Archief

Posts Tagged ‘ambtelijk gezag’

Falend leiderschap

De Generale Synode van de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) (GKV) heeft haar werkzaamheden beëindigd. Ze zal later dit jaar nog een keer bijeenkomen, maar de belangrijkste zaken zijn afgehandeld. De meeste aandacht is, zoals te verwachten was, uitgegaan naar de behandeling van wat als het meest controversiële onderwerp werd beschouwd: de vraag of de ambten van predikant, ouderling en diaken voor vrouwen kunnen worden opengesteld.

Na langdurige discussies die zich over meerdere dagen uitstrekten heeft de synode deze hete aardappel doorgeslikt – of moeten we eerder zeggen: uitgespuwd? Want een definitief besluit is niet genomen en welke richting de GKV op dit punt de komende jaren zullen inslaan is nog allerminst duidelijk. De besluitvorming is daarvoor te diffuus en in zekere zin ook te tegenstrijdig. Het rapport van de meerderheid van de deputaten dat pleitte voor de openstelling van de ambten voor vrouwen, is unaniem afgewezen. Daaruit mag niet geconcludeerd worden dat de synode deze opvatting als zodanig heeft verworpen. De unanimiteit van de afwijzing wijst daar al op. Het was vooral de argumentatie onder de uitgedragen visie die als ontoereikend en deels ook onjuist werd beoordeeld. Bovendien sprak de synode uit dat in de kerk ruimte blijft voor pleidooien voor openstelling van de ambten voor vrouwen, zolang er vanuit de Schrift geargumenteerd wordt.

Er komt een studie naar de ambten, omdat uit de discussies ter synode en daarbuiten gebleken is dat daarover geen eenstemmigheid bestaat. De ambtsstructuur zoals die in de GKV functioneert, kan niet rechtstreeks aan de Schrift worden ontleend en dus is er ruimte voor bezinning die eventueel tot aanpassingen zou kunnen leiden. Er is op zichzelf niets op tegen het ambt kritisch tegen het licht te houden. Maar het is wel de vraag of dat nu echt iets fundamenteel nieuws zal opleveren. We moeten niet de suggestie wekken dat de kerken van de Reformatie in het verleden alles volledig uit hun duim hebben gezogen toen ze de huidige ambtsstructuur vormgaven.

Men kan zich ook afvragen waarom uitgerekend nu een bezinning op het ambt plaatsvindt. Was daar niet al eerder aanleiding toe? In veel gemeenten is de voorziening in de ambten al jaren problematisch en er zijn allerlei initiatieven genomen om de daardoor ontstane tekorten in het ambtelijk werk op te vangen. De figuur van de pastoraal werker is daar een voorbeeld van. Ook het fenomeen van de huiskring moet in dit kader gezien worden. Dat roept vragen op over de verdeling van taken en verantwoordelijkheden over ambtsdragers en ‘ambteloze’ gemeenteleden, maar dat is kennelijk geen reden geweest het ambt als zodanig op de agenda te zetten. Dat dit nu wel gebeurt, geeft wel enige reden tot wantrouwen. Is het de bedoeling het ambt zodanig te kneden en bij te schaven dat de bezwaren tegen de openstelling voor vrouwen kunnen worden weggenomen? Het is overigens de vraag of dit vraagstuk wordt opgelost, wanneer er bijvoorbeeld een splitsing wordt gemaakt tussen ambtsdragers aan wie de taak van ‘opzicht en tucht’ wordt toevertrouwd en hen die pastorale en diaconale werkzaamheden verrichten. Zullen (radicale) voorstanders van de openstelling van de ambten daarmee tevreden zijn? Er zou immers dan nog steeds een verschil tussen mannen en vrouwen bestaan en daarvan willen zij niets weten.

De vraag of het ambt van predikant ook voor vrouwen opengesteld moet worden wordt daarmee in elk geval niet beantwoord. Zijn belangrijkste taak is de bediening van het evangelie, vooral door middel van de prediking. Die is volgens de Heidelbergse Catechismus één van de sleutels van het hemelrijk en daarmee een middel tot tuchtoefening en dus uitoefening van ambtelijk gezag. Het ontnemen van het gezag aan de predikant reduceert de prediking tot een bijdrage aan de discussie. Moet men daarvoor elke zondag naar de kerk?

