Archief

Posts Tagged ‘Benno L.’

Minder emotie

Nauwelijks waren de golven van emotie over de huisvesting van Benno L. in Leiden tot bedaren gekomen of een nieuwe golf overspoelde de samenleving. Geert Wilders zweepte zijn aanhang op om luidkeels te roepen om vermindering van het aantal Marokkanen in Nederland. Het zal wel niet lang duren voordat een andere gebeurtenis deze overschaduwt en weer een nieuwe emotionele oprisping veroorzaakt.

We zijn er inmiddels al wat aan gewend geraakt. Nederlanders stonden altijd bekend als nogal nuchter en niet snel van hun stuk te brengen. Daarin onderscheidden ze zich van de volken uit meer zuidelijke regionen: Italianen en Spanjaarden golden als nogal heetgebakerd. Er hoefde daar maar iets te gebeuren of de vlam sloeg in de pan. Inmiddels zijn die verschillen tot minieme proporties teruggebracht. Aangenomen dat die verschillen ooit bestaan hebben. Want het is maar helemaal de vraag of emotie zo’n paar decennia geleden en vele eeuwen daarvoor echt zo’n geringe rol speelden. Als gereformeerden herinneren we ons ongetwijfeld – zij het uit de geschiedenisboekjes – de beeldenstorm. Die was niet bepaald een uiting van nuchtere bezonnenheid. En om bij de kerkgeschiedenis te blijven: in de tijd van de Contrareformatie en eeuwen later rond de Afscheiding hebben zich taferelen afgespeeld die in emotionele intensiteit niet onderdoen voor wat tegenwoordig op ons televisiescherm aan ons voorbijtrekt.

Het is ook geen typisch Nederlands verschijnsel dat we meemaken. Toen in 1997 de Britse prinses Diana verongelukte leidde dat in Groot-Brittannië tot emotionele ontladingen die velen voor onmogelijk hadden gehouden. Waar was de beroemde Britse stiff upper lip gebleven? Maar ook dat was gedeeltelijk gezichtsbedrog. De ouderen herinneren zich ongetwijfeld het verzet tegen het bewind van de Conservatieve minister-president Margaret Thatcher: het felle optreden van de Engelse vakbonden onder leiding van de beruchte Arthur Scargill. Het verschil was dat het daarbij vooral om emotionele uitbarstingen ging van wat de Engelsen als de lower classes beschouwden.

In noordelijke landen geldt emotionaliteit in de publieke ruimte als een kenmerk van lager-opgeleiden en minder-verdienenden. Tegenwoordig worden die geassocieerd met partijen als de SP en de PVV. Emotionaliteit is daarmee een kenmerk geworden van het populisme. Dat klopt ten dele wel: argumenten die gebaseerd zijn op feiten en een rationele analyse daarvan vinden in die kringen meestal geen gunstig onthaal. De internetfora van de kranten bewijzen het: een auteur komt op grond van feiten en langs logische weg tot een conclusie die een deel van de lezers niet zint, en de fiolen van toorn worden over hem of haar uitgegoten. Daarbij wordt geheel afgezien van enige inhoudelijke weerlegging van de aangevoerde feiten of de gevolgde redenering.

Maar het verschijnsel is breder. Op alle niveaus is sprake van een emotionalisering van de samenleving en de manier waarop meningsverschillen worden uitgedragen. De oproep om vermindering van het aantal Marokkanen werd gevolgd door een regen aan aanklachten tegen Wilders – vaak geregisseerd – waarbij weinigen zich afvroegen in welke mate dit ertoe zou bijdragen dat hij daadwerkelijk vervolgd zou worden. Die aanklachten functioneerden vooral als uitlaatklep voor de emoties die Wilders met zijn actie had opgeroepen.

Het is gemakkelijk hierover de staf te breken. Maar waar sterke emoties leven is het nuttig dat daaraan uiting kan worden gegeven. In vroeger tijden waren het – in elk geval in Nederland – vaak politieke of maatschappelijke leidslieden die zulke emoties in de achterban van hun ‘zuil’ kanaliseerden en probeerden die concreet te maken in politiek handelen. Maar de zuilen zijn teloor gegaan en hooguit in de links- of rechts-populistische hoek bevinden zich politici die zich de rol van spreekbuis toeëigenen. Alleen de omzetting in een concreet politiek programma dat een kans van slagen heeft wil wat minder lukken.

De emotionalisering van de samenleving heeft veel schaduwkanten. Generalisaties – zoals het over één kam scheren van alle Nederlanders met Marokkaanse wortels – en gemakzuchtige conclusies over oorzaak en gevolg – criminaliteit van Marokkaanse jongeren is een direct uitvloeisel van hun cultuur – worden gretig verspreid en vinden even gretig aftrek. Daardoor wordt de bestrijding van de gesignaleerde – werkelijke of vermeende – problemen niet bevorderd.

