Archief

Posts Tagged ‘D66’

Orgaandonatie: Wie zwijgt stemt toe?

Met enige regelmaat is orgaandonatie een onderwerp van politieke en maatschappelijke discussie. Ook recent werd daarover weer van mening gewisseld in de Tweede Kamer en in de pers. Politiek gezien draait alles om een voorstel van D66 een ‘actief donorregistratiesysteem’ in te voeren. Het is in de Tweede Kamer niet tot een stemming gekomen. Aangezien de CDA-fractie het voorstel unaniem afwees, was op voorhand duidelijk dat er geen meerderheid voor was. Dat het nu – opnieuw – afgewezen is, wil niet zeggen dat het op termijn niet weer op tafel komt. D66 zal ongetwijfeld blijven proberen dit systeem ingevoerd te krijgen. Zoals het er nu naar uitziet zal dat alleen lukken wanneer deze partij bereid is het voorstel substantieel te wijzigen. Maar de komende verkiezingen kunnen ook roet in het eten gooien. De PVV is bijvoorbeeld een tegenstander van het D66-voorstel en wanneer die bij de komende verkiezingen een substantiële winst zou behalen, zal de steun voor het D66-plan nog verder afkalven.

De problemen rond de donorregistratie zijn niet te ontkennen. Van overheidswege wordt gestimuleerd dat mensen laten weten of ze bereid zijn na hun dood organen voor transplantatie af te staan. Ze kunnen ook specificeren welke organen ze eventueel willen afstaan. Daarnaast is het uiteraard mogelijk ervoor te kiezen geen donor te zijn. Tenslotte kan men ook aangeven dat men de beslissing aan de nabestaanden wil overlaten. Maar desondanks zijn er nog heel veel mensen die geen keuze maken. Dat is de reden dat D66 het over een andere boeg wil gooien. Haar voorstel houdt in dat iedere burger op enkele momenten wordt gevraagd te laten weten wat zijn beslissing is. Hij kan dan dezelfde keuzen maken als in het huidige ‘geen-bezwaar-systeem’. Het verschil is dat wanneer hij geen keuze maakt – opzettelijk, uit slordigheid of vergeetachtigheid – hij geacht wordt toestemming te geven zijn bruikbare organen na zijn dood voor transplantatiedoeleinden te gebruiken.

Ook in christelijke kring is het nodige over dit onderwerp geschreven. Het belangrijkste argument ten gunste van orgaandonatie is het gebod tot naastenliefde. In een recente weblog schrijft ds. Ernst Leeftink: “Volgens mij moeten christenen in deze diskussie de woorden van Jezus onze Heer uit Matteüs 7:12 en Lukas 6:31 zwaar laten wegen: Behandel anderen steeds zoals je wilt dat ze jullie behandelen (NBV) / Alles nu wat gij wilt, dat u de mensen doen, doet gij hun evenzo (NV’51).” Wat opvalt is dat hij hier spreekt over “zwaar laten wegen”. Dat suggereert de ruimte om ook andere elementen in de overwegingen te betrekken. Hij trekt uit dit gebod ook niet de conclusie dat iedereen bereid moet zijn zijn organen na zijn dood ter beschikking te stellen. Daarvoor lijkt me ook weinig grond, al was het maar dat in bijbelse tijd orgaantransplantatie helemaal niet bestond. Er zijn allerlei onderwerpen die in de tijd dat de Schrift ontstond nog buiten beeld waren. In zulke gevallen moeten christenen die de bijbel als richtinggevend voor hun leven beschouwen, een vertaalslag maken. In dit geval betekent het dat gekeken moet worden hoe bijvoorbeeld over het lichaam en de dood wordt gesproken en over de relatie tussen mensen.

Vanuit dit perspectief is het dan wel merkwaardig dat Leeftink in een ander verband wel de term ‘onchristelijk’ gebruikt. Dat doet hij in het kader van zijn kritiek op het standpunt van de ChristenUnie. Die wil – kort samengevat – wel dringen maar niet dwingen. Leeftink merkt op: “Op http://www.donorregister.nl kan iedereen invullen of men wel of geen orgaandonor wil zijn. Maar het heeft onvoldoende geholpen. Na tien jaar neemt bijna 60% van de Nederlanders nog steeds niet z’n verantwoordelijkheid.” Door het D66-voorstel af te wijzen “stimuleert ze laksheid en ongeïnteresseerdheid. En bevordert ze gebrek aan naastenliefde.” Eerder schreef hij: “Die laksheid vind ik onchristelijk”. Kort gezegd: niemand is, ook niet op grond van de Schrift, verplicht zijn organen na zijn dood beschikbaar te stellen, maar wel om een keuze te maken. Dat is een vreemde positiekeuze. Hoe kan vanuit de Schrift het maken van een keuze als morele plicht gekwalificeerd worden? Wie van mening is dat het ieders vrijheid is eventueel ook orgaandonatie af te wijzen, kan niet hard maken dat het maken van een keuze – welke dan ook – een christelijke plicht is.

