Archief

Posts Tagged ‘ChristenUnie’

Klimaat in de kerk

Lange tijd leek de christelijke kerk – in algemene zin: de gezamenlijke christenen in Nederland – definitief in de marge van de samenleving te zijn gedrukt. Weinig mensen lieten zich nog iets gelegen liggen aan wat kerken te melden hadden. Is daar iets in veranderd? Je zou het bijna denken. Want de laatste maanden hebben activiteiten van en gebeurtenissen in kerken nogal wat aandacht getrokken.

De eerste publieke manifestatie van de kerk was het zogenaamde kerkasiel. Wat oorspronkelijk als een actie van een vrijgemaakt-gereformeerde kerk begon, breidde zich al snel als een olievlek over christelijk Nederland uit. Mensen van allerlei kerkelijke kleur – van orthodox tot vrijzinnig – traden als ‘voorganger’ in de doorlopende ‘kerkdienst’ op. Dat trok de aandacht van de media, tot in de Verenigde Staten aan toe. In bepaalde kringen – die waarin men zich sterk maakt voor een ruimhartig asielbeleid – leverde dit de kerken veel goodwill op. Die leek teniet te worden gedaan toen de zogenaamde Nashville-verklaring verscheen. Dat sommige kerken of delen van kerken zich daartegen uitspraken, werd wel waargenomen, maar toch kwamen ‘de kerken’ hiermee in een kwaad daglicht te staan. En toen was daar de scriba van de PKN, René de Reuver, die publiek steun uitsprak voor de door Milieudefensie georganiseerde Klimaatmars. Voorafgaand aan die mars is er een oecumenische viering met een klimaatgebed en een klimaatlied.

Terwijl deze stellingname bij diegenen die zich sterk maken voor een actiever klimaatbeleid in goede aarde valt, stuit ze ook op kritiek. Die komt, zoals te voorspellen was, van de rechterzijde in het politieke spectrum, waar men er moeite mee heeft de feiten rond klimaatverandering onder ogen te zien en, wanneer men de opwarming van de aarde al erkent, geneigd is het gedrag van de mens als haar oorzaak te ontkennen of zo klein mogelijk te maken. Daaruit vloeit voort dat klimaatbeleid eigenlijk overbodig is. Maar ook binnen de PKN is er kritiek. Die richt zich op twee punten. In de eerste plaats zijn er ook in de kerk mensen die twijfels hebben aan de feitelijkheid van de klimaatverandering en de menselijke oorzaken daarvan. Die voelen sterke verwantschap met de hierboven geschetste politieke opvattingen. Maar ook bij degenen die wel bereid zijn toe te geven dat we een probleem hebben en dat daaraan iets gedaan moet worden, heerst soms ongemak over het ‘activistische’ karakter van de nagestreefde maatregelen. Wordt hier niet teveel van de maakbaarheid van de werkelijkheid uitgegaan? Sommige nemen hier de term ‘klimaatreligie’ of ‘klimaatgeloof’ in de mond. Daarmee wil men tot uitdrukking brengen dat men vindt dat het zwaartepunt teveel van het jenseits naar het diesseits is verschoven.

Het is niet zonder ironie dat men daarmee een term gebruikt die ook wordt gehanteerd door seculieren die een weerzin tegen elke vorm van religie hebben. Door het streven naar een klimaatbeleid als ‘religie’ te bestempelen, maken ze duidelijk dat de daarachter liggende opvattingen niet op feiten maar op geloof zijn gebaseerd en daarom niet serieus genomen dienen te worden. Voor hen vallen ze in de sfeer van de sprookjes, zoals ze ook de bijbel als een sprookjesboek beschouwen.

Er is nog een tweede bezwaar. Sommige leden van de PKN, en dan met name degenen die zich in de behoudende flank van de kerk bevinden, hebben ernstige bedenkingen tegen een politieke rol van de kerk. Daarbij wordt er op gewezen dat de politieke opvattingen van de leden van de PKN sterk uiteenlopen. Dat maakt het voor de kerk moeilijk een standpunt in te nemen, want er zijn altijd leden die zich niet vertegenwoordigd voelen in de opvattingen die door de kerkleiding worden uitgedragen. Daarnaast heeft men principieel bezwaar tegen politieke stellingnamen van de kerk. Vooral dit bezwaar vindt ook buiten de PKN weerklank. Zeker de kleinere protestantse kerken zijn traditioneel huiverig om politieke standpunten in te nemen. Ze laten dat liever aan hun leden over, die zich vanuit hun geloofsovertuiging in politiek en samenleving inzetten.

Hebben de critici gelijk? We zullen zien.

In een wat verder verleden hebben de twee grootste kerken die nu de PKN vormen – de Nederlandse Hervormde Kerk en de Gereformeerde Kerken in Nederland, soms aangeduid als ‘synodaal’ – allerlei politieke uitspraken gedaan, bijvoorbeeld ten aanzien van het bezit en gebruik van kernwapens, de apartheid in Zuid-Afrika of de oorlog in Vietnam. Daartegen kwam fel verzet vanuit de kerk zelf, maar ook door politieke partijen die een tegenovergesteld standpunt innamen, werden zulke acties niet op prijs gesteld. Kleinere reformatorische kerken hebben zich van dat soort uitspraken altijd onthouden. Nu ligt dat alleen al uit formeel oogpunt voor de hand. De Nederlandse Hervormde Kerk was een landelijke organisatie met plaatselijke afdelingen en kon dus uitspraken doen, omdat de generale synode, waar dit soort zaken besproken werden, een permanent bestuursorgaan vormde. Hoewel de Gereformeerde Kerken anders georganiseerd waren en oorspronkelijk een vrijwillig verband van plaatselijke kerken waren – vandaar het meervoud in de naam – gingen die in de loop van de tijd steeds meer op de Hervormde Kerk lijken. De synode kreeg een semi-permanente status. Daarmee lag de weg vrij als kerk uitspraken te doen die boven het belang van het kerkverband uitgingen. Dat was en is in de kleinere kerken, zoals de GKV en de CGK, principieel anders. Wanneer daar de laatste vergadering van de generale synode is gesloten, houdt dit orgaan op te bestaan. Er is dus geen instantie die op permanente basis zich namens de kerk in het publieke debat kan mengen.

Toch is er reden het verschil enigszins te relativeren. Het enkele feit dat kerkelijke vergaderingen geen politieke uitspraken doen, impliceert niet dat een kerk zich verre houdt van politiek. We moeten dan vooral naar plaatselijke kerken kijken. Uiteraard is het onmogelijk daarvan een compleet beeld te krijgen. Maar zo nu en dan viel in de pers wel iets over initiatieven van kerken(raden) te lezen. Hier en daar heeft een kerkenraad zich weleens tot de plaatselijke overheid gericht, bijvoorbeeld over de openstelling van winkels op zondag. Zelf kan ik me herinneren dat op GKV-kansels rondom verkiezingen nauwelijks verholen voor een goede uitslag voor het Gereformeerd Politiek Verbond (later opgegaan in de Christenunie) werd gebeden. Nu kan men zeggen dat hier wel een verschil ligt: uitspraken van kerkelijke vergaderingen waren veel gedetailleerder en gaven ook aan wat van de overheid verwacht werd. Daar tegenover kan gewezen worden op de manier waarop in preken en kanselgebeden werd gereageerd op de politieke discussies over wetgeving met betrekking tot abortus en euthanasie. Misschien moeten we toch concluderen dat de verschillen wellicht niet zo groot waren als gesuggereerd wordt.

Nu kan ik me voorstellen dat me tegengeworpen wordt dat het in de laatstgenoemde gevallen gaat om zaken waarover de bijbel glashelder is en dus geen verschil van mening kan of mag bestaan. Maar dat is uiteraard subjectief. Want synodes die uitspraken deden over kernwapens of apartheid waren van mening dat ook daarover de bijbel geen misverstand liet bestaan. De vraag of we aan de bijbel concrete aanwijzingen kunnen ontlenen voor de politieke besluitvorming en zo ja, welke precies, hangt uiteindelijk af van de manier waarop je de bijbel leest. Geen wonder dus dat daarover de meningen uiteen lopen.

En daarmee zijn we dan ook direct bij de zaken die nu een rol spelen. Ik zal de kwestie rond het kerkasiel hier grotendeels laten rusten, omdat die intussen geschiedenis is. Op dit moment trekt vooral het thema ‘klimaat’ de aandacht. Moet de kerk op dat punt een standpunt innemen en dat ook publiek uitdragen?

De PKN heeft, zoals al gesignaleerd, het probleem dat de politieke standpunten van de leden sterk uiteenlopen. Dat heeft alles te maken met haar diversiteit op het vlak van de geloofsleer, die weer het gevolg is van de verschillen in de manier waarop de bijbel wordt gehanteerd en uitgelegd. Het probleem van de PKN is dus niet in de eerste plaats politiek, maar theologisch. Het is een huis dat tegen zichzelf verdeeld is. Dat verzwakt haar geloofwaardigheid en het effect van haar stellingname, want elke uitspraak kan gerelativeerd worden door te wijzen op tegenovergestelde opvattingen van kerkleden. Dat is overigens niet alleen een probleem van de kerkleiding, maar evengoed van hen die problemen hebben met haar politieke stellingnamen. Zolang zij de pluriformiteit van de kerk accepteren, moeten ze niet klagen over de consequenties daarvan zoals die in de politieke stellingnamen van de kerkleiding naar voren komen. De beschuldigende vinger naar de kerkleiding wijst ook naar hen zelf.