Zoals gezegd heeft de synode uitgesproken dat binnen de kerk weliswaar gepleit mag worden voor de openstelling van de ambten voor vrouwen, maar onder de voorwaarde dat de argumenten aan de Schrift ontleend zijn. In sommige reacties werd opgemerkt dat dit – zeker voor de synode van een gereformeerde kerk – een open deur is. Daar ben ik niet zo zeker van. De tijd dat discussies in gereformeerde kring werden gevoerd op basis van de Schrift en de gereformeerde belijdenis ligt al een tijd achter ons. Afgaande op de weblog die de redacteur van het Nederlands Dagblad ter synode bijhield, moet men wel constateren dat er nogal eens argumenten werden aangevoerd die naadloos in de huidige door gevoelens gedomineerde populistische cultuur passen. Wie eens een kijkje neemt op allerlei internetfora komt veel reacties van voorstanders tegen die zich zelden op de Schrift beroepen en als ze dat al doen, vaak op een nogal willekeurige en onzorgvuldige manier. In de discussies gaat het vooral veel over de ‘belangen’ van vrouwen en in het bijzonder van hen die zich geroepen voelen hun capaciteiten in het ambt in te zetten. Ook de tegenstanders zullen niet ontkennen dat er vrouwen zijn die de capaciteiten hebben voor de vervulling van de verschillende ambten. Vanuit de Schrift is dat echter niet doorslaggevend. Het gaat niet om de vraag wie zich geroepen voelt, maar wie naar de normen van de Schrift geroepen wordt. Dat geldt overigens voor mannen evenzeer als voor vrouwen. Gezien de aard van de discussies is het goed dat de synode hier een piketpaaltje heeft geslagen.

Sommigen zullen ook een andere uitspraak van de synode als zodanig beschouwen. Daarin wordt vastgesteld dat in de Schrift twee lijnen zichtbaar zijn: enerzijds de gelijkwaardigheid van man en vrouw en anderzijds een onderscheid in verantwoordelijkheid. Voorstanders zien dit als een obstakel op de weg naar openstelling en wellicht zullen de tegenstanders met enige opluchting van deze uitspraak kennis genomen hebben. Het is maar de vraag of dat terecht is. Echt richtinggevend in de bezinning lijkt me die uitspraak niet. Want welke lijn weegt uiteindelijk het zwaarste en moet de doorslag geven? Ook wanneer beide lijnen onderkend worden, kan de meningsvorming nog verschillende kanten uitgaan. Dit is niet maar alleen een kwestie van exegese, maar ook van hermeneutiek, de manier waarop de bijbel gelezen en geïnterpreteerd moet worden. Dat laatste heeft tijdens de beraadslagingen wel een rol gespeeld, maar heeft uiteindelijk niet geleid tot een besluit een deputaatschap aan het werk te zetten om daarover meer duidelijkheid te scheppen. Dat is wellicht daaruit te verklaren dat de meerderheid van de deputaten – en waarschijnlijk ook de voorstanders van de openstelling van de ambten ter synode – ontkennen dat hun manier van het lezen van de Schrift afwijkt van wat in gereformeerde kring altijd gebruikelijk geweest is. Als er al geen overstemming is over het bestaan van een probleem kun je geen besluit verwachten om dat probleem op te lossen.

Het besluit een studie naar het ambt te laten verrichten kan – hoezeer op zichzelf ook positief te waarderen – moeilijk anders worden geïnterpreteerd dan als een verlegenheidsoplossing, waarmee in elk geval weer tijd wordt gewonnen. Men kan zich niet aan de indruk onttrekken dat hier ook angst meespeelt. De verdeeldheid tussen de synodeafgevaardigden is een weerspiegeling van de verdeeldheid onder kerkleden. Wanneer de synode een definitief besluit ten gunste van de openstelling van de ambten zou hebben genomen, zou dit vèrstrekkende gevolgen kunnen hebben. Het zou kunnen leiden tot het vertrek van degenen die zich daarin beslist niet kunnen vinden, en daaronder ook een aantal predikanten. Maar ook een tegenovergesteld besluit zou zo’n effect kunnen hebben. Men zou kunnen zeggen dat een definitief besluit hoe dan ook tot verlies zou leiden. Te winnen viel er weinig.

