Archief

Posts Tagged ‘CDA’

Orgaandonatie: Wie zwijgt stemt toe?

Met enige regelmaat is orgaandonatie een onderwerp van politieke en maatschappelijke discussie. Ook recent werd daarover weer van mening gewisseld in de Tweede Kamer en in de pers. Politiek gezien draait alles om een voorstel van D66 een ‘actief donorregistratiesysteem’ in te voeren. Het is in de Tweede Kamer niet tot een stemming gekomen. Aangezien de CDA-fractie het voorstel unaniem afwees, was op voorhand duidelijk dat er geen meerderheid voor was. Dat het nu – opnieuw – afgewezen is, wil niet zeggen dat het op termijn niet weer op tafel komt. D66 zal ongetwijfeld blijven proberen dit systeem ingevoerd te krijgen. Zoals het er nu naar uitziet zal dat alleen lukken wanneer deze partij bereid is het voorstel substantieel te wijzigen. Maar de komende verkiezingen kunnen ook roet in het eten gooien. De PVV is bijvoorbeeld een tegenstander van het D66-voorstel en wanneer die bij de komende verkiezingen een substantiële winst zou behalen, zal de steun voor het D66-plan nog verder afkalven.

De problemen rond de donorregistratie zijn niet te ontkennen. Van overheidswege wordt gestimuleerd dat mensen laten weten of ze bereid zijn na hun dood organen voor transplantatie af te staan. Ze kunnen ook specificeren welke organen ze eventueel willen afstaan. Daarnaast is het uiteraard mogelijk ervoor te kiezen geen donor te zijn. Tenslotte kan men ook aangeven dat men de beslissing aan de nabestaanden wil overlaten. Maar desondanks zijn er nog heel veel mensen die geen keuze maken. Dat is de reden dat D66 het over een andere boeg wil gooien. Haar voorstel houdt in dat iedere burger op enkele momenten wordt gevraagd te laten weten wat zijn beslissing is. Hij kan dan dezelfde keuzen maken als in het huidige ‘geen-bezwaar-systeem’. Het verschil is dat wanneer hij geen keuze maakt – opzettelijk, uit slordigheid of vergeetachtigheid – hij geacht wordt toestemming te geven zijn bruikbare organen na zijn dood voor transplantatiedoeleinden te gebruiken.

Ook in christelijke kring is het nodige over dit onderwerp geschreven. Het belangrijkste argument ten gunste van orgaandonatie is het gebod tot naastenliefde. In een recente weblog schrijft ds. Ernst Leeftink: “Volgens mij moeten christenen in deze diskussie de woorden van Jezus onze Heer uit Matteüs 7:12 en Lukas 6:31 zwaar laten wegen: Behandel anderen steeds zoals je wilt dat ze jullie behandelen (NBV) / Alles nu wat gij wilt, dat u de mensen doen, doet gij hun evenzo (NV’51).” Wat opvalt is dat hij hier spreekt over “zwaar laten wegen”. Dat suggereert de ruimte om ook andere elementen in de overwegingen te betrekken. Hij trekt uit dit gebod ook niet de conclusie dat iedereen bereid moet zijn zijn organen na zijn dood ter beschikking te stellen. Daarvoor lijkt me ook weinig grond, al was het maar dat in bijbelse tijd orgaantransplantatie helemaal niet bestond. Er zijn allerlei onderwerpen die in de tijd dat de Schrift ontstond nog buiten beeld waren. In zulke gevallen moeten christenen die de bijbel als richtinggevend voor hun leven beschouwen, een vertaalslag maken. In dit geval betekent het dat gekeken moet worden hoe bijvoorbeeld over het lichaam en de dood wordt gesproken en over de relatie tussen mensen.

Vanuit dit perspectief is het dan wel merkwaardig dat Leeftink in een ander verband wel de term ‘onchristelijk’ gebruikt. Dat doet hij in het kader van zijn kritiek op het standpunt van de ChristenUnie. Die wil – kort samengevat – wel dringen maar niet dwingen. Leeftink merkt op: “Op http://www.donorregister.nl kan iedereen invullen of men wel of geen orgaandonor wil zijn. Maar het heeft onvoldoende geholpen. Na tien jaar neemt bijna 60% van de Nederlanders nog steeds niet z’n verantwoordelijkheid.” Door het D66-voorstel af te wijzen “stimuleert ze laksheid en ongeïnteresseerdheid. En bevordert ze gebrek aan naastenliefde.” Eerder schreef hij: “Die laksheid vind ik onchristelijk”. Kort gezegd: niemand is, ook niet op grond van de Schrift, verplicht zijn organen na zijn dood beschikbaar te stellen, maar wel om een keuze te maken. Dat is een vreemde positiekeuze. Hoe kan vanuit de Schrift het maken van een keuze als morele plicht gekwalificeerd worden? Wie van mening is dat het ieders vrijheid is eventueel ook orgaandonatie af te wijzen, kan niet hard maken dat het maken van een keuze – welke dan ook – een christelijke plicht is.

De crux van de kwestie zit in de consequentie van het niet maken van een keuze. In het D66-voorstel betekent dit dat uitgegaan wordt van toestemming. Oftewel: wie zwijgt, stemt toe. Leeftink vindt dat een logische stap. “Maar als iemand gewoon de moeite niet neemt om na herhaalde oproepen het donorregistratieformulier in te vullen, is het een hele logische stap om te zeggen: ‘Wie zwijgt, stemt toe'”. Mij ontgaat die logica. Want we raken hier aan de vraag wat de bevoegdheid van de overheid is en hoever die reikt. In Nederland is de overheid over het algemeen erg terughoudend in te grijpen in het persoonlijk leven van mensen, vooral als hun identiteit en diepste overtuigingen in het geding zijn. Polio is een uiterst besmettelijke ziekte en de overheid stimuleert de inenting van kinderen daartegen. Maar zoals bekend zijn er kringen in Nederland die op godsdienstige gronden zo’n inenting afwijzen. Zij worden daartoe niet gedwongen. Na de laatste uitbraak van polio werd opnieuw gepleit voor dwang. Maar tot nu toe heeft de overheid die aandrang altijd weerstaan. De overheid dringt wel maar dwingt niet. Er moeten hele zwaarwegende redenen zijn om tot dwang over te gaan, bijvoorbeeld wanneer de nationale volksgezondheid of de openbare orde in gevaar zijn. Zolang daarvan geen sprake is, ontbreekt een grond voor dwang.

Het leed van degenen die dringend een orgaan nodig hebben, mogen we niet onderschatten. Maar de nationale volksgezondheid is hier niet in het geding. Hier komen we bij een essentiële vraag die nogal gevoelig ligt maar niet over het hoofd gezien mag worden. Kunnen degenen die een orgaan nodig hebben, daarop wel aanspraak maken? Uiteraard hebben zij, net als elke zieke, recht op optimale zorg en op middelen die verlichting geven of zelfs tot genezing kunnen leiden. Wanneer er bijvoorbeeld dure kunstorganen of behandelmethoden zijn, komt in principe elke patiënt daarvoor in aanmerking. Hier mag geen onderscheid gemaakt worden op grond van draagkracht of sociale status. Maar daaruit vloeit niet het recht op menselijke organen voort. Vanuit belangenorganisaties wordt de indruk gewekt dat er een morele plicht bestaat voor mensen om na hun dood organen af te staan aan hen die ze nodig hebben. Maar zo’n recht bestaat niet. Juridisch uiteraard niet maar ook ethisch niet. Wanneer zelfs christelijke ethici in dit verband niet van een morele plicht durven spreken, valt niet aan te nemen dat er andere gronden te vinden zijn die zo’n opvatting rechtvaardigen. De ethicus Jochem Douma schreef eens: “Wie in elk mens een uniek beeld van God ziet, heeft niet voldoende respect voor het uniek persoonlijke, als hij het vanzelfsprekend vindt dat het lichaam na de dood ten bate van de gemeenschap gebruikt moet worden.”

Binnen de kerk mag en moet het onderwerp van de orgaandonatie aan de orde komen. Niet om daaruit dwingende conclusies te trekken. Bij een vertaalslag moet je altijd een slag om de arm houden. Maar wanneer we vanuit het bijbelse liefdegebod de bereidheid tot het afstaan van organen na het sterven als een daad van naastenliefde aanbevelen en niet meer dan dat, kan de overheid niet een stap verder gaan en dwang toepassen. Het is de verantwoordelijkheid van elke burger op grond van eigen levensbeschouwing een keuze te maken. Die kan de overheid voor niemand invullen. Het overheidsbeleid gaat altijd van een bepaalde ethiek uit, ook al wordt die zelden expliciet gemaakt. Die is dan de grond onder concrete overheidsmaatregelen, bijvoorbeeld ten aanzien van sociale zekerheid of de opvang van vluchtelingen. Maar die ethiek kan niet aan de burger worden opgelegd. De overheid kan ertoe besluiten vluchtelingen op te vangen maar mag niet van individuele burgers vragen hun huis of hun tijd daarvoor ter beschikking te stellen. Na de recente aanslag in Orlando (VS) liep het storm bij de bloedbank. Het is mooi dat zoveel burgers bereid waren bloed te geven om de levens van gewonden te redden. Maar de overheid zou haar bevoegdheden ver overschrijden wanneer ze burgers zou dwingen bloed af te staan.