Maar wanneer dat probleem van politieke verdeeldheid niet bestaat, of in veel mindere mate, zoals in de kleinere reformatorische kerken, is dan de weg vrij voor politieke positiekeuzen? Ik ga nu even voorbij aan het eerder genoemde formeel-organisatorische aspect en concentreer me op de principiële kant van de zaak. In de bijbel vinden we niet zoveel aanwijzingen voor de manier waarop de kerk zich in politiek en samenleving moet bewegen. Het Oude Testament helpt ons hier sowieso niet verder, omdat ‘kerk’ en ‘staat’ toen praktisch samenvielen. Het Nieuwe Testament laat zich over deze kwestie ook niet uit. Dat heeft uiteraard alles te maken met de toen bestaande politieke situatie, maar ook met het feit dat de christelijke gemeenten nog volop in opbouw waren. Geen wonder dus dat de apostelen zich in hun pastorale brieven vooral op het samenleven binnen de gemeenten richten (naast de geloofsleer en de ethiek). Maar wellicht mogen we daaruit ook wel afleiden dat de taak van de kerk in de samenleving een beperkte is en dat ze vooral de opdracht heeft door haar samenleven binnen de gemeente een voorbeeld voor die samenleving te zijn.

Het feit dat het Nieuwe Testament eigenlijk geen concrete aanwijzingen geeft, betekent dat de kerk van nu zelf haar weg zal moeten vinden. Daarbij moet ze zich niet laten intimideren door de afweerhouding van een seculiere samenleving. Die wijst er graag op dat kerk en staat wettelijk gescheiden zijn en daaruit wordt dan de conclusie getrokken dat geloof en politiek twee gescheiden compartimenten zijn. Dat is een fundamenteel misverstand. De scheiding van kerk en staat is hoofdzakelijk bedoeld om de zwakkere partij, de kerk, te vrijwaren van de dwang van de sterkere partij, de overheid. Er vloeit niet uit voort dat de kerk haar mond zou moeten houden over politieke en maatschappelijke kwesties.

Er zijn wel goede argumenten te geven voor een zekere terughoudendheid van de kerk. Het eerste is het feit dat het de kerk soms aan deskundigheid ontbreekt om concrete aanwijzingen voor gewenst beleid te kunnen geven. ‘Schoenmaker, blijf bij je leest’ is een oude en waardevolle waarheid. Het tweede is dat de keuze voor onderwerpen die aan de orde gesteld worden, al gauw iets willekeurigs kan krijgen. Wat in de samenleving onderwerp van discussie is, kan en moet soms ook door de kerk worden opgepakt, maar het mag niet de kerkelijke agenda gaan bepalen. Het gevaar van hypes en het berijden van stokpaardjes ligt altijd op de loer. Een derde argument is belangrijker: de eerste taak van de kerk is de verkondiging van het evangelie. Daarin onderscheidt ze zich van maatschappelijke organisaties en politieke partijen.

Maar daarmee is niet alles gezegd. Want dan is direct de vraag: hoe ver reikt die verkondiging van het evangelie dan en wat zijn daarvan de consequenties voor het leven van de gelovigen, individueel en samen, in de kerk en daarbuiten? Niemand zal beweren dat de kerk zich moet beperken tot een woordje voor de ziel. De bijbel zelf is glashelder over de ethische consequenties van het evangelie. Jezus zelf heeft daarover in de bergrede en in zijn verdere onderwijs geen misverstand laten bestaan en ook de apostelen doen dat in hun pastorale brieven niet. De boodschap van de kerk is naar haar aard maatschappelijk relevant. De vraag is hoe die relevantie concreet gemaakt moet worden.

Daarbij komt allereerst de prediking in beeld. Daarin staat de uitleg van de Schrift centraal, maar vervolgens moet die ook worden toegepast. Daarbij gaat het om het leven van de gelovigen in de breedste zin van het woord. Daarbij kan de samenleving niet buiten schot blijven, want gelovigen zijn daar een onderdeel van. Door zich op een bepaalde manier daarin te bewegen zeggen ze, zonder woorden, ook iets over die samenleving. Maar het kan en moet soms ook met woorden. Er zijn voor christenen in ons land genoeg mogelijkheden dat wat ze in de kerk hebben gehoord, concreet te maken in de samenleving, in daden en in woorden.

Soms kan het nodig zijn dat in de prediking de samenleving heel concreet aan de orde komt. Maar daarbij bestaat wel het gevaar dat daarmee de verantwoordelijkheid van de toehoorders onderbelicht blijft. Dat is ook het risico van het politieke spreken van de kerk. Wanneer zij meent de overheid te moeten aanspreken op haar verantwoordelijkheid in een bepaalde kwestie, mogen de kerkleden niet buiten schot blijven. Anders wordt het kerkelijk spreken goedkoop.

Laat ik dat toespitsen op de kwestie die het startpunt van dit betoog was: het klimaat en alles wat daarmee samenhangt. Allereerst mag en moet de kerk gewoon uitgaan van feiten waarover binnen de wetenschap een grote mate van overeenstemming bestaat. Ze moet zich verre houden van de verdachtmaking van wetenschap, die in bepaalde kringen bon ton is. Op grond daarvan kunnen en moeten de toehoorders op hun verantwoordelijkheid voor de schepping gewezen worden. Het is van groot belang dat dit op een goede manier gebeurt.

Sommige christenen zijn nogal kritisch op de beweging die zich inzet voor de bescherming van de natuur en voor maatregelen tegen de opwarming van de aarde. Ik wees er al op dat soms gesproken wordt over ‘klimaatreligie’. Zulk spreken kán een middel zijn om de discussie dood te slaan en zich te onttrekken aan een kritische beschouwing van het eigen gedrag. Dat laat onverlet dat de kerk wel kritisch moet blijven tegenover initiatieven uit seculiere kring. Ze moet een eigen koers varen, die gestempeld is door het evangelie. Dat kan bijvoorbeeld door consequent te spreken over zorg voor de schepping. Daarmee wordt voorkomen dat de natuur als een zelfstandige entiteit wordt gezien, die waarde heeft in zichzelf. De natuur moet niet in de eerste plaats omwille van de natuur zelf bewaard worden en zelfs niet om de planeet voor toekomstige generaties leefbaar te houden. Met de schepping moet zorgvuldig worden omgegaan vanwege de Schepper: de natuur is het werk van zijn handen. Door de schepping te beschermen en te bewaren eren we de Schepper. Daarmee wordt ook voorkomen dat natuurbehoud een zelfstandig issue wordt, dat losstaat van andere zaken die tot de christelijke ethiek behoren, zoals de bescherming van het ongeboren leven. Wie de natuur wil beschermen omdat ze het maaksel van Gods handen is, zal zich ook inzetten voor de bescherming van het ongeboren leven, dat Hij in de moederschoot geweven heeft. Het zijn twee kanten van dezelfde medaille. Maar dat betekent ook dat wie het vanzelfsprekend vindt dat de zorg voor het ongeboren leven in de prediking aan de orde komt en onderwerp van gebed is, de zorg voor de schepping daarvan niet kan uitsluiten.

Het gaat in de concrete toepassing van de boodschap van de Schrift altijd in de eerste plaats om het leven van de gelovigen. Dat geldt ook voor de zorg voor de schepping. Daarbij dient de voorganger wel enige wijze terughoudendheid te betrachten. Ieders leven is immers verschillend en algemene uitspraken over gewenst gedrag kunnen zomaar verkeerd worden opgevat of het doel missen. De prediking moet vooral de toehoorders tot zelfonderzoek en de gemeente tot onderling gesprek aanzetten. Er zijn allerlei vormen te bedenken om zich te bezinnen over de consequenties van wat in de prediking is aangereikt, zoals verenigingen, huiskringen en gespreksgroepen. En uiteraard moet hier ook het huisbezoek genoemd worden. Want daarin gaat het om het persoonlijk geloof, maar dat heeft altijd praktische consequenties. Het gesprek daarover mag niet uit de weg worden gegaan, ook niet ten aanzien van onze omgang met de schepping.

Het klimaat moet in de kerk zeker aan de orde komen, want de schepping moet de kerk en haar leden een zorg zijn.

Advertenties

In Jezus’ naam

Je hoort het tegenwoordig nogal eens zeggen: “in Jezus’ naam”. Dat gebeurt ook in gereformeerde kerkdiensten, aan het eind van een gebed. Dat is wel enigszins opmerkelijk, want gereformeerden zijn traditioneel nogal terughoudend met de naam Jezus en zeker met het zo direct verbinden van die naam aan hun gebed. Dat je het tegenwoordig regelmatig hoort, zou wel eens toe te schrijven kunnen zijn aan de toegenomen invloed van de evangelische beweging. Daar heeft men wat minder scrupules om iets te bidden “in de naam van Jezus”. Dat heeft zelfs wel eens iets dwingends, bijvoorbeeld bij genezingsdiensten, waarin iemand “in Jezus’ naam” als het ware gezond gebeden wordt.

De concrete aanleiding om hier iets over te schrijven is de recente discussie over het regeerakkoord. Nogal wat leden en sympathisanten van de ChristenUnie stak het als een graat in de keel dat het de CU-onderhandelaars niet gelukt was een verruiming van het kinderpardon te realiseren. Sommigen verweten de ChristenUnie dat ze dit punt hadden uitgeruild tegen andere. Als partij die politiek bedrijft “in Jezus’ naam”, schreef iemand, zou ze de onderhandelingen hebben moeten afbreken. Want de regeling zoals die nu is, staat volgens hem haaks op politiek “in de naam van Jezus”.

Nu ben ik geen lid van de ChristenUnie en ik lees niet alles, wat er geschreven wordt en hoor niet alles wat er gezegd wordt. Ik kan dus niet beoordelen in hoeverre de ChristenUnie of haar vertegenwoordigers inderdaad zeggen of schrijven dat ze politiek bedrijven “in de naam van Jezus”. Als dat wel zo is, lijkt me dat wel reden voor enige kritische kanttekeningen. Want met het verwijzen naar Jezus moeten we wel oppassen, in de politiek, maar ook in ons – persoonlijke of gezamenlijke – gebed.