Met de huidige besluiten zal een uittocht naar de ene of naar de andere kant wellicht uitblijven. Maar is dat winst? Je kunt niet maar blijven pappen en nathouden. Ooit zullen de GKV kleur moeten bekennen. En dan volgt een uittocht – groot of klein – alsnog. Met leidinggeven heeft dit allemaal weinig te maken. Juist van kerkelijke vergaderingen – de verzamelde ‘wijsheid’ van het kerkverband – mag geestelijk leiderschap gevraagd worden. De synode heeft op dit punt in elk geval gefaald. Dat lijkt trouwens een algemeen verschijnsel binnen het kerkverband te zijn. Te vaak worden zaken op hun beloop gelaten, waardoor het bevoegd gezag zijn greep op de ontwikkelingen verliest. Men kan bezwaren hebben tegen de opvattingen van de meerderheid van de deputaten, maar ze was in elk geval niet bang zich duidelijk uit te spreken. Dat is op zichzelf een verademing, want al te vaak vinden binnen plaatselijke kerken en het kerkverband als geheel soms vèrgaande veranderingen plaats, die op geen enkele manier worden verantwoord. De deputaten – meerderheid en minderheid – hadden hun visie in elk geval onderbouwd, wat de mogelijkheid bood de argumenten te toetsen en daarover een oordeel uit te spreken. Maar waar argumentatie achterwege blijft, wordt elke poging tot gedachtenwisseling in de kiem gesmoord. Juist dat is één van de grote frustraties van degenen die zich zorgen maken over de manier waarop de GKV zich ontwikkelen.

Het streven “de boel bij elkaar te houden” is op zichzelf lovenswaardig. Maar dat wordt niet bereikt door besluiteloosheid en wankelmoedigheid. Ook tijdens de beraadslagingen van de synode speelde het motief van het ‘draagvlak’ mee. Dat is echter geen statisch gegeven. Een draagvlak kun je ook creëren. De synode had een voorbeeld kunnen nemen aan burgemeester John Berends van Apeldoorn. Hem was gevraagd in zijn gemeente Volkert van der Graaf, de moordenaar van Pim Fortuyn, te huisvesten. Hij besloot daaraan gevolg te geven en informeerde vervolgens eerst de gemeenteraad en daarna de bewoners van het gebied waar Van der Graaf zich zou vestigen.

Een burgemeester vertegenwoordigt de bevolking van zijn stad of dorp. Maar dat betekent niet dat hij zijn oren naar de burgers moet laten hangen. Dat deed Berends dan ook niet. Hij nam het verzoek dat hem gedaan werd in overweging en nam vervolgens een besluit op grond van een aantal principiële overwegingen. In zijn informatie tegenover de gemeenteraad en vervolgens de inwoners van zijn stad was hij daarin heel duidelijk. Van der Graaf heeft zijn straf uitgezeten en heeft daarmee het recht zich ergens te vestigen om zijn leven weer op de rails te zetten. Het optreden van Berends blonk uit door een principiële positiekeuze, heldere argumentatie en de beslistheid waarmee hij zijn keuze verdedigde. Zou het daarmee te maken hebben dat de inwoners van Apeldoorn zo begripvol reageerden?

Zulke beslistheid is tijdens deze Generale Synode node gemist. Wie de kool en de geit wil sparen loopt een goede kans beide te verliezen. Van een synode mag geestelijke leiding en koersvastheid verwacht worden. Maar wat we gezien hebben is een voorbeeld van falend leiderschap. Daar is de kerk nog nooit beter van geworden.

Advertenties

Leerdienst

Je hoort het steeds vaker: de middagdiensten worden slecht bezocht. Ook als in de morgendienst vrijwel elke stoel bezet is, kun je ’s middags een kogel afschieten. In sommige gemeenten is men ertoe overgegaan de achterste rijen af te sluiten of door middel van een papiertje de bezoekers te stimuleren wat meer naar voren te gaan zitten. Het is voor een voorganger niet prettig, wanneer de eerste vijf of zelfs meer rijen leeg blijven.

