Archief

Posts Tagged ‘CU’

Feestdagen onder vuur?

De christelijke feestdagen liggen onder vuur. Tenminste, als je kranten als De Telegraaf en het AD moet geloven, die graag de spreekbuis willen zijn van iedereen die zich zorgen maakt over de Nederlandse identiteit. In de aanloop naar Kerst was het eerstgenoemde, die suggereerde dat op allerlei niveaus verwijzingen naar Kerst moesten plaatsmaken voor algemene aanduidingen voor de tijd van het jaar, zoals feestmaand (en, naar analogie daarvan, feeststol). In de week voor Pasen kwam het AD met een artikel waarin beweerd werd dat op christelijke scholen het Paasverhaal werd aangepast of zelfs verzwegen om islamitische leerlingen en hun ouders niet te mishagen. In beide gevallen waren het vooral VVD en PVV die daaruit politieke munt probeerden te slaan.

Zowel ten aanzien van Kerst als van Pasen werd al snel duidelijk dat de alarmistische verhalen grotelijks overdreven waren of ten dele uit de duim gezogen. Zelfs hoofdredacteur Nijenhuis van het AD leek zich van de berichtgeving in zijn eigen krant te distantiëren door in een commentaar de onrust “geroeptoeter over een vermeende aanval op Pasen” te noemen. Het is ook eigenaardig dat seculiere media zich zo druk maken om de vraag of en zo ja, op welke manier scholen aandacht besteden aan Pasen. Let wel, het gaat hier om christelijke scholen, dus om bijzonder onderwijs, waarvoor media als De Telegraaf en AD zich nooit bijzonder sterk hebben gemaakt. Dat Tweede-Kamerleden van de VVD over het Paasverhaal van het AD schriftelijke vragen meenden te moeten stellen, geeft ook te denken. Zij zouden toch moeten weten dat de overheid en de politiek in het algemeen geen zeggenschap hebben over het al dan niet vieren van religieuze feesten op bijzondere scholen. Het gaat hier om intern beleid; alleen ouders van leerlingen hebben het recht te klagen.

Merkwaardig is ook dat mensen zich sterk lijken te maken voor een feest waarvan ze zelf meestal afstand nemen. Dat blijkt al daaruit dat ze als symbolen van de christelijke feesten uitgerekend die dingen noemen, die met de betekenis van die feesten niets van doen hebben, zoals in het geval van Pasen de paashaas en paaseieren. Terecht reageerde iemand op Twitter: “Bij secularisatie gaat in NL de vlag uit. Behalve als je er de mohammedaan mee om z’n kop kan slaan. Hypocriet.” Ook Anton de Wit, hoofdredacteur van het Katholiek Nieuwsblad, reageerde to the point in zijn column in het Nederlands Dagblad van 15 april j.l.: “[De] verwatering van het paasfeest is al decennia gaande. Enthousiast aangemoedigd door het bedrijfsleven dat zulke tierelantijnen beter vermarkten kon dan een kruis en een leeg graf, en de ontkerkelijkte goegemeente die stellig meende dat het maar eens gedaan moest zijn met die verderfelijke christelijke invloed op onze samenleving. Maar nu hijst diezelfde goegemeente zich collectief in het driedelige maatkostuum van de heilige verontwaardiging, en gaat parmantig rondrijden op een fiets die ouder is dan zij zelf zijn, kort door alle bochten, op de racefiets van de christelijke waarden. (…) Als christenen hun geloofstaal afzwakken om autochtone seculieren te behagen, kraait er geen haan naar. Als ze hetzelfde doen om allochtone moslims te behagen, is het land (en vooral ook Twitter) te klein.”

Ook door christelijke politici werd kritisch gereageerd op de bezorgdheid van hun seculiere collega’s. Kees van der Staaij, fractievoorzitter van de SGP in de Tweede Kamer, twitterde: “Uit betrouwbare bron vernomen dat maar weinig PVV- en VVD-kamerleden van plan zijn met Pasen naar de kerk te gaan. Ik overweeg kamervragen..” De ironie van deze tweet ontging de meesten die hierop reageerden. Kennelijk associeert men zoveel frivoliteit niet met een SGP-politicus. Zijn ChristenUnie-collega Gert Jan Segers reageerde iets serieuzer: “Als iedereen die dit erg vindt voortaan wekelijks naar de kerk gaat, dan zal Pasen echt gewoon Pasen blijven. It’s up to us, mensen..” Hieraan kan nog worden toegevoegd dat al gauw bleek dat nogal wat lieden die zich zo boos maken over de teloorgang van de christelijke feesten, zelf nauwelijks weten waarover die precies gaan. Hier wreekt zich dat die feesten niet meer exclusief christelijk zijn, maar tot nationale feestdagen zijn geworden – of verworden, wat in deze context een betere term lijkt. Ik heb daarover hier al eens uitvoeriger geschreven.