Want wat doen we eigenlijk als we bijvoorbeeld ons gebed besluiten met “in de naam van Jezus”? We maken onze zaak tot de zijne. Let wel – niet omgekeerd. Dat laatste is niet minder dan onze plicht: als christenen maken we zijn zaak tot de onze. Dat wil zeggen: we laten ons in onze gedachten, woorden en daden door hem leiden en door zijn wil, zoals we die in de bijbel leren kennen. Dat is ook de strekking van het Onze Vader: zijn naam, zijn wil, zijn koninkrijk staan in het middelpunt van onze verlangens. Dat gebed is gericht tot de Vader, maar de Vader en de Zoon zijn één en de Zoon identificeert zich met de wil van de Vader.

Maar als we ons gebed besluiten met de bede “in Jezus’ naam” doen we wat anders. We identificeren onze verlangens met die van hem. We gaan er zonder meer vanuit dat wat wij aan verlangens hebben uitgesproken, overeenkomt met zijn wil. Maar is dat ook zo?

Daar moeten we dus wel even goed over nadenken. We mogen aan God voorleggen wat we op ons hart hebben. Dat kan van alles zijn: een baan, genezing van ziekte, heling van breuken die tussen mensen geslagen zijn, vrede in de wereld, leniging van hongersnood – om maar een paar dingen te noemen. Maar: zijn dat allemaal dingen die Jezus ook wil? Dat hangt er maar vanaf. Natuurlijk mag je bidden om genezing, van jezelf of van iemand anders. Maar we kunnen er nooit zeker van zijn dat dat ook de wil van Jezus is. God kan met mensen een andere weg gaan dan ze zelf graag zouden willen. In veel gevallen weten we niet, wat Gods wil is.

De gereformeerde geloofsleer heeft altijd onderscheid gemaakt tussen de geopenbaarde wil van God en zijn verborgen wil. De eerste kennen we uit de bijbel, de tweede blijft naar zijn aard voor de mens verborgen. Dat moeten we in ons gebed ook respecteren. Het Onze Vader is een voorbeeld van een gebed dat we zouden kunnen besluiten met de frase “in Jezus’ naam”. Want daarin leren we de wil van God kennen.

Maar in geval van een ‘vrij gebed’ is het oppassen geblazen. We kunnen dan wel iets bidden “in Jezus’ naam”, maar dan moeten we ons wel steeds afvragen of wat wij willen wel strookt met zijn wil. Dan moeten we dus bij de Schrift te rade gaan. Daarin staat wel meer over Gods wil dan wat we in het Onze Vader vinden. Soms kunnen we ons beroepen op specifieke uitlatingen van bijvoorbeeld de apostelen in het Nieuwe Testament. En uit het Oude Testament hebben we de Tien Geboden, die, zoals we met de Heidelbergse Catechismus belijden, nog steeds ten volle van kracht zijn. Maar zodra we wat concreter willen worden en wat we uit de bijbel als wil van God hebben gedestilleerd, willen toepassen op concrete situaties in het hier en nu, wordt het lastiger. Want God gaat soms een andere weg dan wij logisch vinden. En wat in onze ogen helemaal verkeerd is, kan door God toch worden gebruikt voor zijn doel. Zoals het weleens gezegd wordt: God kan met een kromme stok een rechte slag slaan. We hoeven hier alleen maar aan het boek Rechters te denken.

Hetzelfde geldt, maar dan nog in sterkere mate, voor allerlei activiteiten op maatschappelijk en politiek gebied. Daarbij kunnen – en moeten – christenen zich laten leiden door de wil van God, zoals die uit de Schrift is te kennen. Maar als dat concreet gemaakt wordt, is meestal een vertaalslag nodig. En dat is een voluit menselijke activiteit, met alle nadelen van dien. Bovendien moeten we altijd in rekening brengen dat het Oude Testament – waar heel veel maatschappelijke voorschriften te vinden zijn – geen scheiding tussen ‘kerk’ en ‘staat’ kent. Het is dus niet altijd evident of een voorschrift betrekking heeft op de samenleving als geheel dan wel vooral – en misschien zelfs uitsluitend – iets zegt over de omgang tussen gelovigen, dus binnen wat wij nu ‘kerk’ noemen. Het kan nauwelijks toeval zijn dat we in het Nieuwe Testament vrijwel geen voorschriften vinden die op de samenleving als geheel betrekking hebben. De overheid behoort niet meer tot de ‘kerk’ en de gelovigen spelen in de samenleving een hooguit marginale rol. Ethiek is in het Nieuwe Testament dus vooral persoonlijke ethiek: hoe moet een gelovige omgaan met andere gelovigen, met niet-gelovigen of met diegenen die hen zelfs vervolgen?

Uit de bijbel – Oude èn Nieuwe Testament – leren we dat het kwaad bestraft moet worden: de overheid draagt het zwaard niet tevergeefs, schrijft Paulus. Maar dat levert geen pasklare antwoorden op ten aanzien van de vraag, wanneer wel en wanneer niet gestraft moet worden en hoe gestraft moet worden of hoe zwaar. Pleidooien voor het recht de doodstraf toe te passen worden vaak op de zojuist aangehaalde uitspraak van Paulus gebaseerd. Maar dat is een hachelijke zaak, want het zwaard is niet per definitie een wapen om te doden, maar kan ook als verdedigingswapen en als afschrikking worden gebruikt. In de Hof van Gethsemane slaat Petrus een soldaat het oor af met zijn zwaard, maar doodt hem niet. Over zaken als tbs, lengte van gevangenisstraffen en resocialisatie kun je op grond van de Schrift geen verregaande uitspraken doen. Mensen die zich door de Schrift willen laten leiden, kunnen daarover van mening verschillen.

Christelijke politici mogen “in Jezus’ naam” er voor pleiten en er naar streven dat alle kinderen met het syndroom van Down geboren mogen worden. Maar de vraag of de NIPT-test voor alle zwangere vrouwen beschikbaar zou moeten zijn, is daarmee nog niet beantwoord. Daarover zijn onder christenen verschillende meningen mogelijk. Het zou niet goed zijn elkaar dan met bijbelteksten de maat te nemen, want daarvoor kun je de bijbel niet gebruiken.

Ook in de kerk is voorzichtigheid geboden. Zeker voorgangers moeten zich realiseren dat ze enige terughoudendheid moeten betrachten in het gebed dat ze namens de gemeente uitspreken. De vraag of iedereen het met elke bede eens is, doet niet ter zake, zolang die bede vanuit de Schrift beargumenteerd kan worden. Wanneer een gemeentelid daarvan dan afstand neemt, ligt het probleem bij hem. Maar een voorganger mag het gebed niet misbruiken om zijn eigen opvattingen te ventileren. En hij mag die al helemaal niet verbinden met de naam van Jezus, daarmee suggererend dat die bede zijn wil weergeeft.

We hebben in de geschiedenis genoeg voorbeelden gezien van mensen die Gods naam aan hun eigen zaakjes verbonden, die helemaal niet zo fris waren, om het voorzichtig uit te drukken. Ik hoef hier alleen maar te herinneren aan de kruistochten. In het derde gebod wordt ons het misbruik van Gods naam verboden. Dat betreft niet alleen het vloeken of onnadenkend gebruiken van zijn naam, maar ook het verbinden van zijn naam aan zaken die uit menselijke overwegingen voortkomen en niet stroken met de geopenbaarde wil van God.

Het is daarom zaak de formule “in Jezus’ naam” niet lichtvaardig in de mond te nemen. Dat geldt zeker voor activiteiten in de samenleving. Dat was de concrete aanleiding voor dit stuk. Er is geen reden afstand te doen van het begrip ‘christelijke politiek’, zoals sommigen bepleiten, maar dat moet wel met voorzichtigheid en verstand gehanteerd worden. Het zet ertoe aan zorgvuldig te zijn bij de formulering van politieke doelen vanuit een expliciet christelijke visie. Het brengt uiteraard ook grote verantwoordelijkheid mee voor degenen die zich voor christelijke politiek inzetten. En de formulering “in Jezus’ naam” kan maar beter achterwege gelaten worden. Die is te pretentieus en te kwetsbaar. Want christelijke politiek is en blijft mensenwerk.

Afscheiden of doorploeteren?

Het komt niet vaak voor dat de bouw van een kerk de landelijke seculiere pers haalt. Als dat gebeurt, moet er wel iets aan de hand zijn. Dat was dan ook het geval in Yerseke, waar de Gereformeerde Gemeente een nieuwe kerk met 2000 zitplaatsen wil bouwen, in de publiciteit als ‘megakerk’ betiteld. Daarvoor gingen in het Zeeuwse dorp niet alle handen op elkaar. De bezwaren richtten zich vooral op de grootte van het gebouw, de plaats waar het moet komen te staan en de overlast, die ervan verwacht wordt. Dat zo’n kerk in seculier Nederland leidt tot irritatie en een oprisping van afkeer van geloof en kerk is te verwachten. Maar ook onder christenen klonken kritische geluiden. De locale fractie van de Christenunie stemde tegen het verlenen van een bouwvergunning. Op 12 juli j.l. reageerde Sjirk Kuijper, hoofdredacteur van het Nederlands Dagblad, in een commentaar onder de titel ‘Kerkelijk comfort’. Dat ging vooral over de ‘kwestie-Yerseke’, maar Kuijper betrok hier een andere kwestie bij.