In onze democratische rechtsstaat staat het iedere burger vrij zich bij een organisatie aan te sluiten, zoals een politieke partij of een vakbond. Maar ieder is ook vrij dat niet te doen. Iedere stemgerechtigde burger mag bij verkiezingen zijn stem uitbrengen maar is ook vrij van dat recht geen gebruik te maken. Opkomstplicht, laat staan stemplicht, zijn in strijd met de burgerlijke vrijheden. De overheid moet met heel sterke en zwaarwegende argumenten komen om burgers te dwingen tot keuzen die hem in zijn persoonlijk leven raken. In het geval van orgaandonatie zijn die argumenten er niet.

Confrontatie met de vraag naar organen en drang om een keuze te maken is een goede zaak. Maar met dwang overschrijdt de overheid haar bevoegdheden. “Wie zwijgt stemt toe” is geen basis voor overheidsbeleid. Juist een christelijke partij moet zich tegen die dwang verzetten in het belang van een rechtsstaat die de individuele vrijheden respecteert.

Advertenties

Feesten zonder franje

11 april 2016 1 reactie

Hebt u ook zo genoten van uw vrije tweede Paasdag? Het zou best eens één van de laatste geweest kunnen zijn. Tenminste, als we Roelof Bisschop, Tweede-Kamerlid van de SGP, moeten geloven. Hij suggereerde het einde van de tweede christelijke feestdagen, toen hem om een reactie werd gevraagd op het besluit van minister Plasterk de zondagswet in te trekken. Op zichzelf heeft het één niets met het ander te maken. Maar Bisschop plaatste de intrekking van de zondagswet in een breder kader. Hij ziet het als onderdeel van het streven van de inmiddels seculiere meerderheid in de politiek de samenleving te ontdoen van alles wat aan haar christelijke wortels herinnert. Daarin staat hij niet alleen zoals blijkt uit enkele interviews van Gert-Jan Segers, politiek leider van de Christenunie. Frank van den Heuvel, lid van het CDA, schreef een artikel in Trouw waarin hij stelt dat liberalen alles wat naar religie riekt, willen uitbannen. Dat ze op z’n minst een gevoelige snaar raken blijkt wel uit de nogal gepikeerde reacties van vertegenwoordigers van VVD en D66.

De vrees van Bisschop lijkt me niet erg realistisch. De meeste Nederlanders hechten zeer aan hun vrije dag op tweede Paasdag en tweede Pinksterdag. Zelfs de VVD, voor wie de economie altijd op de eerste plaats komt, heeft zich er tot nu toe niet aan gewaagd deze vrije dagen ter discussie te stellen. Dat valt ook daaruit te verklaren dat die vrije dagen bepaalde sectoren van de economie veel opleveren, niet alleen de toeristenindustrie maar ook meubelboulevards en tuincentra, om maar eens wat te noemen.

Maar als die vrije dagen zouden vervallen, zou dat nu een reden voor treurnis zijn? En zouden christenen daartegen in het geweer moeten komen? In het Nieuwe Testament kunnen we geen aanwijzingen vinden dat aan de heilsfeiten bijzondere aandacht werd besteed. Daaruit valt ook te verklaren dat Calvijn een verklaard tegenstander van een aparte viering van Kerst was. Er zijn allerlei historische en religieuze oorzaken aan te wijzen waardoor in ons land Kerst, Pasen en Pinksteren en daarnaast nog enkele dagen, zoals Goede Vrijdag en Hemelvaartsdag, op de kalender van de vrije dagen terecht kwamen en dat voor de drie eerstgenoemden meer dan één dag werd gereserveerd. Tot 1773 kenden we in Nederland, net als in het protestantse deel van Duitsland, zelfs drie Kerstdagen. Uiteindelijk werd in de Zondagswet van 1815 officieel vastgelegd welke dagen als vrije dagen golden*. Als aparte feestdagen voor de heilsfeiten al niet geworteld zijn in de Schrift, dan de tweede feestdagen al helemaal niet. Er is dus geen enkele reden al te dramatisch te doen over de eventuele afschaffing van deze dagen als vrije dagen. De eerste feestdagen zijn niet in gevaar. Omdat Pasen en Pinksteren op zondag vallen, heeft het overheidsbeleid daarop geen invloed. Kerst is de uitzondering, maar dat feest heeft zo’n status dat aantasting daarvan bijna als heiligschennis zal worden gezien.

Er is wel een andere tendens voorstelbaar: dat Pasen en Pinksteren uit het publieke bewustzijn gaan verdwijnen. In de Verenigde Staten zijn verwijzingen naar Kerst al lang een flink strijdpunt. Strijdbare seculieren zijn van mening dat zulke verwijzingen – bijvoorbeeld door het plaatsen van een kerstboom op publieke plaatsen of in openbare gebouwen en vooral de benaming Christmas tree – in strijd zijn met de scheiding van kerk en staat. Sommige fundamentalistische christenen betreuren het wanneer traditionele verwijzingen naar Kerst, bijvoorbeeld in de reclame, gaan verdwijnen. Dat beschouwen ze als knieval voor diegenen die alles wat naar het christelijk geloof verwijst, uit de openbare samenleving willen verbannen.

Vergelijkbare conflicten kennen we bij ons niet. Zou dat ook daarmee te maken kunnen hebben dat – zoals ook uit het recente rapport God in Nederland blijkt – christenen in Nederland een slinkende minderheid zijn? Daarmee zijn verwijzingen naar christelijke feesten onschuldig en leiden ze niet tot noemenswaardige opwinding, zelfs niet bij de meest ideologisch gedreven seculieren. Het is de vraag of dat een goed teken is.

In zekere zin maken we bij ons het omgekeerde mee. In de aanloop naar Pasen kwam de Hema met een reclamefolder die repte over ‘verstopeieren’ en ‘voorjaarsfeest’. Daaruit werd de conclusie getrokken dat de Hema niet langer naar Pasen wilde verwijzen. Dat werd direct uitgelegd als een knieval voor de islam. In de sociale media – de moderne variant van het aloude volksgericht – werd de Hema over de knie gelegd. Daarbij verdwenen – één van de kenmerken van sociale media – de nuances uit het zicht, zoals het feit dat elders in de gewraakte folder wel degelijk naar Pasen werd verwezen, door middel van de paashaas en paaseieren.

Uitgerekend Halbe Zijlstra van de VVD meende de Hema hierover te moeten kapittelen. Je zou juist van hem enig begrip mogen verwachten voor een bedrijf dat zijn reclame aanpast aan de maatschappelijke ontwikkelingen en probeert op die manier de verkoop te bevorderen en de winst te vergroten. Zijn reactie is een voorbeeld van het overspannen klimaat ten aanzien van de islam en zijn positie in de Nederlandse samenleving. Het zegt ook iets over de angst van de VVD voor de concurrentie van de PVV die zich uiteraard niet onbetuigd liet bij de openbare terechtstelling van het winkelbedrijf.

Nog verbazingwekkender is dat ze bijval kregen uit christelijke kring. Van die kant zou je iets meer nuance en een groter respect voor de feiten mogen verwachten dan van de PVV, die zich specialiseert in fact free politics. Maar het is vooral verbazingwekkend omdat men kritiek heeft op een mogelijke ontwikkeling, die men eerder zou moeten toejuichen. Want partijen als VVD en PVV geven er zelden of nooit blijk van dat ze enige interesse hebben in of waarde hechten aan de echte betekenis van de christelijke feesten. Ze beschouwen die als onderdeel van de Nederlandse cultuur. Die voorzien ze van het etiket ‘joods-christelijk’, vooral in het kader van de strijd tegen de zogenaamde ‘islamisering’. De wens de christelijke feesten te handhaven is dus vooral een stok om de islamitische hond te slaan.

Al eeuwenlang maken de christelijke feestdagen deel uit van de ‘nationale kalender’. Dat was geen probleem zolang die kalender sterk door het christelijk geloof gestempeld werd. Inmiddels is de kennis van de betekenis van de christelijke feestdagen goeddeels verdwenen. Dat komt ook tot uiting in de verwijzingen naar die feesten. De verwijzingen naar Pasen bestaan vooral uit paaseieren en de paashaas. En in de Kersttijd maakt steeds vaker de Kerstman zijn opwachting en wordt het geven van cadeautjes een steeds gangbaarder verschijnsel. Vanuit christelijk perspectief is dat niet iets om blij mee te zijn. De Kerstman en cadeautjes hebben niets met de geboorte van Christus te maken en de paashaas en paaseieren niets met zijn opstanding. Wanneer de Hema dit soort trivialiteiten uit haar reclameuitingen zou verbannen, zouden christenen het bedrijf daarmee moeten complimenteren. Kerstmannen, paaseieren en paashazen roepen vooral gêne op en leiden af van waar het echt over gaat.

