Archief

Posts Tagged ‘ambtsdragers’

U verdient eerherstel

Ik ben netjes opgevoed, al zeg ik het zelf. Mensen die ik niet persoonlijk ken, spreek ik met u aan. Dat geldt ook voor de jongeman of jongedame achter de kassa bij de supermarkt, ook al is die kennelijk de 20 nog niet gepasseerd. Wanneer zo iemand vraagt: “wil je de kassabon?”, antwoord ik: “alstublieft”.

Als ik me voorstel noem ik m’n voor- èn achternaam. Dat schijnt tegenwoordig nogal ongebruikelijk te zijn. In mijn gemeente wordt vóór de dienst de aanwezigen verzocht degenen die in hun directe omgeving zitten een hand te geven en kennis te maken. Ik probeer dat te vermijden, want ik vind dat een nogal zinloze exercitie. Soms lukt dat niet. Dan zegt iemand: “Hoi, ik ben Jan”. Dat is fijn voor hem maar niet erg informatief voor mij. Er zijn tenslotte wel meer hondjes die Fikkie heten. Je gaat bijna denken dat we terug zijn in het tijdperk toen de meeste mensen geen achternaam hadden.

Waar vroeger het tutoyeren en het aanspreken met de voornaam beperkt bleef tot de kring van familie en vrienden, gebeurt het tegenwoordig te pas en te onpas. Ik heb een abonnement op Nader Bekeken. Sinds enkele maanden weet ik nu hoe alle scribenten van voren heten. Heel interessant, maar worden de artikelen daar beter van? Krijg ik daardoor het idee dat ik hen nu beter ken? Ik dacht het niet.

We schijnen het tutoyeren en het gebruik van voornamen als winst te moeten beschouwen. Men vindt blijkbaar dat de samenleving daar leuker van wordt. Daar ben ik niet zo zeker van. Gemakkelijker wordt ze er in elk geval niet van. Mensen hebben rituelen en vaste patronen nodig om hun weg in de samenleving te kunnen vinden. Spreek je iemand die zich met de voornaam voorstelt zomaar met je aan of gebruik je toch maar u? En geeft dat de vrijheid dan ook maar zijn of haar voornaam te gebruiken of wordt het toch meneer en mevrouw? Onze koning vindt dat iedereen hem maar moet aanspreken zoals men zelf wil en waar men zich comfortabel bij voelt. Maar juist die houding heeft tot gevolg dat mensen zich oncomfortabel voelen. Die uitspraak valt daarom in de categorie ‘een beetje dom’.

Uiteraard gaan de hier geschetste tendenzen de kerk niet voorbij. Ze moet tenslotte met de tijd meegaan. En dus nemen veel voorgangers de vrijheid hun toehoorders met je en jij aan te spreken, of die nu 20 dan wel 80 zijn. Niemand heeft hun ooit gevraagd of ze dat wel goed vinden. Het is dan ook geen wonder dat de predikanten zelf ook getutoyeerd worden en met hun voornaam worden aangesproken. Veel van hen willen dat zelfs. Is dat winst? Wordt de kerkelijke samenleving daar leuker van? Daar ben ik niet zo zeker van. Beter wordt ze er in elk geval niet van.

In het dagblad Trouw loopt momenteel een serie over Respect. In de eerste bijdrage gaat Peter Henk Steenhuis uitvoerig in op het begrip respect. Hij laat zien dat dit oorspronkelijk betekende ontzag of eerbied. “De patiënt keek tegen de arts op omdat de man ervoor gestudeerd had en gezondheid een belangrijk goed was. Zo had je ook respect voor een predikant: die vertegenwoordigde iets wat voor jouw leven van belang was.” Inmiddels wordt dit begrip op een heel andere manier gehanteerd. Steenhuis verwijst naar een ethicus, volgens wie respect tegenwoordig “is gericht op een onvervreemdbare waardigheid die wij allemaal bezitten. Die waardigheid zou je ook kunnen vertalen als ‘autonomie van ieder mens, die we in acht moeten nemen’.”