De crux van de kwestie zit in de consequentie van het niet maken van een keuze. In het D66-voorstel betekent dit dat uitgegaan wordt van toestemming. Oftewel: wie zwijgt, stemt toe. Leeftink vindt dat een logische stap. “Maar als iemand gewoon de moeite niet neemt om na herhaalde oproepen het donorregistratieformulier in te vullen, is het een hele logische stap om te zeggen: ‘Wie zwijgt, stemt toe'”. Mij ontgaat die logica. Want we raken hier aan de vraag wat de bevoegdheid van de overheid is en hoever die reikt. In Nederland is de overheid over het algemeen erg terughoudend in te grijpen in het persoonlijk leven van mensen, vooral als hun identiteit en diepste overtuigingen in het geding zijn. Polio is een uiterst besmettelijke ziekte en de overheid stimuleert de inenting van kinderen daartegen. Maar zoals bekend zijn er kringen in Nederland die op godsdienstige gronden zo’n inenting afwijzen. Zij worden daartoe niet gedwongen. Na de laatste uitbraak van polio werd opnieuw gepleit voor dwang. Maar tot nu toe heeft de overheid die aandrang altijd weerstaan. De overheid dringt wel maar dwingt niet. Er moeten hele zwaarwegende redenen zijn om tot dwang over te gaan, bijvoorbeeld wanneer de nationale volksgezondheid of de openbare orde in gevaar zijn. Zolang daarvan geen sprake is, ontbreekt een grond voor dwang.

Het leed van degenen die dringend een orgaan nodig hebben, mogen we niet onderschatten. Maar de nationale volksgezondheid is hier niet in het geding. Hier komen we bij een essentiële vraag die nogal gevoelig ligt maar niet over het hoofd gezien mag worden. Kunnen degenen die een orgaan nodig hebben, daarop wel aanspraak maken? Uiteraard hebben zij, net als elke zieke, recht op optimale zorg en op middelen die verlichting geven of zelfs tot genezing kunnen leiden. Wanneer er bijvoorbeeld dure kunstorganen of behandelmethoden zijn, komt in principe elke patiënt daarvoor in aanmerking. Hier mag geen onderscheid gemaakt worden op grond van draagkracht of sociale status. Maar daaruit vloeit niet het recht op menselijke organen voort. Vanuit belangenorganisaties wordt de indruk gewekt dat er een morele plicht bestaat voor mensen om na hun dood organen af te staan aan hen die ze nodig hebben. Maar zo’n recht bestaat niet. Juridisch uiteraard niet maar ook ethisch niet. Wanneer zelfs christelijke ethici in dit verband niet van een morele plicht durven spreken, valt niet aan te nemen dat er andere gronden te vinden zijn die zo’n opvatting rechtvaardigen. De ethicus Jochem Douma schreef eens: “Wie in elk mens een uniek beeld van God ziet, heeft niet voldoende respect voor het uniek persoonlijke, als hij het vanzelfsprekend vindt dat het lichaam na de dood ten bate van de gemeenschap gebruikt moet worden.”

Binnen de kerk mag en moet het onderwerp van de orgaandonatie aan de orde komen. Niet om daaruit dwingende conclusies te trekken. Bij een vertaalslag moet je altijd een slag om de arm houden. Maar wanneer we vanuit het bijbelse liefdegebod de bereidheid tot het afstaan van organen na het sterven als een daad van naastenliefde aanbevelen en niet meer dan dat, kan de overheid niet een stap verder gaan en dwang toepassen. Het is de verantwoordelijkheid van elke burger op grond van eigen levensbeschouwing een keuze te maken. Die kan de overheid voor niemand invullen. Het overheidsbeleid gaat altijd van een bepaalde ethiek uit, ook al wordt die zelden expliciet gemaakt. Die is dan de grond onder concrete overheidsmaatregelen, bijvoorbeeld ten aanzien van sociale zekerheid of de opvang van vluchtelingen. Maar die ethiek kan niet aan de burger worden opgelegd. De overheid kan ertoe besluiten vluchtelingen op te vangen maar mag niet van individuele burgers vragen hun huis of hun tijd daarvoor ter beschikking te stellen. Na de recente aanslag in Orlando (VS) liep het storm bij de bloedbank. Het is mooi dat zoveel burgers bereid waren bloed te geven om de levens van gewonden te redden. Maar de overheid zou haar bevoegdheden ver overschrijden wanneer ze burgers zou dwingen bloed af te staan.

In onze democratische rechtsstaat staat het iedere burger vrij zich bij een organisatie aan te sluiten, zoals een politieke partij of een vakbond. Maar ieder is ook vrij dat niet te doen. Iedere stemgerechtigde burger mag bij verkiezingen zijn stem uitbrengen maar is ook vrij van dat recht geen gebruik te maken. Opkomstplicht, laat staan stemplicht, zijn in strijd met de burgerlijke vrijheden. De overheid moet met heel sterke en zwaarwegende argumenten komen om burgers te dwingen tot keuzen die hem in zijn persoonlijk leven raken. In het geval van orgaandonatie zijn die argumenten er niet.

Confrontatie met de vraag naar organen en drang om een keuze te maken is een goede zaak. Maar met dwang overschrijdt de overheid haar bevoegdheden. “Wie zwijgt stemt toe” is geen basis voor overheidsbeleid. Juist een christelijke partij moet zich tegen die dwang verzetten in het belang van een rechtsstaat die de individuele vrijheden respecteert.

