Archief

Posts Tagged ‘Calvijn’

GKV waarheen? (3)

In het eerste blog in deze serie maakte ik de stand van zaken binnen de GKV op. Wat kunnen we van de komende Generale Synode verwachten ten aanzien van de twee heetste hangijzers: de openstelling van de ambten voor vrouwen en de voorgenomen fusie met de NGK? In het tweede blog inventariseerde ik de verschillende alternatieven: als de GS niet het resultaat oplevert dat bezwaarde leden van de GKV wensen, wat dan? Welke alternatieven bieden zich dan aan? Daarbij richtte ik de blik ook naar de bezwaarden zelf. Wat zijn hun motieven om de GKV te verlaten en wat zoeken ze dan in een andere kerk?

Ik ben er in de voorgaande afleveringen steeds van uitgegaan dat de zaken die in geding zijn, een kerkelijke breuk rechtvaardigen. Maar niet iedereen deelt die opvatting. Er zijn ook kerkleden die, in weerwil van de bezwaren tegen bepaalde kerkelijke ontwikkelingen, van mening zijn dat de kerkelijke eenheid bewaard moet worden. Hebben ze daar gelijk in? Er zijn verschillende argumenten te bedenken die pleiten tegen een kerkelijke breuk. Die wil ik hier de revue laten passeren en wegen.

Het waarschijnlijk bekendste argument tegen een kerkelijke breuk is wel dat je een zieke moeder niet mag verlaten. Dit werd vroeger vooral gehanteerd in kringen van de Gereformeerde Bond binnen de Nederlandse Hervormde Kerk. Het beeld van de kerk als moeder is oud. Het werd gebruikt in de vroege kerk, en wel door Cyprianus, een bisschop uit de 3e eeuw. Van hem is de uitspraak “Wie de kerk niet als moeder heeft, kan God niet als Vader hebben”. In later tijden is die beeldspraak overgenomen, onder andere door Luther en Calvijn. Klaas Schilder gebruikte het als titel van een brochure (Ons aller Moeder). Het beeld komt in het Nieuwe Testament niet voor. Dat wil niet zeggen dat het niet Schriftuurlijk verantwoord is. Het is zeker bruikbaar om het belang van de kerk als voedster en verzorgster van de gelovigen te beklemtonen. Maar er zijn ook risico’s aan verbonden. Ik zie er drie.

Het eerste is dat dit beeld verabsoluteerd wordt en het denken over de kerk gaat beheersen. Hoe riskant dat is mag blijken uit het gebruik van het beeld van de gemeente als huisgezin van God. Ook daar is op zichzelf niets mis mee, maar als dat het zicht op de kerk gaat beheersen, kun je zo maar tot de conclusie komen dat er eigenlijk geen ruimte is voor de laatste fase van de tuchtoefening: het afsnijden van onbekeerlijke zondaars. Want kinderen die zich niet aan de regels houden moet je wel vermanen, maar zet je niet buiten de deur.

Elk beeld is onvolledig en werpt een bepaald licht op de zaak die wordt afgebeeld. In zijn verkondiging gebruikte Jezus verschillende beelden voor het koninkrijk van God. Die waren bedoeld om zijn toehoorders aan het denken te zetten. Maar geen daarvan geeft een volledige beschrijving van dat koninkrijk. Zo is het ook met het beeld van de kerk als moeder. Daarmee wordt een bepaald belangrijk aspect van de kerk naar voren gehaald. Maar het is geen driedimensionale afbeelding van de kerk.

Vervolgens suggereert het beeld van de kerk als moeder een bepaalde afstand tussen de kerk en haar leden. Een moeder en haar kind zijn immers twee verschillende personen. Nu is de kerk als instituut, met zijn kerkelijke vergaderingen, niet hetzelfde als haar leden. En het is waar dat de leden via de bediening van het evangelie en het catechetisch onderwijs gevoed worden, zoals kinderen door hun moeder. Maar daarbij dreigt uit beeld te verdwijnen dat de kerk een gebouw van levende stenen en het lichaam van Christus is. De kerk, dat zijn de leden samen. Daarom vergelijkt Paulus in 1 Corinthiërs 12 de gemeente met een lichaam dat uit heel verschillende leden bestaat die elkaar nodig hebben en niet zonder elkaar kunnen. Het is niet alleen de prediking en het onderwijs dat de leden voedt, de leden voeden ook elkaar. Dat is een belangrijk onderdeel van wat de belijdenis de gemeenschap van de heiligen noemt. Dus wanneer gelovigen zeggen dat de kerk ziek is, zeggen ze daarmee eigenlijk dat ze zelf ziek zijn. Als er hulp van een dokter nodig is, moet die niet alleen de moeder onderzoeken en haar eventueel geneesmiddelen voorschrijven, maar ook haar kinderen. Niet alleen de moeder heeft hulp nodig, maar het hele gezin.

Tenslotte roept ook het beeld van ziekte vragen op. Want ziekte is iets dat je overkomt. Daar kun je in de meeste gevallen zelf niets aan doen. Maar wanneer vrijzinnigheid de kerk binnendringt, is dat dan een ziekte die haar overkomt? Of is er wellicht toch iets meer en iets anders aan de hand? Je kunt, als je het beeld van ziekte per se wilt gebruiken, op z’n minst wijzen op de noodzaak je tegen infecties te beschermen. Kinderen worden ingeënt tegen ernstige ziekten. Terecht wordt gewaarschuwd tegen de toenemende neiging om vaccinaties maar achterwege te laten. Dat geldt ook voor de kerk. Paulus spreekt in Efeziërs 6 over de de noodzaak de wapens van God op te nemen om weerstand te kunnen bieden. Dat geldt niet alleen voor elke gelovige maar ook voor de kerk. De belijdenisgeschriften laten zien dat door zuivere prediking en door de bediening van de tucht de gezondheid van de kerk wordt beschermd. Zouden kerkelijke problemen niet eerder het gevolg kunnen zijn van gedoogbeleid dan van een ziekte die de kerk overvalt? Is de kerk niet eerder dader dan slachtoffer?

Degenen die het argument van de zieke moeder gebruiken, hechten veel waarde aan de eenheid van de kerk. Dat is terecht. We hoeven hier alleen maar te denken aan het zogenaamde hogepriesterlijk gebed van Jezus (Johannes 17), waarin hij hartstochtelijk bidt om de eenheid van wie bij Hem horen. Er zijn kerkleden die, ondanks hun bezwaren, van mening zijn dat de zaken in geding niet van zodanig gewicht zijn dat de eenheid van de kerk daarvoor op het spel mag worden gezet. Aangezien ik op dit weblog herhaaldelijk met argumenten heb betoogd dat hier wel degelijk fundamentele zaken in het geding zijn, acht ik me ontslagen van de plicht hierop nog eens uitvoerig in te gaan.

De kerkelijke eenheid is voor sommigen zo belangrijk dat ze zeer veel ruimte willen bieden aan verschillende opvattingen in de kerk. Soms lijkt het wel alsof men de idee van een leerstellig plurale kerk omarmt. Mijns inziens staat die visie zo haaks op wat de gereformeerde belijdenissen over de kerk zeggen, dat ik haar verder onbesproken laat. Maar het lijdt geen twijfel dat een mildere vorm van pluraal denken zich in de GKV heeft genesteld. Dat komt al tot uiting in de voorgenomen fusie met de NGK. Daar krijgen de opvattingen van B. Telder, die door een Generale Synode als onschriftuurlijk zijn afgewezen, ruim baan. Ook de binding van ambtsdragers aan de belijdenis zal lang niet meer zo strikt zijn als die in de GKV ooit was en dat proces zal zich, als de voortekenen niet bedriegen, doorzetten. Dat er al gezinspeeld wordt op samensprekingen over kerkelijke eenheid met de PKN hoeft dan geen verbazing te wekken.