Nu zou men kunnen beweren dat verwijzingen naar de christelijke feesten – hoe vervormd en overwoekerd door irrelevante onzin ook – een verbinding leggen tussen de christelijke minderheid en de seculiere meerderheid. Zou het feit dat Kerst en Pasen zich op allerlei manieren in de samenleving manifesteren – van een mediaspektakel als The Passion tot het kerstliedjesgekweel van draaiorgels tussen Sinterklaas en Kerst – geen aanknopingspunten kunnen bieden om ‘de wereld’ met de heilsfeiten en hun betekenis te confronteren? Het schijnt dat The Passion leidde tot een sterke toename van zoekopdrachten in Google naar het verhaal van Goede Vrijdag en Pasen. Maar wijst dat op echte belangstelling of is dat alleen maar nieuwsgierigheid naar iets dat even in het nieuws is? Te vrezen valt dat verreweg het meeste zaad in onvruchtbare aarde of op de stenen valt. De passietijd leidt ook, vooral in Nederland, tot een hausse aan uitvoeringen van Bachs Matthäus-Passion. Maar het is zeer twijfelachtig of dat resulteert in enig besef van de betekenis van wat daarin wordt beschreven. Een recente radiouitvoering van Bachs passie werd beloond met een ovationeel applaus. Dat wijst erop dat de luisteraars de ernst van het verhaal niet tot zich hebben laten doordringen en al helemaal niet in verband brachten met hun eigen leven. Ingetogen bijval of – beter nog – een bedremmeld zwijgen zouden meer op hun plaats geweest zijn.

Christenen hebben geen enkele reden treurzangen aan te heffen wanneer de christelijke feestdagen uit het publieke bewustzijn verdwijnen. Hoe minder reclamefolders naar Kerst en Pasen verwijzen hoe beter. Kerstmannen en paashazen onttrekken de echte betekenis van die feesten aan het zicht. Waar de franje verdwijnt kan die weer aan het licht komen.

(*) Informatie hier over vindt men in een artikel op de site van het Meertens Instituut.

Politiek zonder fundament

Op haar partijcongres van 13 juni j.l. heeft de Christenunie haar grondslag gewijzigd. Dat gebeurde vrij geruisloos, zonder noemenswaardige tegenstand. Weliswaar werd in de aanloop naar het congres enige discussie gevoerd, onder andere door middel van opiniebijdragen in het Nederlands Dagblad, maar uiteindelijk leidde dat niet tot substantieel verzet. Destijds zorgde het voorstel RPF en GPV tot de Christenunie om te vormen voor heel wat meer onenigheid. Wat zegt het dat van grote onenigheid nu geen sprake is?

Wellicht moeten we concluderen dat de wijziging van de grondslag niet echt een fundamentele verandering is, maar in feite de bezegeling van een al bestaande en in de loop van de tijd gegroeide situatie. Hoewel de RPF de gereformeerde belijdenisgeschriften in haar grondslag had staan – zij het dat de binding daaraan losser was dan bij het GPV -, voegden nogal wat evangelische christenen zich bij die partij. Die maakten dan soms wel een voorbehoud ten aanzien van dat element van de grondslag. Door daarvoor ruimte te bieden werd het belang daarvan wel gerelativeerd. Deze RPF-leden zijn bij de vorming van de Christenunie gewoon meegegaan. Sindsdien is hun aandeel groter geworden, vooral ook omdat onder evangelische christenen het politiek bewustzijn is gegroeid.

Het is te begrijpen dat de meeste evangelischen zich niet verbonden voelen met belijdenisgeschriften die uit een andere traditie stammen. Toch kunnen sommigen van hen zich goed vinden in veel dat daarin naar voren wordt gebracht. Er is, voorzover ik weet, nooit een serieuze poging gedaan de belijdenissen uit de grondslag te verwijderen. Dat dit nu wel gebeurd is, heeft vooral te maken met het streven behoudende rooms-katholieken aan de partij te binden. Een aantal van hen stemt weliswaar op de Christenunie, maar ziet in de gereformeerde belijdenissen een reden zich van lidmaatschap te onthouden. Daaruit is het streven ontstaan een grondslag te formuleren die zulke belemmeringen wegneemt zonder dat daarmee het christelijk karakter van de partij verwatert. De vraag mag gesteld worden of dat zoden aan de dijk zet. Want – zoals George Harinck terecht zegt in een interview met het ND (13.6.15) – door de grondslag te veranderen wordt de Christenunie niet gelijk een andere partij. De gereformeerde belijdenis behoort tot haar geboortepapieren en heeft in hoge mate haar karakter gevormd. De gereformeerde belijdenis zit de partij als het ware in de genen. Harinck verwacht, waarschijnlijk terecht, geen grote toeloop van rooms-katholieken.

Moeten we dus het belang van de wijziging van de grondslagformule sterk relativeren en is het allemaal om het even hoe de grondslag is geformuleerd? Dat gaat mijns inziens te ver. Want een grondslag is bedoeld voor het heden en de toekomst. Wat nu nog stevig verankerd zit in degenen die de politieke koers van de partij bepalen en in vertegenwoordigende organen uitdragen, kan na verloop van tijd ook verdwijnen. Het gedachtegoed dat aan de basis ligt van concrete politieke stellingnames moet onderhouden worden. Een wijziging van de grondslag kan op termijn wel degelijk tot een verandering van het karakter van de partij leiden, wanneer jongere generaties, die andere tradities vertegenwoordigen, het stokje overnemen.

In het al genoemde interview snijdt Harinck een interessant punt aan. Hij wijst erop dat het formuleren van een grondslag als zodanig op zijn retour is. “Beginseldenken is uit”, vat hij deze tendens bondig samen. “Het gaat nu vooral om je houding, om de persoonlijke intentie van een christen”. Dat laatste is natuurlijk heel belangrijk; dat was het altijd al, ook in de tijd waarin een beginsel nog wel als een wezenlijk onderdeel van een organisatie werd beschouwd. Maar wanneer het één los komt te staan van het ander wordt het wel problematisch. Want ‘houding’ en ‘intentie’ zijn geen op zichzelf staande grootheden. Die worden ontleend aan een bron. Maar welke dan? En hoe bepalen we welke intentie en welke houding juist zijn? Een christenpoliticus heeft niet per definitie de juiste houding. Daar komt nog iets bij. Wanneer de houding van individuen zozeer in het middelpunt van de aandacht komt te staan en in feite tot ijkpunt wordt verheven, wordt een politieke partij ook heel kwetsbaar. Want ook christenpolitici kunnen een scheve schaats rijden, zowel in hun opvattingen als in hun gedragingen. Hoe sterker het individu in de schijnwerpers komt te staan, hoe groter het (negatieve) effect zal zijn wanneer dat individu van de rails raakt. Daarmee wordt de partij – en de christelijke politiek in het algemeen – nog sterker in diskrediet gebracht dan anders het geval zou zijn.

Harinck brengt één en ander in verband met het toegenomen individualisme. Dat lijkt me een ter zake doende observatie. Een grondslagformule perkt de individuele vrijheid in de meningsvorming in. Daar hebben mensen van nu problemen mee. Ieder wil zijn eigen mening vormen en zich daarbij niet conformeren aan wat als ‘groepsnorm’ wordt ervaren. Die ontwikkeling gaat aan de christelijke wereld niet voorbij. Ieder die enigszins thuis is op het kerkelijke erf zal het herkennen. Ook in reformatorische kerken waarin de gereformeerde belijdenissen op papier hoog gehouden worden blijken die in de praktijk nogal eens hooguit in de marge te functioneren. Kerkleden die minder regelmatig kerkdiensten bezoeken, beweren dat hun geloof daardoor niet is verzwakt. Maar dat geloof zou er wel eens één van de heel individuele soort kunnen zijn, dat zich niet laat corrigeren door de kerkelijke gemeenschap, laat staan door zoiets als een belijdenis.

Nu heeft de Christenunie geen afscheid genomen van elke grondslagformule. In plaats van de gereformeerde belijdenisgeschriften is de Geloofsbelijdenis van Nicea als grondslag aanvaard. Daarmee wil ze waarborgen dat de partij in elk geval trouw blijft aan Schriftuurlijke uitgangspunten. Dat lijkt me te optimistisch. De gereformeerde belijdenissen – samengevat als Drie Formulieren van Eenheid – zijn niet voor niets ontstaan. De kerkgeschiedenis leert dat op allerlei onderdelen nadere toespitsing noodzakelijk was, bijvoorbeeld ten aanzien van de kerk, de sacramenten en de manier waarop de Schrift moet worden gelezen. Dat laatste lijkt me voor een christelijke politieke partij van groot belang. Het is veelzeggend dat juist daarover in christelijke kring recent de degens worden gekruist. Eén van de principes van de reformatorische omgang met de Schrift, bekend als sola scriptura, wordt bekritiseerd en door sommigen als ondeugdelijk bij het grofvuil gezet. Wanneer ook de consensus ten aanzien daarvan teloor gaat, wordt het fundament van de kerk wel erg wankel. Tegen het voortschrijdende individualisme helpt de Geloofsbelijdenis van Nicea niet.

