Archief

Posts Tagged ‘artikel 36’

Vluchtelingen als spiegel van de ziel

De vluchtelingenstromen die door Europa zwerven en ook ons land bereiken hebben heel wat overhoop gehaald. Ze hebben het beste in de samenleving naar boven gehaald: veel mensen hebben zich als vrijwilliger aangemeld om te helpen bij de opvang van vluchtelingen. Ze hebben ook het slechtste naar boven gehaald, dingen waarvan sommigen wellicht dachten dat die alleen in minder ontwikkelde samenlevingen voorkwamen. Daarmee is de vluchtelingencrisis ook een spiegel van de Nederlandse ziel. Het beeld dat die spiegel laat zien geeft weinig reden tot vreugde.

Volgens tegenstanders van immigratie, vooral die vanuit islamitische landen, is onze Westerse beschaving superieur aan de beschaving die immigranten uit hun geboorteland meenemen. Daar was de afgelopen maanden niet veel van te merken. De diverse bijeenkomsten in gemeenten waar de vestiging van een asielzoekerscentrum werd overwogen, leverden bepaald geen overtuigende argumenten om die bewering te ondersteunen. De Westerse beschaving bleek niet meer te zijn dan een dun laagje vernis. Er is niet veel voor nodig om die te laten afbladderen. We hebben het in Steenbergen voor onze ogen zien gebeuren.

Die beschaving wordt dan ook nog eens het etiket ‘joods-christelijk’ opgeplakt. Dat is nog minder geloofwaardig, want zoveel ‘joods-christelijks’ is er aan de Nederlandse cultuur anno 2015 niet meer te ontdekken. En degenen die het als hun taak beschouwen die cultuur te verdedigen tegen het gevaar van de ‘islamisering’ geven er blijk van het wezen van die joods-christelijke cultuur niet te begrijpen. Als hun gevraagd wordt wat nu typisch is voor die cultuur kiezen ze met feilloze zekerheid datgene uit waarvoor in het christelijke denken geen aanknopingspunten zijn te vinden. Ze kijken rond in de winkel van christelijke waarden en nemen mee wat van hun gading is. Barmhartigheid en gastvrijheid blijven in de schappen liggen.

Het conflict over het vluchtelingenvraagstuk legt maatschappelijke tegenstellingen bloot. Die lopen niet in de eerste plaats langs ideologische lijnen maar langs die van opleiding en inkomen. Degenen die in het bezit zijn van een goede opleiding en kunnen genieten van een daarmee overeenkomend inkomen worden omschreven als ‘kosmopolitisch’ en staan open voor veranderingen. Dat kunnen ze zich ook permitteren. Ze staan goed voorgesorteerd en komen daardoor zonder al te veel kleerscheuren door een crisis heen, zoals we die de afgelopen jaren hebben meegemaakt. Wanneer de economie weer wat begint op te leven, openen zich nieuwe perspectieven. Voor degenen die het met minder opleiding en inkomen moeten doen, ziet de wereld er iets anders uit. Ze hebben het tijdens de recente crisis zwaar te verduren gehad en de gevolgen van bezuinigingen aan den lijve ondervonden. Ook bij economisch herstel is er voor hen weinig perspectief, mede gezien de toenemende robotisering en automatisering die te verwachten zijn. Perspectieven op een vaste baan zijn mager en sommigen wachten al jaren op betaalbare woonruimte. Geen wonder dat ze risicomijdend gedrag vertonen en graag blijven bij wat bekend en vertrouwd is.

De problemen waarmee ze geconfronteerd worden, hebben niets uitstaande met de komst van vluchtelingen. Maar hun aanwezigheid en vooral de recente toevloed worden aangegrepen als verklaring waarom hun leven er anders uitziet dan ze graag zouden willen. Sommige politici zijn maar al te graag bereid hen in deze houding te stijven en die te gebruiken ten bate van hun eigen nationalistische agenda. Daar hebben ze ook succes mee. Wie dacht dat de tijd van nationalisme en overdreven patriottisme achter ons lag, heeft zich vergist. In het laatste decennium van de vorige eeuw was een kreet als ‘eigen volk eerst’ maatschappelijk niet aanvaardbaar, maar inmiddels is die een vast onderdeel van het publieke debat.