Hij signaleert vervolgens een andere betekenis, die nog eens in twee tegengestelde aspecten uiteenvalt: “het respect voor de onvervreemdbare waardigheid (wij zijn allemaal gelijkwaardig) en dat voor het bijzondere dat wij allemaal menen te bezitten: wij zijn allemaal als individu ongelijkwaardig en dienen zo behandeld te worden.” Die twee aspecten zijn in feite onverenigbaar. Niettemin lijkt me dat ze wel iets gemeenschappelijks hebben: ze zijn beide ik-gericht. In beide gevallen wordt respect gevraagd of zelfs geëist, niet gegeven. Respect eisen gaat de meeste mensen wel goed af, respect betonen veel minder.

Ook de kerk wordt daarmee geconfronteerd. Tegen geloven wordt geen bezwaar gemaakt, maar de kerk moet vooral niet de pretentie hebben te beschikken over de waarheid en waarden en normen uit te dragen die voor iedereen gelden. Daarmee zou ze zich niet alleen verheffen boven andere krachten in de samenleving, maar laat ze het bovendien ontbreken aan respect voor andersdenkenden.

Ook binnen de kerk wordt respect gevraagd en soms zelfs opgeëist. Kerkleden vinden het in toenemende mate moeilijk broeders en/of zusters aan te spreken op hun opvattingen of gedragingen. Er is een sfeer ontstaan waarin iedereen zelf moet bepalen wat hij gelooft en hoe hij zijn leven inricht. Kritiek daarop wordt steeds minder geaccepteerd. Daarmee hebben ook ambtsdragers te maken. Het feit dat ze een ambt bekleden speelt nauwelijks meer een rol in de manier waarop wordt omgegaan met wat zij – naar hun overtuiging op grond van de Schrift – naar voren brengen.

Het valt echter te vrezen dat ze dit soms zelf ook in de hand werken. Durven ze zich nog als ambtsdrager te presenteren en geloven ze nog dat het ambt hun gezag verleent? Het feit dat steeds meer predikanten zich met de voornaam laten aanspreken en laten tutoyeren wijst er niet op dat ze een sterk besef van hun ambt en het daarmee gepaard gaande gezag hebben. De nadruk op de gelijkheid tussen ambtsdragers en de ‘ambteloze burgers’ in de kerk ondermijnt het besef dat ambtsdragers met gezag bekleed zijn en dat ze daarmee principieel niet gelijk zijn aan anderen.

Het gebruik van de achternaam of de ambtstitel – zoals ‘dominee’ – en de aanspraak met u worden tegenwoordig als afstandelijk gezien. Dat lijkt me niet terecht. Afstandelijkheid zit ‘m niet in de aanspraak maar in de omgang: ook mensen die elkaar met u en met de achternaam aanspreken kunnen vriendschappelijk en zelfs vertrouwelijk met elkaar omgaan.

Een ambtsdrager mag zich tegenover de gemeente en individuele gemeenteleden niet afstandelijk gedragen. Maar dat betekent niet dat enige afstand niet gewenst is. Dat heeft niet alleen te maken met de gevaren die in een te grote vertrouwelijkheid schuilen. Een gebrek aan afstand maakt het ook moeilijk gemeenteleden te vermanen wanneer dat nodig is. Het spreekwoord zegt: “Het is een vriend die mij mijn feilen toont”. In dat geval wordt iemand aangesproken door iemand die principieel zijn gelijke is. Hij kan de kritiek aanvaarden, omdat die van een vriend afkomstig is. Hij kan ook de vriendschap op het spel zetten door de kritiek te verwerpen. Bij het optreden van een ambtsdrager ligt dit principieel anders. Een gemeentelid dient deze kritiek niet te aanvaarden omdat die van een vriend – en dus van zijn gelijke – komt, maar omdat de ambtsdrager – op grond van de van God ontvangen roeping – de taak heeft hem te vermanen. Dat vermaan moet broederlijk zijn en vanuit de Schrift geargumenteerd worden, maar mag niet vrijblijvend zijn. Daarvoor is dan wel nodig dat zijn gezag aanvaard wordt.

Er is daarom alle reden het besef van de betekenis van het ambt en het daarmee gepaard gaande gezag te herstellen. Maar dan moeten ambtsdragers – en dat geldt in het bijzonder voor predikanten – hun gezag niet laten uithollen door al te familiair te worden. Om een echte herder te zijn hoeft een predikant zich niet met zijn voornaam te laten aanspreken en zich te laten tutoyeren. U verdient eerherstel, zeker in de kerk.