Moet een christelijke politieke partij daarin meegaan of zou ze zich daartegen juist moeten wapenen? Dat laatste klinkt aantrekkelijk en wie het individualisme in geloofszaken afwijst, zal wellicht die vraag bevestigend beantwoorden. Maar is dat wel de taak van een partij? En ligt dat wel binnen haar mogelijkheden? Een politieke of maatschappelijke organisatie kan niet verder springen dan haar polsstok lang is. En de lengte van de polsstok wordt bepaald door de kerken en gemeenschappen waaruit zij haar leden betrekt.

Ik heb al eerder in één van mijn weblogs opgemerkt dat de problemen waarmee zulke organisaties geconfronteerd worden hun oorsprong vinden in de kerk. Daar grijpt het individualisme om zich heen en neemt de pluriformiteit in de leer toe. Als gevolg daarvan gaan ook de ethische opvattingen steeds verder uiteen lopen. Wanneer de gereformeerde belijdenissen in kerken gemarginaliseerd worden, is het niet realistisch te verwachten dat ze in een christelijke politieke partij een substantiële rol spelen. Wie de terzijdestelling van de gereformeerde belijdenisgeschriften als grondslag van de Christenunie betreurt – en daar lijkt me alle reden toe – moet niet in de eerste plaats naar de partij wijzen, maar naar de kerken en gemeenschappen waaruit ze haar leden betrekt. In kringen van de Christenunie distantieert men zich van het CDA en wordt onderstreept dat de grondslagwijziging er niet toe zal leiden dat de partij op het CDA zal gaan lijken. Of dat waar is, zal de tijd leren. Maar men dient zich wel te realiseren dat de ontwikkeling van het CDA zijn oorsprong vond in de kerken.

Wanneer daar het fundament aan erosie onderhevig raakt, hoeft men zich over de ontwikkeling naar een christelijke politiek zonder hecht fundament niet te verbazen.

Verbod zonder fundament

Op 18 april j.l. sprak de Hoge Raad uit dat de vereniging Martijn moet worden ontbonden (*). Deze vereniging draagt het standpunt uit dat sexueel contact tussen meerder- en minderjarigen moet worden gelegaliseerd. In 2012 was door de rechtbank in Assen al uitgesproken dat de vereniging ontbonden moest worden. Nadat deze in beroep was gegaan, vernietigde het gerechtshof in Leeuwarden de uitspraak. Ook tegen het oordeel van de Hoge Raad kan de vereniging in beroep gaan en wel bij het Europese Hof, maar volgens haar advocaat maakt dat geen reële kans op succes. Daarmee is dan het doek gevallen over een vereniging die veel weerstand en weerzin opriep.

De uitspraak leidde tot een discussie over de vraag of de Nederlandse samenleving met dit verbod op de goede weg is. Het komt uiterst zelden voor dat een organisatie wordt verboden. Het recht van vereniging behoort tot de fundamenten van de democratische rechtsstaat. Wanneer eenmaal een organisatie wordt verboden omdat zij opvattingen huldigt en uitdraagt die als onaanvaardbaar worden beschouwd, waar ligt dan de grens? Opent dat niet de deur naar het verbieden van organisaties wier opvattingen de – politieke of maatschappelijke – meerderheid als onaanvaardbaar aanmerkt?

Een tweede aspect dat in dit verband naar voren wordt gebracht is de vraag naar de effectiviteit van een verbod. De vereniging is ontbonden, maar welk probleem is of wordt daarmee eigenlijk opgelost? Het is tegenwoordig echt niet noodzakelijk een vereniging op te richten en die te laten registreren om als gelijkgezinden contact te onderhouden en meningen en adviezen uit te wisselen. Het ligt voor de hand dat opvattingen die tot voor kort via de website van de vereniging werden uitgedragen, nu langs andere kanalen worden verspreid. De vraag kan gesteld worden of dat een vooruitgang is.

Er is nog een derde punt: een onderdeel van de motivatie voor de uitspraak van de Hoge Raad is dat “de vereniging de gevaren van seksueel contact met jonge kinderen bagatelliseert en dergelijke contacten verheerlijkt en propageert”. Hij is van mening “dat deze werkzaamheid een daadwerkelijke en ernstige aantasting is van het wezenlijke beginsel dat de lichamelijke en seksuele integriteit van het kind dient te worden beschermd.” Daartegen kan worden aangevoerd dat sexueel misbruik van kinderen voor een veel groter deel plaatsvindt in de vertrouwde omgeving van gezin, familie en vriendenkring en in sociale verbanden als verenigingen dan door mensen die zich als pedosexueel manifesteren. Een verbod van een vereniging als Martijn brengt daar geen verandering in.

In de politiek waren het vooral ChristenUnie en CDA die pleitten voor een verbod van de vereniging. Daartoe bereidden ze een initiatiefwetsvoorstel voor, dat nu uiteraard overbodig geworden is. Dat is in zoverre jammer dat nu niet duidelijk is hoe de initiatiefnemers een wettelijk verbod zouden hebben willen beargumenteren. Want dat lijkt me het kernpunt in de discussie over de vraag of de vereniging al dan niet terecht is ontbonden.

Over de juridische argumenten voor en tegen zal ik me hier niet uitlaten. Ik ben geen jurist en bovendien valt dit aspect buiten de kaders van dit weblog. Mij interesseert vooral de argumentatie die de Hoge Raad hanteert. Mijn aandacht blijft haken bij deze zinsnede: “Seksueel contact van volwassenen met jonge kinderen is naar de in Nederland levende maatschappelijke opvattingen een daadwerkelijke en ernstige aantasting van de lichamelijke en seksuele integriteit van het kind, waardoor het kind grote en blijvende psychische schade kan oplopen. (…) Deze maatschappelijke opvattingen worden ook buiten Nederland breed gedragen, en Nederland heeft zich internationaal verplicht in dat verband maatregelen te nemen.”

Dat laatste is een juridisch argument en zou wellicht van doorslaggevend belang kunnen zijn. Een land gaat door zijn handtekening onder internationale verdragen verplichtingen aan die hij niet zomaar naast zich neer kan leggen, wanneer die hem een keer niet goed uitkomen. Dat geldt voor de behandeling van asielzoekers en illegalen evenzeer als voor de bescherming van minderjarigen. Maar het is wel wat mager als dat de enige motivatie is. Een uitspraak die uitsluitend gebaseerd is op juridische verplichtingen zal in het maatschappelijk debat geen groot gewicht hebben. Bij diegenen die sceptisch of zelfs afwijzend staan tegenover internationale verplichtende afspraken zal zo’n motivatie in onvruchtbare aarde vallen. Maar daarnaast ontaardt een discussie over de desbetreffende uitspraak tot een debat tussen doven wanneer tegenover ethische argumenten niet meer dan juridische worden geplaatst.

Nu zou men kunnen beweren dat juridische uitspraken van een principieel andere orde zijn dan ethische. Kan een rechter een moreel oordeel vellen dat verder gaat dan of niet strikt gebaseerd is op juridische documenten, zoals wetten, verdragen en eerdere rechterlijke uitspraken? Dat kan niet alleen, het is zelfs onvermijdelijk. Het gebeurt dus ook regelmatig. Juridische documenten zoals hierboven bedoeld dekken nooit de hele werkelijkheid. Wetten moeten worden toegepast. Dat gebeurt door de rechter, maar die heeft de nodige ruimte om allerlei aspecten te laten meewegen. Die zijn lang niet altijd van juridische aard. Een rechter kan besluiten iemand die de wet heeft overtreden, te ontslaan van rechtsvervolging omdat hij, bijvoorbeeld, door het openbaar maken van documenten ernstige misstanden aan het licht heeft gebracht. Hij kan ook een extra zware straf opleggen vanwege de maatschappelijke implicaties van een bepaalde wetsovertreding. In het proces dat uiteindelijk resulteert in een uitspraak spelen ook de ethische opvattingen van de rechter een rol. Bovendien zijn uiteindelijk alle wetten het uitvloeisel van bepaalde ethische opvattingen, ook al worden die niet altijd expliciet gemaakt.

Maar juist wanneer een rechter besluit een uitzondering te maken op wat als één van de pijlers van de democratische rechtsorde geldt, zou een helder ethisch oordeel van groot gewicht kunnen zijn. Daarmee zou de maatschappelijke discussie die daarvan ongetwijfeld – en terecht – het gevolg is, aan diepgang winnen. Juist een zaak als de onderhavige zou geen speelbal van het populisme moeten zijn.