De Doorbrekers, die zichzelf omschrijven als “een moderne kerk met een passie voor Jezus en voor mensen”, kondigden aan een vestiging te beginnen in Drechtsteden, het gebied rond Dordrecht. Dat riep bij bestaande kerken nogal wat kritiek op. Als men zo nodig mensen voor Jezus wil winnen, waarom vestigt men zich dan uitsluitend in gebieden waar de kerkdichtheid nogal groot is? Voorbeelden zijn Barneveld – midden in wat als biblebelt bekend staat – en Amersfoort.

Zijn commentaar kwam Kuijper op nogal wat kritiek te staan. Ik zag op Twitter allerlei kritische opmerkingen voorbij komen. Op Facebook schreef iemand zelfs dat hij nu zijn abonnement op het Nederlands Dagblad zou opzeggen. Dat is een nogal drastische stap als reactie op een commentaar. Kennelijk heeft Kuijper een gevoelige snaar geraakt waardoor nogal wat mensen vertoornd zijn geraakt. Is daar reden voor?

Om te beginnen: de bouw van een ‘megakerk’ door de Gereformeerde Gemeente van Yerseke is niet vergelijkbaar met de vestiging van een filiaal van de Doorbrekers in Drechtsteden. In het eerste geval is er sprake van een kerk die te klein geworden is. Kuijper wijst op het verschijnsel dat zich in de bevindelijke flank van christelijk Nederland manifesteert: gelovigen kruipen bij elkaar en als gevolg daarvan worden bestaande kerken te klein, terwijl elders kerken leeglopen en gemeenten worden opgeheven. Eén van de punten van kritiek was dat hij hier zijn pijlen wel erg eenzijdig op de Gereformeerde Gemeenten richt. Want het is de vraag of dat verschijnsel zich tot de bevindelijke kerken beperkt. Ook de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) kennen hun bolwerken. Dat zijn dan niet gemeenten als Bunschoten-Spakenburg, waar de gereformeerden traditioneel al sterk vertegenwoordigd waren. Eerder moet je dan denken aan steden als Amersfoort en Zwolle, die in de loop van een paar decennia zich sterk hebben uitgebreid, niet alleen burgerlijk, maar ook kerkelijk.

Burgerlijke en kerkelijke uitbreiding hebben overigens alles met elkaar te maken. Zaken als beschikbare huisvesting, bereikbaarheid en aard en omvang van werkgelegenheid hebben ongetwijfeld de kerkelijke groei gestimuleerd. Daarbij moet dan ook bedacht worden dat in lang niet elke gemeente vrije vestiging mogelijk is. In zijn commentaar noemt Kuijper ook de beschikbaarheid van een reformatorische basisschool als oorzaak van de ‘samenklontering’ van leden van de Gereformeerde Gemeenten. Maar dat is in vrijgemaakt-gereformeerde kring niet anders, al is daar waarschijnlijk vooral de aanwezigheid van voortgezet onderwijs doorslaggevend (geweest). Dat nogal wat mensen met opgroeiende kinderen zich in de nabijheid van zulk onderwijs vestig(d)en, heeft (had) zeker ook financiële en praktische redenen. Openbaar vervoer is in de loop van de tijd duurder geworden en in sommige gevallen nog slechts mondjesmaat beschikbaar. Het is overigens de vraag hoelang deze trek naar de centra zal aanhouden, gezien het feit dat gereformeerd onderwijs voor steeds meer ouders geen bijzonder hoge prioriteit meer heeft.

Uit deze observaties mag de conclusie getrokken worden dat in dit opzicht de kritiek op de concentratie van leden van de Gereformeerde Gemeenten niet helemaal eerlijk is.

Meer houdt snijdt de tweede oorzaak die Kuijper noemt: kerksplitsing of dubbele diensten zijn geen optie vanwege het tekort aan predikanten. “De hoge drempel voor het predikambt houdt de schaarste aan dominees in stand.” Dat is een terechte constatering, evenals zijn opmerking dat dit het gevolg is van de geloofsleer van de Gereformeerde Gemeenten (en van de bevindelijke kerken in het algemeen). Slechts zelden worden studenten tot de theologische opleiding toegelaten, en dat zijn dan vaak ook nog mannen op leeftijd. Ze moeten overtuigend kunnen aantonen dat ze bekeerd zijn en dat betekent dat ze een verhaal moeten kunnen vertellen hoe God in hun leven heeft ingegrepen. Dan wordt de spoeling dun.

Aan het eind van zijn commentaar gaat Kuijper nog in op het initiatief van de Doorbrekers. “[Daar] hebben bezoekers vaak veel kilometers achter de wielen als ze de theaterzaal betreden. Toch gaat Doorbrekers (gesticht door ex-leden van de Gereformeerde Gemeenten) juist daar zitten waar het al barst van de kerken en christenen: Barneveld, Amersfoort, Zwolle, Goes, en nu dus de Drechtsteden. De ervaring is dat zulke aansprekende megakerken vooral bekeerlingen trekken die de ‘traditionele’ kerk waarin ze opgroeiden voor Geesteloos of zelfs dood verklaard hebben.” Men spreekt in dit verband wel eens ironisch over het ‘rondpompen’ van gelovigen.

Het zal duidelijk zijn dat we hier met een verschijnsel te maken hebben dat niet zonder meer met de samenklontering in bevindelijke kring vergeleken kan worden. In het laatste geval is immers geen sprake van een achterliggende theologische motivatie: er ligt geen kerkelijk conflict aan ten grondslag. Dat is bij de Doorbrekers anders: die zien zich als een alternatief voor bestaande kerken waarover ze zich een algemeen negatief oordeel aanmatigen. Daarom mist de kritiek op hun vestigingsbeleid doel. Je zou in zekere zin kunnen zeggen dat hier wel sprake is van een kerkelijk conflict, zij het niet in organisatorische zin.

Kritiek op de Doorbrekers zal dan ook een theologische moeten zijn. Maar die blijft achterwege. Dat is overigens ten aanzien van de Gereformeerde Gemeenten ook het geval. Het blijft bij een constatering, waaraan verder geen oordeel wordt verbonden. Dat is natuurlijk ook lastig, wanneer een helder beoordelingscriterium ontbreekt. Dat heeft Kuijper nog eens expliciet verwoord in de rubriek ‘Van de redactie’ op 15 juli, waar hij – na eraan te hebben herinnerd dat de krant 25 jaar geleden de exclusieve binding aan de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) had opgegeven – schrijft: “Later is ook de exclusieve band met de gereformeerde belijdenissen losgeknoopt.” Goed beschouwd is dat wel ironisch: wat ongetwijfeld als stap naar een grotere mate van vrijheid werd (wordt) beschouwd, is in feite een handenbinder. Want elk ander beoordelingscriterium dan dat van de gereformeerde belijdenis – als samenvatting van de Schrift – is per definitie subjectief en dus vatbaar voor kritiek.

De slotzin van het commentaar vat de teneur van het betoog samen. “Afscheiden, iets nieuws en waars beginnen, veilig op één hoop gaan zitten: dat gaat Nederlandse christenen beter af dan trouw verder ploeteren met de dolende en kwijnende gemeenschap waarin God je geplaatst en geroepen heeft, en zijn werk met je begonnen is.”

Het gebruik van het woord “afscheiden” doet hier nogal vreemd aan. Want in de besproken kwesties gaat het helemaal niet over “afscheiden”. In de kwestie-Yerseke is, zoals ik al opmerkte, geen sprake van een theologisch conflict. En alhoewel de Doorbrekers zich als alternatief voor bestaande kerken presenteren, zijn ze geen “afscheiding” van zulke kerken. Hooguit kun je zeggen dat veel – de meeste? – van hun leden zich van de kerken waarvan ze lid waren, hebben afgescheiden. Maar wellicht zouden ze dat ook zonder de Doorbrekers wel gedaan hebben; er zijn immers genoeg kramen op de kerkelijke markt. Want dat ze zich van hun kerken hebben afgescheiden heeft ongetwijfeld een theologische achtergrond. Wanneer men zich in zijn denken van de kerk waarvan men lid is, verwijdert, is het niet zo vreemd dat men daarmee breekt. Had Kuijper met het gebruik van het woord “afscheiden” wellicht de ontwikkelingen binnen de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) in gedachten, na de besluiten over vrouw en ambt van de dit jaar gehouden Generale Synode?

De afsluitende alinea heeft een duidelijk gereformeerde trek, wanneer Kuijper spreekt over “trouw verder ploeteren met de dolende en kwijnende gemeenschap waarin God je geplaatst en geroepen heeft, en zijn werk met je begonnen is.” Het bloed kruipt kennelijk waar het niet gaan kan. Het is ongetwijfeld een Schriftuurlijke gedachte dat iedereen door God op een bepaalde plek geplaatst is en dat daar dus zijn of haar verantwoordelijkheid begint. Dat geldt voor het gezin even zo goed als voor de kerk. Maar daarmee is het verhaal niet afgelopen. Volgens de Nederlandse Geloofsbelijdenis dient elke kerk altijd gemeten te worden aan wat de Schrift over de kerk zegt; dat wordt in deze belijdenis in enkele artikelen samengevat. Daaruit volgt dat ieder kerklid altijd moet toetsen of de kerk waarvan hij door geboorte of door een beslissing van zijn ouders lid is, nog wel aan die maatstaven voldoet.

“Afscheiden, iets nieuws en waars beginnen” – de formulering en de context suggereren dat Kuijper dit negatief waardeert. De Nederlandse Geloofsbelijdenis doet dit niet. Sterker nog: ze spreekt zelfs uit dat afscheiding een plicht is wanneer de kerk niet meer de titel ‘kerk van Christus’ verdient. Zonder die confessionele basis wordt het dilemma “afscheiden of doorploeteren” een onontwarbare knoop.