Advertenties

Tucht op de tocht

De tucht staat op de tocht, zo lijkt het. Dat was in bepaalde christelijke kerken al heel lang het geval. Wanneer er geen eenstemmigheid is over leer en leven vervalt elke grond voor tuchtoefening. Maar ook in kerken van orthodoxe snit lijkt de tucht heel sporadisch te worden toegepast. Dat valt tenminste op te maken uit wat daarover in de pers de laatste jaren is geschreven.

Enige voorzichtigheid is hier uiteraard wel geboden. Er zijn geen harde gegevens over het aantal gevallen van tuchtoefening in reformatorische kerken. Dat is logisch, want de tuchtoefening voltrekt zich voor een groot deel buiten de openbaarheid. Pas bij een bepaalde fase van tuchtoefening wordt hierover aan de gemeente mededeling gedaan. Zover komt het in de regel niet. Meestal geven de betrokkenen er de voorkeur aan zich voor die tijd aan de gemeenschap van de kerk te onttrekken. In reformatorische kerken zijn onttrekkingen een frequent voorkomend verschijnsel. Hoevaak die een uitvloeisel zijn van tuchtoefening valt onmogelijk te zeggen.

De tucht is een wezenlijk onderdeel van de gereformeerde religie. Dat blijkt uit het feit dat twee van de drie Formulieren van Eenheid hieraan specifiek aandacht besteden. De Heidelbergse Catechismus spreekt over de kerkelijke tucht in Zondag 31, waarin de sleutels van het koninkrijk der hemelen aan de orde komen. Artikel 29 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis noemt de tuchtoefening als één van de kenmerken van de kerk van Christus. Het is dus bepaald niet van ondergeschikt belang of en zo ja, hoe de tucht wordt gehanteerd. Dat komt ook naar voren bij de bevestiging van ambtsdragers. Aan de te bevestigen broeders wordt gevraagd of ze beloven zich aan de “kerkelijke vermaning en tucht” te onderwerpen wanneer ze zich in leer of leven misgaan. Hetzelfde gebeurt bij de openbare geloofsbelijdenis, wanneer gevraagd wordt: “Belooft u (…) u aan de kerkelijke terechtwijzing te onderwerpen, indien u zich – waarvoor God u genadig beware – in leer of leven misgaat?”
Wanneer de kerk van Christus vooral verlegen met de tucht blijkt te zijn – en uitlatingen van ambtsdragers wijzen daarop – is er alle reden voor bezinning.

Er worden allerlei argumenten tegen tuchtoefening aangevoerd. Er wordt op gewezen dat het gevaar van misbruik op de loer ligt. Een kerkenraad zou in de verleiding kunnen komen een lastig gemeentelid door de kerkelijke tucht buiten gevecht te stellen.
Wie belijdt dat de mens van nature slecht is zal dit bezwaar niet zomaar van tafel vegen. Wie de waarde van de kerkelijke tucht wil hooghouden, zal zich van de gevaren goed rekenschap moeten geven. Het gevaar van misbruik, hoe reëel ook, heft het goede gebruik echter niet op. Het is bepaald niet overbodig in dit verband het belang van het kerkverband nog eens te onderstrepen. Een kerkenraad mag wel besluiten een gemeentelid van het avondmaal af te houden, maar voor elke volgende stap in het proces van tuchtoefening dient het advies van het kerkverband te worden ingewonnen. En elk gemeentelid dat onder censuur is gezet, heeft het recht tegen de beslissing van zijn kerkenraad in beroep te gaan bij de meerdere vergadering. In dit licht is het kerkverband – waarover nogal eens in negatieve termen wordt gesproken – dringend aan herwaardering toe.