Ook in de kerkelijke samenleving spelen emoties een grote rol. Ik wees al op de beeldenstorm. Zover hoeven we niet terug te gaan. Wanneer zich in kerken meningsverschillen voordoen, komen emoties al gauw bovendrijven. Een recent voorbeeld is het proces waaruit de Hersteld Hervormde Kerk is voortgekomen. Medestrijders, vooral binnen de Gereformeerde Bond in de Nederlands Hervormde Kerk, werden verbitterde tegenstanders en bij de discussies over de toekomst van de kerk is menig hard woord gevallen. Oudere leden van de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) zal dat niet onbekend voorkomen, want in de jaren ’60, toen de kerkelijke conflicten uiteindelijk leidden tot een splitsing die resulteerde in het ontstaan van de Nederlands Gereformeerde Kerken, stonden broeders vaak lijnrecht tegenover elkaar en werden de meningsverschillen bepaald niet alleen met zakelijke argumenten uitgevochten.

Nu zou men kunnen beweren dat emoties een uiting zijn van een sterke betrokkenheid. Daar zit wat in. Wanneer het om zaken gaat waaraan mensen groot belang hechten, is het niet te verwachten dat men daarmee op een afstandelijke manier omgaat. In die zin is het geen slechte zaak wanneer emotie een rol speelt. Maar het is wel te betreuren dat dit vaak een echte inhoudelijke uitwisseling van meningen, waarbij de deelnemers ook elkaar recht doen en geen karikaturen scheppen, ernstig bemoeilijkt, zo niet onmogelijk maakt. De manier waarop in de politiek en de samenleving wordt omgegaan met wat ik maar kortheidshalve de ‘Marokkanenproblematiek’ noem, is daar een treffend voorbeeld van. De tegenstellingen zijn aangescherpt en de opponenten hebben zich zo diep ingegraven dat elke dialoog onmogelijk is dan wel niet verder komt dan een dialoog tussen doven. Dat kan ook bij kerkelijke conflicten gebeuren.

De ontwikkelingen binnen de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) zijn daar bepaald niet vrij van. Critici van de richting die deze kerken lijken te zijn ingeslagen, geven op soms emotionele wijze uiting aan hun bezorgdheid. De buitenlandse kerken die voortgekomen zijn uit emigratie naar met name Canada en Australië zijn daarvan een welsprekend voorbeeld. Zij laten er weinig twijfel over bestaan dat een eventueel besluit van de Generale Synode van de GKV, de ambten van predikant en ouderling open te stellen voor vrouwen, een breekpunt is en tot het einde van de zusterkerkrelatie zal leiden. Vertegenwoordigers van de GKV ervaren dat als “oecumene met het mes op tafel”, zoals ds. J.M. van Leeuwen, één van de Deputaten Buitenlandse Kerken, het formuleert (Nederlands Dagblad, 8.4.14). Wanneer betrokkenen de dialoog als zodanig ervaren, wordt een zakelijke – dat wil zeggen: op feiten gebaseerde – analyse van de meningsverschillen niet gemakkelijker.

Vergelijkbare processen spelen zich op het niveau van plaatselijke gemeenten af. Gemeenteleden wenden zich tot hun kerkenraad met brieven waarin zij hun bezwaren tot uitdrukking brengen. Daar wordt in hun beleving op een manier mee omgegaan waaruit onbegrip ten aanzien van de ernst van de bezwaren spreekt of zelfs onwil om die bezwaren serieus te nemen. Het resultaat is soms dat de bezwaarden gefrusteerd afhaken en zich van het gemeentelijk leven isoleren of zelfs de kerk de rug toekeren.

Kan het anders? Vooropgesteld moet worden dat alle ‘partijen’ de oprechte wil moeten hebben elkaar te vinden. Daarmee bedoel ik niet een soort waterig compromis in het midden of aanvaarding van het feit dat we over bepaalde zaken nu eenmaal verschillend denken (Nederlands Dagblad, 9.4.14). Daarmee wordt geen enkel probleem opgelost. Het gaat erom dat alle betrokkenen duidelijk uitspreken dat ze ervan overtuigd zijn dat ze bij elkaar horen en dat ze elkaar niet kwijt willen. Daarmee wordt voorkomen dat de betrokken ‘partijen’ het gevoel krijgen door de andere te worden afgeschreven als ‘nieuwlichters’ die de weg kwijt zijn dan wel als eeuwige criticasters die ‘niet van deze tijd’ zijn.