Ooit werden de GKV beschuldigd van ‘kerkisme’, omdat zoveel nadruk gelegd werd op het belang van de kerk. Dat verwijt was misplaatst. Kerkisme is dat de eenheid van de kerk zwaarder gaat wegen dan het alleenrecht van de waarheid. En dat is precies het proces dat zich voor onze ogen in de GKV voltrekt. Ten behoeve van kerkelijke eenheid wordt aanvaard dat over onderdelen van de leer – die soms ook vergaande gevolgen hebben voor de ethiek – en belangrijke aspecten van het kerkelijk leven verschillend wordt gedacht.

Er zijn nog andere, wellicht wat steekhoudender, redenen te bedenken waarom je zou kunnen besluiten toch maar lid van de GKV te blijven, met behoud van gevoelen.

Eén aspect van de veranderingen die zich de laatste jaren in de GKV hebben voltrokken heeft naar mijn indruk niet de aandacht gekregen die het verdiende: de invoering van de nieuwe kerkorde in 2015. Wat mij hier vooral van belang lijkt is de bepaling dat gemeenteleden via de kerkelijke weg alleen die zaken aan de orde mogen stellen die hun persoonlijk raken. Daarvoor is vanuit praktisch oogpunt best begrip op te brengen, want van de mogelijkheid willekeurig welke kwestie aanhangig te maken kan misbruik gemaakt worden. Maar dat is nog geen reden zo radicaal te breken met wat altijd één van de kenmerken van gereformeerde kerken is geweest. Niet voor niets hebben ze altijd veel waarde gehecht aan het meervoud in de kerknaam. Daarmee werd tot uitdrukking gebracht dat de kerk begint op plaatselijk niveau. Gereformeerde kerken zijn een vrijwillig verband van zelfstandige kerken. Het kerkelijk leven speelt zich op het grondvlak af. Dat betekent ook dat elk kerklid in principe een gelijkwaardige positie in de kerk inneemt. De gedachte van een splitsing tussen ‘geestelijken’ en ‘leken’ is vreemd aan het gereformeerde kerkmodel. Het was één van de breukpunten tussen Rome en de Reformatie. Dit brengt echter ook mee dat elk kerklid – naar vermogen – een zekere verantwoordelijkheid draagt voor de gang van zaken in de kerk. Het is in de eerste plaats de taak van de kerkenraad toe te zien op het Schriftuurlijk karakter van de prediking, maar dat ontslaat de ambteloze leden van de gemeente niet te onderzoeken of het waar is wat hun wordt voorgehouden (naar Handelingen 17,11). En als je een verband van kerken vormt – wat in kerkelijke vergaderingen als classis en GS, maar ook in de openstelling van de kansel voor predikanten van elders tot uitdrukking komt – beperkt die taak zich logischerwijs niet tot de eigen gemeente. Daarin zit een belangrijk verschil tussen gereformeerde kerken en een hiërarchisch gestructureerde kerk.

Precies die verantwoordelijkheid voor de koers van de kerken gezamenlijk wordt de leden door de nieuwe kerkorde ontnomen. Het is niet meer mogelijk algemene zaken die de leer of de ethiek betreffen, binnen het kerkverband aan de orde te stellen. Tijdens een gesprek met vertegenwoordigers van mijn kerkenraad wees ik op de gevaren van een fusie met de NGK, vooral ten aanzien van het charismatisch gedachtegoed, dat daar vrij uitgedragen mag worden. Men deelde mijn zorg, maar mij werd toen gevraagd wat ik daartegen zelf zou doen. Ik antwoordde daarop dat die mogelijkheden er eigenlijk niet zijn, omdat de kerkorde mij als kerklid die heeft ontnomen. Het werd niet tegengesproken.

Men zou kunnen stellen dat dit gevolgen heeft voor de vraag of een kerkelijke breuk noodzakelijk is. Eén van de argumenten voor het verlaten van de kerk is immers dat je door te blijven, medeverantwoordelijk wordt voor en dus aanspreekbaar bent op wat zich daar afspeelt. Dat is in feite niet meer of alleen nog in heel beperkte mate het geval.

Naast allerlei overwegingen van principiële aard zijn er ook praktische kwesties. Ik heb al eerder gewezen op het probleem dat lang niet overal zich een alternatief voor de GKV aandient. In mijn vorige blog heb ik de verschillende opties onder de loep genomen. Dat leidde niet tot een duidelijke conclusie. De kerkelijke ontwikkelingen zijn daarvoor te gecompliceerd. Het is dan ook geen wonder dat er nogal wat leden van de GKV zijn – en daar ben ik er één van – die ertoe neigen de kerk te verlaten maar geen antwoord weten op de vraag: waar dan heen? Als er zich geen alternatief aandient, is de keuze in feite die tussen blijven en een kerkloos bestaan. Het eerste brengt, zoals ik in eerdere blogs heb betoogd, serieuze risico’s mee. Maar ook een kerkloos bestaan is riskant. Sterker nog: de keuze zou wel eens kunnen zijn tussen twee mogelijkheden die op grond van de Schrift en de belijdenis nauwelijks verdedigbaar zijn. Het is – wat gechargeerd – wat men in het Engels aanduidt als de keuze tussen “the devil and the deep blue sea”. Ook persoonlijke en gezinsomstandigheden spreken hier een woordje mee.

Zouden we misschien een vergelijking mogen maken met de situatie in een land zonder kerken van gereformeerde belijdenis? Soms zijn gelovigen genoodzaakt voor kortere of langere tijd te verblijven in een land waar kerken zoals wij die kennen, niet bestaan of waar je zelfs blij mag zijn als er überhaupt een christelijke kerk te vinden is. Wat te doen? Zich afzijdig houden omdat de kerk niet is wat ze volgens de normen van de Schrift en de belijdenis zou moeten zijn? Of toch maar lid worden, met alle bezwaren vandien, vanuit de gedachte dat het toch van groot belang is contact te onderhouden met andere christenen en regelmatig te luisteren naar de bediening van het evangelie? Of zou het wellicht een optie kunnen zijn, formeel geen lid te zijn, maar wel de diensten te bezoeken en, zoveel als de desbetreffende gemeente het toestaat, aan het gemeentelijke leven deel te nemen?

Wellicht moeten we onder ogen zien dat – in elk geval voor een bepaalde tijd – leden van de GKV in een zodanige positie verkeren dat ze niet veel anders kunnen dan toch maar, met alle bezwaren, lid te blijven van de GKV. Het zou diegenen die wel de luxe van een alternatief hebben, sieren wanneer ze zich van de problemen en dilemma’s van zulke leden bewust zouden zijn en niet direct klaar staan met gemakkelijke oordelen. Wie geniet van het water in de oase, kan maar beter niet diegenen ter verantwoording roepen die noodgedwongen in de woestijn verblijven.