Helaas lijkt de motivatie van de Hoge Raad daaraan juist voeding te geven. Hij beroept zich immers op “de in Nederland levende maatschappelijke opvattingen”. Dat roept al direct de vraag op hoe men tot die vaststelling komt. Heeft een rechter het recht vast te stellen wat de maatschappelijke opvattingen – bedoeld is: die van de (overgrote) meerderheid – zijn? En hoe komt hij tot die vaststelling? Is die op een betrouwbare manier te meten? Gaat de rechter daarvoor wellicht bij Maurice de Hond te rade?

Maar het meest problematisch is dat het oordeel daarmee wordt gebaseerd op drijfzand. Want de maatschappelijk opvattingen ten aanzien van de onderhavige zaak kunnen ook weer veranderen. Dat blijkt al daaruit dat “de in Nederland levende maatschappelijke opvattingen” met betrekking tot dit onderwerp er zo’n veertig jaar geleden heel anders uitzagen. Daarmee wordt het oordeel over de door de vereniging Martijn uitgedragen opvattingen afhankelijk gemaakt van de waan van de dag. Het oordeel van de Hoge Raad mist een vast fundament.

Juist daarom is dit een niet onbedenkelijke uitspraak. Want als het verbod van een organisatie afhankelijk wordt van de – naar hun aard wispelturige – maatschappelijke opvattingen, is er geen enkele garantie dat een vergelijkbaar verbod niet andere organisaties zou kunnen treffen. Waarom zou men de SGP niet verbieden, gezien haar opvattingen ten aanzien van de rol van de vrouw in politiek en maatschappij? Moet men islamitische organisaties en christelijke kerken niet verbieden, gezien hun opvattingen over – bijvoorbeeld – homosexualiteit? Zulke overwegingen zouden ChristenUnie en CDA wel in hun overwegingen hebben mogen betrekken, toen ze besloten een initiatiefwetsvoorstel te gaan formuleren. Wellicht hebben ze deze aspecten wel overwogen, maar kennelijk hebben die hen niet op andere gedachten gebracht.

Enige inconsequentie is vooral de ChristenUnie in dezen niet te ontzeggen. Want wanneer een vereniging als Martijn zou moeten worden ontbonden vanwege de bedreiging van het welzijn van kinderen, waarom stelt ze dan niet ook voor organisaties die een liberale abortuspraktijk propageren, te ontbinden? Uiteindelijk zijn ongeboren kinderen nog kwetsbaarder dan de kinderen waarop Martijn zijn belangstelling richt.

Er zijn in Nederland en in de internationale samenleving tal van organisaties die opvattingen propageren die als schadelijk voor (groepen van) mensen en als weerzinwekkend kunnen en moeten worden aangemerkt. Het is begrijpelijk dat wordt aangedrongen op het verbieden van zulke organisaties. Er zijn echter goede redenen daaraan geen gevolg te geven. We kennen die praktijk vooral uit Duitsland: neonazistische partijen en organisaties zijn daar verboden, wat gezien de geschiedenis begrijpelijk is. De effectiviteit van zo’n verbod is twijfelachtig: de aantrekkingskracht van het daarbij behorende gedachtengoed is daardoor niet verminderd.

Het belangrijkste bezwaar is echter van principiële aard. Wanneer een maatschappij haar morele kompas kwijt is mist elk verbod per definitie zijn fundament. En dan wordt één van de wezenlijke bestanddelen van de rechtsstaat een speelbal van het gesundes Volksempfinden. Dat is een weinig aantrekkelijk perspectief.

(*) De tekst van de uitspraak is hier te vinden.

Verworvenheden op de schop

In christelijke kringen – en vooral in het ‘reformatorische’ deel daarvan – zijn de alarmbellen over de plannen van het kabinet van VVD en PvdA gaan rinkelen. De vrees voor een ‘paarse’ politieke agenda, die met name door de SGP werd uitgesproken en nog niet zo lang geleden werd gehanteerd als argument om steun te verlenen aan een coalitie die ook door de PVV werd gesteund, lijkt bewaarheid te worden. Als het gaat zoals het kabinet wil, zal voor bijzondere ambtenaren van de burgerlijke stand, die geen huwelijken tussen mensen van gelijk geslacht willen sluiten, binnenkort geen ruimte meer zijn. Er zijn serieuze plannen om het verbod op godslastering te schrappen. Een aantal kleine omroepen zonder leden, waaronder ook enkele die het christelijke volksdeel bedienen, dreigen te verdwijnen, wanneer de overheid de financiering daarvan stopzet, zoals staatssecretaris Dekker aankondigde. Het onderwijs blijft niet buiten schot: donkere wolken pakken zich samen boven christelijke scholen en ouders die hun kinderen naar zulke scholen willen sturen.

In reformatorische kring – zeg maar de achterban van het Reformatorisch Dagblad – komen allerlei activiteiten van de grond, door middel waarvan men zich tegen deze dreigende aantasting van christelijke verworvenheden wil wapenen. Zoals Bart Jan Spruyt in zijn column in het Nederlands Dagblad van 9 november 2012 opmerkte lijkt de verontrusting in die kringen groter dan die in de achterban van laatstgenoemde krant. Van vergelijkbare activiteiten in die kringen is niets vernomen. Wel heeft Jan Westert, voorzitter van de gereformeerde scholenkoepel LVGS, een stuk geschreven voor de aangesloten scholen waarmee hij het gesprek over de identiteit op gang wil brengen. Weliswaar staat dit niet direct in relatie met de politieke ontwikkelingen op onderwijsgebied, maar het heeft er zijdelings wel mee te maken. Op de inhoud ga ik hier nu verder niet in; ik kom daarop wellicht op een later moment terug.

Christenen staan voor de vraag hoe ze op de plannen die gesmeed worden, moeten reageren. Het is waar, het zijn slechts plannen; het kabinet heeft geen meerderheid in de Eerste Kamer en dus staat nog bepaald niet vast dat ze ook allemaal uitgevoerd zullen worden. Voor paniekreacties is daarom geen reden. Anderzijds, we moeten ons wel realiseren dat veel van de voorgestelde maatregelen op brede steun kunnen rekenen. Ook oppositiepartijen zullen daaraan hun stem geven. Sterker nog, vooral D66 en GroenLinks zullen blij zijn dat er nu eindelijk vrij baan is voor maatregelen, die de laatste decennia door de sleutelposities van het CDA en de laatste vijf jaar ook ChristenUnie en SGP werden tegengehouden. De SGP realiseert zich dat de welwillendheid van de VVD tijdens de laatste fase van het kabinet-Rutte I slechts gebaseerd was op strategische overwegingen. Ze hoeft er niet op te rekenen dat de liberalen enkele plannen zullen torpederen om de SGP te danken voor bewezen diensten.

Ook al is de realisering van de plannen nog allerminst zeker en zal er zeker enige tijd overheen gaan voordat ze eventueel worden doorgevoerd, het kan geen kwaad zich al te gaan bezinnen op de manier waarop daarmee moet worden omgegaan. Dan is het allereerst van belang hier enige nuchterheid te betrachten. Wie sommige reacties beluistert, zou bijna de indruk kunnen krijgen dat een tijd van discriminatie of zelfs verdrukking nadert. Dat is rijkelijk overdreven. Het is goed ons te realiseren dat christenen en christelijke organisaties in Nederland al meer dan honderd jaar voorrechten genieten waarvan christenen in andere landen alleen maar kunnen dromen. Christelijk onderwijs – van basisschool tot hoger onderwijs – en dan ook nog eens door de overheid bekostigd, in hoeveel landen vind je dat? Wanneer christenen in andere landen zouden horen dat de overheid ook nog eens geld op tafel legt om ouders in de gelegenheid te stellen hun kinderen vele kilometers van huis het gewenste onderwijs te laten volgen, zouden ze hun ogen uitwrijven. Christelijke omroepen, uitzendingen van kerkdiensten van bijbelgetrouwe snit, christelijke kranten en tijdschriften – het zijn allemaal dingen die in veel landen helemaal niet vanzelfsprekend zijn. En dat zijn echt niet allemaal landen die door een andere godsdienst, zoals de islam, gedomineerd worden. Het zijn ook lang niet allemaal landen die geen of slechts een gebrekkige democratie kennen.

Dat betekent dat christenen zorgvuldig te werk moeten gaan wanneer ze zich verzetten tegen aantasting van hun verworvenheden. Ze moeten onderscheid maken tussen wat echt fundamenteel is en wat niet. Een groeiend aantal gemeenten wil niet langer de reiskosten vergoeden voor kinderen die soms ver weg het onderwijs van hun richting volgen. Dat is voor de desbetreffende ouders natuurlijk erg vervelend. In zulke situaties komt het er dan op aan dat een gemeenschap om hen heen staat. Onderwijs dat aansluit bij de christelijke opvoeding is tenslotte niet maar een zaak van de ouders alleen – dat raakt de hele kerkelijke of geloofsgemeenschap. Op die gemeenschap mogen ouders dan ook vrijmoedig een beroep doen, wanneer ze de kosten zelf niet kunnen opbrengen. De financiële gelijkstelling van openbaar en bijzonder onderwijs is een ander verhaal. Natuurlijk, er is een tijd geweest dat daarvan geen sprake was. Christenen hebben geofferd voor hun eigen onderwijs, wat een bewijs was van hun sterke motivatie. Het is maar helemaal de vraag of christenen van nu die motivatie nog kunnen opbrengen. In zijn al genoemde column schrijft Bart Jan Spruyt: “Het gaat erom of bevindelijk-gereformeerden vanuit een innerlijk geloof weer resistent worden in een wereld waarin steeds meer oude ‘voorrechten’ wegvallen.” Dat geldt voor alle christenen die hechten aan christelijk onderwijs en christelijke organisaties. Dat zal vooral de vraag zijn wanneer de financiële gelijkstelling afhankelijk zou worden van een bepaalde vormgeving van het onderwijs. Niettemin, ook wanneer er een sterke motivatie bestaat desnoods met eigen middelen het christelijk onderwijs in stand te houden, de kosten daarvan zijn vrijwel niet uit particuliere middelen op te brengen.