Dat het nationalisme weer de kop opsteekt is niet verwonderlijk. Sinds de jaren ’70 van de vorige eeuw is de samenleving steeds individualistischer geworden en de zegeningen daarvan zijn van links tot rechts uitgebazuind. Naarmate het individualisme voortschreed is de gemeenschapszin aan erosie onderhevig geraakt. Juist diegenen die zich niet zo goed op eigen kracht kunnen redden, hebben behoefte aan een bepaalde vorm van gemeenschap, aan verbinding. Die werd vroeger gevonden in de kerk of in ideologisch gekleurde gemeenschappen, zoals de ‘rode familie’. Maar door de ontkerkelijking, ontzuiling en ontideologisering zijn die gemeenschappen als ‘bezielende verbanden’ weggevallen. Wat blijft er dan als alternatief over? Voor een groeiend aantal Nederlanders is dat: het (eigen) volk. Mensen zoeken de verbinding met wie op hen lijken – soort zoekt soort. Dat verklaart dat in toenemende mate gesproken wordt over de wil van ‘het volk’, die door de meeste politici genegeerd zou worden. Met nationalisme is altijd de mythe verbonden dat het volk meer is dan slechts een verzameling van mensen met dezelfde nationaliteit: dat het ook gekenmerkt wordt door een bepaalde identiteit, die zich uit in een scala van waarden en opvattingen. Het nationalisme legt niet alleen verbinding, het sluit ook uit: de ‘multiculturele samenleving’ wordt met wantrouwen bejegend of zelfs onomwonden afgewezen.

Het lijkt erop alsof de bovenbeschreven tendenzen aan de christelijke wereld voorbijgaan. Christenen spelen een niet onbelangrijke rol in de opvang van vluchtelingen en kerken zetten zich voor vluchtelingen in. Maar dat is maar een deel van de werkelijkheid. Er zijn ook kritische of zelfs negatieve geluiden te vernemen, vooral op de internetfora van christelijke nieuws- en opiniesites. Onverhuld nationalisme komt men daar niet zoveel tegen. Onder christenen speelt vooral het religieuze element een belangrijke rol. Het is met name de angst voor of afkeer van de islam en van moslims die de toon zetten. De suggestie van Geert Wilders dat Nederland bezig is te ‘islamiseren’ kan daar op nogal wat bijval rekenen. Dat wordt soms wat anders verpakt: met de vluchtelingen haalt Nederland ook de islam en daarmee een valse godsdienst binnen.

Je zou bijna denken dat er zich nogal wat SGP’ers ‘oude stijl’ op internetfora manifesteren. De SGP houdt nog altijd het ‘onverkorte’ artikel 36 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis in ere, dat de overheid opdraagt de ware godsdienst te bevorderen en de valse te weren. Dat heeft haar altijd veel kritiek opgeleverd, niet alleen uit seculiere hoek, maar ook in christelijke kring. Maar terwijl de SGP in de praktijk dit principe tussen haken heeft gezet en de nadruk legt op het belang van gewetens- en godsdienstvrijheid, wordt nu door tegenstanders van de komst van vluchtelingen gesuggereerd dat Nederland de grenzen moet sluiten om de toestroom van moslims te stuiten of op zijn minst op godsdienst zou moeten selecteren aan de poort. Wie die opvatting verkondigt neemt een loopje met de grondwet waarin godsdienstvrijheid is verankerd en kan dan niet meer van immigranten verlangen dat zij zich wel aan de grondwet onderwerpen.