Nu is dit op zichzelf geen nieuw verschijnsel. Er zijn – ook in de Gereformeerde Kerken – gemeenten waar de gewoonte de middagdienst over te slaan, een lange geschiedenis heeft, die soms al terugggaat tot ver voor de Vrijmaking. Maar dat het verschijnsel toeneemt is onmiskenbaar. Het gaat ook vrijwel geen gemeente voorbij.

Waar zijn al die mensen die er ’s morgens wel waren? Het zou kunnen zijn dat sommigen zich naar familie hebben begeven; de mobiliteit is immers de laatste decennia sterk toegenomen en tegen het reizen op zondag hebben nog maar weinig mensen bezwaar. Maar het verschijnsel van de lege kerkzalen doet zich overal voor, dus dat is waarschijnlijk niet de oorzaak. Het lijkt er eerder op dat de afwezigen gewoon thuisgebleven zijn. En het valt niet uit te sluiten dat er ook zijn, die ’s middags een dienst van een andere kerkelijke gemeenschap bezoeken.

Wanneer thuisblijvers gevraagd wordt naar de redenen, komen er allerlei zaken voorbij. Een tijdje geleden kwam in het Nederlands Dagblad een gezin aan het woord dat zich beperkte tot één dienst per zondag. En daarbij werd gewezen op het drukke bestaan en de vermoeidheid die daarvan het gevolg is. Er zullen vast nog wel andere ‘argumenten’ te verzinnen zijn. Feit is dat de oproep van de kerkenraad de middagdienst te bezoeken, geen effect heeft. En ook degenen die wel komen, zullen dit niet snel als argument noemen. Het zou ook wat mager zijn, wanneer men alleen maar naar de kerk zou komen omdat de kerkenraad daartoe oproept. Er zullen hopelijk ook wel inhoudelijke redenen zijn om de kerkdiensten te bezoeken.

In de discussie over de middagdienst wordt er ook op gewezen dat deze een herhaling is van de morgendienst. Daardoor zou de motivatie de middagdienst te bezoeken, worden ondermijnd. Ook door degenen die het verzuimen van de middagdienst onder geen voorwaarde willen goedpraten, wordt deze klacht serieus genomen. Dat is terecht, vooral aangezien het ‘van den beginne’ zo niet is geweest. Na de Reformatie was de middagdienst bedoeld om de kinderen – en aanvankelijk ook hun ouders – onderwijs te geven in de christelijke leer. Dat heeft, toen het catechetisch onderwijs aan de kinderen naar een apart moment in de week werd verplaatst, geresulteerd in de behandeling van de Heidelbergse Catechismus voor de hele gemeente.

In de loop van de tijd is die relatie tussen de Catechismus en de middagdienst verloren gegaan. Daarvoor zijn allerlei redenen te noemen. Predikanten zijn steeds meer gaan ruilen. Vaak geven ze er de voorkeur aan ’s morgens in de eigen gemeente voor te gaan. Wanneer ze dan zelf de catechismus willen behandelen, blijft daarvoor alleen de morgendienst over. Daar komt het overigens lang niet altijd van.

Wanneer in de middagdienst een andere predikant voorgaat, levert dit soms problemen op voor een regelmatige behandeling van de catechismus. Een beginnend predikant heeft niet voor elke catechismuszondag een preek beschikbaar en van rondprekende studenten kan helemaal geen catechismuspreek worden verlangd. Sommige emerituspredikanten kiezen ervoor geen catechismuspreken meer te maken en te houden, omdat ze vinden dat ze te ver van de gemeente afstaan. En als er een preek gelezen moet worden, is niet altijd een geschikte preek beschikbaar.

Deze laatste factoren zorgen ervoor dat niet alleen de relatie tussen catechismus en middagdienst goeddeels verloren is gegaan, maar dat van een regelmatige behandeling van de catechismus soms helemaal geen sprake meer is. Ik laat dat nu verder voor wat het is. Het gaat mij nu speciaal om de middagdienst.

Om toch de middagdienst een ander karakter te geven, wordt soms gegrepen naar het middel van de leerdienst. Daarbij wordt dan een specifiek onderwerp uitgediept. Zoals ik in een eerdere bijdrage al schreef wordt hiermee in feite een wiel uitgevonden dat al bestaat. Het verschil met de traditionele catechismusdienst lijkt marginaal. Natuurlijk is er wat meer vrijheid in de onderwerpkeuze. Zo zou in enkele diensten bijvoorbeeld speciale aandacht geschonken kunnen worden aan de islam en aan de vraag hoe je als christen daarmee om moet gaan.