Het is best te begrijpen dat leden van een kerk emotioneel reageren op (onderdelen van) het beleid van hun kerkenraad of de opvattingen die vanaf de kansel worden verkondigd. Maar het is zelden effectief wanneer die emoties schriftelijk op die kerkenraad of op voorgangers worden afgereageerd. Brieven aan de kerkenraad zouden geen vergaarbak van frustraties moeten zijn. Het is veel nuttiger en uiteindelijk voor de geadresseerde veel onaangenamer en lastiger, wanneer de scribent zich beperkt tot het opsommen van voor iedereen natrekbare feiten en een logisch samenhangende presentatie daarvan.

Het probleem met emoties is dat ze elke discussie doodslaan. Een gevoel kan immers wel goed of fout zijn, maar nooit waar of onwaar. Wat ‘goed’ of ‘fout’ is, hangt uiteindelijk af van het vertrekpunt dat men kiest. Een gevoel kun je niet weerleggen. Juist in de kerk is nuchterheid gevraagd en een zorgvuldige omgang met feiten en argumenten. Alleen op die manier kan de communicatie tussen opponenten openblijven en daarmee de mogelijkheid tot toenadering. En wanneer het daar niet van komt, kunnen alle betrokkenen in elk geval een goed geweten hebben dat ze zich daarvoor hebben ingespannen en dat ze elkaar recht gedaan hebben.

Minder emotie – dat zou een zegen zijn, niet alleen voor de samenleving, maar ook voor de kerk.

Advertenties

Holier than thou

De stofwolken rond de woon- of verblijfplaats van Benno L. zijn wat gaan liggen. Het is tijd voor een nabeschouwing. Het is vaak aan te bevelen een ‘actuele’ kwestie even te laten rusten. Op het moment zelf leek het alsof er een ware volksopstand was uitgebroken, toen een krant onthulde dat de betrokkene zich in Leiden had gevestigd. Bij nadere beschouwing bleek dat wel mee te vallen. Het was in feite een relatief kleine maar luidruchtige minderheid die zich met deze zaak bemoeide, niet alleen via demonstraties bij het huis, maar ook via de (sociale) media. Steeds weer blijkt dat het vooral degenen met een uitgesproken, vaak nogal radicale, mening zijn die zich melden. Daardoor kan gemakkelijk de indruk ontstaan dat die het algemene gevoelen vertegenwoordigen. Sommige politieke partijen – landelijk en plaatselijk – maken daarvan graag gebruik om te suggereren dat ‘het volk’ gesproken heeft en – toevallig? – hetzelfde vindt als zijzelf. Maar, zoals iedereen die enigszins kan nadenken wel weet: ‘het volk’ bestaat niet. Dat blijkt ook hier. Dat is reden niet te snel algemene conclusies te trekken en in te algemene zin te spreken over ‘men’. In dat licht moeten ook de volgende observaties gelezen worden.

Ik zie in deze zaak zich twee lijnen aftekenen, die samen een niet onbedenkelijk beeld van de moderne samenleving opleveren.

De eerste lijn betreft de manier waarop mensen met risico’s omgaan. Het lijdt geen twijfel dat de vestiging van een zedendelinquent in een woonwijk de nodige risico’s oplevert. Dat geldt temeer omdat deskundigen van mening zijn dat juist bij zulk soort delinquenten de kans op herhaling vrij groot is. Bij pedoseksuelen lijkt dat gevaar nog groter dan bij andere zedendelinquenten. In die zin is de weerstand die de vestiging van Benno L. in Leiden opriep, goed te begrijpen. Het ene risico is tenslotte het andere niet. Dat doet niets af aan de algemene vaststelling dat veel mensen het moeilijk lijken te vinden met risico’s te leven.

Dat was ooit wel anders. In vroeger tijden was het leven onzeker en dat werd als onvermijdelijk geaccepteerd. Er zat ook niet veel anders op, want er waren weinig mogelijkheden om risico’s uit te bannen. In onze tijd is dat in minder ontwikkelde samenlevingen nog steeds het geval. Daarmee is al gesuggereerd dat het onvermogen om te gaan met risico alles te maken heeft met het ontwikkelingsniveau van een samenleving. We leven in een tijd waarin veel risico’s tot een minimum zijn gereduceerd. En wanneer ze niet kunnen worden uitgebannen, kunnen de gevolgen van wat eventueel misgaat sterk worden beperkt. De hoge ontwikkeling van de gezondheidszorg is een goed voorbeeld van een gebied waarbij allerlei risico’s die honderd jaar geleden tot het leven behoorden, vrijwel zijn verdwenen. We leven ook in een gereguleerde – misschien zelfs wel over-gereguleerde – maatschappij, waarin diploma’s, getuigschriften en certificaten voorkomen dat beunhazen vrij hun gang kunnen gaan. De kans dat vandaag een gasfitter over de vloer komt en morgen het huis de lucht invliegt is uiterst klein. Er gaat nog wel eens wat mis, maar de gevolgen zijn zelden levensbedreigend.