Diverse media controleerden de beweringen in het AD. De conclusie: er was geen reden aan te nemen dat christelijke scholen het paasverhaal helemaal verzwegen. Wel pasten sommigen het verhaal enigszins aan de leerlingenpopulatie aan of probeerden een link te leggen naar de islam, want in de regel gaat het om scholen met een substantieel aantal moslimleerlingen. Daarbij noteerde de Volkskrant (12.4.17) wel enkele uitlatingen die te denken geven. “Het is niet meer zoals vroeger, waarbij kinderen gesloten werden opgevoed tot christenen”, zegt Kees Terdu, voorzitter van de stichting Protestants-Christelijk Basis- en Orthopedagogisch Onderwijs (PCBO) in Rotterdam-Zuid. “Wat wij doen, is vanuit christelijke waarden een betere samenleving proberen vorm te geven. Juist Pasen is een feest dat een brug kan slaan naar iedereen in de samenleving.” Op traditionele christelijke scholen zal meer nadruk liggen op het eigen geloof, zegt Terdu, “maar de betekenis van de christelijke feesten is universeel”. Aan de hand van het thema ‘opstaan’ behandelen zijn scholen dit jaar Pasen. “We praten over opstaan uit de dood, maar ook opstaan tegen onderdrukking en onrecht”, zegt de stichtingvoorzitter. “Kinderen met een islamitische achtergrond herkenning zich hier net zo goed in als christelijke kinderen.” Hiermee wordt Pasen wel van zijn unieke betekenis ontdaan. Maar laten we vooral niet denken dat dit specifiek gerelateerd is aan de aanwezigheid van moslimkinderen. In feite is dit niet veel anders dan de manier waarop niet-gelovigen naar de Matthäus-Passion van Bach luisteren. Vertolkers die zelf ook niet gelovig zijn geven er niet zelden een zodanige draai aan dat het lijkt alsof dit werk iets anders – iets minder specifiek christelijks – tot uitdrukking brengt dan Bach voor ogen stond. Maar daar valt niemand over.

Mag uit het bovenstaande geconcludeerd worden dat er wel reden is tot zorg? Ik zou eerder zeggen: reden voor bezinning. Maar dan wel in een heel andere zin en in een andere richting dan door seculiere politici en media wordt bepleit. De vraag is niet of het christelijk onderwijs ‘nationale waarden’ uitdraagt, maar: hoe christelijk is het christelijk onderwijs nog?

Dat heeft in eerste instantie niets met de islam te maken. Uit de berichten wordt niet duidelijk of de ouders van moslimkinderen bezwaar maken tegen het vertellen van het paasverhaal. Wanneer ze daartegen bezwaar zouden maken, zou de eerste vraag moeten zijn: waarom stuurt u uw kind naar een christelijke school? Hadden ze niet verwacht dat die school zijn christelijk karakter serieus zou nemen? Misschien hebben ze dan niet goed opgelet bij hun oriëntatie op het karakter van de school, maar het is ook mogelijk dat de school zelf daarover niet voldoende duidelijk is geweest. Dat moet die school zich dan aantrekken.

Wanneer de school uit eigen beweging het paasverhaal verzwijgt of substantieel wijzigt zodat het christelijk karakter grotendeels verloren gaat, dringt de vraag zich op of die school nog wel gemotiveerd is om echt christelijke school te zijn. Wanneer de school en/of zijn leerkrachten zelf geen waarde aan het christelijk geloof hechten, kun je van leerlingen en hun ouders niet verwachten dat zij dat wel doen. Wanneer van het christelijk karakter van de school nooit iets blijkt, is het niet vreemd, wanneer geprotesteerd wordt, als ineens het paasverhaal wordt verteld. Dat is dan een vlag op een modderschuit.