De plannen met betrekking tot de omroep worden door zendgemachtigden als IKON, RKK en ZvK niet met gejuich ontvangen. Gesuggereerd wordt dat het kabinet ernaar zou streven uitingen van religie uit het openbare leven te verbannen. ‘Religie hoort achter de voordeur’, zou de motivatie zijn. Dat wordt door de staatssecretaris ontkend. Het is noodzakelijk hierover de discussie aan te gaan, maar daarbij moeten dan wel onbewezen motieven buiten spel worden gehouden; alleen dan is een zinvolle gedachtenwisseling mogelijk. Ook ten aanzien van deze zaak geldt dat hier sprake is van verworvenheden die in veel andere landen niet bestaan. Bovendien zijn er alternatieve methoden om de achterban te bereiken.

In deze kwesties – en er zijn er nog meer te noemen – moet de indruk vermeden worden dat christenen vooral hun eigen belang verdedigen. Het is de taak van met name christelijke politici de desbetreffende kwesties in een breder verband te plaatsen. Niet alleen christenen zitten in de hoek waar de slagen vallen, maar ook moslims, joden, hindoes en aanhangers van andere godsdiensten, in het geval van de omroep zelfs ook humanisten. Dat laatste is vooral interessant voor de opstelling van partijen die daarmee nauw verbonden zijn, zoals D66.

In het geding is in feite de vraag hoe pluriform de Nederlandse samenleving nog mag zijn. Dat is uiteindelijk van groter belang voor de toekomstige rol van christenen in de maatschapij dan de vraag of er nog kerkdiensten op het publieke net mogen worden uitgezonden en of christenen hun kinderen nog naar een christelijke school ver van huis kunnen sturen. Christenen moeten zich niet blindstaren op verworvenheden maar vooral de strijd aanbinden tegen de neiging de cultuur gelijk te schakelen. Er zijn christenen die zich aangetrokken voelen – of voelden – tot de PVV vanwege haar strijd tegen de islam. Maar die partij staat voor een monocultuur die niet alleen de positie van moslims bedreigt, maar ook die van joden en christenen. Hoewel andere partijen zich tegen de PVV afzetten, staan ze op dit punt niet zo ver van haar af. Dat een Tweede-Kamerlid van D66 ervoor pleit dat de overheid intolerant is voor intolerante burgers (ND, 9.11.12) is veelzeggend. Uiteraard is het seculier Nederland dat bepaalt wie tolerant en wie intolerant is. De monocultuur van de 21e eeuw zal een seculiere zijn, waarin voor afwijkende opvattingen op ethisch vlak – in de breedste zin van het woord – geen ruimte is.

Dat christelijke verworvenheden op de schop gaan is betreurenswaardig. Veel ernstiger is het wanneer de geestelijke en culturele pluriformiteit van samenleving op de schop gaat. Dan moeten echt alle alarmbellen gaan rinkelen.

Christelijke politiek in seculier jasje

Nu de stofwolken van de verkiezingscampagne zijn opgetrokken wordt het tijd het slagveld in ogenschouw te nemen. Welke uitkomst de waarnemers en de deelnemers ook hadden verwacht, niet wat uiteindelijk uit de stembus rolde. De verkiezingsuitslag heeft veel stof tot schrijven gegeven en verschillende kranten schuwden vèrgaande conclusies niet. Dit is niet de plaats hierop verder in te gaan. De geïnteresseerde lezers verwijs ik naar mijn politieke weblog Dingen van de Dag. Ik wil hier vooral de blik richten op de verkiezingsuitslag vanuit christelijk perspectief.

Het CDA verloor opnieuw flink. Dat was te verwachten; zelfs de kopstukken van de partij hielden er van tevoren al rekening mee. Ook al kan het CDA niet als ‘christelijke’ partij worden beschouwd – ze afficheert zichzelf ook nadrukkelijk niet als zodanig – wordt dit terecht als een bewijs van de onverminderde teloorgang van de christelijke politiek in Nederland beschouwd. Daar staat dan tegenover dat de SGP een zetel winst boekte en de ChristenUnie haar zeteltal wist te behouden. Daar had ze overigens wel reststemmen voor nodig; die waren het resultaat van de lijstverbinding met de SGP, waarover sommige (voormalige) ChristenUnie-stemmers hun gal spuwden. Volgens opiniepeiler Maurice de Hond had de uitslag er anders uitgezien, wanneer niet zoveel kiezers ‘strategisch’ hadden gestemd. De ChristenUnie zou dan een zetel hebben gewonnen. Daarmee was ze dan terug geweest waar ze voor de vorige verkiezingen was.

Er is bij deze verkiezingen strategisch gestemd op een schaal die zelden eerder is vertoond. Velen waren er zo op gebrand dat de VVD dan wel de PvdA de grootste zou worden en dus zou kunnen bepalen hoe bij de kabinetsformatie de hazen lopen dat ze niet hun eerste keuze aankruisten, maar de partij die ze de leiding bij de formatie wilden geven. Het resultaat van al hun strategische overwegingen is uiteindelijk dat ze mogelijk beide partijen in de regering krijgen. Uit de peiling van Maurice de Hond mag worden afgeleid dat ook christelijke kiezers strategisch hebben gestemd. Kennelijk zagen ze er geen probleem in hun stem aan een seculiere partij te geven. Dat kan nauwelijks verwondering wekken, gezien het feit dat er zelfs christenen op de kandidatenlijsten van seculiere partijen stonden. Op 23 augustus publiceerde het Nederlands Dagblad een artikel waarin drie van hen aan het woord komen. Of eigenlijk zijn het er maar twee: Linda Voortman (D66) is weliswaar van rooms-katholieken huize en draagt haar religieuze opvoeding nog steeds met zich mee, zoals ze het zelf zegt, maar is niet “praktiserend gelovig” meer.

Jacques Monasch (PvdA) verwijst naar de bekende tekst van de profeet Micha om zijn politieke inspiratie te verwoorden. De bijbel is voor hem een belangrijke drijfveer, maar hij heeft nooit overwogen zich bij een christelijke partij aan te sluiten. “Ik heb bewust gekozen voor een partij waarin allerlei overtuigingen, dus ook van niet-christenen welkom zijn. Tegelijk moest er wel ruimte zijn om aan het christelijk geloof je drijfveer te ontlenen.”
Tjitske Siderius, gereformeerd vrijgemaakt, stond op de kandidatenlijst voor de SP. “De SP staat voor gelijkwaardigheid, solidariteit, menselijke waardigheid en naar je naaste omzien. Dat zijn waarden die ook in de Bijbel centraal staan. Voor mij is het belangrijk dat je niet alleen christen bént, maar ook daarnaar handelt. Juist de SP besteedt veel aandacht aan armoedebestrijding, zorg voor gehandicapten en goed onderwijs. Dat praktische kom ik in mijn partij veel meer tegen dan in partijen als CDA en ChristenUnie.”

Het feit dat kandidaten van seculiere partijen lid zijn van een kerk is op zichzelf niets nieuws. De politiek leider van de VVD, Mark Rutte, is ook lid van een kerk en liet niet na daarop te wijzen toen hij eerder dit jaar de jongeren van de SGP met een bezoek vereerde. Maar dat staat helemaal los van zijn politieke werk. Na de Tweede Wereldoorlog werden pogingen ondernomen christenen los te weken uit christelijke partijen en hen ertoe te bewegen zich bij de Partij van de Arbeid aan te sluiten. Men sprak hierbij van doorbraak. Dit streven ging nota bene van christenen uit, die waren beïnvloed door de Zwitserse theoloog Karl Barth, die principieel bezwaar had tegen christelijke politiek. Deze doorbraaksocialisten wilden overigens wel vanuit hun christelijke overtuiging binnen de sociaal-democratie actief zijn.