Hiermee sluit ik voorlopig deze serie af. In mijn vorige blog kondigde ik aan nog speciaal in te gaan op ontwikkelingen binnen de CGK. Daarvan zie ik op dit moment af, maar ik kom er ongetwijfeld op een later tijdstip op terug. Het zal de lezer niet zijn ontgaan dat deze serie weblogs in zekere zin een open einde heeft. Ik heb niet alle vragen van een antwoord voorzien. Dat lijkt me op dit moment niet mogelijk en ik zie dat ook niet als mijn taak. Mijn doel was vooral argumenten en overwegingen aan te dragen die lezers wellicht kunnen helpen hun eigen standpunt te bepalen en beslissingen te nemen wanneer dat nodig is. Hopelijk ben ik daar enigszins in geslaagd.

Bij de dood van een theoloog

Het overlijden van de theoloog Harry Kuitert heeft heel wat pennen in beweging gebracht. Niet alleen in protestantse of, ruimer, christelijke kring, maar zelfs daarbuiten. Dat heeft enerzijds te maken met het feit dat zijn uitspraken en boeken nogal geruchtmakend waren, maar is ook te verklaren uit zijn bijdragen tot de maatschappelijke discussies over met name euthanasie. In een verder verleden oefende hij kritiek op kerkelijke uitspraken over kernbewapening.

Wat in de reacties uit meer behoudende kring opvalt is de terughoudendheid. Dat is ook het geval bij de toon die het Nederlands Dagblad in zijn commentaar aanslaat. Weliswaar schrijft Dick Schinkelshoek dat zijn naam verbonden is aan de “stapsgewijze afbraak van gereformeerde geloofswaarheden”. “Ieder nieuw boek ging Kuitert daarin een stukje verder. Totdat hij en veel van zijn (jongere) generatiegenoten geen geloof meer overhielden, en ze eenzaam onder een lege hemel achterbleven. De weg van Kuitert bleek niet bevrijdend, maar heilloos.” Maar tegelijk roept hij de critici op tot zelfonderzoek.

Hij wijst op de persoonlijke aanvallen en de soms grove kwalificaties die hem ten deel vielen. Kritiek daarop is terecht en wie de schoen past, moet hem vooral aantrekken. Maar dat is niet het enige. Gesuggereerd wordt dat de kritiek op Kuitert ook wel eens uit angst kan zijn voortgekomen. “Angst voor het afbrokkelen van zekerheden die, toen iemand als Kuitert ertegenaan duwde, niet zo zeker bleken te zijn. Angst voor de vragen die Kuitert stelde (‘hoe weten we zo zeker wat we zeggen te weten over God?’) en de wetenschap dat men die vragen ook aantreft op de bodem van het eigen hart.” Dat laat zich gemakkelijk opschrijven, is echter niet te bewijzen. Er is ook kritiek op gekomen: mensen uit bijvoorbeeld EO-kringen, die destijds het debat over Kuitert van nabij hebben meegemaakt, herkenden dit niet. Maar er zit natuurlijk wel een kern van waarheid in. Want geloven komt niemand aanwaaien. Juist een gereformeerde gelovige die met de Heidelbergse Catechismus belijdt dat de mens van nature geneigd is God en de naaste te haten, zal het gevaar van de sirenenzang van Kuitert en anderen niet onderschatten. Het is dus best mogelijk dat de kritiek op Kuitert werd ingegeven door angst. Maar dat is dan een terechte angst: niet de angst dat hij misschien gelijk zou kunnen hebben, maar de angst dat de gelovige datgene ontnomen wordt wat hem wapent tegen de aanvallen van de duivel.

Is het, vanuit dat perspectief, te verdedigen dat ook in orthodoxe kring de reacties op Kuiterts overlijden van enige terughoudendheid getuigen? Ja en nee.

Ja: over iemand schrijven of spreken die zojuist is overleden, is een riskante aangelegenheid. Daar is enige terughoudendheid wel op haar plaats. De zegswijze “over de doden niets dan goeds” is niet algemeen geldig, want over bepaalde mensen valt niets goeds te zeggen. Natuurlijk kun je ervoor kiezen iemands overlijden gewoon te melden zonder daar verder nader op in te gaan. Maar wanneer iemand een prominente rol in het kerkelijke en maatschappelijke leven heeft gespeeld, zoals Kuitert, is dat geen optie. Bovendien was zijn invloed groot en dan kun je er, zeker als christelijke krant, moeilijk het zwijgen toe doen.

Nee: Kuitert heeft, zoals het ND-commentaar terecht zegt, een belangrijke rol gespeeld in de afbraak van “gereformeerde geloofszekerheden”. Ik zou het wat scherper willen formuleren. Kuitert is gelovigen voorgegaan in de stapsgewijze afbraak van het geloof in een levende God. Het gevolg is dat niet weinigen hun geloof helemaal zijn kwijtgeraakt. Ze staan nu met lege handen. Daarbij past wel een kanttekening. Wellicht zouden ze hun geloof ook zonder Kuitert zijn kwijtgeraakt. Bovendien: wie zijn geloof aan de wilgen hangt, doet dat zelf. Ieder is persoonlijk aanspreekbaar op zijn relatie tot God en op de inhoud van zijn geloof. Niemand kan zich achter een ander verschuilen en de schuld op anderen afschuiven.

Dat laat onverlet dat wie zich in het publieke debat beweegt een bijzondere verantwoordelijkheid draagt. Door de geschiedenis heen hebben dichters, denkers en wetenschappers grote invloed uitgeoefend, soms ten goede – en in dit Reformatiejaar kunnen we dan aan Luther en Calvijn denken – maar vaker nog ten kwade. Woorden hebben effect en degenen die ze uitspreken of opschrijven moeten zich daarvan bewust zijn. Iedereen die in de publieke sfeer spreekt of schrijft moet deze woorden van Jezus ter harte nemen: “Wie een van de geringen die in mij geloven van de goede weg afbrengt, die kan maar beter met een molensteen om zijn nek in zee geworpen worden en in de diepte verdrinken” (Mt 18,6).

Feesten zonder franje

11 april 2016 1 reactie

Hebt u ook zo genoten van uw vrije tweede Paasdag? Het zou best eens één van de laatste geweest kunnen zijn. Tenminste, als we Roelof Bisschop, Tweede-Kamerlid van de SGP, moeten geloven. Hij suggereerde het einde van de tweede christelijke feestdagen, toen hem om een reactie werd gevraagd op het besluit van minister Plasterk de zondagswet in te trekken. Op zichzelf heeft het één niets met het ander te maken. Maar Bisschop plaatste de intrekking van de zondagswet in een breder kader. Hij ziet het als onderdeel van het streven van de inmiddels seculiere meerderheid in de politiek de samenleving te ontdoen van alles wat aan haar christelijke wortels herinnert. Daarin staat hij niet alleen zoals blijkt uit enkele interviews van Gert-Jan Segers, politiek leider van de Christenunie. Frank van den Heuvel, lid van het CDA, schreef een artikel in Trouw waarin hij stelt dat liberalen alles wat naar religie riekt, willen uitbannen. Dat ze op z’n minst een gevoelige snaar raken blijkt wel uit de nogal gepikeerde reacties van vertegenwoordigers van VVD en D66.

De vrees van Bisschop lijkt me niet erg realistisch. De meeste Nederlanders hechten zeer aan hun vrije dag op tweede Paasdag en tweede Pinksterdag. Zelfs de VVD, voor wie de economie altijd op de eerste plaats komt, heeft zich er tot nu toe niet aan gewaagd deze vrije dagen ter discussie te stellen. Dat valt ook daaruit te verklaren dat die vrije dagen bepaalde sectoren van de economie veel opleveren, niet alleen de toeristenindustrie maar ook meubelboulevards en tuincentra, om maar eens wat te noemen.