Maar laten de met de islam dan geen valse godsdienst binnen? Zeker wel. Dat de islam een valse godsdienst is – daarover kan op grond van de Schrift geen misverstand bestaan. Maar: een valse godsdienst hebben we in Nederland al, en die is van eigen makelij. Ik doel hier op het secularisme. Die zou voor christenen wel eens heel wat bedreigender kunnen zijn dan de islam. Want laten we ons niet vergissen. Nationalistische politici schermen met de ‘joods-christelijke’ beschaving die verdedigd zou moeten worden. Maar voorzover ze het wezen daarvan al begrijpen, moeten ze van de bron van die beschaving niets hebben. Dat geldt zeker voor Geert Wilders die er geen misverstand over laat bestaan dat hij een atheïst is. Hij en zijn geestverwanten wijzen er graag op dat christenen het in islamitische landen zwaar te verduren hebben en vaak hevig vervolgd worden, ook door moslims die zich als ‘gematigd’ afficheren. Ze laten niet na de publieke opinie erop te attenderen dat christelijke vluchtelingen in asielzoekerscentra ook niet veilig zijn. Dat zijn echter krokodilletranen. Ze worden niet gemotiveerd door oprechte bezorgdheid over de godsdienstvrijheid voor christenen, want voor godsdienstvrijheid als zodanig interesseren ze zich niet. Het is vooral een stok om de islamitische hond te slaan. Van het nationalisme hebben christenen even weinig goeds te verwachten als van de islam.

Op internet kwam ik een citaat uit een krant tegen waarin de verzuchting werd geslaakt dat met de komst van moslims allerlei zaken die in ons land inmiddels ‘algemeen aanvaard’ worden, ineens weer ter discussie komen te staan. Daarbij gaat het dan om zaken waartegen ook orthodoxe christenen de afgelopen decennia herhaaldelijk bezwaar hebben aangetekend en die ze actief – via de politiek en via maatschappelijke actie – hebben bestreden. Het is veelzeggend dat de komst van moslims als een gevaar voor de ‘uniformiteit’ van de opvattingen over dit soort zaken wordt gezien. Wordt het christelijke verzet niet waargenomen? Als dat het geval is, zou dat daaruit te verklaren zijn dat christenen inmiddels een onooglijke minderheid zijn geworden? Of zou het daaraan liggen dat die hun bezwaren hooguit onduidelijk mompelend naar voren brengen, uit angst niet meer serieus te worden genomen of maatschappelijk en politiek te worden uitgespuwd? Of – ik durf het haast niet te suggereren – zou het komen doordat ze zich inmiddels aan de ‘gangbare opvattingen’ hebben aangepast?

Misschien moeten ook christenen maar eens goed in de spiegel kijken. In plaats van zich druk te maken over de komst van moslims in ons land zouden ze zich eens kunnen afvragen waarom het christelijk geluid zo zwak klinkt dat het door de seculiere goegemeente niet of nauwelijks wordt waargenomen. Zouden de moslims misschien hier komen om ons als christenen een lesje te leren? Ze zijn meestal iets minder beschroomd om duidelijk te maken dat ze bepaalde zaken op grond van hun geloofsovertuiging niet kunnen goedkeuren. In allerlei ethische kwesties zijn er geen substantiële verschillen tussen orthodoxe christenen en moslims die hun geloof serieus nemen. Christenen moeten er niet bang voor zijn dat seculieren die overeenkomsten opmerken. Ze moeten zeker niet van de weeromstuit zaken gaan verdedigen die ze tien, twintig jaar geleden nog te vuur en te zwaard bestreden.

Het lijkt zinvoller met serieuze moslims in gesprek te gaan over de vraag hoe bezwaren tegen ‘de geest van de eeuw’ op een zodanige manier naar voren kunnen worden gebracht dat ze de discussie over zaken die volgens seculieren ‘algemeen aanvaard’ zijn op gang brengen in plaats van doodslaan. Die poging tot discussie begint met respect; scheldpartijen, laat staan geweld, horen daar niet bij. Dat is eerder de ‘beschaving’ van ‘Steenbergen’. Tot dat niveau moeten ze zich niet verlagen. Ze moeten laten zien dat hun beschaving er één is van een andere orde.