Dat er gerede twijfel kan bestaan aan het christelijk karakter van sommige scholen vindt zijn oorsprong niet in de eerste plaats in de aanpassing van het paasverhaal. De oorzaak ligt bij het gebrek aan overtuiging van de school en de leerkrachten. Dat is het logische gevolg van een beleid waarin van leerkrachten niet verlangd wordt dat ze zelf gelovige christenen zijn en dat ze de kerk vaker van binnen zien dan alleen één keer per jaar met Kerken Kijken. Als leerkrachten zelf niet in de lichamelijke opstanding van Jezus geloven, kunnen ze de paasviering beter achterwege laten. Maar dat is niet de kern van de zaak. Het christelijk karakter van een school komt niet in de eerste plaats tot uiting in de aandacht voor christelijke feesten, een paar keer per jaar. Het moet het totale onderwijs en het klimaat op school doortrekken.

Wie zich zorgen maakt om het verval van de christelijke feesten, moet niet met de beschuldigende vinger naar moslims wijzen, maar aan zelfonderzoek doen. De grootste bedreiging van de christelijke feesten is niet een groeiende invloed van de islam, maar de interne secularisatie van het christendom. Het slechtste wat christenen in deze situatie kunnen doen is gemene zaak maken met politici van PVV en VVD, die de christelijke feesten – maar dan in geseculariseerde vorm – misbruiken voor hun nationalistische agenda. Met zulke ‘vrienden’ hebben christenen geen vijanden meer nodig.

Advertenties

Verbod zonder fundament

Op 18 april j.l. sprak de Hoge Raad uit dat de vereniging Martijn moet worden ontbonden (*). Deze vereniging draagt het standpunt uit dat sexueel contact tussen meerder- en minderjarigen moet worden gelegaliseerd. In 2012 was door de rechtbank in Assen al uitgesproken dat de vereniging ontbonden moest worden. Nadat deze in beroep was gegaan, vernietigde het gerechtshof in Leeuwarden de uitspraak. Ook tegen het oordeel van de Hoge Raad kan de vereniging in beroep gaan en wel bij het Europese Hof, maar volgens haar advocaat maakt dat geen reële kans op succes. Daarmee is dan het doek gevallen over een vereniging die veel weerstand en weerzin opriep.

De uitspraak leidde tot een discussie over de vraag of de Nederlandse samenleving met dit verbod op de goede weg is. Het komt uiterst zelden voor dat een organisatie wordt verboden. Het recht van vereniging behoort tot de fundamenten van de democratische rechtsstaat. Wanneer eenmaal een organisatie wordt verboden omdat zij opvattingen huldigt en uitdraagt die als onaanvaardbaar worden beschouwd, waar ligt dan de grens? Opent dat niet de deur naar het verbieden van organisaties wier opvattingen de – politieke of maatschappelijke – meerderheid als onaanvaardbaar aanmerkt?

Een tweede aspect dat in dit verband naar voren wordt gebracht is de vraag naar de effectiviteit van een verbod. De vereniging is ontbonden, maar welk probleem is of wordt daarmee eigenlijk opgelost? Het is tegenwoordig echt niet noodzakelijk een vereniging op te richten en die te laten registreren om als gelijkgezinden contact te onderhouden en meningen en adviezen uit te wisselen. Het ligt voor de hand dat opvattingen die tot voor kort via de website van de vereniging werden uitgedragen, nu langs andere kanalen worden verspreid. De vraag kan gesteld worden of dat een vooruitgang is.

Er is nog een derde punt: een onderdeel van de motivatie voor de uitspraak van de Hoge Raad is dat “de vereniging de gevaren van seksueel contact met jonge kinderen bagatelliseert en dergelijke contacten verheerlijkt en propageert”. Hij is van mening “dat deze werkzaamheid een daadwerkelijke en ernstige aantasting is van het wezenlijke beginsel dat de lichamelijke en seksuele integriteit van het kind dient te worden beschermd.” Daartegen kan worden aangevoerd dat sexueel misbruik van kinderen voor een veel groter deel plaatsvindt in de vertrouwde omgeving van gezin, familie en vriendenkring en in sociale verbanden als verenigingen dan door mensen die zich als pedosexueel manifesteren. Een verbod van een vereniging als Martijn brengt daar geen verandering in.