Maar als die vrije dagen zouden vervallen, zou dat nu een reden voor treurnis zijn? En zouden christenen daartegen in het geweer moeten komen? In het Nieuwe Testament kunnen we geen aanwijzingen vinden dat aan de heilsfeiten bijzondere aandacht werd besteed. Daaruit valt ook te verklaren dat Calvijn een verklaard tegenstander van een aparte viering van Kerst was. Er zijn allerlei historische en religieuze oorzaken aan te wijzen waardoor in ons land Kerst, Pasen en Pinksteren en daarnaast nog enkele dagen, zoals Goede Vrijdag en Hemelvaartsdag, op de kalender van de vrije dagen terecht kwamen en dat voor de drie eerstgenoemden meer dan één dag werd gereserveerd. Tot 1773 kenden we in Nederland, net als in het protestantse deel van Duitsland, zelfs drie Kerstdagen. Uiteindelijk werd in de Zondagswet van 1815 officieel vastgelegd welke dagen als vrije dagen golden*. Als aparte feestdagen voor de heilsfeiten al niet geworteld zijn in de Schrift, dan de tweede feestdagen al helemaal niet. Er is dus geen enkele reden al te dramatisch te doen over de eventuele afschaffing van deze dagen als vrije dagen. De eerste feestdagen zijn niet in gevaar. Omdat Pasen en Pinksteren op zondag vallen, heeft het overheidsbeleid daarop geen invloed. Kerst is de uitzondering, maar dat feest heeft zo’n status dat aantasting daarvan bijna als heiligschennis zal worden gezien.

Er is wel een andere tendens voorstelbaar: dat Pasen en Pinksteren uit het publieke bewustzijn gaan verdwijnen. In de Verenigde Staten zijn verwijzingen naar Kerst al lang een flink strijdpunt. Strijdbare seculieren zijn van mening dat zulke verwijzingen – bijvoorbeeld door het plaatsen van een kerstboom op publieke plaatsen of in openbare gebouwen en vooral de benaming Christmas tree – in strijd zijn met de scheiding van kerk en staat. Sommige fundamentalistische christenen betreuren het wanneer traditionele verwijzingen naar Kerst, bijvoorbeeld in de reclame, gaan verdwijnen. Dat beschouwen ze als knieval voor diegenen die alles wat naar het christelijk geloof verwijst, uit de openbare samenleving willen verbannen.

Vergelijkbare conflicten kennen we bij ons niet. Zou dat ook daarmee te maken kunnen hebben dat – zoals ook uit het recente rapport God in Nederland blijkt – christenen in Nederland een slinkende minderheid zijn? Daarmee zijn verwijzingen naar christelijke feesten onschuldig en leiden ze niet tot noemenswaardige opwinding, zelfs niet bij de meest ideologisch gedreven seculieren. Het is de vraag of dat een goed teken is.

In zekere zin maken we bij ons het omgekeerde mee. In de aanloop naar Pasen kwam de Hema met een reclamefolder die repte over ‘verstopeieren’ en ‘voorjaarsfeest’. Daaruit werd de conclusie getrokken dat de Hema niet langer naar Pasen wilde verwijzen. Dat werd direct uitgelegd als een knieval voor de islam. In de sociale media – de moderne variant van het aloude volksgericht – werd de Hema over de knie gelegd. Daarbij verdwenen – één van de kenmerken van sociale media – de nuances uit het zicht, zoals het feit dat elders in de gewraakte folder wel degelijk naar Pasen werd verwezen, door middel van de paashaas en paaseieren.

Uitgerekend Halbe Zijlstra van de VVD meende de Hema hierover te moeten kapittelen. Je zou juist van hem enig begrip mogen verwachten voor een bedrijf dat zijn reclame aanpast aan de maatschappelijke ontwikkelingen en probeert op die manier de verkoop te bevorderen en de winst te vergroten. Zijn reactie is een voorbeeld van het overspannen klimaat ten aanzien van de islam en zijn positie in de Nederlandse samenleving. Het zegt ook iets over de angst van de VVD voor de concurrentie van de PVV die zich uiteraard niet onbetuigd liet bij de openbare terechtstelling van het winkelbedrijf.

Nog verbazingwekkender is dat ze bijval kregen uit christelijke kring. Van die kant zou je iets meer nuance en een groter respect voor de feiten mogen verwachten dan van de PVV, die zich specialiseert in fact free politics. Maar het is vooral verbazingwekkend omdat men kritiek heeft op een mogelijke ontwikkeling, die men eerder zou moeten toejuichen. Want partijen als VVD en PVV geven er zelden of nooit blijk van dat ze enige interesse hebben in of waarde hechten aan de echte betekenis van de christelijke feesten. Ze beschouwen die als onderdeel van de Nederlandse cultuur. Die voorzien ze van het etiket ‘joods-christelijk’, vooral in het kader van de strijd tegen de zogenaamde ‘islamisering’. De wens de christelijke feesten te handhaven is dus vooral een stok om de islamitische hond te slaan.

Al eeuwenlang maken de christelijke feestdagen deel uit van de ‘nationale kalender’. Dat was geen probleem zolang die kalender sterk door het christelijk geloof gestempeld werd. Inmiddels is de kennis van de betekenis van de christelijke feestdagen goeddeels verdwenen. Dat komt ook tot uiting in de verwijzingen naar die feesten. De verwijzingen naar Pasen bestaan vooral uit paaseieren en de paashaas. En in de Kersttijd maakt steeds vaker de Kerstman zijn opwachting en wordt het geven van cadeautjes een steeds gangbaarder verschijnsel. Vanuit christelijk perspectief is dat niet iets om blij mee te zijn. De Kerstman en cadeautjes hebben niets met de geboorte van Christus te maken en de paashaas en paaseieren niets met zijn opstanding. Wanneer de Hema dit soort trivialiteiten uit haar reclameuitingen zou verbannen, zouden christenen het bedrijf daarmee moeten complimenteren. Kerstmannen, paaseieren en paashazen roepen vooral gêne op en leiden af van waar het echt over gaat.

Nu zou men kunnen beweren dat verwijzingen naar de christelijke feesten – hoe vervormd en overwoekerd door irrelevante onzin ook – een verbinding leggen tussen de christelijke minderheid en de seculiere meerderheid. Zou het feit dat Kerst en Pasen zich op allerlei manieren in de samenleving manifesteren – van een mediaspektakel als The Passion tot het kerstliedjesgekweel van draaiorgels tussen Sinterklaas en Kerst – geen aanknopingspunten kunnen bieden om ‘de wereld’ met de heilsfeiten en hun betekenis te confronteren? Het schijnt dat The Passion leidde tot een sterke toename van zoekopdrachten in Google naar het verhaal van Goede Vrijdag en Pasen. Maar wijst dat op echte belangstelling of is dat alleen maar nieuwsgierigheid naar iets dat even in het nieuws is? Te vrezen valt dat verreweg het meeste zaad in onvruchtbare aarde of op de stenen valt. De passietijd leidt ook, vooral in Nederland, tot een hausse aan uitvoeringen van Bachs Matthäus-Passion. Maar het is zeer twijfelachtig of dat resulteert in enig besef van de betekenis van wat daarin wordt beschreven. Een recente radiouitvoering van Bachs passie werd beloond met een ovationeel applaus. Dat wijst erop dat de luisteraars de ernst van het verhaal niet tot zich hebben laten doordringen en al helemaal niet in verband brachten met hun eigen leven. Ingetogen bijval of – beter nog – een bedremmeld zwijgen zouden meer op hun plaats geweest zijn.