Die samenwerking kan er niet één zijn van de ‘warme’ soort, want ook al hebben christenen en moslims vergelijkbare bezwaren tegen bepaalde ‘moderne verworvenheden’, hun wereld- en levensbeschouwingen zijn en blijven fundamenteel verschillend. Men kan deze samenwerking beter vergelijken met die tussen christelijke en seculiere partijen in de Tweede Kamer. Denk hier aan de manier waarop Christenunie en PvdA samenwerken om misstanden in de prostitutie aan te pakken.

De confrontatie van twee levensbeschouwingen kan best spannend worden. Maar dat is geen reden ervan af te zien. Daarvoor is het belang te groot. De rust van seculier Nederland die zich koestert in ‘algemeen aanvaarde’ opvattingen, moet dringend worden verstoord. Wanneer die in het publieke debat weer ter discussie staan, zullen hun aanhangers met goede argumenten moeten komen.

Dat zal nog niet meevallen. Verder lezen…

Godsdienstvrijheid: ruimte voor de Geest

Vrijheid van godsdienst als onderwerp van politieke en maatschappelijke discussie is terug van weggeweest. Een paar decennia geleden werd er nauwelijks over gesproken. Het was één van de burgerlijke vrijheden die in de grondwet waren vastgelegd. Het kwam hoogstens ter sprake als zich ergens een incident voordeed dat de vraag deed rijzen of dit nog wel binnen de grenzen van de godsdienstvrijheid viel. Dat het geen aandacht kreeg weerspiegelde vooral de verminderde rol van de godsdienst in het openbare leven.

In christelijke kring is het altijd een belangrijk onderwerp geweest. Daarbij ging het dan vooral over de vraag hoeveel vrijheid andere godsdiensten dan de christelijke mocht worden toegestaan. In die discussie speelde artikel 36 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis een cruciale rol. Daarin wordt omschreven wat de taak van de overheid is. Die strekt zich ook uit tot het terrein van de godsdienst. Dat de overheid de christelijke religie moet bevorderen stond niet ter discussie, wel hoever ze daarbij moest of mocht gaan. In 1905 schrapte de Generale Synode van de Gereformeerde Kerken een zinsnede in dit artikel, waarin de overheid wordt opgedragen “alle afgoderij en valse godsdienst” “te weren en uit te roeien”. Dit besluit is door kerken van bevindelijk-gereformeerde snit niet gevolgd. Politiek gezien behoort het “onverkorte artikel 36”, zoals het in de wandeling genoemd wordt, nog steeds tot de grondslag van de SGP.
In de praktijk lijkt het nauwelijks te functioneren. Althans, dat was de indruk van de laatste decennia. Het feit dat de SGP op grond van dit artikel godsdienstvrijheid afwijst was voor de Christenunie geen belemmering voor nauwe samenwerking op allerlei niveaus, tot en met gemeenschappelijke kandidatenlijsten. Onder jongeren binnen de SGP neemt de steun voor dit standpunt ook af. Meer dan oudere generaties zien zij in dat dit het politiek functioneren van de partij belemmert en ook weinig realistisch is.

Dat de vrijheid van godsdienst weer onderwerp van publiek debat is vindt zijn oorzaak vooral in de opkomst van de islam. De toename van het aantal moslims in Nederland en de onvrede met bepaalde uitingsvormen van de islam hebben ertoe geleid dat sommige opiniemakers en politici het beginsel dat de overheid alle godsdiensten gelijk moet behandelen, verwerpen. Volgens hen moet de overheid de ‘joods-christelijke cultuur’ verdedigen en dat impliceert het inperken van de toestroom van moslims en het beperken van hun rechten. Anderen verdedigen de gelijke behandeling van alle godsdiensten. Sommigen gaan zover dat ze ervoor pleiten dat wanneer moslims bepaalde rechten worden ontzegd, deze ook aan aanhangers van andere religies moeten worden ontnomen.