De huidige roep om vermindering van regels moet dan ook met een flinke schep zout genomen worden. Men wil vooral regels afschaffen waarvan men last heeft, maar zodra er iets gebeurt dat men als bedreigend ervaart, wordt om maatregelen van de overheid geroepen om herhaling te voorkomen.

De meeste mensen begrijpen wel – als ze even nuchter nadenken – dat risico’s niet geheel zijn uit te bannen. Dat men het problematisch vindt daarmee om te gaan, heeft ook te maken met het feit dat veel bedreigingen moeilijk te benoemen zijn of dat men er niet veel greep op kan krijgen. Daaraan zijn vooral ook technologische ontwikkelingen debet. Die zijn voor een groot deel onvermijdelijk – wat betekent dat men zich er vaak niet aan kan onttrekken – maar gaan veel mensen boven de pet. De recente discussies over privacy in relatie tot sociale media en internet is daarvan een goed voorbeeld. Iedereen weet dat privégegevens worden opgeslagen en bewaard, maar waar, wanneer en door wie? En waarvoor worden ze gebruikt? En hoe schadelijk is die bewaarzucht? De doorsnee burger weet dat niet, laat staan dat hij enige greep heeft op wat er met zijn gegevens gebeurt. Het is dat gevoel van machteloosheid dat verklaart waarom mensen vaak emotioneel en irrationeel op gebeurtenissen reageren die zij als bedreigend ervaren. En onze maatschappij mag dan voor vrijwel alles een regeling hebben, het valt voor veel mensen niet mee de weg te vinden in de ambtelijke molen of aan het virtuele loket.

De tweede lijn is de manier waarop met misstappen van mensen wordt omgegaan. De reacties op de vestiging van Benno L. logen er niet om. Volgens sommige meegevoerde kreten was de enige goed plek voor hem ‘onder de grond’. Dat kun je als een emotionele uitbarsting in dit specifieke geval beschouwen. Tenslotte is Benno L. maar niet zomaar een delinquent. Ook in gevangenissen hebben mensen als hij het bijzonder zwaar omdat ze door andere gevangenen, ook degenen die een moord op hun geweten hebben, worden veracht en met de nek aangekeken.

Toch lijkt me dat niet het hele verhaal. Want ook al is Benno L. een speciaal geval, uitbarstingen van wraakzucht zijn bepaald niet ongewoon. Die gaan lang niet allemaal zover als in dit geval, maar liegen er desondanks niet om. In het bijzonder met diegenen die een publiek ambt bekleden, wordt genadeloos afgerekend wanneer ze een misstap begaan. Wanneer een burgemeester of gemeenteraadslid een keer met iets teveel alcohol in het bloed een verkeersongeluk veroorzaakt, betekent dat vaak het einde van zijn carrière. Dat lijkt logisch: zo iemand zou toch het goede voorbeeld moeten geven. En de tijden dat men verderging alsof er niets gebeurd was, liggen gelukkig achter ons. Maar inmiddels lijkt de balans wat ver doorgeslagen. Bij publieke ambten wordt de lat zo hoog gelegd dat het nog een wonder mag heten dat mensen zich daarvoor beschikbaar stellen.

Nu kan aftreden soms inderdaad de enige optie zijn. Maar dan zou – zeker wanneer de gevolgen van de begane misstap relatief beperkt zijn – de weg van terugkeer naar een andere functie in het publieke leven nog open moeten staan. Maar dat wordt steeds lastiger. Nog jaren later is er altijd wel iemand die zich herinnert waarom de betrokkene ook al weer ten val kwam. En anders is dat nog wel uit het onuitputtelijke archief dat internet heet, op te diepen. Om de samenleving daaraan te herinneren hoeft men geen journalist te zijn of een brief aan de krant te sturen. Internetfora, twitter en andere sociale media zijn uitstekende middelen om iemand alsnog – of opnieuw – publiek aan de schandpaal te nagelen. Zelfs als iemand zich in een discussie mengt, die met zijn vroegere functie niets uitstaande heeft, worden zijn bijdragen zonder argumenten in de vuilnisbak gedeponeerd, uitsluitend vanwege een ooit begane misstap.