Christenen hebben geen enkele reden treurzangen aan te heffen wanneer de christelijke feestdagen uit het publieke bewustzijn verdwijnen. Hoe minder reclamefolders naar Kerst en Pasen verwijzen hoe beter. Kerstmannen en paashazen onttrekken de echte betekenis van die feesten aan het zicht. Waar de franje verdwijnt kan die weer aan het licht komen.

(*) Informatie hier over vindt men in een artikel op de site van het Meertens Instituut.

Rouwdiensten zullen niet worden belegd

“Rouwdiensten zullen niet worden belegd”. Zo luidt artikel 71 van de Kerkorde van de Gereformeerde Kerken in Nederland, die gehanteerd wordt in de Gereformeerde Kerken vrijgemaakt (GKV). Als het aan Deputaten Liturgie en Kerkmuziek ligt, komt daar verandering in. Ze hebben een uitvaartliturgie ontworpen en stellen de komende Generale Synode voor deze vast te stellen. Men mag aannemen dat dit voorstel niet uit de lucht komt vallen. Kennelijk hebben de deputaten een behoefte aan zo’n liturgie gesignaleerd. Dat is op zichzelf opmerkelijk. De moderne mens – ook de moderne kerkmens – acht zich mans genoeg zelf te bepalen hoe allerlei zaken geregeld moeten worden. Bruidsparen hechten er in de regel zeer aan dat zij zelf de liturgie van de huwelijksbevestiging kunnen samenstellen. Ook wanneer ouders hun kind ten doop houden willen ze graag invloed op de keuze van het lied of de liederen die bij de doopsbediening gezongen worden. Het is dan wel opmerkelijk dat men bij de invulling van een bijeenkomst voorafgaand aan een begrafenis door de kerk bij het handje wil worden genomen en ideeën voor een liturgie wil krijgen aangereikt. Dat is te meer opvallend aangezien kerkelijke gemeenten zich de laatste jaren steeds minder gelegen laten liggen aan liturgische afspraken en regelingen die door de kerken gezamenlijk zijn vastgesteld.

Het is van belang erop te wijzen dat het voorstel uit de koker van de Deputaten Liturgie en Kerkmuziek komt. Die hebben uiteraard geen bemoeienis met de inhoud van de Kerkorde. Sinds jaar en dag is het gebruikelijk dat kerkboeken ook aanwijzingen bevatten voor bijvoorbeeld het gebruik van de Psalmen en Gezangen bij speciale gelegenheden. Bovendien worden allerlei gebeden aangeboden die bij specifieke omstandigheden gebruikt kunnen worden. Die zijn geheel vrijblijvend: men kan ze gebruiken maar ook terzijde leggen. In dat licht is er niets op tegen wanneer Deputaten met suggesties komen over de manier waarop een bijeenkomst voorafgaand aan een begrafenis zou kunnen worden ingevuld. Wie dat wil kan daarvan gebruik maken, maar aangezien de Gereformeerde Kerken er altijd van zijn uitgegaan dat zo’n bijeenkomst in principe een familieaangeledenheid is, staat het de nabestaanden geheel vrij daaraan hun eigen invulling te geven.

De berichtgeving over de voorgestelde liturgie (Nederlands Dagblad, 20.11.13) laat zien dat Deputaten verder gaan. De bijeenkomst krijgt in hun voorstel het karakter van een kerkdienst. Votum, groet en zegen maken er onderdeel van uit, evenals Schriftlezing en preek. De dienst eindigt pas na de zegen bij het graf. Wanneer de voorgestelde liturgie in deze vorm wordt aanvaard, kan het niet anders dan dat het geciteerde kerkorde-artikel wordt geschrapt. Want dan moet toch echt van een rouwdienst gesproken worden.

Deze bepaling van de Kerkorde is al oud en gaat terug tot de begintijd van de Reformatie. Ze moet tegen de achtergrond van de toen nog levendige praktijken rond dood en begrafenis gezien worden. Lijkpredikatiën, zoals men die toen noemde, behoorden tot de roomse superstitiën en paapse stoutigheden die men uit de kerkelijke samenleving wilde verbannen. De rituelen rond sterven en begraven werden gestempeld door het geloof dat men door middel van gebed iets kon bijdragen aan het zieleheil van de overledene. Bij gereformeerden van de 21e eeuw zullen zulke ideeën geen weerklank vinden. Er speelde echter nog iets anders mee in het verzet tegen de roomse praktijken. In zijn commentaar op de Kerkorde van 1923 schrijft Joh. Jansen dat men kennelijk bang was dat de “lof der afgestorvenen” al te zeer op de voorgrond zou staan. Dat heeft aan actualiteit niets ingeboet, integendeel. Met de toegenomen individualisering en personalisering van de maatschappij is bij begrafenissen de persoon van de overledene steeds meer in het middelpunt komen te staan. Bij christelijke begrafenissen zal echt nog wel het Woord klinken, maar toch wel vaak in relatie met de overledene, hoe hij of zij bijvoorbeeld in het geloof stond en daarvan getuigde. Maar de grotere aandacht voor de persoon kan zomaar vormen aannemen die tot gevolg hebben dat de verkondiging van het Woord in de knel komt.

Nu zou men dit als een argument kunnen gebruiken om een liturgie voor een uitvaartdienst aan te bieden. Op deze manier kunnen allerlei ongewenste ontwikkelingen wellicht worden tegengegaan. Die lijn volgt D. Griffioen in een artikel in De Reformatie (jg 72, 1996, pp. 301-304). Hij wijst erop dat een kerkenraad formeel geen mogelijkheden heeft corrigerend in te grijpen, wanneer gemeenteleden hun doden op “hun eigen manier” willen begraven. Veel meer dan een verwijzing naar een gegroeide traditie van een christelijke begrafenis of een algemene vermaning dat bij een begrafenis “iets” van het Evangelie moet klinken zit er niet in.

Griffioens uitgangspunt is dat de kerk bij een begrafenis aanwezig moet zijn. “Het argument dat een begrafenis uiteinde­lijk een zaak is van de familie gaat maar ten dele op. (…) [De] kerkenraad met de ge­meente is na de familie wel de meest nauw betrokkene bij het sterven en het begraven van leden van de gemeente.” Met deze opvatting kan men het moeilijk oneens zijn. Juist rond sterven en begraven moet de kerk pastoraal aanwezig zijn. Er moet vanuit de Schrift troost en uitzicht geboden worden. Als die uitblijven, waar moeten de nabestaanden die dan vandaan halen? Maar daarmee is nog niet de vraag beantwoord of de Schrift moet klinken in het kader van een kerkdienst. Griffioen verwijst naar andere schrijvers die met argumenten betogen dat een door de kerkenraad uitgeschreven dienst in dit geval niet de voorkeur verdient. Hij gaat daarin in zoverre mee dat ook hij van mening is dat er geen sprake kan zijn van een reguliere dienst. Hij pleit voor een soort van ‘aangepaste’ dienst. Daarin kan bijvoorbeeld in de keuze van de te zingen liederen een zekere vrijheid betracht worden, die in ‘gewone’ kerkdiensten niet bestaat.

