Archief

Posts Tagged ‘André Rouvoet’

Kerk en politieke partij (1)

De relatie tussen kerk en politieke partij was vroeger een heet hangijzer onder gereformeerden. Dat had alles te maken met het feit dat het Gereformeerd Politiek Verbond (GPV) zijn leden vrijwel exclusief betrok uit de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) (GKV). Alleen bij hoge uitzondering werden leden van andere kerken toegelaten, met name uit de Christelijke Gereformeerde Kerken. Die nauwe binding is altijd omstreden geweest, al vormden de tegenstanders waarschijnlijk een minderheid. Met de tijd nam de weerstand toe, niet alleen van de kant van hen, die aan de kerk niet al te veel gewicht toekenden. Ook iemand als prof. J. Douma begon zich steeds kritischer uit te laten en ventileerde uiteindelijk de opvatting dat het GPV zijn ‘kerkgebondenheid’ moest loslaten. Waarschijnlijk vertegenwoordigde hij inmiddels de hoofdstroom binnen de GKV. De kerkelijke binding van het GPV werd al in 1996 losgelaten, ruim voordat de partij opging in de Christenunie. Daartegen werd wel bezwaar aangetekend, maar erg krachtig was het niet.

Inmiddels is het verschijnsel van de kerkgebondenheid vrijwel verleden tijd. Er zijn nauwelijks nog organisaties overgebleven die hun leden exclusief uit de GKV betrekken. Toch duikt het begrip nu en dan op. Recent was dat bijvoorbeeld het geval toen de historicus Ewout Klei promoveerde op de geschiedenis van het GPV. In zijn beschrijving komt de kerkgebondenheid van het GPV uiteraard uitvoerig aan de orde. En ook recensenten besteden er aandacht aan. In het nummer van juli/augustus van het tijdschrift Nader Bekeken wordt dit proefschrift gerecenseerd door prof. Douma, die deze gelegenheid te baat neemt nog eens afstand te nemen van de kerkgebondenheid. In het boek van Klei ziet hij een bevestiging van zijn overtuiging dat het geen goede greep is geweest dat het GPV besloot zich uitsluitend op de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) te richten.

Klei beschrijft in zijn boek – dat ik overigens nog niet gelezen heb – hoe de ontwikkeling van het GPV tot een echte politieke partij werd belemmerd door allerlei conflicten die binnen de GKV plaatsvonden. En toen het GPV eenmaal een zetel in de Tweede Kamer had bemachtigd, was dat zeker niet het einde van de onenigheden. In de jaren ’70 had de scheuring binnen de GKV, die tot het ontstaan van de Nederlands-Gereformeerde Kerken leidde, directe gevolgen voor het GPV.

Het kan niet ontkend worden dat de troebelen die het GPV gedurende zijn geschiedenis parten speelden, nauw samenhingen met de binding aan de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt). Door die binding was het niet meer dan logisch dat kerkelijke conflicten directe gevolgen hadden voor de partij. Daarnaast gaf het ook theologen de gelegenheid hun stempel op allerlei discussies te drukken, en het effect daarvan was zeker niet altijd positief. Daarbij moet met name gedacht worden aan het verzet tegen de formulering van een politiek programma. Sommigen beschouwden het GPV toch vooral als de politieke arm van de kerk, die als hoofdtaak had te laten zien wat de ware kerk in Nederland was.

Maar kunnen de genoemde verschijnselen uitsluitend op het conto van de kerkgebondenheid van het GPV worden geschreven? Zouden de gesignaleerde problemen aan het GPV voorbij zijn gegaan, wanneer al veel eerder dan in 1996 besloten was de partij open te stellen voor leden van andere kerken?

