Archief

Posts Tagged ‘consensus’

Niets is meer vanzelfsprekend

Al weer een tijd geleden wees ds. J.H.F. Schaeffer er in De Reformatie op dat tegenwoordig nog maar weinig zaken vanzelf spreken. Er wordt gediscussieerd over onderwerpen waarover vroeger een grote mate van consensus bestond. Juist vorige week bleek dat weer eens toen christenen voor de vraag werden gesteld: kijken we naar de finale van het WK voetbal op zondagavond of niet?

In SGP-kringen werd die vraag overwegend negatief beantwoord. Dat heeft in de pers nogal wat aandacht gekregen. In de achterban van de ChristenUnie, waartoe ook de leden van de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) grotendeels behoren, gaat men hier wat soepeler mee om. Ook uit de enquête van het Nederlands Dagblad onder zijn lezers bleek dat de overgrote meerderheid weliswaar geen kerkdienst zou verzuimen voor een finale als deze, maar dat bij de meerderheid de televisie ’s avonds toch wel aan ging.

Hoezeer de consensus verdwenen is, blijkt wel uit het feit dat twee predikanten uit de GKV, die aan deze enquête hadden deelgenomen, geheel verschillende visies formuleerden over de vraag of het bekijken van deze voetbalwedstrijd wel of niet paste bij de heiliging van de zondag.

Nu gaat het mij niet om dit specifieke onderwerp. Daarover zou best het één en ander te zeggen zijn, maar dat laat ik nu achterwege. Ik gebruik het hier vooral als illustratie van de teloorgang van de consensus binnen christelijke kring over ethische zaken. Inmiddels brokkelt de consensus over zaken die de leer betreffen, ook steeds meer af, maar ook dat laat ik voor dit moment rusten.

Moet deze teloorgang van consensus betreurd worden? Het is in elk geval wel lastig en tijdrovend, want de tijd en de energie die nu gestoken worden in discussies over wat ooit vaststond, kunnen niet besteed worden aan andere, wellicht belangrijkere zaken. Daarbij valt te denken aan de vraag hoe in deze tijd ongelovigen met het Evangelie kunnen worden bereikt of hoe de evangelisatie onder moslims moet worden aangepakt.

Zulke discussies veroorzaken ook onrust. Mensen vragen zich af: staat er dan niets meer vast, mag overal een vraagteken achter worden gezet? Die onrust is op zichzelf wel heilzaam: het is goed zich af te vragen wat eigenlijk de grond is onder vroeger vaststaande waarheden. Want consensus heeft één groot gevaar: dat men wel dingen vindt, maar niet goed kan uitleggen waarom.

Ik heb dat zelf ervaren toen ik in 1975 lid werd van de Vereniging van Gereformeerde Studenten te Utrecht (VGSU). Ook daar bestond een aantal gewoonten en tradities en werd een bepaalde manier van kennismaking met aspirantleden gehanteerd die ongetwijfeld ooit vanuit bepaalde overtuigingen waren ontstaan. Maar toen nieuwe generaties leden zich publiek afvroegen of het niet anders kon of moest, werd pijnlijk duidelijk dat nog maar weinig vertegenwoordigers van de oude garde konden vertellen, waarom bepaalde zaken waren zoals ze waren of gedaan werden zoals ze gedaan werden. Binnen enkele jaren waren de meeste van deze tradities en gewoonten verdwenen: ze waren op zand gebouwd en niet bestand tegen de hardnekkige vraag: waarom?

Recent las ik de biografie van Pieter Jongeling, die ND-journalist Herman Veenhof heeft geschreven (*). Daarin trof me hoe Jongeling in de jaren ’60 van de vorige eeuw de culturele revolutie taxeerde, zoals die vooral door de Provo-beweging werd uitgedragen. Daar had hij uiteraard groot bezwaar tegen, maar enige sympathie had hij ook, omdat ze zich keerde tegen “duffe, burgerlijke gezapigheid”, zoals hij het zelf formuleerde, en tegen de “moderne samenleving, met haar sterk materiële inslag”. Consensus leidt niet zelden tot geestelijke luiheid en gemakzucht, waarbij verzuimd wordt elke overtuiging – ook de eigen – steeds weer kritisch tegen het licht te houden. En dat maakt kwetsbaar voor wat als nieuw en beter wordt aangeprezen.

De teloorgang van de consensus heeft dus op z’n minst twee kanten. Het dwingt een gemeenschap ertoe zich af te vragen of de eigen overtuigingen slechts voortkomen uit traditie dan wel een schriftuurlijk fundament hebben. Daar wordt zo’n gemeenschap uiteindelijk eerder sterker dan zwakker van.

Maar er is ook een andere kant. Consensus is een uiting van de cohesie binnen een gemeenschap. Die maakt het mogelijk in bepaalde situaties te zeggen: “zoiets doen wij niet.” Ik herinner hier aan de geschiedenis van Jacob, Lea en Rachel (Gen. 29). Jacob dient Laban om Rachel, maar krijgt aanvankelijk Lea, want – zo is het argument – de jongste dochter uithuwelijken voor de oudste, dat is hier niet de gewoonte. Alleen in een situatie van culturele of religieuze cohesie kan zoiets als geldig argument dienen. Dat is in de gereformeerde wereld niet meer het geval, en dat is een indicatie van haar teloorgang als coherente gemeenschap. En dat is bepaald geen winst.

(*) H. Veenhof, Zonder twijfel. Pieter Jongeling (1909-1985), Journalist, politicus en Prins, Barneveld 2009. De passage waarnaar verwezen wordt, staat op pp. 326-327.

Advertenties