Nu is het nog maar de vraag of men een kerkdienst met een daarbij behorend liturgisch kader mag gebruiken om ongewenste ontwikkelingen tegen te gaan. Het is waar, zoiets is in het verleden ook gebeurd. Calvijn was bepaald geen voorstander van het houden van kerkdiensten op christelijke feestdagen anders dan op de zondag. Toch is men al in een vroeg stadium ertoe overgegaan op zulke dagen diensten te beleggen, vooral om ‘lediggang’ en allerlei ongewenste activiteiten op zulke (vrije) dagen tegen te gaan. Maar dat is nog geen reden om zoiets opnieuw te doen.

Bovendien valt te vrezen dat dit inmiddels een gepasseerd station is. Griffioen schreef zijn artikel in 1996 en inmiddels zijn meer dan vijftien jaar verstreken. Daarin is de vrijheid die kerkleden zich permitteren steeds verder opgerekt; kerkenraden zijn daarin meegegaan. Een sprekend voorbeeld is de wijze waarop kerkdiensten worden vormgegeven waarin een huwelijk wordt bevestigd. Dat een bruidspaar invloed heeft op de manier waarop die dienst verloopt en op de samenstelling van de liturgie is vrij algemeen geaccepteerd. Het lijkt er echter op dat bruidsparen vrijwel geheel de vrije hand wordt gelaten in bijvoorbeeld de keuze van de liederen. Dan kan het gebeuren dat in zo’n dienst van de gezongen liederen meer dan de helft in geen enkele bundel voorkomt die voor kerkelijk gebruik is vrijgegeven. De al gesignaleerde individualisering en personalisering speelt ook hier een rol. Het komt niet zelden voor dat de voorganger eerst het bruidspaar en zijn familie aanspreekt en pas dan de gemeente. Soms krijg je bijna de indruk dat de gemeente tot toeschouwer wordt gereduceerd.

Nu zou een kerkenraad hier regulerend kunnen optreden. Een trouwdienst is tenslotte ruim tevoren bekend en er is tijd genoeg om over de inhoud van de dienst van gedachten te wisselen en eventuele bezwaren tegen, bijvoorbeeld, de liedkeuze te bespreken. Bij een begrafenis ligt dat uiteraard anders. Daar moet alles op korte termijn geregeld worden. Voor het bespreken van eventuele bezwaren tegen de vormgeving van een bijeenkomst is weinig tijd. Bovendien is een begrafenis nu niet bepaald een gelegenheid waarbij een conflict tussen kerkenraad of voorganger enerzijds en de nabestaanden anderzijds zou moeten plaatsvinden. Juist dan zou elke onenigheid moeten worden voorkomen. In geval van een door de familie geregisseerde bijeenkomst lukt dat wel. Uiteindelijk levert de predikant alleen maar een bijdrage. Hij en zijn kerkenraad dragen geen verantwoordelijkheid voor het geheel en zijn daarop ook niet aanspreekbaar. Dat is anders wanneer de bijeenkomst voorafgaand aan de begrafenis het karakter van een kerkdienst zou krijgen.

Conflicten zijn dan alleen te voorkomen wanneer de kerkenraad voetstoots alles accepteert wat door de nabestaanden wordt voorgesteld. Maar was het niet juist de bedoeling ongewenste ontwikkelingen tegen te gaan? Kerkenraden zijn zeer tolerant ten aanzien van de vormgeving van trouwdiensten. Wanneer ze hier al niet op hun strepen gaan staan en zich inspannen ervoor te zorgen dat de trouwdienst qua inhoud en vormgeving echt kerkdienst mag heten en niet haaks staat op wat in de kerk gebruikelijk is, zullen ze dat bij eventuele ‘rouwdiensten’ wel gaan doen? Moet de kerkenraad ingrijpen wanneer de nabestaanden van plan zijn uitgebreid het doopceel van de overledene te lichten of wanneer familieleden en vrienden uitvoerig verslag doen van hun herinneringen aan hem of haar? En wat te doen wanneer kinderen hun overleden opa of oma gaan toespreken, alsof hij of zij nog onder de levenden is? Hoe moet de voorganger reageren als een nabestaande over “stoffelijk overschot” spreekt? Volgens de voorstellen van Deputaten zou de dienst eindigen met de zegen na de teraardebestelling. Past in zo’n dienst het optreden van een dweilorkest, zoals één van de lezers in het Nederlands Dagblad van 21 november 2013 als zijn voorkeur opgeeft?

Wanneer een kerkenraad een kerkdienst belegt dient hij erop toe te zien dat deze qua karakter een echte kerkdienst is. Dan zullen er bepaalde grenzen moeten worden gesteld. Men zou bij trouwdiensten een begin kunnen maken. Wanneer de Generale Synode zou besluiten dat kerkenraden begrafenisdiensten kunnen beleggen, dienen ook daarvoor duidelijke afspraken te worden gemaakt. Kerkenraden moeten voorkomen dat conflicten bij de voorbereiding van een begrafenis ontstaan. Dat kan door in prediking en pastoraat vragen rond sterven en begraven aan de orde te stellen. Ik heb niet de indruk dat dit gebeurt. Wanneer ook in gereformeerde kring in rouwadvertenties de overledene wordt toegesproken, zou dat dan geen reden moeten zijn hierop in de prediking in te gaan? Zulke aanspraken zijn dan wellicht meestal van kinderen afkomstig, maar zou hun niet al vanaf jonge leeftijd moeten worden geleerd dat de doden niets weten – dat wil zeggen: geen kennis hebben van wat op aarde tegen hen of over hen wordt gezegd?

Enige reformatie ten aanzien van de inmiddels gegroeide praktijken rond overlijden en begraven lijkt bepaald niet overbodig. Het aangewezen middel daarvoor is prediking en pastoraat. Liturgische handreikingen kunnen een goed hulpmiddel zijn om rouwbijeenkomsten op een verantwoorde manier vorm te geven. Maar voorstellen voor het beleggen van rouwdiensten moeten voorlopig maar even in de ijskast gelegd worden. “Rouwdiensten zullen niet worden belegd” – laat dat vooral maar in de Kerkorde blijven staan.

Het kerklied als geloofsbelijdenis

Er zijn bepaalde onderwerpen die de gemoederen in christelijke kring meer in beweging brengen dan andere. Zodra in het Nederlands Dagblad een verslag van een lezing of een artikel publiceert waar over de doop gesproken wordt, volgen daarop één of meerdere ingezondens en het aantal reacties in de digitale editie loopt binnen enkele dagen in de tientallen. Als het over Israël gaat, gebeurt hetzelfde in veelvoud en kunnen de discussies in de digitale editie weken lang aanhouden. Kennelijk zijn dit gevoelige onderwerpen waarover de meningen niet alleen flink uiteenlopen, maar die ook in hoge mate mensen emotioneel raken. Het zou interessant zijn te onderzoeken waarom uitgerekend die onderwerpen dat effect hebben.

Er is nog een andere kwestie die een sterk emotionele lading heeft en christenen blijkbaar sterk bezighoudt: de liturgie, en vooral het muzikale deel ervan. De vrijheden in de keuze van liederen die kerkenraden of voorgangers zich veroorloven, het zingen van opwekkingsliederen en de begeleiding door een orgel of juist door een band, ze veroorzaken vaak felle discussies waarbij de nuance nogal eens ver te zoeken is. Niet veel christenen zullen beweren dat de liederen die in de kerk gezongen worden tot de kern van de christelijke godsdienst behoren. Dat betekent echter niet dat ze onbelangrijk zijn. Ze kunnen een indicatie geven van de geestelijke ‘ligging’ van die gemeente. Daarnaast geven de argumenten – of wat daarvoor moet doorgaan – die in de discussies over liturgie en kerkmuziek worden gebruikt, inzicht in de manier waarop met zaken rond geloof en kerk wordt omgegaan.