Soms worden leerdiensten interactief gemaakt. Daarbij krijgt de gemeente gelegenheid vragen te stellen die de voorganger dan beantwoordt. Of de aanwezigen wordt gevraagd met elkaar in gesprek te gaan over een bepaalde vraag die door de voorganger wordt gesteld. Dat is niet zo modern als men misschien zou denken. De catechismusdiensten in de eerste tijd na de Reformatie zullen ongetwijfeld ook interactief zijn geweest.

Maar de tijden zijn veranderd. Een interactieve dienst is tegenwoordig iets anders dan een overhoren van geleerde vragen. De gemeente krijgt de gelegenheid mee te praten. Hoe één en ander wordt vormgegeven en hoe ver men met het interactieve aspect gaat, is heel verschillend. Het maakt nogal wat uit of op bepaalde momenten tijdens de preek de gemeente in de gelegenheid wordt gesteld een informatieve vraag te stellen dan wel dat er echt gediscussieerd wordt over een gestelde vraag.

Dat is mijns inziens geen lood om oud ijzer en ook niet alleen maar een kwestie van smaak of opportuniteit. Actieve deelname aan zo’n dienst kan niet worden afgedwongen. Er zijn maar weinig kerkgangers die zich laten dwingen actief deel te nemen. Het ligt mijns inziens ook buiten te bevoegdheid van een kerkenraad of een voorganger de aanwezigen tot deelname te dwingen. Niet iedereen voelt zich ook vrij in een dienst zich te laten horen.

Vanuit dat perspectief is vooral de uitnodiging aan de gemeente over een gestelde vraag te discussiëren, problematisch. Kan iemand die niet wil deelnemen, zich daaraan wel onttrekken, zonder allerlei weerstand te ontmoeten? Ook in de kerk zijn de lontjes soms kort. Zelf heb ik meegemaakt dat de gemeente welgeteld twee minuten de gelegenheid kreeg over een vraag te discussiëren. Heeft dat zin? Krijg je dan iets anders dan grote-stappen-snel-thuis-meningen? En zitten we daarop in de kerk te wachten? Zo’n aanpak werkt de oppervlakkigheid in de hand en dat is juist wat een leerdienst zou moeten tegengaan.

Er is een nog belangrijker bezwaar. Het catechetisch onderwijs heeft altijd een leerfunctie gehad: een daartoe bevoegd persoon – in de regel een predikant – gaf onderwijs over de leer van de kerk. Daarvoor had hij de opdracht gekregen en daardoor kon hij met gezag de leer van de kerk uitdragen. Maar juist hier zitten we met een probleem. De autoriteit van de predikant staat niet meer boven discussie en ook zijn bevoegdheid op grond van het feit dat hij geroepen is maakt steeds minder indruk. Er is sprake van een flinke devaluatie van het ambt. Daaraan hebben veel ambtsdragers zelf overigens het hunne bijgedragen.

Maar juist dan is het gevaar groot dat een interactieve leerdienst een vrijblijvende discussie wordt, waarbij iedereen een duit in het zakje kan doen en een discussie ontstaat op voet van gelijkheid. Maar dat heeft met een leerdienst niets te maken. Het enige wat men daarvan mee naar huis neemt is de indruk dat de ene mening niet zwaarder weegt dan de andere. De mening van de predikant weegt dan hooguit iets zwaarder omdat hij ervoor “heeft doorgeleerd”.

Wil een leerdienst dus echt leerdienst kunnen zijn, dan zal eerst het gezag van het ambt moeten worden hersteld. Het zou al helpen wanneer predikanten zich niet zouden laten tutoyeren en zich niet met de voornaam zouden laten aanspreken. Maar vooral is nodig dat kerkenraden en individuele ambtsdragers weer het goede zicht op hun eigen ambt en de oorsprong daarvan krijgen. Alleen dan kunnen ze weer met gezag optreden. Als kerkenraden overwegen leerdiensten te gaan organiseren, zou dat wellicht het eerste onderwerp kunnen zijn: een schriftuurlijke visie op het ambt.