Een ander bezwaar is dat tuchtuitoefening nogal eenzijdig is. Het zijn vooral zonden tegen het zevende gebod die tot tuchtoefening aanleiding geven. Wie zich aan andere zonden schuldig maakt, die wellicht even ernstig zijn, blijft meestal onder de radar. Ook dit bezwaar kan niet zondermeer van de hand gewezen worden. Wanneer men er lucht van krijgt dat bijvoorbeeld een ambtsdrager onder de tucht is gezet – wat betekent dat hij voor een bepaalde tijd wordt geschorst en dat daarom per definitie niet verborgen kan blijven – wordt meestal zonder meer aangenomen dat het wel weer om een zonde tegen het zevende gebod zal gaan. Er bestaat dus ook een bepaald verwachtingspatroon. Dit zou inderdaad kunnen samenhangen met een eenzijdige aandacht voor dit soort zonden, terwijl andere gemakkelijk door de vingers worden gezien.
In dit verband moet er op gewezen worden dat alleen tucht geoefend kan worden over zonden die in de openbaarheid komen. Wanneer iemand zich schuldig maakt aan overspel is dat vrijwel altijd het geval. Het leidt meestal tot ontwrichting van een huwelijk en een gezin. Dat laat zich niet aan de openbaarheid onttrekken. Daartegenover staan vele zonden die slechts aan de dader bekend zijn. Wie zijn belastingformulier niet correct invult en probeert inkomsten aan de belasting te onttrekken, zondigt tegen het achtste gebod. Maar van kerkenraadsleden mag niet verlangd worden dat ze bij een huisbezoek inzage vragen in de financiën. Ook andere zonden vinden vaak buiten het zicht van de gemeente plaats, zoals familieruzies of roddel en achterklap. De kerkenraad heeft maar een beperkte kennis van de gemeente die aan zijn zorgen is toevertrouwd. Dat wordt ook erkend in de formulering op belijdenisattestaties. Daarin meldt de kerkenraad dat de desbetreffende broeder of zuster “voorzover hem bekend” gezond is in leer en leven.
Dat is maar niet alleen onvermogen, de kerkenraad mag bepaalde grenzen ook niet overschrijden. Ook ten aanzien van de toelating tot de viering van het avondmaal – waarmee oorspronkelijk het huisbezoek verbonden was – heeft hij beperkte mogelijkheden en beperkte bevoegdheden. Het toezicht op de deelname aan de avondmaalsviering die aan de kerkenraad is opgedragen kan en mag de eigen verantwoordelijkheid van de avondmaalsgangers zelf niet wegnemen.

Dat tuchtoefening zich vaak beperkt tot zonden tegen het zevende gebod valt niet te ontkennen. Dat heeft nog een andere oorzaak. In veel gevallen is daarover weinig verschil van mening. Zeker wanneer het gaat om overspel of om sexueel misbruik bestaat er een grote mate van eensgezindheid dat dit in de gemeente van Christus niet getolereerd kan worden. Over andere zaken is er minder eenstemmigheid. Natuurlijk, wanneer bekend wordt dat een gemeentelid zich aan financiële malversaties of aan fraude heeft schuldig gemaakt, zal waarschijnlijk niemand bezwaar aantekenen tegen tuchtoefening. Maar hoeveel instemming mag nog verwacht worden wanneer iemand onder de tucht wordt gezet die de zondag als een gewone dag beschouwt en structureel en langdurig de zondagse erediensten verzuimt? Wordt dat nog als zonde tegen het vierde gebod gezien? En wanneer een gemeentelid weigert de ambtsdragers tot zijn huis toe te laten, geldt dat nog als zonde tegen het vijfde gebod? Overigens brokkelt de eensgezindheid ten aanzien van zonden tegen het zevende gebod ook behoorlijk af. Ik wijs hier op de discussies over ongehuwd samenwonen en over homosexuele relaties.
Ten aanzien van de tucht over de leer liggen de zaken nog veel ingewikkelder. De gereformeerde leer staat niet echt in het centrum van de aandacht. Het lijkt belangrijker dat iemand gelooft dan wat hij gelooft. Zelfs voor leertucht over ambtsdragers kalft het draagvlak af. De recente discussies over het kerkelijke conflict van de jaren ’70 van de vorige eeuw binnen de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) laten dat zien. De leringen die destijds mede aanleiding gaven tot het conflict worden nu als quantités négligeables afgedaan.

Eenzijdigheden in de tuchtoefening moeten we niet te lijf gaan door de laatste restjes van de tucht op te ruimen. Er moet niet minder maar juist meer tucht geoefend worden. Daarmee doel ik niet in de eerste plaats op censuurmaatregelen. Wanneer en in welke gevallen die aan de orde zijn behoort tot de bevoegdheid van kerkenraden. Daar begint de tuchtoefening ook niet mee. Tuchtoefening begint op de kansel. De Heidelbergse Catechismus noemt de verkondiging van het evangelie als eerste sleutel van het koninkrijk der hemelen. Dat moet dan ook in de prediking tot uiting komen. Die mag niet vrijblijvend zijn, noch ten aanzien van de leer noch met betrekking tot het leven van de gemeente.