Laten we eerst eens naar een andere partij kijken, de SGP. Die betrekt haar leden vrijwel uitsluitend uit de zogenaamde ‘bevindelijke’ kerkgenootschappen en uit de ‘bevindelijke’ vleugels van de Christelijke Gereformeerde Kerk en de Nederlands Hervormde Kerk (later de PKN). Van een binding aan één kerk is nooit sprake geweest. Dat heeft haar echter niet gevrijwaard van kerkelijke invloed.
De historicus Henk Post heeft beschreven hoe de breuk die in 1953 binnen de Gereformeerde Gemeenten plaatsvond, ook binnen de SGP voor grote spanningen zorgde. Het feit dat binnen het ‘bevindelijke’ kerkelijke landschap over diverse zaken verschillend visies leven – bijvoorbeeld ten aanzien van de rol van de vrouw in politiek en maatschappij – heeft ook binnen de SGP zijn sporen nagelaten. Tot op de dag van vandaag kijken bepaalde groepen binnen de SGP de Tweede-Kamerfractie kritisch over de schouder.
In dit verband moet er ook op gewezen worden dat de SGP bij de samenstelling van kandidatenlijsten kijkt naar de kerkelijke kleur van kandidaten. Weliswaar bestaat er, voorzover mij bekend, geen formele regel die voorziet in een evenwichtige verdeling van de beschikbare plaatsen over vertegenwoordigers van verschillende kerken. Maar een kandidatenlijst waarop bijvoorbeeld de nummers 1 tot 8 alle tot de Gereformeerde Gemeenten behoren is absoluut ondenkbaar.
In het GPV mogen theologen zich vroeger duidelijk hebben laten horen, de invloed van predikanten binnen de SGP is altijd veel groter en duidelijker zichtbaar geweest dan in het GPV. Het is nog niet zo lang geleden dat de SGP in de Tweede Kamer werd vertegenwoordigd door predikanten. En nog altijd zijn hier en daar predikanten voorzitter van de plaatselijke SGP-afdelingen of zelfs gemeenteraadslid. Dat binnen de Christenunie theologen geen opvallende rol spelen heeft niet zozeer te maken met de lossere band tussen de partij en de verschillende kerken, maar met veranderingen in de visie op de positie van theologen en vooral dienstdoende predikanten. Ook in discussies over maatschappelijke vraagstukken binnen de achterban van de Christenunie spelen ze een geringere rol dan in de jaren ’50 en ’60 binnen de Gereformeerde Kerken.

Zo duidelijk is het verband tussen de troebelen binnen het GPV en zijn binding aan de Gereformeerde Kerken dus niet. Het lijkt me dat elke christelijke partij, wat haar relatie met één kerk dan wel verschillende kerken ook is, de invloed van kerkelijke conflicten ondergaat. En dan maakt het niet zoveel uit of die conflicten zich binnen één kerk afspelen dan wel de kerkelijke grenzen overschrijden. Met dat laatste heeft de Christenunie te maken. Dat blijkt met name uit de discussie over de vraag of leden van de partij die een homosexuele relatie hebben, de partij in politieke organen kunnen vertegenwoordigen. Kandidaten moeten de standpunten van de partij op een geloofwaardige en overtuigende manier uitdragen. Kunnen zij dat? In zijn bovengenoemde recensie gaat Douma daarop in.

Aan zijn proefschrift heeft Ewout Klei onder andere een stelling toegevoegd over dit onderwerp. De positie van homoseksuelen in de Christenunie lijkt op die van de niet-vrijgemaakten in het GPV: officieel is er een beetje ruimte voor ze, feitelijk is die ruimte er niet! (Douma gebruikt geen aanhalingstekens; ik weet dus niet of hij hier letterlijk citeert.) Douma wijst de parallel af. “Als ik (evenals Klei) vind dat de deuren van het GPV voor andere christenen dan vrijgemaakten al veel eerder dan in 1996 geopend hadden moeten worden, is er nog geen grond hetzelfde te zeggen als het over homoseksueel levende christenen gaat in de Christenunie. De Christenunie wil voor het gezin opkomen en keurt het homohuwelijk af. Wie kan een christelijke partij verbieden intern geen kandidaten voor te dragen voor publieke politieke functies als het over (homoseksueel) samenwonende kandidaten gaat?”