Advertenties

Feesten zonder franje

11 april 2016 1 reactie

Hebt u ook zo genoten van uw vrije tweede Paasdag? Het zou best eens één van de laatste geweest kunnen zijn. Tenminste, als we Roelof Bisschop, Tweede-Kamerlid van de SGP, moeten geloven. Hij suggereerde het einde van de tweede christelijke feestdagen, toen hem om een reactie werd gevraagd op het besluit van minister Plasterk de zondagswet in te trekken. Op zichzelf heeft het één niets met het ander te maken. Maar Bisschop plaatste de intrekking van de zondagswet in een breder kader. Hij ziet het als onderdeel van het streven van de inmiddels seculiere meerderheid in de politiek de samenleving te ontdoen van alles wat aan haar christelijke wortels herinnert. Daarin staat hij niet alleen zoals blijkt uit enkele interviews van Gert-Jan Segers, politiek leider van de Christenunie. Frank van den Heuvel, lid van het CDA, schreef een artikel in Trouw waarin hij stelt dat liberalen alles wat naar religie riekt, willen uitbannen. Dat ze op z’n minst een gevoelige snaar raken blijkt wel uit de nogal gepikeerde reacties van vertegenwoordigers van VVD en D66.

De vrees van Bisschop lijkt me niet erg realistisch. De meeste Nederlanders hechten zeer aan hun vrije dag op tweede Paasdag en tweede Pinksterdag. Zelfs de VVD, voor wie de economie altijd op de eerste plaats komt, heeft zich er tot nu toe niet aan gewaagd deze vrije dagen ter discussie te stellen. Dat valt ook daaruit te verklaren dat die vrije dagen bepaalde sectoren van de economie veel opleveren, niet alleen de toeristenindustrie maar ook meubelboulevards en tuincentra, om maar eens wat te noemen.

Maar als die vrije dagen zouden vervallen, zou dat nu een reden voor treurnis zijn? En zouden christenen daartegen in het geweer moeten komen? In het Nieuwe Testament kunnen we geen aanwijzingen vinden dat aan de heilsfeiten bijzondere aandacht werd besteed. Daaruit valt ook te verklaren dat Calvijn een verklaard tegenstander van een aparte viering van Kerst was. Er zijn allerlei historische en religieuze oorzaken aan te wijzen waardoor in ons land Kerst, Pasen en Pinksteren en daarnaast nog enkele dagen, zoals Goede Vrijdag en Hemelvaartsdag, op de kalender van de vrije dagen terecht kwamen en dat voor de drie eerstgenoemden meer dan één dag werd gereserveerd. Tot 1773 kenden we in Nederland, net als in het protestantse deel van Duitsland, zelfs drie Kerstdagen. Uiteindelijk werd in de Zondagswet van 1815 officieel vastgelegd welke dagen als vrije dagen golden*. Als aparte feestdagen voor de heilsfeiten al niet geworteld zijn in de Schrift, dan de tweede feestdagen al helemaal niet. Er is dus geen enkele reden al te dramatisch te doen over de eventuele afschaffing van deze dagen als vrije dagen. De eerste feestdagen zijn niet in gevaar. Omdat Pasen en Pinksteren op zondag vallen, heeft het overheidsbeleid daarop geen invloed. Kerst is de uitzondering, maar dat feest heeft zo’n status dat aantasting daarvan bijna als heiligschennis zal worden gezien.

Er is wel een andere tendens voorstelbaar: dat Pasen en Pinksteren uit het publieke bewustzijn gaan verdwijnen. In de Verenigde Staten zijn verwijzingen naar Kerst al lang een flink strijdpunt. Strijdbare seculieren zijn van mening dat zulke verwijzingen – bijvoorbeeld door het plaatsen van een kerstboom op publieke plaatsen of in openbare gebouwen en vooral de benaming Christmas tree – in strijd zijn met de scheiding van kerk en staat. Sommige fundamentalistische christenen betreuren het wanneer traditionele verwijzingen naar Kerst, bijvoorbeeld in de reclame, gaan verdwijnen. Dat beschouwen ze als knieval voor diegenen die alles wat naar het christelijk geloof verwijst, uit de openbare samenleving willen verbannen.

Vergelijkbare conflicten kennen we bij ons niet. Zou dat ook daarmee te maken kunnen hebben dat – zoals ook uit het recente rapport God in Nederland blijkt – christenen in Nederland een slinkende minderheid zijn? Daarmee zijn verwijzingen naar christelijke feesten onschuldig en leiden ze niet tot noemenswaardige opwinding, zelfs niet bij de meest ideologisch gedreven seculieren. Het is de vraag of dat een goed teken is.

In zekere zin maken we bij ons het omgekeerde mee. In de aanloop naar Pasen kwam de Hema met een reclamefolder die repte over ‘verstopeieren’ en ‘voorjaarsfeest’. Daaruit werd de conclusie getrokken dat de Hema niet langer naar Pasen wilde verwijzen. Dat werd direct uitgelegd als een knieval voor de islam. In de sociale media – de moderne variant van het aloude volksgericht – werd de Hema over de knie gelegd. Daarbij verdwenen – één van de kenmerken van sociale media – de nuances uit het zicht, zoals het feit dat elders in de gewraakte folder wel degelijk naar Pasen werd verwezen, door middel van de paashaas en paaseieren.