De tucht staat op de tocht. Wie wil voorkomen dat ze wegwaait moet bij de prediking beginnen.

Een kudde zonder herders? (3)

Naar aanleiding van de klacht dat in de Gereformeerde Kerken geen leiding meer wordt gegeven ging het in de tweede bijdrage over de ambtsdragers in de gemeente. De aandacht richtte zich daarbij op de oorsprong en de aard van hun taak en het gezag dat daarmee verbonden is. Ook werd aandacht besteed aan de manier waarop dat gezag bedreigd en ondermijnd kan worden. In deze derde bijdrage richt ik de schijnwerper op de gemeente. Hoe moet de gemeente zich opstellen tegenover de ambtsdragers? Wat staat haar te doen wanneer er geen of verkeerde leiding wordt gegeven?

In het formulier voor de bevestiging van ouderlingen (en diakenen) wordt de gemeente afzonderlijk aangesproken. Nadat de bevestiging heeft plaatsgevonden, wordt de gemeente opgeroepen de ambtsdragers te ontvangen “als opzieners en herders van de gemeente”. Daar wordt aan toegevoegd: “Gehoorzaamt uw voorgangers en onderwerpt u aan hen, want zij zijn het die waken over uw zielen, daar zij rekenschap zullen moeten afleggen.” In het formulier voor de bevestiging van predikanten staat mutatis mutandis hetzelfde.

In het laatstgenoemde formulier staat wel een belangrijke restrictie. We lezen daar: “Denkt eraan, dat God zelf u door hem [de dienaar des Woords] aanspreekt. Neemt daarom de woorden, die hij naar de Schrift tot u spreekt, met blijdschap aan.” Gehoorzaamheid en onderwerping aan de ambtsdragers is dus niet ongeclausuleerd. Ambtsdragers mogen van de gemeente wel verwachten dat hun gezag wordt aanvaard, maar altijd onder de voorwaarde dat hun woorden en daden in overeenstemming zijn met de Schrift.

Daaruit volgt voor de gemeente twee dingen. Ze moet zich aan de ambtsdragers onderwerpen en hun gezag aanvaarden, ook wanneer ze moeite heeft met hun optreden, zolang dat valt binnen de grenzen die de Schrift aangeeft. En tegelijk zal ze steeds de woorden en daden van de ambtsdragers moeten toetsen aan de Schrift. Ik verwijs hier naar Hand. 17 waar wordt gezegd dat de Joden in Berea “dagelijks de Schriften [bestudeerden] om te zien of het waar was wat er werd gezegd”. Dat is een activiteit van ieder gemeentelid afzonderlijk, maar ook van de gemeente als geheel. De ambtsdragers dienen dat niet af te remmen of te frustreren, maar moeten dat stimuleren.

Dat betekent natuurlijk niet dat overal een bijbeltekst voor te vinden is. Overal een bijbeltekst voor willen hebben is wat men terecht biblicisme noemt. Het is geheel conform de gereformeerde visie op de Schrift dat ook wat logisch uit haar kan worden afgeleid, tot de gereformeeerde leer kan worden gerekend. Het bekendste voorbeeld is natuurlijk de kinderdoop. Een bijbeltekst waarin staat dat elk kind van gelovige ouders moet worden gedoopt, is niet te vinden. Maar in de belijdenis en de doopsformulieren wordt overtuigend aangetoond dat dit wel als schriftuurlijke opdracht mag worden aangemerkt. Dat gebeurt vooral door heel de Schrift in haar samenhang te laten spreken. Dat is de manier waarop de belijdenisgeschriften tot hun formulering van de gereformeerde leer komen. (Ik kom daarop nog een keer terug in verband met de grondslag van de ChristenUnie en andere organisaties.)

Daarmee zijn we er nog niet. Er zijn ook kerkelijke regels. Beter gezegd: beloften die we als kerken binnen het kerkverband aan elkaar hebben gedaan. Daarmee hebben kerkleden – en ook ambtsdragers – soms nogal wat moeite, vooral als ze een dam opwerpen tegen wat men eigenlijk graag zou willen. Het kan gebeuren dat zulke regels tegen de Schrift worden uitgespeeld. Er was een tijd dat de kreet “What would Jesus do?” nogal populair was. In dit geval kan daarop als antwoord worden gegeven: Hij zou zich aan gemaakte afspraken houden. Zei Hij niet zelf in de Bergrede: “Laat jullie ja ja zijn, en jullie nee nee”? (Mt 5,37). Wanneer ambtsdragers dus kerkverbandelijk gemaakte afspraken naast zich neerleggen, kan hun met recht verweten worden onschriftuurlijk te handelen.