De aangekondigde verschijning van het nieuwe Liedboek voor de Kerken werpt haar schaduwen al vooruit. Al een tijd geleden spraken verschillende mensen die zich min of meer professioneel met kerkmuziek en het kerklied bezighouden er hun afkeuring over uit dat in het Liedboek allerlei liederen zouden worden opgenomen die volgens hen kwalitatief onder de maat zijn. Daarbij doelde men vooral op liederen uit de evangelicale hoek. Naar hun mening zou kwaliteit doorslaggevend moeten zijn bij de vraag of een lied wel of niet in het Liedboek moet worden opgenomen. Kort geleden oefende Hans Maat, directeur van het Evangelisch Werkverband en nota bene bestuurslid van de Interkerkelijke Stichting voor het Kerklied – verantwoordelijk voor de samenstelling van het nieuwe Liedboek -, scherpe kritiek op het uiteindelijke resultaat. Volgens een bericht in het Nederlands Dagblad van 16 maart 2013 ontbreekt het de samenstellers aan gevoel “voor jongeren, de Nederland Zingtcultuur, de orthodoxe achterban en de grote tendensen in de kerk”. Er staan maar een paar opwekkingsliederen en worshipliederen in, terwijl jongeren in veel kerken die het liefste zingen. “Dit moest een bundel voor de toekomst zijn, en voor de gewone gemeenteleden. Niet voor een professor liturgiek.”

De manier waarop over dit onderwerp wordt gesproken, zegt veel over de manier waarop naar kerkliederen en kerkmuziek gekeken wordt. Je zou twee elementen kunnen onderscheiden die in de discussies over dit onderwerp steeds weer naar voren komen.

Het eerste betreft de kwaliteit van liederen. Vooral professionele kerkmusici hameren er steeds op dat een groot deel van de liederen die tegenwoordig vaak gezongen worden – globaal aangeduid als ‘evangelicaal’ – kwalitatief onder de maat is, zowel qua tekst als qua muziek. Het zal niet meevallen in deze kringen een musicus te vinden die dit repertoire van goede kwaliteit acht. Ook diegenen onder hen die het opwekkingsrepertoire niet in z’n totaliteit afwijzen, zijn van mening dat het de samenstellers van bundels met zulke liederen – en de gebruikers uiteraard – aan kritische zin ontbreekt. Ik weet eigenlijk niet of er vertegenwoordigers van de evangelische liedcultuur zijn die deze opvatting fundamenteel bestrijden. Het lijkt me een vrijwel onbegonnen werk te proberen aan te tonen dat opwekkingsliederen in hun algemeenheid zich kwalitatief kunnen meten met de psalmen of bijvoorbeeld de liederen die in het (oude) Liedboek voor de Kerken zijn opgenomen.

Sommigen doen daar ook geen pogingen toe. De al genoemde Hans Maat bijvoorbeeld wijst op kerklieddichters als Huub Oosterhuis, Willem Barnard en Sytze de Vries – de eerste twee zijn in het oude Liedboek ruim vertegenwoordigd, de laatstgenoemde is van een jongere generatie en schrijft veel teksten die o.a. door Dirk Zwart op muziek zijn gezet. Maat erkent: “[Ze] zijn waarschijnlijk betere poëten dan ik”. In een artikel in het Nederlands Dagblad van 28 maart 2013 schrijft Janneke Burger iets vergelijkbaars. Ze typeert het klassieke kerklied als “literair en muzikaal gezien vast prachtig en correct”. In zekere zin zou je dat als winst kunnen beschouwen: de aanhangers van het klassieke kerklied en de vertegenwoordigers van het evangelicale repertoire zijn het er kennelijk over eens dat er een evident verschil in kwaliteit tussen de twee genres bestaat.

Daarmee is het pleit echter niet beslecht. De twee kampen verschillen namelijk fundamenteel van mening over de vraag welke rol kwaliteit moet spelen. Daarmee zijn we bij het tweede element in de discussies over dit onderwerp. Grof gezegd vinden de verdedigers van de evangelische liedcultuur dat kwaliteit uiteindelijk niet doorslaggevend is. Hier kunnen verschillende argumentatielijnen onderscheiden worden.

In discussies kun je nog wel eens het argument tegenkomen dat het om de intentie gaat en niet zozeer om de kwaliteit. God ziet het hart aan en de kwaliteit van het gebodene is vers twee. Dit is een uiterst merkwaardig en vanuit christelijk standpunt nogal bedenkelijk argument. Je hoeft niet direct met allerlei diepgravende bezwaren te komen om te begrijpen dat deze redenering niet houdbaar is. Wanneer een man zijn vrouw een verjaardagscadeau aanbiedt, doet hij er dan krantenpapier omheen? Wanneer iemand bij de koningin op audiëntie gaat, doet hij dan zijn oude kloffie aan? Natuurlijk gaat het om het hart, maar waarvan het hart vol is, daarvan loopt de mond over. Aan wat uit de mond komt, kan de intentie worden afgeleid. In de dienst aan God is het beste nog niet goed genoeg. Maar naar dat beste moet dan wel gestreefd worden. Of, beter gezegd, naar het optimale: het beste dat met de gegeven middelen en talenten bereikbaar is. Tot het onmogelijke is uiteraard niemand gehouden. Maar wie een rijke en kwalitatief goede liedcultuur in de vuilnisemmer kiepert en die vervangt door wat kwalitatief van minder allooi is, heeft wel wat uit te leggen. Je kunt hier ook nog een filosofische draai aan geven. De tegenstelling tussen de kwaliteit en de intentie is dan die tussen het ‘stoffelijke’ en het ‘geestelijke’, waarbij het laatste uiteindelijk het belangrijkste is. Deze tegenstelling wortelt in de heidense filosofie en laat zich op geen enkele manier vanuit de Schrift verdedigen.

Een tweede argumentatielijn vinden we in het al eerder genoemde artikel van Janneke Burger. “Waarom blijft er toch die kloof tussen aan de ene kant het klassieke kerklied, dat literair en muzikaal gezien vast prachtig en correct is, maar het hart van de eenvoudige gelovige (laat staan het kind) maar moeilijk kan bereiken?” “Ik kan werkelijk genieten van een lied waar mooie woorden in staan, dichtkunst, zo u wilt. Prachtig, zoals de ambivalentie van het leven in woorden gevangen kan worden. Het hoeft niet altijd uitbundig, en ik zing ook graag liederen die ik moet herkauwen. Tegelijk geniet ik van een opwekkingslied, dat mijn hart zoveel makkelijker bereikt en waarbij ik mijn lijf mag gebruiken om mij naar de Heer uit te strekken.”