Uitgerekend Halbe Zijlstra van de VVD meende de Hema hierover te moeten kapittelen. Je zou juist van hem enig begrip mogen verwachten voor een bedrijf dat zijn reclame aanpast aan de maatschappelijke ontwikkelingen en probeert op die manier de verkoop te bevorderen en de winst te vergroten. Zijn reactie is een voorbeeld van het overspannen klimaat ten aanzien van de islam en zijn positie in de Nederlandse samenleving. Het zegt ook iets over de angst van de VVD voor de concurrentie van de PVV die zich uiteraard niet onbetuigd liet bij de openbare terechtstelling van het winkelbedrijf.

Nog verbazingwekkender is dat ze bijval kregen uit christelijke kring. Van die kant zou je iets meer nuance en een groter respect voor de feiten mogen verwachten dan van de PVV, die zich specialiseert in fact free politics. Maar het is vooral verbazingwekkend omdat men kritiek heeft op een mogelijke ontwikkeling, die men eerder zou moeten toejuichen. Want partijen als VVD en PVV geven er zelden of nooit blijk van dat ze enige interesse hebben in of waarde hechten aan de echte betekenis van de christelijke feesten. Ze beschouwen die als onderdeel van de Nederlandse cultuur. Die voorzien ze van het etiket ‘joods-christelijk’, vooral in het kader van de strijd tegen de zogenaamde ‘islamisering’. De wens de christelijke feesten te handhaven is dus vooral een stok om de islamitische hond te slaan.

Al eeuwenlang maken de christelijke feestdagen deel uit van de ‘nationale kalender’. Dat was geen probleem zolang die kalender sterk door het christelijk geloof gestempeld werd. Inmiddels is de kennis van de betekenis van de christelijke feestdagen goeddeels verdwenen. Dat komt ook tot uiting in de verwijzingen naar die feesten. De verwijzingen naar Pasen bestaan vooral uit paaseieren en de paashaas. En in de Kersttijd maakt steeds vaker de Kerstman zijn opwachting en wordt het geven van cadeautjes een steeds gangbaarder verschijnsel. Vanuit christelijk perspectief is dat niet iets om blij mee te zijn. De Kerstman en cadeautjes hebben niets met de geboorte van Christus te maken en de paashaas en paaseieren niets met zijn opstanding. Wanneer de Hema dit soort trivialiteiten uit haar reclameuitingen zou verbannen, zouden christenen het bedrijf daarmee moeten complimenteren. Kerstmannen, paaseieren en paashazen roepen vooral gêne op en leiden af van waar het echt over gaat.

Nu zou men kunnen beweren dat verwijzingen naar de christelijke feesten – hoe vervormd en overwoekerd door irrelevante onzin ook – een verbinding leggen tussen de christelijke minderheid en de seculiere meerderheid. Zou het feit dat Kerst en Pasen zich op allerlei manieren in de samenleving manifesteren – van een mediaspektakel als The Passion tot het kerstliedjesgekweel van draaiorgels tussen Sinterklaas en Kerst – geen aanknopingspunten kunnen bieden om ‘de wereld’ met de heilsfeiten en hun betekenis te confronteren? Het schijnt dat The Passion leidde tot een sterke toename van zoekopdrachten in Google naar het verhaal van Goede Vrijdag en Pasen. Maar wijst dat op echte belangstelling of is dat alleen maar nieuwsgierigheid naar iets dat even in het nieuws is? Te vrezen valt dat verreweg het meeste zaad in onvruchtbare aarde of op de stenen valt. De passietijd leidt ook, vooral in Nederland, tot een hausse aan uitvoeringen van Bachs Matthäus-Passion. Maar het is zeer twijfelachtig of dat resulteert in enig besef van de betekenis van wat daarin wordt beschreven. Een recente radiouitvoering van Bachs passie werd beloond met een ovationeel applaus. Dat wijst erop dat de luisteraars de ernst van het verhaal niet tot zich hebben laten doordringen en al helemaal niet in verband brachten met hun eigen leven. Ingetogen bijval of – beter nog – een bedremmeld zwijgen zouden meer op hun plaats geweest zijn.

Christenen hebben geen enkele reden treurzangen aan te heffen wanneer de christelijke feestdagen uit het publieke bewustzijn verdwijnen. Hoe minder reclamefolders naar Kerst en Pasen verwijzen hoe beter. Kerstmannen en paashazen onttrekken de echte betekenis van die feesten aan het zicht. Waar de franje verdwijnt kan die weer aan het licht komen.

(*) Informatie hier over vindt men in een artikel op de site van het Meertens Instituut.

Een roomse oplossing

Kleine politieke partijen mogen zich niet vaak in een grote belangstelling van de media verheugen, zeker partijen met een religieus karakter niet. Dat kan veranderen wanneer ze ineens een sleutelrol in de politiek gaan spelen, zoals de ChristenUnie jaren geleden en de SGP in het meer recente verleden. Die laatste heeft ook nog om een andere reden de aandacht van de media: de opvattingen van de SGP over de rol van de vrouw in de politiek en vooral de praktische consequenties die ze daaraan altijd heeft verbonden, zijn de representanten van het emancipatiestreven een doorn in het oog. De gevolgen zijn bekend: om een eventueel verbod van de partij te voorkomen, heeft het hoofdbestuur besloten vrouwen niet langer het passief kiesrecht te ontzeggen. Dat betekent dat vrouwen zich in principe mogen aanmelden voor een plaats op de kandidatenlijsten van de SGP.

