijn van een gemeenschap die de eeuwen omspant. De kerkgeschiedenis begint niet bij ons. Ze leert ons dus bescheiden te zijn – niet bepaald een in het oog lopende eigenschap van de evangelische wereld. Wie de kerkgeschiedenis niet kent, kan er ook niets van leren. Wat we ervan kunnen leren is bijvoorbeeld dat veel wat als modern wordt aangeprezen, oude papieren heeft. We kunnen leren hoe dwalingen in het verleden de kop opstaken en hoe de gemeenschap van de heiligen zich daartegen heeft gewapend. De gereformeerde belijdenisgeschriften zijn het resultaat van de strijd van de kerk tegen dwalingen. De belijdenissen bewijzen zich nog steeds als nuttige middelen om de kerk te vrijwaren van leervrijheid. Ze voorkomen dat de gemeente het slachtoffer wordt van de gedachtenspinsels van een voorganger. Daarbij speelt ook het kerkverband een belangrijke rol, als middel om zulke voorgangers hun plaats te wijzen en de gemeente te beschermen. Dat gebeurt ook door een Schriftuurlijke visie op het ambt, die voorkomt dat ieder die dat wil zich zomaar als ‘geestelijk leider’ kan opwerpen zonder door de gemeente geroepen te zijn.

Uit de verslagen van het symposium kreeg ik de indruk dat alleen diegenen aan het woord kwamen die de tegenstellingen tussen gereformeerd en evangelisch als achterhaald of in ieder geval als niet-fundamenteel en niet-kerkscheidend beschouwen. Je zou haast denken dat Knevel alleen degenen had uitgenodigd van wie hij verwachtte dat ze zijn eigen antwoorden van een steviger fundament zouden voorzien. Het zou interessant zijn geweest wanneer ook bijvoorbeeld prof. J.C. Maris, net als Knevel christelijk-gereformeerd, aan het woord zou zijn gekomen. Die zou voor flink wat tegenspraak hebben gezorgd. Dat mag tenminste worden geconcludeerd uit een lezing die hij enige tijd geleden heeft gehouden en waarvan het maandblad Nader Bekeken (mei 2012) een uitgebreide samenvatting publiceerde. Daarin zet hij de onderwerpen waarover evangelischen en gereformeerden van mening verschillen, op een rijtje. Hij laat zien dat die verschillen substantieel zijn en bepaald niet van marginaal belang. Hij komt tot die conclusie omdat hij de opvattingen die in evangelische kring gangbaar zijn confronteert met de gereformeerde religie, zoals die o.a. in de belijdenisgeschriften tot uitdrukking komt.

Wanneer we concluderen dat de tegenstellingen tussen evangelisch en gereformeerd wel degelijk fundamenteel van aard zijn, volgt daaruit niet dat gereformeerden zich van contacten met de evangelische wereld zouden moeten onthouden, zo dat al mogelijk zou zijn. Prof. Maris doet dat, niettegenstaande zijn duidelijke stellingname, ook niet. Integendeel: hij is van mening dat gereformeerden het één en ander van de evangelischen kunnen leren. Daarmee staat hij geheel in de gereformeerde traditie. Die wil zich immers altijd (laten) reformeren, wanneer vanuit de Schrift onjuistheden of eenzijdigheden worden aangewezen. De vraag is wel of gereformeerden de dingen die ze van evangelischen zouden kunnen leren, niet ook in hun eigen traditie zouden kunnen vinden. Maar die kennen ze waarschijnlijk niet.

Gereformeerden moeten de contacten met evangelischen niet uit de weg gaan. Maar dan moeten ze hun gereformeerde belijdenis niet thuis laten. Ze moeten ook in hun spreken en handelen laten zien wat die belijdenis voor hen betekent. Ze moeten zich zeker niet aanpassen aan wat in evangelische kring gebruikelijk is. In het al genoemde interview laat Andries Knevel zien hoe het niet moet.

Hoewel hij lid is van een christelijke gereformeerde kerk ziet hij er geen enkel bezwaar in op zondagmorgen een dienst van een evangelische gemeente te bezoeken. Iemand die is opgegroeid met de Nederlandse Geloofsbelijdenis zou toch moeten weten dat kerkelijk shoppen niet in overeenstemming is met wat die over de kerk belijdt. Knevel bezoekt niet alleen bijeenkomsten buiten het kerkverband waartoe hij behoort, hij gaat er zelfs in diensten voor. Dat doet hij kennelijk niet in zijn eigen kerkverband: in het interview noemt hij alleen PKN- en evangelische gemeenten. Daaruit mogen we wel concluderen dat hem in zijn eigen kerkverband geen preekbevoegdheid is verleend. Waaraan ontleent hij dan het recht de kansel te beklimmen om het Woord te bedienen? De Nederlandse Geloofsbelijdenis wijst ambtelijk optreden zonder “wettige verkiezing door de kerk” af (art. 31). Ze spreekt uit dat ieder “de tijd (moet) afwachten dat hij door God geroepen wordt, om daarin het overtuigend bewijs te hebben dat zijn roeping van de Here komt”. God roept door middel van zijn gemeente tot het ambt. Die belijdenis is aan evangelischen niet besteed. In die wereld kan iedereen zich opwerpen als “dienaar van het Woord”, omdat hij zich geroepen voelt. Het is kenmerkend voor het individualistische karakter van de evangelische beweging.

Hoezeer Knevel zich daaraan heeft aangepast blijkt uit zijn formuleringen. Wanneer gevraagd wordt of zijn bezoek van een evangelische bijeenkomst samengaat met zijn lidmaatschap van de christelijke gereformeerde kerk volgt geen antwoord vanuit de Schrift of de belijdenis. Hij verdedigt zijn kerkelijk shoppen vanuit zijn persoonlijke beleving. “Ik bevind me zondagochtend zeer wel in Crossroads, waar ik met vreugde Engelstalige opwekkingsliederen zing, en waar de liturgie expressief en zintuiglijk is”. De vorm speelt voor hem een belangrijke rol en ook daarin is zijn persoonlijke voorkeur doorslaggevend. In zijn eigen gemeente bedwingt hij de neiging bij bepaalde psalmen “mijn handen in de lucht te steken. (…) Dan denk ik: dat moet ik maar niet doen. Om anderen niet voor het hoofd te stoten”. Afgezien van de vraag of iemand zich daaraan inderdaad zou stoten: waarom is dat zo belangrijk? Is dat een reden je heil elders te zoeken? Waarom hebben bepaalde christenen die bijna onbedwingbare neiging hun handen in de lucht te steken? Gaan ze soms ook op de knieën, wanneer de regel “wij knielen voor uw zetel neer” wordt aangeheven? Het eerste heb ik wel eens meegemaakt, het tweede nog nooit…

Wie meent dat de evangelische wereld de correctie van de gereformeerde religie nodig heeft, moet die religie – die niets anders is dan een (menselijke) weergave van de leer van de Schrift – zelf hooghouden en uitdragen. Wie als gereformeerde een evangelische schutkleur aanneemt, helpt zijn evangelische broeders en zusters niet verder.