Feestdagen onder vuur?

De christelijke feestdagen liggen onder vuur. Tenminste, als je kranten als De Telegraaf en het AD moet geloven, die graag de spreekbuis willen zijn van iedereen die zich zorgen maakt over de Nederlandse identiteit. In de aanloop naar Kerst was het eerstgenoemde, die suggereerde dat op allerlei niveaus verwijzingen naar Kerst moesten plaatsmaken voor algemene aanduidingen voor de tijd van het jaar, zoals feestmaand (en, naar analogie daarvan, feeststol). In de week voor Pasen kwam het AD met een artikel waarin beweerd werd dat op christelijke scholen het Paasverhaal werd aangepast of zelfs verzwegen om islamitische leerlingen en hun ouders niet te mishagen. In beide gevallen waren het vooral VVD en PVV die daaruit politieke munt probeerden te slaan.

Zowel ten aanzien van Kerst als van Pasen werd al snel duidelijk dat de alarmistische verhalen grotelijks overdreven waren of ten dele uit de duim gezogen. Zelfs hoofdredacteur Nijenhuis van het AD leek zich van de berichtgeving in zijn eigen krant te distantiëren door in een commentaar de onrust “geroeptoeter over een vermeende aanval op Pasen” te noemen. Het is ook eigenaardig dat seculiere media zich zo druk maken om de vraag of en zo ja, op welke manier scholen aandacht besteden aan Pasen. Let wel, het gaat hier om christelijke scholen, dus om bijzonder onderwijs, waarvoor media als De Telegraaf en AD zich nooit bijzonder sterk hebben gemaakt. Dat Tweede-Kamerleden van de VVD over het Paasverhaal van het AD schriftelijke vragen meenden te moeten stellen, geeft ook te denken. Zij zouden toch moeten weten dat de overheid en de politiek in het algemeen geen zeggenschap hebben over het al dan niet vieren van religieuze feesten op bijzondere scholen. Het gaat hier om intern beleid; alleen ouders van leerlingen hebben het recht te klagen.

Merkwaardig is ook dat mensen zich sterk lijken te maken voor een feest waarvan ze zelf meestal afstand nemen. Dat blijkt al daaruit dat ze als symbolen van de christelijke feesten uitgerekend die dingen noemen, die met de betekenis van die feesten niets van doen hebben, zoals in het geval van Pasen de paashaas en paaseieren. Terecht reageerde iemand op Twitter: “Bij secularisatie gaat in NL de vlag uit. Behalve als je er de mohammedaan mee om z’n kop kan slaan. Hypocriet.” Ook Anton de Wit, hoofdredacteur van het Katholiek Nieuwsblad, reageerde to the point in zijn column in het Nederlands Dagblad van 15 april j.l.: “[De] verwatering van het paasfeest is al decennia gaande. Enthousiast aangemoedigd door het bedrijfsleven dat zulke tierelantijnen beter vermarkten kon dan een kruis en een leeg graf, en de ontkerkelijkte goegemeente die stellig meende dat het maar eens gedaan moest zijn met die verderfelijke christelijke invloed op onze samenleving. Maar nu hijst diezelfde goegemeente zich collectief in het driedelige maatkostuum van de heilige verontwaardiging, en gaat parmantig rondrijden op een fiets die ouder is dan zij zelf zijn, kort door alle bochten, op de racefiets van de christelijke waarden. (…) Als christenen hun geloofstaal afzwakken om autochtone seculieren te behagen, kraait er geen haan naar. Als ze hetzelfde doen om allochtone moslims te behagen, is het land (en vooral ook Twitter) te klein.”

Ook door christelijke politici werd kritisch gereageerd op de bezorgdheid van hun seculiere collega’s. Kees van der Staaij, fractievoorzitter van de SGP in de Tweede Kamer, twitterde: “Uit betrouwbare bron vernomen dat maar weinig PVV- en VVD-kamerleden van plan zijn met Pasen naar de kerk te gaan. Ik overweeg kamervragen..” De ironie van deze tweet ontging de meesten die hierop reageerden. Kennelijk associeert men zoveel frivoliteit niet met een SGP-politicus. Zijn ChristenUnie-collega Gert Jan Segers reageerde iets serieuzer: “Als iedereen die dit erg vindt voortaan wekelijks naar de kerk gaat, dan zal Pasen echt gewoon Pasen blijven. It’s up to us, mensen..” Hieraan kan nog worden toegevoegd dat al gauw bleek dat nogal wat lieden die zich zo boos maken over de teloorgang van de christelijke feesten, zelf nauwelijks weten waarover die precies gaan. Hier wreekt zich dat die feesten niet meer exclusief christelijk zijn, maar tot nationale feestdagen zijn geworden – of verworden, wat in deze context een betere term lijkt. Ik heb daarover hier al eens uitvoeriger geschreven.

Diverse media controleerden de beweringen in het AD. De conclusie: er was geen reden aan te nemen dat christelijke scholen het paasverhaal helemaal verzwegen. Wel pasten sommigen het verhaal enigszins aan de leerlingenpopulatie aan of probeerden een link te leggen naar de islam, want in de regel gaat het om scholen met een substantieel aantal moslimleerlingen. Daarbij noteerde de Volkskrant (12.4.17) wel enkele uitlatingen die te denken geven. “Het is niet meer zoals vroeger, waarbij kinderen gesloten werden opgevoed tot christenen”, zegt Kees Terdu, voorzitter van de stichting Protestants-Christelijk Basis- en Orthopedagogisch Onderwijs (PCBO) in Rotterdam-Zuid. “Wat wij doen, is vanuit christelijke waarden een betere samenleving proberen vorm te geven. Juist Pasen is een feest dat een brug kan slaan naar iedereen in de samenleving.” Op traditionele christelijke scholen zal meer nadruk liggen op het eigen geloof, zegt Terdu, “maar de betekenis van de christelijke feesten is universeel”. Aan de hand van het thema ‘opstaan’ behandelen zijn scholen dit jaar Pasen. “We praten over opstaan uit de dood, maar ook opstaan tegen onderdrukking en onrecht”, zegt de stichtingvoorzitter. “Kinderen met een islamitische achtergrond herkenning zich hier net zo goed in als christelijke kinderen.” Hiermee wordt Pasen wel van zijn unieke betekenis ontdaan. Maar laten we vooral niet denken dat dit specifiek gerelateerd is aan de aanwezigheid van moslimkinderen. In feite is dit niet veel anders dan de manier waarop niet-gelovigen naar de Matthäus-Passion van Bach luisteren. Vertolkers die zelf ook niet gelovig zijn geven er niet zelden een zodanige draai aan dat het lijkt alsof dit werk iets anders – iets minder specifiek christelijks – tot uitdrukking brengt dan Bach voor ogen stond. Maar daar valt niemand over.

Mag uit het bovenstaande geconcludeerd worden dat er wel reden is tot zorg? Ik zou eerder zeggen: reden voor bezinning. Maar dan wel in een heel andere zin en in een andere richting dan door seculiere politici en media wordt bepleit. De vraag is niet of het christelijk onderwijs ‘nationale waarden’ uitdraagt, maar: hoe christelijk is het christelijk onderwijs nog?

Dat heeft in eerste instantie niets met de islam te maken. Uit de berichten wordt niet duidelijk of de ouders van moslimkinderen bezwaar maken tegen het vertellen van het paasverhaal. Wanneer ze daartegen bezwaar zouden maken, zou de eerste vraag moeten zijn: waarom stuurt u uw kind naar een christelijke school? Hadden ze niet verwacht dat die school zijn christelijk karakter serieus zou nemen? Misschien hebben ze dan niet goed opgelet bij hun oriëntatie op het karakter van de school, maar het is ook mogelijk dat de school zelf daarover niet voldoende duidelijk is geweest. Dat moet die school zich dan aantrekken.

Wanneer de school uit eigen beweging het paasverhaal verzwijgt of substantieel wijzigt zodat het christelijk karakter grotendeels verloren gaat, dringt de vraag zich op of die school nog wel gemotiveerd is om echt christelijke school te zijn. Wanneer de school en/of zijn leerkrachten zelf geen waarde aan het christelijk geloof hechten, kun je van leerlingen en hun ouders niet verwachten dat zij dat wel doen. Wanneer van het christelijk karakter van de school nooit iets blijkt, is het niet vreemd, wanneer geprotesteerd wordt, als ineens het paasverhaal wordt verteld. Dat is dan een vlag op een modderschuit.

Dat er gerede twijfel kan bestaan aan het christelijk karakter van sommige scholen vindt zijn oorsprong niet in de eerste plaats in de aanpassing van het paasverhaal. De oorzaak ligt bij het gebrek aan overtuiging van de school en de leerkrachten. Dat is het logische gevolg van een beleid waarin van leerkrachten niet verlangd wordt dat ze zelf gelovige christenen zijn en dat ze de kerk vaker van binnen zien dan alleen één keer per jaar met Kerken Kijken. Als leerkrachten zelf niet in de lichamelijke opstanding van Jezus geloven, kunnen ze de paasviering beter achterwege laten. Maar dat is niet de kern van de zaak. Het christelijk karakter van een school komt niet in de eerste plaats tot uiting in de aandacht voor christelijke feesten, een paar keer per jaar. Het moet het totale onderwijs en het klimaat op school doortrekken.

Wie zich zorgen maakt om het verval van de christelijke feesten, moet niet met de beschuldigende vinger naar moslims wijzen, maar aan zelfonderzoek doen. De grootste bedreiging van de christelijke feesten is niet een groeiende invloed van de islam, maar de interne secularisatie van het christendom. Het slechtste wat christenen in deze situatie kunnen doen is gemene zaak maken met politici van PVV en VVD, die de christelijke feesten – maar dan in geseculariseerde vorm – misbruiken voor hun nationalistische agenda. Met zulke ‘vrienden’ hebben christenen geen vijanden meer nodig.