In de politiek waren het vooral ChristenUnie en CDA die pleitten voor een verbod van de vereniging. Daartoe bereidden ze een initiatiefwetsvoorstel voor, dat nu uiteraard overbodig geworden is. Dat is in zoverre jammer dat nu niet duidelijk is hoe de initiatiefnemers een wettelijk verbod zouden hebben willen beargumenteren. Want dat lijkt me het kernpunt in de discussie over de vraag of de vereniging al dan niet terecht is ontbonden.

Over de juridische argumenten voor en tegen zal ik me hier niet uitlaten. Ik ben geen jurist en bovendien valt dit aspect buiten de kaders van dit weblog. Mij interesseert vooral de argumentatie die de Hoge Raad hanteert. Mijn aandacht blijft haken bij deze zinsnede: “Seksueel contact van volwassenen met jonge kinderen is naar de in Nederland levende maatschappelijke opvattingen een daadwerkelijke en ernstige aantasting van de lichamelijke en seksuele integriteit van het kind, waardoor het kind grote en blijvende psychische schade kan oplopen. (…) Deze maatschappelijke opvattingen worden ook buiten Nederland breed gedragen, en Nederland heeft zich internationaal verplicht in dat verband maatregelen te nemen.”

Dat laatste is een juridisch argument en zou wellicht van doorslaggevend belang kunnen zijn. Een land gaat door zijn handtekening onder internationale verdragen verplichtingen aan die hij niet zomaar naast zich neer kan leggen, wanneer die hem een keer niet goed uitkomen. Dat geldt voor de behandeling van asielzoekers en illegalen evenzeer als voor de bescherming van minderjarigen. Maar het is wel wat mager als dat de enige motivatie is. Een uitspraak die uitsluitend gebaseerd is op juridische verplichtingen zal in het maatschappelijk debat geen groot gewicht hebben. Bij diegenen die sceptisch of zelfs afwijzend staan tegenover internationale verplichtende afspraken zal zo’n motivatie in onvruchtbare aarde vallen. Maar daarnaast ontaardt een discussie over de desbetreffende uitspraak tot een debat tussen doven wanneer tegenover ethische argumenten niet meer dan juridische worden geplaatst.

Nu zou men kunnen beweren dat juridische uitspraken van een principieel andere orde zijn dan ethische. Kan een rechter een moreel oordeel vellen dat verder gaat dan of niet strikt gebaseerd is op juridische documenten, zoals wetten, verdragen en eerdere rechterlijke uitspraken? Dat kan niet alleen, het is zelfs onvermijdelijk. Het gebeurt dus ook regelmatig. Juridische documenten zoals hierboven bedoeld dekken nooit de hele werkelijkheid. Wetten moeten worden toegepast. Dat gebeurt door de rechter, maar die heeft de nodige ruimte om allerlei aspecten te laten meewegen. Die zijn lang niet altijd van juridische aard. Een rechter kan besluiten iemand die de wet heeft overtreden, te ontslaan van rechtsvervolging omdat hij, bijvoorbeeld, door het openbaar maken van documenten ernstige misstanden aan het licht heeft gebracht. Hij kan ook een extra zware straf opleggen vanwege de maatschappelijke implicaties van een bepaalde wetsovertreding. In het proces dat uiteindelijk resulteert in een uitspraak spelen ook de ethische opvattingen van de rechter een rol. Bovendien zijn uiteindelijk alle wetten het uitvloeisel van bepaalde ethische opvattingen, ook al worden die niet altijd expliciet gemaakt.

Maar juist wanneer een rechter besluit een uitzondering te maken op wat als één van de pijlers van de democratische rechtsorde geldt, zou een helder ethisch oordeel van groot gewicht kunnen zijn. Daarmee zou de maatschappelijke discussie die daarvan ongetwijfeld – en terecht – het gevolg is, aan diepgang winnen. Juist een zaak als de onderhavige zou geen speelbal van het populisme moeten zijn.

Helaas lijkt de motivatie van de Hoge Raad daaraan juist voeding te geven. Hij beroept zich immers op “de in Nederland levende maatschappelijke opvattingen”. Dat roept al direct de vraag op hoe men tot die vaststelling komt. Heeft een rechter het recht vast te stellen wat de maatschappelijke opvattingen – bedoeld is: die van de (overgrote) meerderheid – zijn? En hoe komt hij tot die vaststelling? Is die op een betrouwbare manier te meten? Gaat de rechter daarvoor wellicht bij Maurice de Hond te rade?