Hier maakt Douma zich er mijns inziens iets te gemakkelijk van af. De aanvaarding van kandidaten met een homosexuele relatie maakt het opkomen voor het gezin niet per definitie ongeloofwaardig. In zijn functie als minister van Jeugd en Gezin hanteerde André Rouvoet een definitie van het gezin waaronder ook een gezin met homosexuele partners viel. Zijn programmaministerie kende aan de zorg voor kinderen een centrale plaats toe. Het was voor hem een uitgemaakte zaak dat de overheid kinderen geen aandacht en zorg mag onthouden omdat die in een gezinsverband leven dat niet in overeenstemming is met wat christenen op grond van de Schrift onder ‘gezin’ verstaan.
De afwijzing van het homohuwelijk is ook geen sterk argument. Recent publiceerde het Nederlands Dagblad een interview met Monique Heger, die ooit als gemeenteraadslid voor de Christenunie moest opstappen vanwege het aangaan van een lesbische relatie en die sindsdien tevergeefs probeert weer een plek op een kandidatenlijst te krijgen. Ondanks haar relatie wijst ze het homohuwelijk resoluut van de hand. Dit is ook in overeenstemming met de argumentatie van de Christenunie tegen het homohuwelijk. Daaraan ligt niet de afwijzing van homosexuelen of van homosexuele relaties ten grondslag, maar de overtuiging dat het huwelijk exclusief bestemd is voor één man en één vrouw.

Het is niet zo eenvoudig een uitweg uit dit dilemma te vinden. Douma ziet als één van de grondfouten van het GPV dat de grondslag van de partij identiek was met die van de kerk. Hij wijst erop dat veel onderdelen van de confessie in de politieke praktijk helemaal niet aan de orde komen. “Als het onderwerp kinderdoop nooit aan de orde komt in de politiek, waarom kan een baptist dan niet meewerken aan een politiek program van actie, dat wel christelijk, maar daarom nog niet kerkelijk gekleurd is.” Eerder heeft hij ervan blijk gegeven dat hij ook ruimte ziet voor rooms-katholieken in de Christenunie. Dat kan uiteraard alleen wanneer de gereformeerde belijdenis uit de grondslag van de partij wordt geschrapt. Ik heb het vermoeden dat zonder de confessie de discussie over de positie van mensen met een homosexuele relatie in de Christenunie alleen maar gecompliceerder wordt en wellicht geheel zal vastlopen. Daarover ga ik een volgende keer verder doordenken.

De kerk en het verval van de christelijke politiek

6 maart 2011 1 reactie

Ook al is dit weblog vooral aan kerkelijke zaken gewijd, de kerk staat midden in de wereld. Dus er is alle reden eens naar de uitkomst van de verkiezingen voor de provinciale staten te kijken. Daar valt vanuit politiek en maatschappelijk oogpunt van alles over te zeggen. Ik beperk me hier tot één belangrijk aspect dat ik ook al aan de orde stelde na de verkiezingen voor de Tweede Kamer van vorig jaar.

Toen was één van de opvallendste aspecten van de uitslag het enorme stemmenverlies van de christelijke partijen waardoor hun aantal zetels in de Tweede Kamer fors werd gereduceerd. Vooral bij het CDA was het verlies enorm. Naar verhouding wisten de Christenunie en de SGP zich redelijk te handhaven. Ook al moest eerstgenoemde een zetel afstaan, echt dramatisch was het verlies niet. De uitslag van de verkiezingen van vorige week woensdag laat een op het eerste gezicht vergelijkbaar, maar bij nadere beschouwing toch ander beeld zien. Het CDA heeft zich weliswaar kunnen handhaven, maar van enig herstel was geen sprake. De SGP wist wat stemmen te winnen, maar er waren toch ook heel wat plaatsen waar ze veren moest laten. Deze keer viel de klap vooral bij de Christenunie. Een deel van het verlies is te wijten aan de substantieel hogere opkomst, die altijd in het nadeel van partijen met een trouwe achterban werkt. En omdat een deel van de aanhang bij de kamerverkiezingen al had afgehaakt, kan het niet verbazen dat het verlies van toen bij deze verkiezingen doorwerkte.