In de huidige discussies over christelijke politiek speelt Barth geen rol meer, althans niet expliciet. Monasch en Siderius sluiten zich in zoverre bij de doorbraaksocialisten aan dat zij zich door hun geloof laten inspireren in hun politieke werk. Siderius brengt dat tot uitdrukking door te zeggen dat ze een “christelijke SP’er” is en geen “socialistisch christen”.
In hun verantwoording van hun beslissing zich bij de PvdA respectievelijk de SP aan te sluiten, wijzen zowel Monasch als Siderius op elementen in het verkiezingsprogramma die zij belangrijk vinden. Bij beiden speelt naastenliefde een belangrijke rol, dat praktisch wordt vertaald in bijvoorbeeld aandacht voor armoedebestrijding en zorg voor gehandicapten. Het probleem is uiteraard dat deze partijen ook standpunten hebben waarvan je mag aannemen dat christenen er moeite mee hebben. Beiden erkennen dat die er zijn. Maar ze onderstrepen dat binnen hun partijen ruimte bestaat er op bepaalde punten anders over te denken.

De vraag is hoever die vrijheid gaat. Misschien is er wel vrijheid er anders over te denken en wellicht wordt er in de fractievergaderingen ook serieus naar hun opvattingen geluisterd. Maar hebben ze ook de vrijheid er in het openbaar anders over te spreken? Of wordt dat niet op prijs gesteld, omdat daarmee de eenheid van de partij wordt doorbroken? En hebben ze ook de vrijheid eventueel tegen de partijlijn te stemmen? Het is veelzeggend dat Monasch uiteindelijk, ondanks zijn twijfel, voor het verbod op ritueel slachten heeft gestemd. Even veelzeggend is hoe Siderius reageert op de vraag naar de opvattingen van de SP over het bijzonder onderwijs. Daartoe behoort dat de partij vindt dat een christelijke school iedereen als leerling moet accepteren, ook kinderen van niet-christelijke ouders. Ze erkent dat dit een “lastige discussie” is. Maar in plaats van daartegen in het geweer te komen, geeft ze in feite halverwege toe wanneer ze opmerkt dat het goed is dat kinderen al op basisschoolleeftijd met andere godsdiensten in aanraking komen. Wie zich van dit onderwerp op zo’n oppervlakkige manier afmaakt, heeft de discussie in de partij op voorhand al verloren.

Eén van de oorzaken van de politieke instabiliteit is dat de kiezers niet meer ‘merkentrouw’ zijn. Steeds minder mensen stemmen op grond van een samenhangende levens- of wereldbeschouwing. Het gevolg is dat de politiek uiteenvalt in losse issues, tussen welke men geen verband ziet. Dat lijkt ook in christelijke kring het geval te zijn. Willem Ouweneel schreef in het Nederlands Dagblad van 31 augustus een artikel waarin hij betoogt dat christenen niet seculier kunnen stemmen. Hij erkent veel van gereformeerden geleerd te hebben: zij beklemtoonden dat “Gods Woord gezag heeft over alle levensterreinen”. Hij zegt in feite na wat de gereformeerden decennia geleden graag zeiden: het leven is één. Dat sluit een concentratie op één beleidsterrein, met verwaarlozing van andere, uit. Christenen die zich door een seculiere partij laten kandideren of op zo’n partij stemmen doen in feite niets anders dan winkelen in de bijbel. Ze halen eruit wat zij belangrijk vinden en laten liggen wat hun niet uitkomt.

Dat is een verschijnsel dat bij deze tijd hoort. Volgens opiniepeilingen zou de ChristenUnie veel meer stemmen kunnen trekken wanneer ze haar standpunten over zaken als abortus, euthanasie en homohuwelijk zou aanpassen. Veel niet-christenen – en christenen die op deze punten ‘liberalere’ opvattingen hebben – vinden in haar programma veel dat hun aanspreekt. Ze haken af bij wat als ‘typisch christelijk’ geldt. Daaruit blijkt dat ze de motivatie van de ChristenUnie niet begrijpen. Ze prijzen de partij vanwege haar standpunten op sociaal-economisch gebied of ten aanzien van het milieu en de ontwikkelingssamenwerking. Ze hebben geen oog voor de oorsprong van die standpunten. Als de ChristenUnie zich ten aanzien van de zorg voor het milieu en voor de armsten in de wereld beroept op de Schrift, dan kan ze diezelfde Schrift moeilijk dichtlaten wanneer het om de zorg voor het ongeboren of naar het einde neigende leven gaat. Wanneer de Schrift doorslaggevend is in het spreken over het recht van de armen moet ze dat ook zijn wanneer het over de definitie van het huwelijk gaat. Het omgekeerde geldt uiteraard ook: wie het ongeboren leven verdedigt met een beroep op de Schrift zal ook de zorg voor de armen hoog op de agenda zetten, want de Schrift is daarover bepaald niet onduidelijk.

Wie met de Schrift selectief omgaat en daaruit alleen dat selecteert wat hem van pas komt, capituleert voor de seculiere ideologie dat de mens de maat van alle dingen is. En juist daar ligt het fundamentele verschil tussen seculiere en christelijke politiek. Het christelijk geloof zal altijd veel weerstand oproepen, omdat de Schrift een ongemakkelijk en weerbarstig boek is en een boodschap bevat die de mens tegen de haren instrijkt. Geen wonder dat ook een echt christelijke partij, bij alle waardering, altijd veel weerstand zal oproepen.

Dat geldt ook voor elke christenpoliticus. Wanneer hij op alle terreinen van het leven de Schrift het laatste woord wil geven, wordt het lastig te functioneren in een partij waarin het christelijk geloof hooguit één van de vele inspiratiebronnen is. Het seculiere jasje past een christen niet.

Een lege huls

We leven in een tijd van economische crisis. Het woord ‘bezuinigen’ ligt op de lippen van vrijwel elke politicus bestorven. Dat er bezuinigd moet worden staat vast. De vraag is alleen: waarop? En dan beklimmen politieke partijen en hun vertegenwoordigers hun stokpaardjes. De noodzaak tot bezuinigen wordt dan al gauw een stok om de hond te slaan waaraan men toch al een hekel had. VVD en PVV lopen te hoop tegen ontwikkelingssamenwerking en ook de publieke omroep moet flink gekortwiekt worden. De inmiddels demissionaire minister Van Bijsterveld, die verantwoordelijk is voor omroepzaken, heeft de publieke omroepen tot fusies gedwongen. Dat leidt onder andere tot het samengaan van KRO en NCRV.

Er zullen wel niet veel luisteraars en kijkers zijn die het idee hebben dat hiermee iets wezenlijks verloren gaat. Er zullen wel verschillen zijn in presentatie en er is ook nog zoiets als ‘nestgeur’, maar inhoudelijke verschillen zijn nauwelijks te ontwaren. De vraag is gewettigd waarom nu uitgerekend deze omroepen gaan fuseren. Zou de NCRV, bijvoorbeeld, niet net zo goed met de AVRO een nieuwe omroep kunnen vormen? De laatste is weliswaar levensbeschouwelijk ‘neutraal’ – wat dat dan ook mag zijn – maar men mag zich afvragen of de NCRV dat in feite ook niet is.

Op 1 april van dit jaar schreef Willem Pekelder, tv-recensent van Trouw, een artikel in zijn eigen krant, waarin hij KRO en NCRV verwijt geen raad te weten met hun christelijke wortels. De titel van zijn artikel is veelzeggend: “De lege huls van KRO en NCRV”. “Hilversum weet zich geen raad met het christendom. Om het omroepbestel te redden, zouden NCRV en KRO zich juist op dat punt moeten onderscheiden. Maar die huren liever een marketingbureau in.”

De KRO zet in op ‘leefstijlgroepen’. “Voor veel geld worden elke vijf jaar nieuwe imagocampagnes gelanceerd waarin de omroepverenigingen ons vertellen wat nu weer hun nieuwe gezichten en bijbehorende slogans zijn. (…) Met deze saus overgieten de omroepen hun programma’s, zodat ze, elk op hun eigen manier, naar het pijpen van de de leefstijlgroepen kunnen dansen.” Maar: “Zodra er iets ‘echt katholieks’ kan worden verteld, haakt de KRO af.”

Volgens hem is het met de NCRV nog treuriger gesteld. “De NCRV wil, onder Haagse dwang, een fusie aangaan met de KRO, maar is Human, de Humanistische Omroep, niet veel geschikter? Het programma ‘Man bijt hond’ kan zo meeverhuizen. En het enthousiasme van de NCRV over de jaarlijkse ‘Week van de euthanasie’ zou ook heel goed bij de humanisten passen. Toen NCRV-presentatrice Jetske van den Elsen kortgeleden uitlegde hoe je je moet laten ‘ontdopen’, was er geen twijfel meer mogelijk: dit is een filiaal van de Human. De NCRV-slogan ‘Wij geloven in de mensen’ past er perfect bij.”