In de praktijk zijn de gevolgen te verwaarlozen. De grondbeginselen van de partij, waartoe behoort dat de vrouw het regeerambt niet toekomt, veranderen immers niet. Dat betekent dat een vrouwelijke kandidaat moet verdedigen dat de vrouw geen regeerambt mag bekleden. Aangezien de SGP van mening is dat een volksvertegenwoordiger een regeerambt bekleedt, maakt dat haar positie in feite onmogelijk. Bovendien zijn het nog altijd de partijleden die beslissen wie op de kandidatenlijsten komen. Wanneer ze ervoor kiezen alleen mannen te kandideren is dat hun goed recht. Ze hebben geen verantwoordingsplicht.

Niets aan de hand dus, zou je zeggen. Toch wringt er iets. “Een typisch roomse oplossing”, las ik op de website van een krant. Ook binnen de SGP krijgt het hoofdbestuur niet alle handen op elkaar voor deze constructie. Vooral op de rechterflank van de partij wordt stevige kritiek niet geschuwd. Een scribent is van mening dat de SGP er beter aan zou doen vast te houden aan de tot nu toe gevolgde gedragslijn en de consequenties dan maar te accepteren. Hij trekt een vergelijking met de drie vrienden van Daniël, die – op straffe van verbranding in de vuuroven – weigerden te knielen voor het beeld dat de Babylonische koning Nebukadnessar had laten oprichten. Een andere scribent vindt die vergelijking misplaatst: SGP’ers die weigeren hun houding ten aanzien van de rol van de vrouw in de politiek aan te passen, worden niet met de vuuroven bedreigd. Van geloofsvervolging is in Nederland nog altijd geen sprake.

De gekozen vergelijking is inderdaad overdreven en de desbetreffende schrijver zou er wellicht beter aan hebben gedaan een ander voorbeeld te kiezen. Nu leidt het ongelukkig gekozen voorbeeld af van waar het in feite om gaat. De vraag is of de SGP er goed aan heeft gedaan zich te corformeren aan wat de overheid van haar verlangt. SGP-voorman Van der Staaij probeerde daar een mooie en principiële lading aan te geven. De SGP is een gezagsgetrouwe partij en wil “als beginselpartij” wel handelen binnen de grenzen van onze Nederlandse rechtsorde. “Dat is ook een principiële keus. Wij zijn geen oproerkraaiers.” (Nederlands Dagblad, 14.1.13).

Hoe het ook verpakt wordt, het valt niet te ontkennen dat de SGP zwicht onder seculiere druk. Van der Staaij mag zich erover beklagen dat die externe druk de zuiverheid van de discussie vertroebelt en het interne beraad bemoeilijkt, effectief blijkt die wel te zijn. En de vraag moet gesteld worden of daarmee niet de weg is gebaand voor het opvoeren van de druk op allerlei christelijke organisaties om die aspecten van hun identiteit en beleid, die bij seculier Nederland op weerstand stuiten, bij het grofvuil te zetten.

De SGP’ers die roepen dat er wel belangrijkere zaken zijn om zich druk over te maken dan over het passieve vrouwenkiesrecht, hebben wellicht gelijk, maar zijn ook wat naïef. Want voor veel SGP’ers is dit nu juist een wezenlijk onderdeel van de identiteit van de partij. Zij verdedigen de traditionele opvatting betreffende de rol van de vrouw in de politiek met principiële argumenten en tot niet zo lang geleden deed de SGP als partij dat ook. Er waren altijd al tegengestelde of in elk geval meer genuanceerde geluiden, maar die bleven in de marge. De ‘traditionalisten’ in de SGP hebben betere papieren dan de ‘nieuwlichters’.

De SGP heeft de situatie waarin ze zich nu bevindt, geheel aan zichzelf te wijten. We zien hier het resultaat van getreuzel en aarzelingen en vooral van het streven de kool en de geit te sparen. Binnen een organisatie en dus ook een politieke partij kan men best over bepaalde zaken van mening verschillen, zonder dat daar direct bloed uit vloeit. Maar wanneer het gaat over een zaak die in elk geval voor een deel van die organisatie een sterk principieel karakter draagt, kan men er niet omheen een keuze te maken. De door de SGP gekozen constructie is in feite de voortzetting van de oude lijn in een nieuwe verpakking. Wat de SGP nu doet is wat men in het Engels “window-dressing” noemt. De etalage ziet er anders uit, maar het aanbod in de winkel is als vanouds. De vraag is of dit op de lange termijn zal werken.

Wat hier gebeurt zou wel eens de voorbode kunnen zijn van wat christelijk Nederland te wachten staat. De druk zich aan te passen aan seculiere ‘normen’ zal groeien, daar is niet veel fantasie voor nodig. Het ligt voor de hand zich af te vragen waar de grens ligt. Welke aanpassingen kunnen christelijke organisaties zich veroorloven zonder hun identiteit fundamenteel aan te tasten? Wanneer is de tijd gekomen dat men “nee” moet zeggen en de eventuele consequenties moet accepteren?

Ik denk dat we de spade wat dieper in de grond moet steken. Het gaat maar niet om de vraag hoeveel vrijheden christenen en christelijke organisaties nog hebben. De discussie moet – in elk geval vooralsnog – zeker niet gaan over de vraag of christelijke organisaties wellicht een beroep kunnen doen op een uitzonderingsclausule. Het moet er niet om gaan getolereerd te worden – tegen heug en meug – maar als volwaardige leden van de samenleving geaccepteerd te worden.