Wanneer gesproken kan worden van onschriftuurlijk handelen, is het tijd de kerkenraad aan te spreken en ter verantwoording te roepen. Maar ook dan moet het ambt gerespecteerd worden. Dat betekent dat de wijze waarop de ambtsdragers benaderd worden, in overeenstemming moet zijn met wat de Schrift zegt over het respect voor wie over ons gesteld zijn. Ambtsdragers mogen en moeten worden aangesproken op de wijze waarop ze hun ambt vervullen. Maar daar rust alleen zegen op wanneer dat op een respectvolle manier gebeurt. Wie de gemeente wil bewaren bij de leer van Christus, dient in de geest van Christus te handelen. De Bergrede heeft ons ook wat te zeggen wanneer het gaat om het aanspreken en eventueel bekritiseren van ambtsdragers. Ook de binnen de Gereformeerde Kerken afgesproken regels ten aanzien van de behandeling van meningsverschillen dienen gerespecteerd te worden. Het publiek aan de schandpaal nagelen van ambtsdragers of hen in publicaties of op internetsites voor schorsingswaardig verklaren is niet in overeenstemming met het respect waarop ambtsdragers recht hebben en ook niet met de kerkverbandelijke afspraken.

Ik wil in dit verband wijzen op het vijfde gebod, zoals we dat vinden in Exodus 20. Het gaat hier over het eren van de ouders. Het zal duidelijk zijn dat dit niet gelijkgesteld kan worden met gehoorzamen. Wanneer kinderen volwassen zijn geworden en het ouderlijk huis verlaten, houdt de plicht tot gehoorzaamheid, die minderjarige kinderen hebben, op. Dat is ook de implicatie van wat Paulus in Efeze 5 schrijft, namelijk dat de man zijn ouders zal verlaten en zich aan zijn vrouw zal hechten (vs 31). Dan valt de plicht tot gehoorzaamheid aan de ouders weg. Maar de plicht tot het eren van de ouders niet. Modern gezegd: geen gehoorzaamheid meer, maar wel respect. Zo is het ook in de relatie tussen de gemeente en de ambtsdragers. Het kan zover komen dat er de plicht bestaat de gehoorzaamheid aan de kerkenraad – in elk geval op een bepaald punt – op te zeggen. Maar daarmee blijft de plicht de ambtsdragers met respect te bejegenen. Bovendien wijst de Heidelbergse Catechismus (Zondag 39) bij de uitleg van dit gebod erop dat we met de zwakheden en gebreken van allen die gezag over ons ontvangen hebben, geduld moeten hebben.

Dat geduld sluit overigens niet uit dat actie wordt ondernomen. In het gereformeerde kerkrecht wordt gemeenteleden die menen dat de kerkenraad hun onrecht heeft gedaan of een koers vaart die in strijd is met de Schrift en de belijdenis, de mogelijkheid geboden in appèl te gaan bij de classis. Die gang naar de classis zou ook mogelijk moeten zijn wanneer de kerkenraad zich, naar de mening van een gemeentelid, niet houdt aan wat kerkverbandelijk is afgesproken. Maar hier hebben we wel een probleem. Op generaal-synodaal niveau is, vooral ten aanzien van de kerkorde-artikelen die over de liturgie en de inrichting van de erediensten gaan, aan de gemeenten een zodanige vrijheid gelaten dat elke kerk haar eigen beleid kan ontwikkelen.

Natuurlijk, het is geheel in overeenstemming met het gereformeerde kerkrecht dat de gemeente een grote mate van autonomie heeft. Maar in de praktijk betekent het vooral een grote autonomie van kerkenraden. En dan kan het gebeuren dat in plaatselijke kerken allerlei liederen worden gezongen die door de Generale Synode niet voor kerkelijk gebruik zijn vrijgegeven. Het beleid van een kerkenraad uit het midden van het land laat dat zien. Volgens een synodebesluit mogen in bijzondere diensten niet-vrijgegeven liederen gezongen worden. Dat was voor de desbetreffende kerkenraad de reden elke dienst als ‘bijzonder’ aan te merken om zo zulke liederen onbeperkt te kunnen gebruiken. De overeenkomst met gemeentebesturen die hun gemeente als toeristisch gebied aanwijzen om de hand te kunnen lichten met de winkeltijdenwet is treffend.