Maar het meest problematisch is dat het oordeel daarmee wordt gebaseerd op drijfzand. Want de maatschappelijk opvattingen ten aanzien van de onderhavige zaak kunnen ook weer veranderen. Dat blijkt al daaruit dat “de in Nederland levende maatschappelijke opvattingen” met betrekking tot dit onderwerp er zo’n veertig jaar geleden heel anders uitzagen. Daarmee wordt het oordeel over de door de vereniging Martijn uitgedragen opvattingen afhankelijk gemaakt van de waan van de dag. Het oordeel van de Hoge Raad mist een vast fundament.

Juist daarom is dit een niet onbedenkelijke uitspraak. Want als het verbod van een organisatie afhankelijk wordt van de – naar hun aard wispelturige – maatschappelijke opvattingen, is er geen enkele garantie dat een vergelijkbaar verbod niet andere organisaties zou kunnen treffen. Waarom zou men de SGP niet verbieden, gezien haar opvattingen ten aanzien van de rol van de vrouw in politiek en maatschappij? Moet men islamitische organisaties en christelijke kerken niet verbieden, gezien hun opvattingen over – bijvoorbeeld – homosexualiteit? Zulke overwegingen zouden ChristenUnie en CDA wel in hun overwegingen hebben mogen betrekken, toen ze besloten een initiatiefwetsvoorstel te gaan formuleren. Wellicht hebben ze deze aspecten wel overwogen, maar kennelijk hebben die hen niet op andere gedachten gebracht.

Enige inconsequentie is vooral de ChristenUnie in dezen niet te ontzeggen. Want wanneer een vereniging als Martijn zou moeten worden ontbonden vanwege de bedreiging van het welzijn van kinderen, waarom stelt ze dan niet ook voor organisaties die een liberale abortuspraktijk propageren, te ontbinden? Uiteindelijk zijn ongeboren kinderen nog kwetsbaarder dan de kinderen waarop Martijn zijn belangstelling richt.

Er zijn in Nederland en in de internationale samenleving tal van organisaties die opvattingen propageren die als schadelijk voor (groepen van) mensen en als weerzinwekkend kunnen en moeten worden aangemerkt. Het is begrijpelijk dat wordt aangedrongen op het verbieden van zulke organisaties. Er zijn echter goede redenen daaraan geen gevolg te geven. We kennen die praktijk vooral uit Duitsland: neonazistische partijen en organisaties zijn daar verboden, wat gezien de geschiedenis begrijpelijk is. De effectiviteit van zo’n verbod is twijfelachtig: de aantrekkingskracht van het daarbij behorende gedachtengoed is daardoor niet verminderd.

Het belangrijkste bezwaar is echter van principiële aard. Wanneer een maatschappij haar morele kompas kwijt is mist elk verbod per definitie zijn fundament. En dan wordt één van de wezenlijke bestanddelen van de rechtsstaat een speelbal van het gesundes Volksempfinden. Dat is een weinig aantrekkelijk perspectief.

(*) De tekst van de uitspraak is hier te vinden.

Discriminatie of evangelisatie?

Naarmate de vorming van een ‘rechts’ kabinet waaraan ook de PVV op één of andere manier bijdraagt, dichterbij komt, lopen de emoties steeds hoger op. In kranten en tijdschriften en niet het minst op internetsites gaan voor- en tegenstanders van zo’n kabinet elkaar te lijf, niet zelden met grof geschut. Ook in christelijke kring is de verdeeldheid groot.

Dat bleek nog eens duidelijk na de verkiezingen. Al bij de eerste consultatieronde liet de SGP weten eventueel wel gedoogsteun te willen verlenen aan een zodanig kabinet. Ook in de reacties op de informatieronde van Ruud Lubbers viel de open houding van de SGP tegenover een ‘rechts’ kabinet op. Dat staat in schril contrast met de afkeer van de PVV en vooral van het meeregeren door de PVV, die de ChristenUnie ten toon spreidt. De verklaring van senator Egbert Schuurman op de site van de partij spreekt wat dat betreft duidelijke taal. Een krant vermeldde in dit verband dat de ChristenUnie geldt als de felste politieke tegenstander van de PVV.