Maar er was toch iets opvallends. Het waren vooral christelijke bolwerken waar de Christenunie stemmen verloor. Daartoe behoren plaatsen als Bunschoten en Urk en dorpen op de Veluwe. Juist daar waar de Christenunie altijd zeker kon zijn van een omvangrijke en trouwe achterban raakte ze vele stemmen kwijt. Waar zijn die stemmen naartoe gegaan? Het lijkt erop dat de SGP hiervan een deel heeft gekregen. Maar de bescheiden stemmenwinst van de SGP kan het soms grote verlies van de Christenunie niet helemaal verklaren. In de genoemde plaatsen kreeg ook de PVV flink wat stemmen. Dat bracht Trouw ertoe te schrijven dat nu ook aanhangers van de Christenunie naar de PVV zijn overgelopen.

Zonder verder onderzoek is die conclusie wat voorbarig. Wanneer partij A 10 procent van de stemmen verliest en partij B 10 procent wint, is het verleidelijk aan te nemen dat die 10 procent van de ene naar de andere partij is gegaan. Maar zo eenvoudig is het meestal niet. Desalniettemin is er wel reden aan te nemen dat inderdaad van een overloop van de Christenunie naar de PVV sprake is. Na de kamerverkiezingen van vorig jaar is door een commissie uit de Christenunie een onderzoek gehouden. Daaruit kwam geen substantieel stemmenverlies aan de PVV naar voren. Er was eerder sprake van verlies aan linkse partijen, deels – maar niet uitsluitend – van kiezers die van nature niet tot de achterban van de partij behoren maar bij eerdere verkiezingen Christenunie gestemd hadden vanwege een aansprekend programma. Het is niet uitgesloten dat ook bij deze verkiezingen sommige kiezers die eerder Christenunie hebben gestemd, nu één van de linkse partijen hebben gekozen. Maar of dat ook voor de genoemde gemeenten geldt is maar zeer de vraag. Het sterk conservatieve karakter van deze plaatsen lijkt er eerder op te wijzen dat kiezers uit de natuurlijke achterban van de Christenunie dit keer hun stem aan de PVV hebben gegeven.

Wellicht liggen hier ook strategische overwegingen aan ten grondslag. Men wilde door een stem op de PVV – en misschien ook de SGP – bereiken dat dit kabinet, dat door de Christenunie nogal kritisch bejegend wordt, in de Eerste Kamer een meerderheid zou krijgen. Er kunnen ook meer inhoudelijke redenen zijn. Welke dat precies zijn is niet zonder nader onderzoek vast te stellen. Maar het zou naïef zijn te denken dat de achterban van de Christenunie immuun zou zijn voor de mantra’s die door PVV-politici worden aangeheven. U kent ze wel: de klachten over niet-westerse allochtonen – lees: moslims -, de gevaren van ‘islamisering’ en de teloorgang van de ‘christelijk-joodse cultuur’.

Die aantrekkingskracht bestond waarschijnlijk al wel eerder. Maar de drempel om naar de PVV over te stappen was groot. Tegen de PVV bestaat in christelijke kring veel weerstand. Het kost dus moeite om de overstap te maken. Het lijkt erop dat de rem om PVV te stemmen, begint de verdwijnen. En dat heeft ongetwijfeld te maken met het feit dat de PVV nu bij het regeringsbeleid is betrokken. Weliswaar is ze geen volwaardig coalitiepartner, maar haar wordt wel invloed op het regeringsbeleid gegund. Het ligt voor de hand te concluderen dat dit de drempel om PVV te stemmen, heeft verlaagd. Kortom, de gedoogsteun van de PVV aan het kabinet-Rutte heeft haar salonfähig gemaakt.