Niets anders dan recht doen

In de aanloop naar de verkiezingen voor de Tweede Kamer worden de verkiezingsprogramma’s nagevlooid. Ze worden vanuit allerlei verschillende invalshoeken bekeken, bijvoorbeeld de economie, het beleid ten aanzien van de pensioenen of de opvattingen over de zorg. Daar komen interessante lijstjes uit. Kortgeleden werd ook een onderzoek gepubliceerd vanuit de vraag hoe de verschillende partijen met de rechtsstaat omgaan. Worden er voorstellen gedaan die een inbreuk maken op de rechtsstaat of staan in de verkiezingsprogramma’s plannen om die rechtsstaat te versterken? Het beeld was niet verheffend. Vrijwel alle partijen doen voorstellen die de rechtsstaat in meerdere of mindere mate verzwakken. Eén partij sprong er positief uit. De Christenunie doet geen enkel voorstel dat de rechtsstaat aantast, maar komt daarentegen met verschillende voorstellen die deze juist sterker maken.

De Christenunie is trots op deze uitkomst en met recht. Het gaat hier bepaald niet om een bijzaak, al zullen veel christelijke kiezers andere onderwerpen belangrijker vinden. Mijns inziens is er alle reden de bescherming van de rechtsstaat als een kerntaak van christelijke politiek te beschouwen.

Wat is precies een rechtsstaat? Op de site van Prodemos vinden we deze definitie: “Een rechtsstaat is een staat waarin vrijheid, rechtszekerheid en rechtsgelijkheid voor de burger heel belangrijk zijn. Bovendien geniet de burger bescherming van zijn rechten en vrijheden, tegen medeburgers én tegen de overheid.” Verschillende elementen zijn essentieel voor de rechtsstaat. Het eerste is dat het recht het hoogste gezag heeft. “In het woordenboek wordt de rechtsstaat omschreven als een ‘staat die het recht als hoogste gezag handhaaft’. De rechter bepaalt of iemand zich aan de wet heeft gehouden of niet. Als iemand de wet heeft overtreden, dan kan de rechter een straf en/of een verbod opleggen.” Vervolgens gaat het om vrijheden en grondrechten: “In een rechtsstaat wordt de macht van de overheid beperkt door wetten, regels en gewoonten. De inwoners van die staat hebben fundamentele vrijheden en grondrechten.” De burger wordt beschermd tegen machtsmisbruik: “Het doel van de rechtsstaat is om de burgers te beschermen tegen machtsmisbruik van de overheid. Ook de overheid moet zich aan de wet houden en mag dus de vrijheden en rechten van de burgers niet zomaar beperken of afpakken.”

Vervolgens worden de vier belangrijkste onderdelen van de rechtsstaat opgesomd: grondrechten, scheiding van de machten, legaliteitsbeginsel en onafhankelijke rechtspraak. Die worden vervolgens nader uitgewerkt. Wie daarover meer wil weten, kan op de desbetreffende site terecht. Mij gaat het hier nu om de vraag waarom de verdediging van de rechtsstaat voor een christelijke politieke partij een kernpunt zou moeten zijn.

Je kunt dit beargumenteren vanuit eigenbelang. Veel christenen zullen er op die manier tegenaan kijken. Juist minderheden hebben veel profijt van de rechtsstaat, omdat die hun rechten en vrijheden garandeert die het gevaar lopen aangetast te worden wanneer een anders-godsdienstige of seculiere meerderheid die maar lastig of onzinnig vindt. Het wordt al wat anders wanneer hun er op gewezen wordt dat diezelfde vrijheden dan ook aan andere (godsdienstige) minderheden toekomen. Daarvoor krijgt een christelijk politicus wat minder handen op elkaar. Toch is dit een direct uitvloeisel van wat Jezus zijn leerlingen voorhoudt: behandel anderen zo als je zelf behandeld wilt worden. Dat is dus positief geformuleerd en niet vanuit zelfbehoud, in de zin van: wat u niet wilt dat u geschiedt, doe dat ook anderen niet.

Maar christelijke politiek gaat niet over belangen van een bepaalde groep burgers. Een christelijke partij is geen belangenpartij of zou dat in elk geval niet moeten zijn. Christelijke politiek streeft naar het goede voor alle mensen. Dat is in overeenstemming met de boodschap die de profeet Jeremia aan het Joodse volk in Babylonische ballingschap voorhield. Wie zich realiseert dat christenen zich in een vergelijkbare situatie bevinden – zij het in overdrachtelijke zin – kan hieraan de motivatie ontlenen om een beleid te ontwikkelen met het oog op de hele samenleving. Niet voor niets noemde het voormalige GPV – één van de partijen die opging in de Christenunie – haar politiek ‘nationaal gereformeerd’. Dat had niets met nationalisme te maken, maar daarmee wilde die partij duidelijk maken dat ze het belang van de gehele bevolking op het oog had.

De bescherming en verdediging van de rechtsstaat moet daarom uitgaan boven het eigenbelang. Er zijn goede principiële argumenten aan te voeren voor de stelling dat dit een centraal element van christelijke politiek moet zijn. Rechtvaardigheid, gerechtigheid, recht doen – die begrippen vormen een rode draad door het Oude Testament. Vooral in het optreden van de profeten komt dit herhaaldelijk naar voren. Eén van de bekendste teksten is Micha 6,8: “Er is jou, mens, gezegd wat goed is, je weet wat de HEER van je wil: niets anders dan recht te doen, trouw te betrachten en nederig de weg te gaan van je God”. Deze tekst wordt vaak gebruikt om te pleiten voor een rechtvaardiger verdeling van de welvaart in de wereld. De zogenaamde Micha-campagne heeft om die reden zijn naam met deze profeet gesierd. Maar het belang van deze tekst reikt verder. Je zou deze tekst als een oudtestamentische samenvatting van de Tien Geboden kunnen beschouwen.

Als we het over rechtvaardigheid hebben gaat het niet maar alleen om economische en sociale rechtvaardigheid. Micha spreekt over “recht doen”: dat heeft alles met de inrichting van de staat en de samenleving te maken. Recht doen betekent ervoor zorgen dat iedere burger letterlijk tot zijn recht kan komen, dat wil ook zeggen: zijn recht kan halen. In de zogenaamde mozaïsche wetgeving – de wetten en regels die Mozes namens God voorhoudt als kenmerken van het goede leven – vinden we allerlei concrete aanwijzingen hoe elk mens recht gedaan moet worden. Mozes vermaant het volk in de rechtspraak de rijke niet naar de ogen te zien en de arme niet voor te trekken. Dat kan worden vertaald naar één van de principes van de rechtsstaat: iedere burger is gelijk voor de wet. Dat raakt in de eerste plaats de manier waarop recht gesproken wordt, maar ook de toegang tot het recht. Heel concreet betekent dit dat geen financiële belemmeringen mogen worden opgeworpen die tot gevolg hebben dat wie over onvoldoende financiële middelen beschikt, niet dezelfde juridische mogelijkheden heeft als wie wat beter in de slappe was zit.

Er zit nog een kant aan. Rechten en vrijheden gelden in gelijke mate voor alle burgers. Grondrechten, zoals de vrijheid van godsdienst – inclusief de vrijheid daaraan publiek uiting te geven – en de vrijheid van onderwijs zijn niet tot bepaalde groepen in de samenleving beperkt. Wie deze vrijheden voor christenen verdedigt kan niet tegelijkertijd ervoor pleiten die aan andere minderheden, zoals moslims, te onthouden. Vanuit dit principe is er ook geen reden van immigranten die de Nederlandse nationaliteit willen ontvangen, te verlangen een participatieverklaring te ondertekenen terwijl geboren Nederlanders daarvan gevrijwaard blijven.

De zojuist genoemde aspecten betreffen vooral de grondrechten. Wie de politieke en maatschappelijke discussies van de laatste jaren heeft gevolgd, zal weten dat deze nogal onder druk staan. Maar ook een ander substantieel element van de rechtsstaat wordt bedreigd: de onafhankelijke rechtspraak. Politici reageren op hun politiek onwelgevallige rechterlijke uitspraken door de onafhankelijkheid van de rechters ter discussie te stellen. Daarmee wordt maar niet de positie van specifieke rechters ondergraven, maar het fundament van de rechtsstaat. Juist in een sterk verdeelde samenleving zou de onafhankelijke rechtspraak een bindmiddel moeten zijn. Wanneer (belangen)conflicten ontstaan, kan een beroep op de rechter gedaan worden om recht te spreken volgens de normen die de wet daarvoor aanreikt. Doordat wetten door een democratisch gekozen parlement zijn vastgesteld, bezitten ze legitimiteit. Natuurlijk valt niet uit te sluiten dat rechterlijke uitspraken door de politieke opvattingen van rechters gekleurd worden. Maar onze rechtsstaat kent allerlei mogelijkheden van beroep, waardoor eventuele eenzijdigheden kunnen worden gecorrigeerd. Het is dus van groot belang dat de mogelijkheden tot een beroep op hogere rechters niet wordt beperkt. Van even groot belang is dat de burger die zich tekort gedaan voelt, een beroep op bovennationale organen kan doen, die toetsen of wetten de rechten van individuele burgers of groepen van burgers niet aantasten. Dat is een belangrijke verdedigingslinie tegen de aantasting van bijvoorbeeld de godsdienstvrijheid.