Inmiddels heeft een Comité voor de Rechtsstaat een oproep doen uitgaan naar de leden van de Tweede-Kamerfracties van VVD en CDA, waarin hun wordt gevraagd een coalitie af te wijzen, waarbij de PVV op enigerlei wijze betrokken is, met een verwijzing naar standpunten van de PVV, die op gespannen voet staan met het wezen van de rechtsstaat. Op het discussieforum van het Nederlands Dagblad werd daarop overwegend zeer negatief gereageerd. Weliswaar kan men er niet zonder meer vanuit gaan dat iedereen die reageert christen is, uit de reacties kan toch worden opgemaakt dat dit voor de meesten wel geldt. En dan valt het op hoe negatief wordt gesproken over de islam, en hoever men bereid is te gaan om het vermeende gevaar van de ‘islamisering’ tegen te gaan. Daarbij worden opvattingen geventileerd die je ook in kringen van de PVV kunt horen.

Nu is er voor christenen geen enkele reden positief te zijn over de islam. Wie ervan overtuigd is dat het christelijk geloof het enig ware geloof is en dat niemand tot de Vader kan komen dan door de Zoon, kan niet anders dan de islam als een valse godsdienst bestempelen. Maar wat betekent dat in de praktijk? Is dat een vrijbrief om de aanhangers van dat geloof te beledigen of hen als tweederangsburgers te behandelen? Geeft dat het recht hun vrijheden te ontzeggen die men voor zichzelf – als christenen – wel opeist? Laten we even aannemen dat Nederland inderdaad het gevaar loopt te ‘islamiseren’. Hoe ga je dat gevaar dan tegen?

Het merkwaardige is dat degenen die altijd roepen dat de scheiding van kerk en staat betekent dat de staat zich niet moet bemoeien met de kerk, in het geval van de islam ineens bepleiten dat de overheid zich wel bemoeit met de moskee. Er moet nauwkeurig voor gewaakt worden dat daar geen opvattingen worden uitgedragen die haaks staan op wat wij in Nederland aanvaardbaar vinden. Maar in de kringen van christenen die met de PVV sympathiseren blijft het meestal akelig stil, als het gaat om de geestelijke strijd tegen de islam. Binnen christelijke kerken zijn weliswaar mensen actief ten behoeve van de evangelieverkondiging onder moslims en er zijn gemeenten die speciaal iemand hebben aangesteld om zich hiermee bezig te houden, maar ik heb niet de indruk dat deze activiteiten op erg veel sympathie kunnen rekenen van degenen die in de PVV een bondgenoot zien in de strijd tegen de ‘islamisering’.

Voor een geestelijke strijd tegen de islam moet je natuurlijk niet bij de PVV zijn. Ondanks het feit dat ze er prat op gaat de ‘joods-christelijke cultuur’ van Nederland te verdedigen tegen de ‘aanvallen’ van de islam, moet deze beweging als volstrekt nihilistisch beschouwd worden. De PVV is niet gebaseerd op een levensbeschouwing en heeft moslims dus niets te bieden. Nu is het niet de taak van een politieke partij mensen tot een bepaald geloof te bekeren. Maar het is evenmin haar taak een bepaald geloof te bestrijden en de aanhangers daarvan het belijden van dat geloof onmogelijk te maken.

Wanneer dat geloof leidt tot maatschappelijke misstanden, dan moeten die aangepakt worden. Maar dat betekent niet dat dan aan het achterliggende geloof beperkingen opgelegd mogen worden. Er wordt beweerd dat de islam een politieke ideologie is. Dat is echter geen wetenschappelijk vaststelbaar feit maar een subjectieve interpretatie. Van de islam wordt misbruik gemaakt voor het bereiken van politieke doeleinden. Maar dat is in de loop van de geschiedenis met het christelijk geloof ook gebeurd. Daaruit trekt niemand de conclusie dat het christelijk geloof zelf een politieke ideologie is.