Nodig is vooral een principiële discussie over de reikwijdte van wetgeving en daarmee de pretenties van de overheid. Dat heeft alles te maken met de idee van de maakbaarheid van de samenleving. Die wordt traditioneel geassocieerd met ‘links’, maar vindt ook ‘rechts’ weerklank. ‘Links’ wil vooral christenen in het gareel dwingen, ‘rechts’ richt zijn pijlen op moslims. Het komt uiteindelijk op hetzelfde neer: het vastleggen van de ‘heersende’ moraal en die via wetgeving afdwingen van burgers en hun organisaties. Dat leidt in feite tot een monocultuur. Dat ideaal wordt vaak geassocieerd met de PVV, maar ook andere partijen zijn daar gevoelig voor, zoals D66 en GroenLinks met hun intolerantie ten aanzien van christenen.

Zo gezien zouden de critici van het ‘vrouwenbesluit’ van de SGP wel eens meer het gelijk aan hun kant kunnen hebben dan menigeen lief is. De vergelijking met de drie vrienden van Daniël mag overdreven zijn, zij kunnen wel als voorbeelden dienen. Soms is er geen andere mogelijkheid dan “nee” te zeggen, wat de consequenties ook mogen zijn. Met “roomse oplossingen” komen we er dan niet meer.

Christelijke politiek in seculier jasje

Nu de stofwolken van de verkiezingscampagne zijn opgetrokken wordt het tijd het slagveld in ogenschouw te nemen. Welke uitkomst de waarnemers en de deelnemers ook hadden verwacht, niet wat uiteindelijk uit de stembus rolde. De verkiezingsuitslag heeft veel stof tot schrijven gegeven en verschillende kranten schuwden vèrgaande conclusies niet. Dit is niet de plaats hierop verder in te gaan. De geïnteresseerde lezers verwijs ik naar mijn politieke weblog Dingen van de Dag. Ik wil hier vooral de blik richten op de verkiezingsuitslag vanuit christelijk perspectief.

Het CDA verloor opnieuw flink. Dat was te verwachten; zelfs de kopstukken van de partij hielden er van tevoren al rekening mee. Ook al kan het CDA niet als ‘christelijke’ partij worden beschouwd – ze afficheert zichzelf ook nadrukkelijk niet als zodanig – wordt dit terecht als een bewijs van de onverminderde teloorgang van de christelijke politiek in Nederland beschouwd. Daar staat dan tegenover dat de SGP een zetel winst boekte en de ChristenUnie haar zeteltal wist te behouden. Daar had ze overigens wel reststemmen voor nodig; die waren het resultaat van de lijstverbinding met de SGP, waarover sommige (voormalige) ChristenUnie-stemmers hun gal spuwden. Volgens opiniepeiler Maurice de Hond had de uitslag er anders uitgezien, wanneer niet zoveel kiezers ‘strategisch’ hadden gestemd. De ChristenUnie zou dan een zetel hebben gewonnen. Daarmee was ze dan terug geweest waar ze voor de vorige verkiezingen was.

Er is bij deze verkiezingen strategisch gestemd op een schaal die zelden eerder is vertoond. Velen waren er zo op gebrand dat de VVD dan wel de PvdA de grootste zou worden en dus zou kunnen bepalen hoe bij de kabinetsformatie de hazen lopen dat ze niet hun eerste keuze aankruisten, maar de partij die ze de leiding bij de formatie wilden geven. Het resultaat van al hun strategische overwegingen is uiteindelijk dat ze mogelijk beide partijen in de regering krijgen. Uit de peiling van Maurice de Hond mag worden afgeleid dat ook christelijke kiezers strategisch hebben gestemd. Kennelijk zagen ze er geen probleem in hun stem aan een seculiere partij te geven. Dat kan nauwelijks verwondering wekken, gezien het feit dat er zelfs christenen op de kandidatenlijsten van seculiere partijen stonden. Op 23 augustus publiceerde het Nederlands Dagblad een artikel waarin drie van hen aan het woord komen. Of eigenlijk zijn het er maar twee: Linda Voortman (D66) is weliswaar van rooms-katholieken huize en draagt haar religieuze opvoeding nog steeds met zich mee, zoals ze het zelf zegt, maar is niet “praktiserend gelovig” meer.

Jacques Monasch (PvdA) verwijst naar de bekende tekst van de profeet Micha om zijn politieke inspiratie te verwoorden. De bijbel is voor hem een belangrijke drijfveer, maar hij heeft nooit overwogen zich bij een christelijke partij aan te sluiten. “Ik heb bewust gekozen voor een partij waarin allerlei overtuigingen, dus ook van niet-christenen welkom zijn. Tegelijk moest er wel ruimte zijn om aan het christelijk geloof je drijfveer te ontlenen.”
Tjitske Siderius, gereformeerd vrijgemaakt, stond op de kandidatenlijst voor de SP. “De SP staat voor gelijkwaardigheid, solidariteit, menselijke waardigheid en naar je naaste omzien. Dat zijn waarden die ook in de Bijbel centraal staan. Voor mij is het belangrijk dat je niet alleen christen bént, maar ook daarnaar handelt. Juist de SP besteedt veel aandacht aan armoedebestrijding, zorg voor gehandicapten en goed onderwijs. Dat praktische kom ik in mijn partij veel meer tegen dan in partijen als CDA en ChristenUnie.”