Ieder mens is een schepsel van God. Daarin ligt de uiteindelijke motivatie om aan hem of haar recht te doen. Recht is meer dan politiek; het is ook ethiek. In het recht doen aan alle mensen komt tot uiting of we nederig de weg van onze God willen gaan.

Orgaandonatie: Wie zwijgt stemt toe?

Met enige regelmaat is orgaandonatie een onderwerp van politieke en maatschappelijke discussie. Ook recent werd daarover weer van mening gewisseld in de Tweede Kamer en in de pers. Politiek gezien draait alles om een voorstel van D66 een ‘actief donorregistratiesysteem’ in te voeren. Het is in de Tweede Kamer niet tot een stemming gekomen. Aangezien de CDA-fractie het voorstel unaniem afwees, was op voorhand duidelijk dat er geen meerderheid voor was. Dat het nu – opnieuw – afgewezen is, wil niet zeggen dat het op termijn niet weer op tafel komt. D66 zal ongetwijfeld blijven proberen dit systeem ingevoerd te krijgen. Zoals het er nu naar uitziet zal dat alleen lukken wanneer deze partij bereid is het voorstel substantieel te wijzigen. Maar de komende verkiezingen kunnen ook roet in het eten gooien. De PVV is bijvoorbeeld een tegenstander van het D66-voorstel en wanneer die bij de komende verkiezingen een substantiële winst zou behalen, zal de steun voor het D66-plan nog verder afkalven.

De problemen rond de donorregistratie zijn niet te ontkennen. Van overheidswege wordt gestimuleerd dat mensen laten weten of ze bereid zijn na hun dood organen voor transplantatie af te staan. Ze kunnen ook specificeren welke organen ze eventueel willen afstaan. Daarnaast is het uiteraard mogelijk ervoor te kiezen geen donor te zijn. Tenslotte kan men ook aangeven dat men de beslissing aan de nabestaanden wil overlaten. Maar desondanks zijn er nog heel veel mensen die geen keuze maken. Dat is de reden dat D66 het over een andere boeg wil gooien. Haar voorstel houdt in dat iedere burger op enkele momenten wordt gevraagd te laten weten wat zijn beslissing is. Hij kan dan dezelfde keuzen maken als in het huidige ‘geen-bezwaar-systeem’. Het verschil is dat wanneer hij geen keuze maakt – opzettelijk, uit slordigheid of vergeetachtigheid – hij geacht wordt toestemming te geven zijn bruikbare organen na zijn dood voor transplantatiedoeleinden te gebruiken.

Ook in christelijke kring is het nodige over dit onderwerp geschreven. Het belangrijkste argument ten gunste van orgaandonatie is het gebod tot naastenliefde. In een recente weblog schrijft ds. Ernst Leeftink: “Volgens mij moeten christenen in deze diskussie de woorden van Jezus onze Heer uit Matteüs 7:12 en Lukas 6:31 zwaar laten wegen: Behandel anderen steeds zoals je wilt dat ze jullie behandelen (NBV) / Alles nu wat gij wilt, dat u de mensen doen, doet gij hun evenzo (NV’51).” Wat opvalt is dat hij hier spreekt over “zwaar laten wegen”. Dat suggereert de ruimte om ook andere elementen in de overwegingen te betrekken. Hij trekt uit dit gebod ook niet de conclusie dat iedereen bereid moet zijn zijn organen na zijn dood ter beschikking te stellen. Daarvoor lijkt me ook weinig grond, al was het maar dat in bijbelse tijd orgaantransplantatie helemaal niet bestond. Er zijn allerlei onderwerpen die in de tijd dat de Schrift ontstond nog buiten beeld waren. In zulke gevallen moeten christenen die de bijbel als richtinggevend voor hun leven beschouwen, een vertaalslag maken. In dit geval betekent het dat gekeken moet worden hoe bijvoorbeeld over het lichaam en de dood wordt gesproken en over de relatie tussen mensen.

Vanuit dit perspectief is het dan wel merkwaardig dat Leeftink in een ander verband wel de term ‘onchristelijk’ gebruikt. Dat doet hij in het kader van zijn kritiek op het standpunt van de ChristenUnie. Die wil – kort samengevat – wel dringen maar niet dwingen. Leeftink merkt op: “Op http://www.donorregister.nl kan iedereen invullen of men wel of geen orgaandonor wil zijn. Maar het heeft onvoldoende geholpen. Na tien jaar neemt bijna 60% van de Nederlanders nog steeds niet z’n verantwoordelijkheid.” Door het D66-voorstel af te wijzen “stimuleert ze laksheid en ongeïnteresseerdheid. En bevordert ze gebrek aan naastenliefde.” Eerder schreef hij: “Die laksheid vind ik onchristelijk”. Kort gezegd: niemand is, ook niet op grond van de Schrift, verplicht zijn organen na zijn dood beschikbaar te stellen, maar wel om een keuze te maken. Dat is een vreemde positiekeuze. Hoe kan vanuit de Schrift het maken van een keuze als morele plicht gekwalificeerd worden? Wie van mening is dat het ieders vrijheid is eventueel ook orgaandonatie af te wijzen, kan niet hard maken dat het maken van een keuze – welke dan ook – een christelijke plicht is.

De crux van de kwestie zit in de consequentie van het niet maken van een keuze. In het D66-voorstel betekent dit dat uitgegaan wordt van toestemming. Oftewel: wie zwijgt, stemt toe. Leeftink vindt dat een logische stap. “Maar als iemand gewoon de moeite niet neemt om na herhaalde oproepen het donorregistratieformulier in te vullen, is het een hele logische stap om te zeggen: ‘Wie zwijgt, stemt toe'”. Mij ontgaat die logica. Want we raken hier aan de vraag wat de bevoegdheid van de overheid is en hoever die reikt. In Nederland is de overheid over het algemeen erg terughoudend in te grijpen in het persoonlijk leven van mensen, vooral als hun identiteit en diepste overtuigingen in het geding zijn. Polio is een uiterst besmettelijke ziekte en de overheid stimuleert de inenting van kinderen daartegen. Maar zoals bekend zijn er kringen in Nederland die op godsdienstige gronden zo’n inenting afwijzen. Zij worden daartoe niet gedwongen. Na de laatste uitbraak van polio werd opnieuw gepleit voor dwang. Maar tot nu toe heeft de overheid die aandrang altijd weerstaan. De overheid dringt wel maar dwingt niet. Er moeten hele zwaarwegende redenen zijn om tot dwang over te gaan, bijvoorbeeld wanneer de nationale volksgezondheid of de openbare orde in gevaar zijn. Zolang daarvan geen sprake is, ontbreekt een grond voor dwang.

Het leed van degenen die dringend een orgaan nodig hebben, mogen we niet onderschatten. Maar de nationale volksgezondheid is hier niet in het geding. Hier komen we bij een essentiële vraag die nogal gevoelig ligt maar niet over het hoofd gezien mag worden. Kunnen degenen die een orgaan nodig hebben, daarop wel aanspraak maken? Uiteraard hebben zij, net als elke zieke, recht op optimale zorg en op middelen die verlichting geven of zelfs tot genezing kunnen leiden. Wanneer er bijvoorbeeld dure kunstorganen of behandelmethoden zijn, komt in principe elke patiënt daarvoor in aanmerking. Hier mag geen onderscheid gemaakt worden op grond van draagkracht of sociale status. Maar daaruit vloeit niet het recht op menselijke organen voort. Vanuit belangenorganisaties wordt de indruk gewekt dat er een morele plicht bestaat voor mensen om na hun dood organen af te staan aan hen die ze nodig hebben. Maar zo’n recht bestaat niet. Juridisch uiteraard niet maar ook ethisch niet. Wanneer zelfs christelijke ethici in dit verband niet van een morele plicht durven spreken, valt niet aan te nemen dat er andere gronden te vinden zijn die zo’n opvatting rechtvaardigen. De ethicus Jochem Douma schreef eens: “Wie in elk mens een uniek beeld van God ziet, heeft niet voldoende respect voor het uniek persoonlijke, als hij het vanzelfsprekend vindt dat het lichaam na de dood ten bate van de gemeenschap gebruikt moet worden.”

Binnen de kerk mag en moet het onderwerp van de orgaandonatie aan de orde komen. Niet om daaruit dwingende conclusies te trekken. Bij een vertaalslag moet je altijd een slag om de arm houden. Maar wanneer we vanuit het bijbelse liefdegebod de bereidheid tot het afstaan van organen na het sterven als een daad van naastenliefde aanbevelen en niet meer dan dat, kan de overheid niet een stap verder gaan en dwang toepassen. Het is de verantwoordelijkheid van elke burger op grond van eigen levensbeschouwing een keuze te maken. Die kan de overheid voor niemand invullen. Het overheidsbeleid gaat altijd van een bepaalde ethiek uit, ook al wordt die zelden expliciet gemaakt. Die is dan de grond onder concrete overheidsmaatregelen, bijvoorbeeld ten aanzien van sociale zekerheid of de opvang van vluchtelingen. Maar die ethiek kan niet aan de burger worden opgelegd. De overheid kan ertoe besluiten vluchtelingen op te vangen maar mag niet van individuele burgers vragen hun huis of hun tijd daarvoor ter beschikking te stellen. Na de recente aanslag in Orlando (VS) liep het storm bij de bloedbank. Het is mooi dat zoveel burgers bereid waren bloed te geven om de levens van gewonden te redden. Maar de overheid zou haar bevoegdheden ver overschrijden wanneer ze burgers zou dwingen bloed af te staan.