Dit maakt al direct duidelijk dat de discussie over godsdienstvrijheid een andere dimensie heeft gekregen. Vroeger ging de discussie in christelijke kring vooral over de vraag hoeveel vrijheid aan niet-christenen kan worden toegestaan. Toen de maatschappelijke discussie over dit onderwerp zich aanvankelijk vooral op de islam concentreerde, leek er nog geen vuiltje aan de lucht. Het hoeft dan ook geen verbazing te wekken dat de kritische geluiden ten aanzien van de islam in kringen van de SGP een positief onthaal vonden. De daar heersende opvattingen over de taak van de overheid de valse godsdienst te weren passen heel goed bij het streven de vrijheden van moslims te beperken. Maar inmiddels is wel duidelijk geworden dat de groeiende afkeer van de islam en van moslims in de publieke opinie ook zijn weerslag heeft op de houding tegenover andere godsdiensten, zoals het christendom.

Een aantal recente politieke ontwikkelingen laat zien dat er sprake is van een groeiende afkeer van alles dat naar godsdienst riekt. Daartoe kunnen gerekend worden de door de Tweede Kamer aangenomen wet tegen het onverdoofd slachten, de pogingen de vrijheid van onderwijs te beperken – zowel ten aanzien van de toelating van leerlingen als het personeelsbeleid – en de uitspraak van de Tweede Kamer dat er voor (bijzondere) ambtenaren van de burgerlijke stand die om geloofsredenen geen huwelijken van partners van hetzelfde geslacht willen sluiten – zogenaamde ‘weigerambtenaren’-, geen ruimte meer mag zijn. De vraag waarvoor christenen zich gesteld zien is dus niet meer alleen: hoeveel vrijheid is er voor anderen dan wij, maar: hoeveel vrijheid hebben wij zelf nog?

Christenen moeten zich niet alleen vanuit hun eigen belang op dit onderwerp bezinnen. Als ze aan de publieke discussie willen deelnemen, zullen ze ook een duidelijk standpunt moeten bepalen ten aanzien van de vrijheden van andere godsdiensten. Voor de Christenunie is dit niet echt een probleem. Zij heeft altijd op het standpunt gestaan dat godsdienstvrijheid voor iedereen geldt. Wanneer christenen voor zichzelf het recht claimen scholen op te richten en in stand te houden waar onderwijs wordt gegeven in overeenstemming met hun eigen overtuiging, kan dat recht aan anderen – bijvoorbeeld moslims – niet worden ontzegd. Voor de SGP ligt dat anders. Ze zal haar overtuiging dat godsdienstvrijheid alleen voor christenen geldt officieel niet zomaar opgeven. Maar ze ontkomt er niet aan zich te bezinnen op de vraag of ze door steun te geven aan beperkende maatregelen tegen de islam niet bezig is zich in eigen vlees te snijden. Daarop gerichte wetgeving kan als een boemerang op het hoofd van haar eigen achterban terugkeren.

Angst is, zoals bekend, een slechte raadgever. Dat geldt ook hier. Een wijziging van opvattingen ten aanzien van de godsdienstvrijheid die uitsluitend gebaseerd is op de verdediging van de eigen belangen mist elke overtuigingskracht. Terecht zei ds. Marten de Vries op een enige tijd geleden gehouden bijeenkomst dat christenen de godsdienstvrijheid niet moeten verdedigen vanuit angst voor hun eigen positie, maar met principiële argumenten.

Welke zou men daarvoor kunnen gebruiken? Biedt de gereformeerde belijdenis daarvoor aanknopingspunten?

Laten we eens kijken naar het al genoemde artikel 36. Daar wordt uitvoerig gesproken over de taak van de overheid. De geschrapte zinsnede gaat erg ver in de formulering van die taak. Voor godsdienstvrijheid lijkt ze geen enkele ruimte te laten. Maar ook na schrapping van die formulering blijft er nog genoeg over dat op z’n minst een ongemakkelijk gevoel veroorzaakt. De taak van de overheid “is niet alleen zorg te dragen voor de openbare orde en daarover te waken, maar ook de heilige dienst van de kerk te beschermen, en te bevorderen dat het koninkrijk van Jezus Christus komt en het Woord van het evangelie overal gepredikt wordt, zodat God door ieder geëerd en gediend wordt, zoals Hij in zijn Woord gebiedt”. Kunnen degenen die van mening zijn dat de overheid de christelijke religie een voorkeursbehandeling moet geven, zich op dit artikel beroepen?