Het lijkt erop dat men het steeds moeilijker vindt iemand zijn misstap te vergeven. Nu is dat niet zo vreemd: het vermogen tot vergeven komt de mens bepaald niet aanwaaien. Niet voor niets is de vergeving een kernpunt in het onderwijs van Jezus in het Nieuwe Testament en is het een vast onderdeel van het gebed dat Hij zijn discipelen leerde. Niettemin laten de zoëven gereleveerde verschijnselen de conclusie toe dat dit vermogen, zo al ooit aanwezig, nog verder afneemt. De roep om hardere straffen past daarin alsook de onwil iemand de gelegenheid te geven terug te keren in het openbare leven. Kennelijk moet iemand die ooit iets heeft misdaan, voortaan zijn mond houden. Maar dan zou het wel eens erg stil kunnen worden in Nederland.

Die gevolgtrekking is uiteraard gebaseerd op de overtuiging dat ieder mens onvolmaakt is. Daarmee wil niet gezegd zijn dat er geen verschillen tussen mensen zijn en dat misstappen iemand niet mogen worden aangerekend. Een ander dood wensen niet hetzelfde als hem daadwerkelijk om het leven brengen. Maar hier is geen sprake van een fundamenteel verschil, zoals Jezus in de bergrede duidelijk maakt. En hier ligt waarschijnlijk de kern van de zaak. Wanneer iemand niet in staat is tot vergeven, zou dat weleens daarin zijn oorzaak kunnen vinden dat hij een te hoge pet van zichzelf op heeft. Dat wordt bevestigd door onderzoeken waaruit steevast naar voren komt dat veel mensen vinden dat het met de samenleving niet, maar met henzelf wel goed gaat. Er wordt veel geklaagd over slechte opvoeding van kinderen en jongeren, maar steeds weer blijkt dat het de opvoeding van anderen is die niet deugt. De eigen opvoedkundige kwaliteiten vindt men in de regel zo slecht nog niet.

Uit de manier waarop deliquenten – ook wanneer ze hun straf hebben uitgezeten – of mensen die een minder ernstige misstap hebben begaan, worden bejegend, spreekt vooral een grote afstand. Men distantieert zich van hen omdat men zichzelf boven hen verheven voelt. Zoiets als zij gedaan hebben, zou men zelf nooit doen. Het is een houding die men in het Engels treffend typeert met de uitdrukking holier than thou.

Natuurlijk kan het nuttig zijn mensen ervan te overtuigen dat het koesteren van wraakgevoelens niets oplost en zelfs het eigen leven kan verzuren. Maar daarmee wordt de kern niet geraakt. Eens te meer blijkt hoe heilzaam het onderwijs van de Heidelbergse Catechismus is en hoe actueel dit eeuwenoude geschrift is. Al aan het begin windt het er geen doekjes om hoe het met de mens gesteld is. Wie denkt dat hij ‘heiliger’ is dan zijn medemens, wordt hier van zijn illusies afgeholpen. De mens moet eerst tot de conclusie komen dat hij zelf vergeving nodig heeft voordat hij in staat is andere mensen te vergeven.

Christenen weten dat natuurlijk wel. De vraag is of dat doorwerkt in hun bejegening van mensen met een kleiner of groter vlekje op hun blazoen. Populistische oordelen zijn ook hun niet vreemd. Misschien lopen ze nog wel meer dan ongelovigen het risico zich te distantiëren van degenen die misstappen hebben begaan, zeker van de meer ernstige, want ze bevinden zich meestal in een omgeving waarin mensen als Benno L. niet lijken voor te komen. Nu zou dat weleens tegen kunnen vallen. Maar zelfs als dat zo was is dat nog geen reden op zulke delinquenten neer te kijken. In de Schrift wordt herhaaldelijk gewaarschuwd tegen het oordelen, niet het minst door Jezus zelf. Dat betekent niet dat wat slecht is niet als zodanig beoordeeld en veroordeeld zou mogen worden. In zijn brieven is de apostel Paulus niet vies van soms scherpe oordelen. Het door Jezus gebruikte beeld van de balk en de splinter betekent niet dat iemand pas zou mogen oordelen wanneer er aan hem zelf niets mankeert. Het gaat om de manier waarop men oordeelt. Dat moet altijd gebeuren in het besef dat men zelf allesbehalve volmaakt is en dat men zich niet fundamenteel onderscheidt van degene die men veroordeelt.

Het past christenen niet te suggereren holier than thou te zijn. Hun past een houding van nederigheid en verbondenheid met de zondaar. Het zou mooi zijn wanneer dat tot uiting komt in de manier waarop christenen Benno L. de komende tijd zullen begeleiden.