De geestelijke strijd tegen de islam is de taak van de kerk. En juist degenen die zich zoveel zorgen maken over een dreigende ‘islamisering’, zouden zich hiervoor actief moeten inzetten. Bekering tot het christelijk geloof is immers het meest effectieve wapen tegen de ‘islamisering’. Maar dan zitten we wel met een probleem. Want als je iemand wilt bekeren, zul je eerst contact moeten leggen en dat vervolgens moeten onderhouden en ontwikkelen. Iedereen begrijpt dat zo’n contact niet ontstaat en zeker geen stand houdt, wanneer wederzijds respect ontbreekt. En daar zit ‘m de kneep. PVV-sympathisanten hebben geen respect voor moslims, en hun wijze van optreden en hun uitlatingen roepen bij moslims begrijpelijkerwijs geen respect op.

Daaruit moet geconcludeerd worden dat degenen die in Wilders en zijn beweging een bondgenoot zien, in feite het meest effectieve wapen tegen de ‘islamisering’ buiten werking stellen. Naarmate de opvattingen van Wilders meer aanhang krijgen, wordt de evangelieverkondiging onder moslims moeilijker. En het is bepaald niet denkbeeldig dat degenen die moslims benaderen met het evangelie zich steeds vaker expliciet van de PVV en haar strijd tegen de islam zullen moeten distantiëren.

De politieke strijd tegen de islam en de evangelieverkondiging onder moslims laten zich niet verenigen. De uiteindelijke vraag voor christelijke PVV-sympathisanten is daarom wat het zwaarst weegt: het eigen tijdelijke welzijn of het eeuwige welzijn van de moslim.

Het leven is één

De uitslag van de verkiezingen van 9 juni j.l. heeft een schokgolf binnen christelijk Nederland veroorzaakt. Nooit eerder werd de aanhang van de christelijke politieke partijen zo gereduceerd. Nauwelijks een zesde deel van de bankjes in de Tweede Kamer zal de komende jaren door vertegenwoordigers van het CDA, de ChristenUnie en de SGP worden bezet. Sommigen voorspellen dat dit nog maar het begin is, en dat de rol van de christelijke politieke partijen voor lange tijd zal zijn uitgespeeld.

Dat lijkt allemaal wat overdreven. Het kiezersvolk is op drift en wanneer er over zes maanden weer verkiezingen zouden plaatsvinden, kunnen de bordjes zomaar weer verhangen worden. Zo ooit dan geldt nu de waarschuwing: vandaag hosanna, morgen ‘kruisigt hem’.

Een tweede kanttekening is dat nu ineens het CDA wel erg gemakkelijk bij de christelijke partijen wordt ingelijfd. Van dat christelijk karakter is de afgelopen decennia meestal niet veel gebleken. Ook de ChristenUnie heeft tijdens het laatste kabinet-Balkenende van het CDA niet veel steun ervaren, wanneer zaken aan de orde kwamen die voor de christelijke politiek veel gewicht behoren te hebben. Wel is waar dat binnen het CDA althans nog enig begrip bestaat voor politici en partijen voor wie niet de mens de maat van alle dingen is, maar die de normen voor goed en kwaad buiten zichzelf zoeken. Bij de grote meerderheid van de Nederlandse politici is het begrip daarvoor geheel verdwenen.

Nu gaat deze weblog niet over politiek. Dat komt in mijn weblog ‘Dingen van de Dag’ aan bod. Dat ik er hier toch over schrijf, heeft een reden. Ook de ChristenUnie heeft een flinke veer moeten laten. Zetelverlies was wel te verwachten, vooral aangezien een flink hogere opkomst werd verwacht, met name gezien de deelname van de PVV. In feite viel de opkomst flink lager uit. Toch verloor de ChristenUnie een zetel en meer dan 80.000 stemmen. Daarmee staan we voor de vraag waardoor dit verlies veroorzaakt is.

De ChristenUnie en de SGP konden altijd op een trouwe achterban rekenen. Maar ook die tijd lijkt voorbij te zijn. Bij de laatste Europese verkiezingen liep een deel van de SGP-achterban over naar Wilders. De ChristenUnie leek haar aanhang beter te kunnen vasthouden. Maar waarschijnlijk is dat slechts schijn. Het is voorstelbaar dat een deel van de natuurlijke aanhang van de ChristenUnie al eerder afgehaakt is, maar dat dit werd gecompenseerd door nieuwe kiezers – bijvoorbeeld onder christen-immigranten – en door mensen die weliswaar de principiële uitgangspunten van de ChristenUnie niet delen, maar zich wel aangetrokken voelen door vele onderdelen van haar politieke programma.