Het hier geschetste beeld is heel herkenbaar. Nederland had ooit veel christelijke organisaties, die op allerlei terreinen van het maatschappelijke leven actief waren, van scholen tot vakbonden. Veel van die organisaties zijn inmiddels gefuseerd. Soms waren dat fusies tussen protestantse en rooms-katholieke organisaties (denk aan het CNV en het CDA), soms ook ging een christelijke organisatie in een ‘algemene’ op. Maar ook nog bestaande christelijke organisaties hebben vaak een karakter waarin maar weinig specifiek christelijks is te ontdekken. Veel scholen zijn alleen nog door hun naam als christelijk te herkennen, maar nauwelijks of niet meer in de inhoud van het onderwijs. Veel ouders kiezen dan ook voor zulke scholen vanwege hun kwaliteit en niet vanwege hun ‘christelijke’ karakter. Het is dan geen wonder dat het bestaansrecht van zulke scholen ter discussie wordt gesteld. Naarmate er meer bezuinigd zal moeten worden, zullen ongetwijfeld ook op het vlak van het onderwijs vragen gesteld worden. Moet de overheid christelijk onderwijs subsidiëren, wanneer het zich niet principieel van het openbaar onderwijs onderscheidt?

Dat seculieren de zin van christelijke organisaties ter discussie stellen is logisch. Zij zien meestal de zin van religie helemaal niet en begrijpen niet wat daarvan de betekenis is. Daarover hoeven we ons niet te verbazen of op te winden. Ernstiger is – en dat is de strekking van Pekelders artikel – dat de christelijke organisaties zelf met hun ‘christelijkheid’ in de knoop zitten. De bovengenoemde omroepen zijn niet de enige. Het Nederlands Dagblad kopte op 2 juni: “CDA formuleert ‘christelijke’ standpunten wollig”. De partij presenteerde het verkiezingsprogramma onder de titel ‘Iedereen’. Dat is niet zo verschillend van de slogans die KRO en NCRV gebruiken: ‘Samen op de wereld’ en ‘Goed leven’. De partij richt zich niet meer alleen op christenen. Dat hoeft helemaal geen probleem te zijn: veel christelijke idealen kunnen ook weerklank vinden bij niet-christenen, zij het vanuit andere motieven. Maar dat is nog geen reden de eigen motivatie te verzwijgen en de eigen idealen zo te formuleren dat de christelijke oorsprong ervan onder het kleed verdwijnt. Christelijke organisaties lijken bevangen door de angst expliciet te verwijzen naar de bron waaruit ze zijn voortgekomen. Nu past het christenen zeker bescheiden te zijn, vooral wanneer men regelmatig wordt geconfronteerd met situaties in eigen kring die zich maar moeilijk met het christelijk geloof laten rijmen. Maar dat is geen reden dan maar helemaal in je schulp te kruipen en het belang van het christelijk geloof zodanig te relativeren dat er niets van overblijft.

Met de titel ‘Iedereen’ wil het CDA tot uitdrukking brengen dat iedereen meetelt. Dat is een uitstekend uitgangspunt voor een politieke partij, zeker in een tijd waarin mensen of groepen mensen door bepaalde partijen achteruitgesteld worden. Dezelfde motivatie drijft ook KRO en NCRV, en ook daartegen is niets in te brengen. Het is zelfs de taak van een christelijke omroep te proberen iedereen te bereiken. Het uitgangspunt dat iedereen meetelt mag er echter niet toe leiden dat dan alle opvattingen en leefstijlen gelijkgesteld worden en alle principiële verschillen worden uitgewist. Het valt te vrezen dat veel ‘christelijke’ organisaties zich hebben laten wijsmaken dat het niet gepast is de eigen overtuiging als de waarheid te presenteren. Die opvatting werd in een artikel in Trouw van 25 mei j.l. verwoord in een artikel van Herman van Koetsveld, theoloog en predikant, en Enis Odaci, voorzitter van de stichting Humanislam. Volgens hen worden jodendom, islam en christendom verbonden door één centraal begrip: liefde. “De liefde voor God is de liefde voor ieder mens naast je, als fundament voor een samenleving van recht, welzijn, vrede en compassie. De tijd is rijp om vanuit dit ‘gemeenschappelijke woord’ de godsdiensten grondig te hervormen. (…) Allereerst zullen wij moeten leren de religieuze claim op de waarheid los te laten. Het is eenvoudig vast te stellen dat er talloze manieren zijn om God, of het goddelijke, te zoeken. Niet alleen als een fenomeen, maar ook als een geestelijke werkelijkheid.”

Je hoeft geen overtuigd christen te zijn om in te zien dat deze redenering innerlijk tegenstrijdig is. De liefde wordt in feite geproclameerd als een nieuw dogma dat de typisch christelijke, islamitische en joodse dogma’s vervangt. De drie genoemde godsdiensten moeten hun claim op de waarheid laten vallen, maar de auteurs stellen daar een nieuwe claim tegenover, namelijk de liefde als “fundament voor een samenleving van recht, welzijn en compassie”. Het probleem is dat iedereen onder liefde iets anders verstaat. Zolang het begrip niet concreet wordt ingevuld, is het als fundament voor de samenleving ondeugdelijk.

De uitwerking die ze er zelf aan geven, is een hoogst persoonlijke toepassing die met veel aplomb naar voren wordt gebracht als iets waarover iedereen het vanzelfsprekend eens is en die daarom geen nadere argumentatie behoeft. Zo’n argumentatie ontbreekt dan ook in het artikel. In feite is maar weinig van wat ze beweren zonneklaar en onomstreden.

Vraag aan een zaal vol mensen wie er tegen ‘de liefde’ is en er zal geen enkele hand omhoog gaan. Maar daarmee is nog niet gezegd dat die ook daadwerkelijk in het samenleven van mensen functioneert. Veel mensen zijn best bereid tot naastenliefde. Maar die moet dan wel wederkerig zijn. Wanneer ze niet beantwoord wordt, is het met de naastenliefde meestal snel gedaan. Wanneer het aan de mens zelf wordt overgelaten het begrip liefde in te vullen, wordt het een speelbal van persoonlijke, hoogst subjectieve gevoelens.

De liefde kan ook zo worden ingevuld dat geen grenzen worden gesteld en bijna alles met de mantel van de liefde wordt bedekt. Dat is logisch, wanneer in de liefde de mens en zijn behoeften en verlangens in het middelpunt staan, ook wanneer die helemaal niet zo gezond zijn, voor de betrokkene zelf of voor de samenleving. De opvoeding draagt daar de sporen van. Er wordt de laatste tijd nogal eens geklaagd over ‘betutteling’ door de overheid, bijvoorbeeld als het gaat om drankgebruik of eetgewoonten, met name van jongeren. Die ‘betutteling’ is het gevolg van het feit dat ouders geen grenzen (durven) stellen. Liefde is vaak de motivatie voor vrijwel onbeperkte vrijheid en tolerantie, met alle gevolgen van dien.

Liefde, in het bijzonder naastenliefde, is een uitstekend uitgangspunt voor christelijke organisaties, of dat nu politieke partijen, maatschappelijke instellingen, scholen of omroepen betreft. Het betekent dat men het goede voor alle mensen zoekt, en dat is niets anders dan een bijbelse opdracht. Maar dat betekent dan ook dat die naastenliefde vanuit de bron, de Schrift, moet worden ingevuld. Jezus vat de Tien Geboden van het Oude Testament samen in de bekende tweeslag: het liefhebben van God en het liefhebben van de naaste. Het tweede heeft haar wortel in en wordt ingevuld vanuit het eerste. Daarmee staat de naastenliefde altijd in het kader van de geboden van God, die het welzijn van de mens op het oog hebben.

De naastenliefde wist de grenzen tussen goed en kwaad niet uit, integendeel. Het lijkt heel menslievend iedereen te laten doen wat hem goeddunkt. Die ‘liefde’ is vaak een schaamlap voor wat in feite ongeïnteresseerdheid is. Echte naastenliefde laat mensen niet hun gang gaan in wat volgens de Schrift tot hun ondergang leidt. De mogelijkheden corrigerend op te treden in de samenleving zijn beperkt en maatschappelijke organisaties en politieke partijen kunnen vaak niet meer dan zaken aan de orde stellen en proberen anderen van de juistheid van hun inzichten te overtuigen. Maar dat kan alleen wanneer ze zelf ervan overtuigd zijn dat de bron waaruit ze putten, niet zomaar een mening is maar een geopenbaarde waarheid.

Wanneer naastenliefde wordt losgemaakt van haar bron wordt ze tot een lege huls. Ze kan niet dienen als fundament voor de samenleving, want ze is op zand gebouwd: het zand van het ‘geloof in de mens’. Om als fundament te kunnen functioneren dient ze gebouwd te zijn op de rots. En die rots is Christus (1 Cor. 10,4). Hij presenteert zichzelf als “de weg, de waarheid en het leven” (Joh. 14,6). Wanneer christenen de waarheid claimen, doen ze dat niet uit eigen beweging, maar in navolging van hem. Daarover valt geen compromis te sluiten. Dat is ook in het belang van de samenleving. Van Koetsveld en Odaci hopen dat godsdienst de “voedingsbodem (kan) worden voor een toekomst die gegrondvest is op de beginselen van de humaniteit”. Echte humaniteit ligt in de navolging van Christus. Dat is de boodschap die christelijke organisaties niet mogen verzwijgen.