Het feit dat kandidaten van seculiere partijen lid zijn van een kerk is op zichzelf niets nieuws. De politiek leider van de VVD, Mark Rutte, is ook lid van een kerk en liet niet na daarop te wijzen toen hij eerder dit jaar de jongeren van de SGP met een bezoek vereerde. Maar dat staat helemaal los van zijn politieke werk. Na de Tweede Wereldoorlog werden pogingen ondernomen christenen los te weken uit christelijke partijen en hen ertoe te bewegen zich bij de Partij van de Arbeid aan te sluiten. Men sprak hierbij van doorbraak. Dit streven ging nota bene van christenen uit, die waren beïnvloed door de Zwitserse theoloog Karl Barth, die principieel bezwaar had tegen christelijke politiek. Deze doorbraaksocialisten wilden overigens wel vanuit hun christelijke overtuiging binnen de sociaal-democratie actief zijn.

In de huidige discussies over christelijke politiek speelt Barth geen rol meer, althans niet expliciet. Monasch en Siderius sluiten zich in zoverre bij de doorbraaksocialisten aan dat zij zich door hun geloof laten inspireren in hun politieke werk. Siderius brengt dat tot uitdrukking door te zeggen dat ze een “christelijke SP’er” is en geen “socialistisch christen”.
In hun verantwoording van hun beslissing zich bij de PvdA respectievelijk de SP aan te sluiten, wijzen zowel Monasch als Siderius op elementen in het verkiezingsprogramma die zij belangrijk vinden. Bij beiden speelt naastenliefde een belangrijke rol, dat praktisch wordt vertaald in bijvoorbeeld aandacht voor armoedebestrijding en zorg voor gehandicapten. Het probleem is uiteraard dat deze partijen ook standpunten hebben waarvan je mag aannemen dat christenen er moeite mee hebben. Beiden erkennen dat die er zijn. Maar ze onderstrepen dat binnen hun partijen ruimte bestaat er op bepaalde punten anders over te denken.

De vraag is hoever die vrijheid gaat. Misschien is er wel vrijheid er anders over te denken en wellicht wordt er in de fractievergaderingen ook serieus naar hun opvattingen geluisterd. Maar hebben ze ook de vrijheid er in het openbaar anders over te spreken? Of wordt dat niet op prijs gesteld, omdat daarmee de eenheid van de partij wordt doorbroken? En hebben ze ook de vrijheid eventueel tegen de partijlijn te stemmen? Het is veelzeggend dat Monasch uiteindelijk, ondanks zijn twijfel, voor het verbod op ritueel slachten heeft gestemd. Even veelzeggend is hoe Siderius reageert op de vraag naar de opvattingen van de SP over het bijzonder onderwijs. Daartoe behoort dat de partij vindt dat een christelijke school iedereen als leerling moet accepteren, ook kinderen van niet-christelijke ouders. Ze erkent dat dit een “lastige discussie” is. Maar in plaats van daartegen in het geweer te komen, geeft ze in feite halverwege toe wanneer ze opmerkt dat het goed is dat kinderen al op basisschoolleeftijd met andere godsdiensten in aanraking komen. Wie zich van dit onderwerp op zo’n oppervlakkige manier afmaakt, heeft de discussie in de partij op voorhand al verloren.

Eén van de oorzaken van de politieke instabiliteit is dat de kiezers niet meer ‘merkentrouw’ zijn. Steeds minder mensen stemmen op grond van een samenhangende levens- of wereldbeschouwing. Het gevolg is dat de politiek uiteenvalt in losse issues, tussen welke men geen verband ziet. Dat lijkt ook in christelijke kring het geval te zijn. Willem Ouweneel schreef in het Nederlands Dagblad van 31 augustus een artikel waarin hij betoogt dat christenen niet seculier kunnen stemmen. Hij erkent veel van gereformeerden geleerd te hebben: zij beklemtoonden dat “Gods Woord gezag heeft over alle levensterreinen”. Hij zegt in feite na wat de gereformeerden decennia geleden graag zeiden: het leven is één. Dat sluit een concentratie op één beleidsterrein, met verwaarlozing van andere, uit. Christenen die zich door een seculiere partij laten kandideren of op zo’n partij stemmen doen in feite niets anders dan winkelen in de bijbel. Ze halen eruit wat zij belangrijk vinden en laten liggen wat hun niet uitkomt.

Dat is een verschijnsel dat bij deze tijd hoort. Volgens opiniepeilingen zou de ChristenUnie veel meer stemmen kunnen trekken wanneer ze haar standpunten over zaken als abortus, euthanasie en homohuwelijk zou aanpassen. Veel niet-christenen – en christenen die op deze punten ‘liberalere’ opvattingen hebben – vinden in haar programma veel dat hun aanspreekt. Ze haken af bij wat als ‘typisch christelijk’ geldt. Daaruit blijkt dat ze de motivatie van de ChristenUnie niet begrijpen. Ze prijzen de partij vanwege haar standpunten op sociaal-economisch gebied of ten aanzien van het milieu en de ontwikkelingssamenwerking. Ze hebben geen oog voor de oorsprong van die standpunten. Als de ChristenUnie zich ten aanzien van de zorg voor het milieu en voor de armsten in de wereld beroept op de Schrift, dan kan ze diezelfde Schrift moeilijk dichtlaten wanneer het om de zorg voor het ongeboren of naar het einde neigende leven gaat. Wanneer de Schrift doorslaggevend is in het spreken over het recht van de armen moet ze dat ook zijn wanneer het over de definitie van het huwelijk gaat. Het omgekeerde geldt uiteraard ook: wie het ongeboren leven verdedigt met een beroep op de Schrift zal ook de zorg voor de armen hoog op de agenda zetten, want de Schrift is daarover bepaald niet onduidelijk.