Maar wanneer een gemeentelid hier bezwaar tegen heeft, wordt het lastig in appèl te gaan bij de classis. Er is hier immers sprake van de vrijheid van de plaatselijke kerk? Het lijdt geen twijfel dat de lijn die op dit punt wordt gevolgd, z’n uitwerking niet zal missen op de manier waarop in bredere zin met kerkorde en kerkelijke afspraken wordt omgegaan. Het gevaar is reëel dat de autonomie van de kerkenraad ertoe leidt dat de gemeente monddood wordt gemaakt en haar de mogelijkheden voor appèl worden ontnomen. Dat moet bezwaarde gemeenteleden er overigens niet van weerhouden toch deze weg te gaan wanneer wezenlijke zaken in geding zijn.

Ter afsluiting nog een laatste punt. Conflicten en wrijvingen in de gemeente worden niet altijd veroorzaakt door ambtelijk handelen of spreken dat op gespannen voet staat met de Schrift, de belijdenis of de kerkorde. Er zijn ook zaken die op het vlak liggen van wat men geneigd is als persoonlijke smaak of gevoel of cultuur aan te duiden. Soms is dat terecht, maar lang niet altijd. Over allerlei zaken is wel meer en ook meer fundamenteels en principieels te zeggen dan dat het een kwestie van smaak is. Wanneer een predikant in zijn gemeente consequent vooral opwekkingsliederen in de dienst laat zingen handelt hij niet in strijd met wat kerkordelijk is afgesproken, tenminste wanneer hij zich beperkt tot de liederen die voor kerkelijk gebruik zijn vrijgegeven. Dat kun je natuurlijk helemaal tot het gebied van de persoonlijke smaak rekenen. Maar over dit onderwerp valt wel wat meer te zeggen, zeker vanuit de overtuiging dat een gereformeerde liturgie iets anders is dan een evangelische liturgie.

Maar zelfs al was het alleen maar een kwestie van smaak, dan is daarmee de kous nog niet af. Predikanten en kerkenraden zijn er voor heel de gemeente, niet alleen voor een bepaalde groep, bijvoorbeeld de jongeren. Het is best mogelijk dat bepaalde beleidsvoornemens passen binnen de grenzen van de Schrift en de belijdenis en ook binnen wat we als kerken samen hebben afgesproken. Toch kan er reden zijn van zulke voornemens af te zien. Ook met de gevoelens van gemeenteleden zal rekening gehouden moeten worden, zolang die – naar de normen van de Schrift – legitiem zijn. In dit verband is het goed nog eens terug te keren naar de brief van Paulus aan de Efeziërs. Daar schrijft hij over de relatie tussen ouders en kinderen. Hij wekt de kinderen op hun ouders te gehoorzamen, “uit ontzag voor de Heer” (vs 1). Maar daarop laat hij volgen: “Vaders, maak uw kinderen niet verbitterd, maar vorm en vermaan hen bij het opvoeden zoals de Heer dat wil.” (vs 4) Ook dit gebod kan worden doorgetrokken naar de relatie tussen de ambtsdragers en de gemeente. De ambtsdragers dienen ervoor te waken dat ze de gemeente waarover ze zijn aangesteld, niet verbitteren.

Uit het aangehaalde vers blijkt dat het verbitteren van de kinderen het tegenovergestelde is van het “opvoeden zoals de Heer dat wil”. Vertaald naar de omgang van de ambtsdragers met de gemeente betekent het dat het niet verbitteren van de gemeente een onvervreemdbaar onderdeel is van hun taak de gemeente voor te gaan in de dienst aan God.

In de laatste aflevering van deze serie keer ik terug naar het begin: de klacht van prof. Douma dat binnen de Gereformeerde Kerken geen leiding meer wordt gegeven. Hij noemt een aantal concrete gevallen, o.a. uit het Nederlands Dagblad, maar ook neemt hij enkele aspecten van het beleid van de ChristenUnie op de korrel. Is zijn kritiek terecht?