“Er is werk aan de winkel”, zei André Rouvoet als reactie op de teleurstellende verkiezingsuitslag. Dat geldt niet alleen voor de Christenunie, maar ook voor de christelijke kerken. Want daar is de traditionele achterban van de Christenunie te vinden. En dat betekent dat ook kerken voor de vraag staan hoe ze met dit verschijnsel omgaan. Dat leden van christelijke kerken op niet-christelijke partijen stemmen is geen nieuw verschijnsel. In kerken die een grote verscheidenheid aan dogmatische opvattingen kennen, zoals de PKN en de kerken waaruit ze is voortgekomen, is dat al decennia lang de gewoonste zaak van de wereld. Maar inmiddels is dit verschijnsel ook in kerken van een meer orthodoxe signatuur doorgedrongen. Er zijn gereformeerden die op GroenLinks of de SP stemmen, of zelfs op D66 – van de genoemde partijen waarschijnlijk wel het meest uitgesproken antichristelijk. Tot op heden geven kerken niet de indruk dit als een groot probleem te zien dat een antwoord vraagt.

Het lijkt erop dat steeds meer leden van christelijke kerken de PVV hun stem geven. Zal dat de kerken wakker schudden? De kerk heeft geen politieke taak. Vroeger namen de rooms-katholieke bisschoppen de vrijheid de gelovigen voor te schrijven op welke politieke partij ze moesten stemmen. Die tijden zijn voorbij, gelukkig. Met zulke voorschriften zou de kerk haar boekje te buiten gaan. Het zou ook onjuist zijn in de kerk verkiezingsmateriaal van de Christenunie of de SGP neer te leggen. Maar dat betekent niet dat het de kerk om het even mag zijn welke keuze haar leden in het stemhokje maken. Die keuze heeft immers alles te maken met het leven naar Gods wet.

In kerkdiensten wordt de lezing van de Tien Geboden vaak gevolgd door de samenvatting die Jezus ervan heeft gegeven. Het tweede deel daarvan luidt: heb uw naaste lief als uzelf. Kan wie dat ’s zondags hoort, de woensdag daarop het hokje rood maken bij een partij die naastenliefde niet in haar woordenboek heeft staan? Is Jezus’ voorschrift in de Bergrede dat we zelfs onze vijanden moeten liefhebben te verenigen met de keuze voor een partij die mensen vanwege hun geloof wil discrimineren, in de hoop dat ze hun biezen pakken?

Maar de kerk moet de spade nog wat dieper in de grond steken. Waarom nemen gelovigen hun toevlucht tot de PVV? Die speelt vooral in op de angst voor een machtsgreep van de islam. Met de vraag of die angst reëel is moet de kerk zich niet bezighouden. Dat is iets voor het maatschappelijke en politieke debat. De vraag die de kerk moet stellen is: hoe is de angst voor islamisering te verenigen met de belijdenis van Gods voorzienigheid? En stel nu eens dat er inderdaad een tijd aanbreekt dat christenen in hun vrijheid beperkt worden door moslims – of door wie dan ook. Drs. C.J. Haak, docent missiologie aan de TU te Kampen, zei kortgeleden: als de kerk wordt platgebrand, wat dan nog? Dan bouwen we toch een nieuwe? Dat klinkt wat erg simpel, maar hij treft daarmee wel de kern van de zaak: zijn we als christenen bereid te lijden? Of verdedigen we onze comfortabele maatschappelijke positie vooral om dat gevaar uit te bannen? Zo ja, wat zegt dat dan over ons geloof? Is ons dat nog wat waard?

Ook voor de kerk is er werk aan de winkel.