De suggestie die hiervan uitgaat is dat wat van hoog literair en muzikaal niveau is het hart van de gelovigen niet bereikt. Dat is niet hard te maken. Want er zijn ongetwijfeld heel wat kerkgangers die zich in die kritiek herkennen, maar ook die een geheel tegengestelde ervaring hebben. Als ik, in navolging van mw. Burger, ook even subjectief mag zijn: hoe klassieker een lied, hoe meer het me aanspreekt, terwijl evangelicale liederen me volstrekt koud laten. Als iedereen zijn voorkeur mag laten gelden wordt het lastig. Waar de een van geniet, dat kan de ander niet pruimen. Aan hoogstpersoonlijke voorkeuren hebben we niet veel als het gaat om de vraag welke liederen voor kerkelijk gebruik geselecteerd zouden moeten of kunnen worden.

Achter deze persoonlijke ontboezeming van mw. Burger lijkt wel een bepaald vooroordeel te zitten: kwaliteit landt niet bij ‘gewone’ mensen. Dat klinkt nogal neerbuigend. Misschien moeten literair of muzikaal weinig onderlegde mensen zich wat inspannen, maar wie zegt dat ze dat niet willen of kunnen? En zijn de psalmen dan gemakkelijker toegankelijk? Moeten die op het tweede plan komen? Trouwens, wie de Schrift wil doorgronden, zal zich ook moeten inspannen. Dat hoort uiteindelijk bij het christelijk geloof. Niet alles hoeft of kan in hapklare brokken te worden aangeboden.

Wie leest wat Janneke Burger en Hans Maat naar voren brengen moet wel de conclusie trekken dat voor hen de smaak van de gelovigen de doorslag geeft. In elk geval is Hans Maat daarover glashelder in wat hij opmerkt over het nieuwe Liedboek voor de Kerken. “Ik wilde graag dat het project zou slagen, maar het nieuwe Liedboek is geen veelkleurige bundel. Het mist ook compleet de tijdgeest: we zitten in een periode van deïnstitutionalisering, waarin de vrije liedcultuur opbloeit.” “Het gaat mij erom dat een bepaald soort liederen, die een grote groep in de kerk graag zingt, amper in deze nieuwe bundel voorkomt.” Hier is het criterium uiteindelijk de voorkeur van de gebruikers: er moeten meer liederen uit de evangelicale hoek worden opgenomen, niet omdat die goed zijn, maar omdat ze graag gezongen worden.

Deze positiekeuze is nogal problematisch. Geen van beide zullen willen verdedigen dat in geloofskwesties de mening of het gevoel van de gelovigen doorslaggevend zijn. De inhoud van het geloof wordt bepaald door de Schrift. Maat maakt in het interview duidelijk dat hij dat inderdaad vindt: “Bepaalde liederen en gebeden in het nieuwe Liedboek zou ik om theologische redenen nooit aan jongeren voorlezen.” Als de Schrift dan maatgevend is voor de inhoud van het geloof, dan zou hij toch eens moeten uitleggen waarom dat dan niet geldt ten aanzien van de liturgie en het muzikale aspect daarvan. Waarom zou hier de smaak van de kerkgangers ineens doorslaggevend moeten zijn?

Dat heeft enerzijds ongetwijfeld te maken met de scheiding tussen vorm en inhoud die hierboven al gesignaleerd werd. Maar het zou ook verband kunnen houden met een visie op liturgie, waarin deze wordt opgedeeld in twee elementen. In het ene komt God aan het woord, via Schriftlezing en verkondiging. In het andere element spreekt de gemeente, door middel van gebed en lied. Maar is die tweedeling wel correct?

De oorsprong van het woord liturgie maakt duidelijk dat dienst daarin het centrale begrip is. In de christelijke kerk betekent liturgie dienst aan God. Hoe dien je God? Toch allereerst door Hem zelf aan het woord te laten. Hij spreekt via de Schrift en – door de mond van de voorganger – in de verkondiging van het Evangelie. Hij spreekt ook door middel van het lied: de heilige Geest heeft ervoor gezorgd dat de bijbel een grote hoeveelheid liederen bevat – het boek van de Psalmen, maar ook andere Schriftgedeelten – waarin Hij eveneens aan het woord komt, door de mond van de gelovigen. Luther en Calvijn hadden niet dezelfde visie op de eredienst, maar verschilden niet van mening over het feit dat de mens als schepsel de plicht heeft zijn schepper ook in zijn lied te loven. Dat gebeurt vooral door na te spreken wat Hij in zijn woord heeft gezegd. In die zin wordt in het kerklied de verkondiging van het evangelie voortgezet. Daarom is er ook geen tegenstelling tussen de Woordverkondiging in de preek en de Woordverkondiging in het lied. Beide hebben dezelfde spits: het uitdragen van de woorden van God met verschillende middelen. Het maakt de discussie over de verhouding tussen preek en lied grotendeels overbodig. Dan is het wel noodzakelijk dat de liederen in de eredienst inhoudelijk en qua vorm zoveel mogelijk aansluiten bij de Schrift.

Hoe verder de liederen daarvan afwijken, hoe problematischer de relatie tussen Woordverkondiging en lied wordt. Het valt niet te ontkennen dat in veel evangelicale liederen de mens een wel erg belangrijke rol speelt. In die liederen drukt hij zijn gevoelens uit. Er is niets tegen wanneer mensen door middel van liederen hun gevoelens tot uiting brengen, ook niet wanneer ze dat samen doen. Maar de eredienst is daarvoor niet geschikt; daar passen geen subjectieve en individualistische elementen in.

Noch Janneke Burger noch Hans Maat eisen het alleenrecht voor het evangelicale lied op. Ze willen dat in de kerken beide liedculturen vredig naast elkaar kunnen bestaan. Mw. Burger schrijft: “[Mijn] gemeente heeft toch vooral behoefte aan liederen die deze kloof [tussen het klassieke en het evangelicale lied] overbruggen. Waarom zijn die er dan zo weinig?” Misschien bestaan zulke liederen niet. Ik kan me niet goed voorstellen hoe zo’n lied eruit zou moeten zien. Hans Maat is realistisch. “Bovendien vraag ik me nog steeds af of je wel een bundel voor iedereen kunt maken.” Daarbij bedoelt hij vooral de theologische inhoud van het kerklied, maar dat kun je even zo goed betrekken op de vorm.

Dat is het grote probleem bij het Liedboek voor de Kerken. Dat gold voor het oude: een aantal kerken besloot het niet te gebruiken vanwege het feit dat daarin liederen waren opgenomen die zich inhoudelijk niet laten rijmen met de gereformeerde belijdenis. Het zal ook – en wellicht zelfs in nog sterkere mate – voor het nieuwe Liedboek gelden. Naast liederen van min of meer vrijzinnige snit zal het ook liederen uit de evangelicale hoek bevatten. Die zijn ook niet allemaal in een gereformeerde eredienst bruikbaar. En aangezien de kerk in veel opzichten multicultureel is geworden, ook als ze geheel autochtoon is, levert elke keuze weerstanden op.

Het gesignaleerde probleem is in wezen onoplosbaar wanneer de persoonlijke voorkeur en smaak van de gelovigen doorslaggevend is. Dat is in de kerk een onbegaanbare weg. Kerken zullen een heldere, schriftuurlijk gefundeerde visie op liturgie moeten ontwikkelen. Alleen zo kan de schijn vermeden worden dat de smaak van een elite of de macht van het getal bepalend is voor de keuzen die ten aanzien van het liedrepertoire gemaakt worden.

In de eredienst staat het Woord centraal. Daarom moet in het kerklied de Schrift tot klinken komen. Het is een geloofsbelijdenis: de gemeente spreekt zingend na wat ze in de Schrift gelezen heeft.