Juist het laatstgenoemde soort kiezers staat bij Kamerverkiezingen aan de verleiding bloot strategisch te gaan stemmen om zo de vorming van een kabinet te kunnen beïnvloeden. En het is zeker mogelijk dat de kort voor de verkiezingen opgelaaide discussie over de eventuele kandidatuur van homosexuelen met een relatie hen gestimuleerd heeft hun heil dit keer bij een andere partij te zoeken.

Dit laat zien dat de ChristenUnie zich niet rijk moet rekenen, zoals de laatste jaren weleens is gebeurd. Kiezers die geen band met het christelijk geloof hebben, zullen nooit tot de vaste aanhang van de ChristenUnie gaan behoren. De partij doet er daarom goed aan zich nadrukkelijker te richten op de christelijke kiezer. Want ook hier is iets aan de hand.

Uit de eerste analyses blijkt dat voor christenen het stemmen op een christelijke partij geen vanzelfsprekendheid meer is. Ook onder hen wordt strategisch gestemd. Een stem op Cohen zou een kabinet van VVD en PVV misschien kunnen voorkomen. En daarnaast zijn ook christenen niet immuun voor de neiging van de moderne kiezer de politiek op te delen in losse thema’s, zonder een duidelijke ideologische samenhang. Christenen die zich sterk maken voor een goed milieubeleid kunnen dan zomaar bij GroenLinks terecht komen, daarmee de antichristelijke intolerantie van deze partij negerend.

Gaat dit alles de kerken voorbij? Ik dacht het niet. De tijd dat predikanten vanaf de kansel meer of minder openlijk de gelovigen opriepen op een bepaalde partij te stemmen, is voorbij. Dat is maar goed ook, want daarvoor is de kansel niet bedoeld. Maar daarmee is de kous niet af. De achtergrond van de desertie van de christelijke kiezers is een onderwerp dat de kerk wel degelijk aangaat. Een versterking van de macht van de antichristelijke partijen is bepaald niet in het belang van de christelijke kerken.

Belangrijker is dat de kerken zich bezinnen op de signalen die van de recente verkiezingsuitslag uitgaan. Het lijkt erop dat steeds meer christenen er moeite mee hebben of er geen heil in zien, hun geloof met politieke en maatschappelijke ontwikkelingen te verbinden. Ze leven in toenemende mate in twee werelden, die steeds meer van elkaar gescheiden lijken te zijn. En als dan ook de samenhang tussen op het eerste gezicht afzonderlijke politieke en maatschappelijke verschijnselen steeds meer uit het zicht verdwijnt, is het niet verwonderlijk dat steeds meer christenen de noodzaak van een voluit christelijke politiek niet meer inzien.

Daar ligt een taak voor de kerk. Predikanten en kerkenraden zijn zich zeer wel bewust van het feit dat het geloof vaak niet doorwerkt in het dagelijks leven. Daaraan wordt in preken en anderszins dan ook wel aandacht besteed. Maar waarom zouden politieke keuzen dan buiten schot moeten blijven? Wanneer predikanten in hun preken erop wijzen dat het christelijk geloof consequenties heeft voor de moraal in het dagelijks leven, bijvoorbeeld ten aanzien van huwelijk en sexualiteit, waarom zou dan ook geen aandacht gevraagd kunnen worden voor politieke en maatschappelijke keuzen? Eén van de kandidaten van de PVV voor de verkiezingen is lid van een gereformeerd-vrijgemaakte kerk in Kampen. En in Bunschoten-Spakenburg is een partij in de gemeenteraad gekomen die op de lijn van de PVV zit en geleid wordt door een lid van een gereformeerd-vrijgemaakte gemeente.

Moeten we dit als een normaal en aanvaardbaar verschijnsel beschouwen? Dat lijkt me niet. Zulke dingen zijn symptomen van een verzwakking of zelfs het verdwijnen van de overtuiging dat het leven één is. Die term is decennia geleden gebruikt om de oprichting van gereformeerde organisaties te rechtvaardigen. Hoe men daarover ook mag denken, de idee dat het leven één is en dat het christelijk geloof consequenties heeft, ook op politiek en maatschappelijk vlak, en dus ook in het stemhokje, is voluit schriftuurlijk. Het zou goed zijn wanneer dat in de komende jaren ook vanaf de kansel en in pastorale gesprekken aandacht zou krijgen.