In onze democratische rechtsstaat staat het iedere burger vrij zich bij een organisatie aan te sluiten, zoals een politieke partij of een vakbond. Maar ieder is ook vrij dat niet te doen. Iedere stemgerechtigde burger mag bij verkiezingen zijn stem uitbrengen maar is ook vrij van dat recht geen gebruik te maken. Opkomstplicht, laat staan stemplicht, zijn in strijd met de burgerlijke vrijheden. De overheid moet met heel sterke en zwaarwegende argumenten komen om burgers te dwingen tot keuzen die hem in zijn persoonlijk leven raken. In het geval van orgaandonatie zijn die argumenten er niet.

Confrontatie met de vraag naar organen en drang om een keuze te maken is een goede zaak. Maar met dwang overschrijdt de overheid haar bevoegdheden. “Wie zwijgt stemt toe” is geen basis voor overheidsbeleid. Juist een christelijke partij moet zich tegen die dwang verzetten in het belang van een rechtsstaat die de individuele vrijheden respecteert.

Politiek zonder fundament

Op haar partijcongres van 13 juni j.l. heeft de Christenunie haar grondslag gewijzigd. Dat gebeurde vrij geruisloos, zonder noemenswaardige tegenstand. Weliswaar werd in de aanloop naar het congres enige discussie gevoerd, onder andere door middel van opiniebijdragen in het Nederlands Dagblad, maar uiteindelijk leidde dat niet tot substantieel verzet. Destijds zorgde het voorstel RPF en GPV tot de Christenunie om te vormen voor heel wat meer onenigheid. Wat zegt het dat van grote onenigheid nu geen sprake is?

Wellicht moeten we concluderen dat de wijziging van de grondslag niet echt een fundamentele verandering is, maar in feite de bezegeling van een al bestaande en in de loop van de tijd gegroeide situatie. Hoewel de RPF de gereformeerde belijdenisgeschriften in haar grondslag had staan – zij het dat de binding daaraan losser was dan bij het GPV -, voegden nogal wat evangelische christenen zich bij die partij. Die maakten dan soms wel een voorbehoud ten aanzien van dat element van de grondslag. Door daarvoor ruimte te bieden werd het belang daarvan wel gerelativeerd. Deze RPF-leden zijn bij de vorming van de Christenunie gewoon meegegaan. Sindsdien is hun aandeel groter geworden, vooral ook omdat onder evangelische christenen het politiek bewustzijn is gegroeid.

Het is te begrijpen dat de meeste evangelischen zich niet verbonden voelen met belijdenisgeschriften die uit een andere traditie stammen. Toch kunnen sommigen van hen zich goed vinden in veel dat daarin naar voren wordt gebracht. Er is, voorzover ik weet, nooit een serieuze poging gedaan de belijdenissen uit de grondslag te verwijderen. Dat dit nu wel gebeurd is, heeft vooral te maken met het streven behoudende rooms-katholieken aan de partij te binden. Een aantal van hen stemt weliswaar op de Christenunie, maar ziet in de gereformeerde belijdenissen een reden zich van lidmaatschap te onthouden. Daaruit is het streven ontstaan een grondslag te formuleren die zulke belemmeringen wegneemt zonder dat daarmee het christelijk karakter van de partij verwatert. De vraag mag gesteld worden of dat zoden aan de dijk zet. Want – zoals George Harinck terecht zegt in een interview met het ND (13.6.15) – door de grondslag te veranderen wordt de Christenunie niet gelijk een andere partij. De gereformeerde belijdenis behoort tot haar geboortepapieren en heeft in hoge mate haar karakter gevormd. De gereformeerde belijdenis zit de partij als het ware in de genen. Harinck verwacht, waarschijnlijk terecht, geen grote toeloop van rooms-katholieken.

Moeten we dus het belang van de wijziging van de grondslagformule sterk relativeren en is het allemaal om het even hoe de grondslag is geformuleerd? Dat gaat mijns inziens te ver. Want een grondslag is bedoeld voor het heden en de toekomst. Wat nu nog stevig verankerd zit in degenen die de politieke koers van de partij bepalen en in vertegenwoordigende organen uitdragen, kan na verloop van tijd ook verdwijnen. Het gedachtegoed dat aan de basis ligt van concrete politieke stellingnames moet onderhouden worden. Een wijziging van de grondslag kan op termijn wel degelijk tot een verandering van het karakter van de partij leiden, wanneer jongere generaties, die andere tradities vertegenwoordigen, het stokje overnemen.

In het al genoemde interview snijdt Harinck een interessant punt aan. Hij wijst erop dat het formuleren van een grondslag als zodanig op zijn retour is. “Beginseldenken is uit”, vat hij deze tendens bondig samen. “Het gaat nu vooral om je houding, om de persoonlijke intentie van een christen”. Dat laatste is natuurlijk heel belangrijk; dat was het altijd al, ook in de tijd waarin een beginsel nog wel als een wezenlijk onderdeel van een organisatie werd beschouwd. Maar wanneer het één los komt te staan van het ander wordt het wel problematisch. Want ‘houding’ en ‘intentie’ zijn geen op zichzelf staande grootheden. Die worden ontleend aan een bron. Maar welke dan? En hoe bepalen we welke intentie en welke houding juist zijn? Een christenpoliticus heeft niet per definitie de juiste houding. Daar komt nog iets bij. Wanneer de houding van individuen zozeer in het middelpunt van de aandacht komt te staan en in feite tot ijkpunt wordt verheven, wordt een politieke partij ook heel kwetsbaar. Want ook christenpolitici kunnen een scheve schaats rijden, zowel in hun opvattingen als in hun gedragingen. Hoe sterker het individu in de schijnwerpers komt te staan, hoe groter het (negatieve) effect zal zijn wanneer dat individu van de rails raakt. Daarmee wordt de partij – en de christelijke politiek in het algemeen – nog sterker in diskrediet gebracht dan anders het geval zou zijn.

Harinck brengt één en ander in verband met het toegenomen individualisme. Dat lijkt me een ter zake doende observatie. Een grondslagformule perkt de individuele vrijheid in de meningsvorming in. Daar hebben mensen van nu problemen mee. Ieder wil zijn eigen mening vormen en zich daarbij niet conformeren aan wat als ‘groepsnorm’ wordt ervaren. Die ontwikkeling gaat aan de christelijke wereld niet voorbij. Ieder die enigszins thuis is op het kerkelijke erf zal het herkennen. Ook in reformatorische kerken waarin de gereformeerde belijdenissen op papier hoog gehouden worden blijken die in de praktijk nogal eens hooguit in de marge te functioneren. Kerkleden die minder regelmatig kerkdiensten bezoeken, beweren dat hun geloof daardoor niet is verzwakt. Maar dat geloof zou er wel eens één van de heel individuele soort kunnen zijn, dat zich niet laat corrigeren door de kerkelijke gemeenschap, laat staan door zoiets als een belijdenis.

Nu heeft de Christenunie geen afscheid genomen van elke grondslagformule. In plaats van de gereformeerde belijdenisgeschriften is de Geloofsbelijdenis van Nicea als grondslag aanvaard. Daarmee wil ze waarborgen dat de partij in elk geval trouw blijft aan Schriftuurlijke uitgangspunten. Dat lijkt me te optimistisch. De gereformeerde belijdenissen – samengevat als Drie Formulieren van Eenheid – zijn niet voor niets ontstaan. De kerkgeschiedenis leert dat op allerlei onderdelen nadere toespitsing noodzakelijk was, bijvoorbeeld ten aanzien van de kerk, de sacramenten en de manier waarop de Schrift moet worden gelezen. Dat laatste lijkt me voor een christelijke politieke partij van groot belang. Het is veelzeggend dat juist daarover in christelijke kring recent de degens worden gekruist. Eén van de principes van de reformatorische omgang met de Schrift, bekend als sola scriptura, wordt bekritiseerd en door sommigen als ondeugdelijk bij het grofvuil gezet. Wanneer ook de consensus ten aanzien daarvan teloor gaat, wordt het fundament van de kerk wel erg wankel. Tegen het voortschrijdende individualisme helpt de Geloofsbelijdenis van Nicea niet.

Moet een christelijke politieke partij daarin meegaan of zou ze zich daartegen juist moeten wapenen? Dat laatste klinkt aantrekkelijk en wie het individualisme in geloofszaken afwijst, zal wellicht die vraag bevestigend beantwoorden. Maar is dat wel de taak van een partij? En ligt dat wel binnen haar mogelijkheden? Een politieke of maatschappelijke organisatie kan niet verder springen dan haar polsstok lang is. En de lengte van de polsstok wordt bepaald door de kerken en gemeenschappen waaruit zij haar leden betrekt.

Ik heb al eerder in één van mijn weblogs opgemerkt dat de problemen waarmee zulke organisaties geconfronteerd worden hun oorsprong vinden in de kerk. Daar grijpt het individualisme om zich heen en neemt de pluriformiteit in de leer toe. Als gevolg daarvan gaan ook de ethische opvattingen steeds verder uiteen lopen. Wanneer de gereformeerde belijdenissen in kerken gemarginaliseerd worden, is het niet realistisch te verwachten dat ze in een christelijke politieke partij een substantiële rol spelen. Wie de terzijdestelling van de gereformeerde belijdenisgeschriften als grondslag van de Christenunie betreurt – en daar lijkt me alle reden toe – moet niet in de eerste plaats naar de partij wijzen, maar naar de kerken en gemeenschappen waaruit ze haar leden betrekt. In kringen van de Christenunie distantieert men zich van het CDA en wordt onderstreept dat de grondslagwijziging er niet toe zal leiden dat de partij op het CDA zal gaan lijken. Of dat waar is, zal de tijd leren. Maar men dient zich wel te realiseren dat de ontwikkeling van het CDA zijn oorsprong vond in de kerken.

Wanneer daar het fundament aan erosie onderhevig raakt, hoeft men zich over de ontwikkeling naar een christelijke politiek zonder hecht fundament niet te verbazen.