Dat is zeer de vraag. Duidelijk is dat de overheid de uitoefening van de christelijke religie moet beschermen. Ook de zorg voor de openbare orde kan daarmee in verband gebracht worden. Daartoe behoort niet alleen dat kerken gevrijwaard blijven van aanvallen van anders- en ongelovigen, maar ook dat kerkdiensten ongestoord kunnen plaatsvinden. De overheid moet ook bevorderen “dat het koninkrijk van Jezus Christus komt en het Woord van het evangelie overal gepredikt wordt”. Er wordt niet concreet aangegeven hoe ze dat zou moeten doen. Het wordt duidelijker wanneer we deze zinsnede als één geheel nemen: de komst van het koninkrijk wordt vooral bevorderd door de prediking van het evangelie. Die kan ongehinderd plaatsvinden door de zorg voor de openbare orde – in de zin zoals hiervoor aangegeven – en de bescherming van de “heilige dienst van de kerk”. En dan noemt het artikel vervolgens wat het uiteindelijke doel is: “zodat God door ieder geëerd en gediend wordt, zoals Hij in zijn Woord gebiedt”.

En daarmee zijn we bij de kern van de zaak. De komst van Gods koninkrijk wordt vooral door de prediking bevorderd. Dat is het middel bij uitstek dat de heilige Geest gebruikt om mensen tot geloof te brengen. Hij is het die het Woord laat verkondigen en die mensen roept tot de verkondiging van het evangelie. Hij houdt ook de kerk in stand, waaraan het Woord is toevertrouwd. Wanneer de overheid de vrijheid van de kerk beschermt, maakt ze daarmee ruim baan voor het werk van de Geest. Wie de vrijheid van de kerk inperkt, staat het werk van de Geest tegen. Daarin ligt de belangrijkste motivatie voor christenen en in het bijzonder christelijke politici voor de strijd tegen elke poging de vrijheid van de uitoefening van de christelijke godsdienst te beperken.

Maar ook de beperking van de godsdienstvrijheid van andersgelovigen frustreert het werk van de Geest. In de hele geschiedenis is nog nooit een geloof van de aardbodem verdwenen door de onderdrukking van zijn aanhangers of de inperking van hun vrijheden. Gewoonlijk gebeurt het tegenovergestelde: hoe meer een religieuze gemeenschap in de verdrukking raakt, hoe meer ze zich afschermt van de buitenwereld en hoe minder ze openstaat voor andere inzichten. Bovendien leidt zulke repressie tot een grotere druk op elke individuele aanhanger zich aan de eigen geloofsgemeenschap te conformeren.

Het optreden van de apostel Paulus op de Areopagus is veelzeggend en maatgevend. Hij was verontwaardigd over de vele afgodsbeelden die hij in Athene aantrof. Hij ging de confrontatie aan door met de inwoners van de stad in gesprek te gaan. Hij greep de gelegenheid aan de Atheense intellectuele elite met het evangelie van de gekruisigde Christus te confronteren. Zijn verontwaardiging weerhield hem er niet van zijn gesprekspartners met respect tegemoet te treden. Zonder dat respect zouden sommigen van hen niet bereid zijn geweest hem nog eens aan te horen.

Dat moet ook de houding van christenen ten aanzien van andere godsdiensten en hun aanhangers bepalen. De groei van de islam wordt niet tegengewerkt door moslims in hun religieuze vrijheden te beperken. Het is waarschijnlijker dat daardoor de groei van de islam wordt bevorderd en moslims-op-wieltjes zich meer met hun religie verbonden gaan voelen. Door op te komen voor hun godsdienstvrijheid kunnen christenen een klimaat van respect scheppen waarin gesprekken tussen moslims en christenen kunnen plaatsvinden. Het geeft christenen de gelegenheid het evangelie te verkondigen. Daarmee geven ze de Geest de ruimte zijn werk te doen.