Wie met de Schrift selectief omgaat en daaruit alleen dat selecteert wat hem van pas komt, capituleert voor de seculiere ideologie dat de mens de maat van alle dingen is. En juist daar ligt het fundamentele verschil tussen seculiere en christelijke politiek. Het christelijk geloof zal altijd veel weerstand oproepen, omdat de Schrift een ongemakkelijk en weerbarstig boek is en een boodschap bevat die de mens tegen de haren instrijkt. Geen wonder dat ook een echt christelijke partij, bij alle waardering, altijd veel weerstand zal oproepen.

Dat geldt ook voor elke christenpoliticus. Wanneer hij op alle terreinen van het leven de Schrift het laatste woord wil geven, wordt het lastig te functioneren in een partij waarin het christelijk geloof hooguit één van de vele inspiratiebronnen is. Het seculiere jasje past een christen niet.

Moraal zonder fundament

De bekering van de Amerikaanse atheïstische blogger Leah Libresco heeft veel stof doen opwaaien, zoals het Nederlands Dagblad op 26 en 30 juni j.l. meldde. Op de weblog waarop zij placht te schrijven en haar bekering tot de rooms-katholieke kerk bekendmaakte kwamen in korte tijd meer dan duizend reacties binnen. Sommige van haar vroegere medestanders betwijfelden of ze ooit wel een echte atheïste geweest was. Voordat we nu het hoofd schudden over zoveel onbegrip of onwelwillendheid is het goed ons af te vragen hoe wij zouden reageren wanneer een gemeentelid dat we als een gelovige broeder of zuster kenden, die zich actief inzette in de gemeente, de kerk en het geloof vaarwel zegt. Hebben we dan ook niet de neiging te denken dat de betrokkene wellicht niet ècht gelovig was of dat zijn of haar geloof niet erg diep zat?

Het is beter zich bij een ommekeer in iemands denken en overtuiging af te vragen waardoor die is veroorzaakt. In het onderhavige geval wordt dat door de betrokkene zelf onthuld. Ze huldigde allerlei ethische standpunten, daaronder ook enkele die ze met christenen deelde. Maar het geloof in een persoonlijke God was voor haar een brug te ver. Het keerpunt was toen haar gevraagd werd wat volgens haar de oorsprong van de moraal was. Daarop moest ze het antwoord schuldig blijven. “In haar laatste bijdrage aan het atheïstische forum legt Libresco haar lezers uit dat ze niet langer uit de voeten kon met moraal als een abstract en afstandelijk gegeven. Dat verklaart namelijk niet waarom een menselijke moraal het goede voor mensen zoekt. ‘Voor mij blijkt daaruit dat het een Persoon moet zijn, of een Waarheid.’ En ja, schrijft ze, ‘er is één religie die de meest beloftevolle route aangeeft hoe die levende Waarheid te ontdekken”’ (ND, 30.6.12).

In de confrontatie tussen gelovigen en ongelovigen speelt de ethiek of moraal een belangrijke rol. Ongelovigen verwijten gelovigen – en vooral orthodoxe christenen – dat ze het alleenrecht op de moraal claimen. Die lijken van mening te zijn dat ongelovigen er geen moraal op na houden. Het is de vraag of christenen dat echt denken, maar in elk geval ervaren ongelovigen dat wel zo. Dat moet serieus genomen worden, want wie als christen met ongelovigen echt in gesprek wil, zal hun wel recht moeten doen. Het is dus belangrijk zorgvuldig te zijn in de manier van argumenteren en zich serieus te verdiepen in wat de gesprekspartners echt vinden.

Onlangs publiceerde Boris van der Ham, Tweede-Kamerlid voor D66, een boekje waarin hij uitlegt dat ook mensen zonder geloof een moraal hebben. Zo’n boekje is ongetwijfeld goede leesstof voor wie een zinvol gesprek met ongelovigen over de moraal wil voeren. Daarbij moet wel bedacht worden dat er ongelovigen in soorten en maten zijn en dus ook veel verschillende ethische opvattingen. Dat is in christelijke kring overigens niet eens zo anders. Maar daarbij stuiten we dan wel op een belangrijk verschil. Christenen zijn aanspreekbaar op de bron waaruit ze putten. Dat geldt in elk geval voor degenen die hun ethische normen uit de Schrift halen. En juist hier ligt het probleem van de moraal van ongelovigen. Dat was ook wat voor Leah Libresco de doorslag gaf afscheid te nemen van het atheïsme. Ze hield er wel een moraal op na, maar vond geen antwoord op de vraag waarop die gebaseerd was.

De meeste ongelovigen vinden met Boris van der Ham dat ook zij een moraal hebben. Beter dan die bewering ter discussie te stellen is het naar de fundering van die moraal te vragen. Wanneer ongelovigen ethische opvattingen hebben, waarop zijn die dan gebaseerd? Wat is hun reikwijdte en hun gewicht?

Wanneer het over moraal gaat moet duidelijk zijn wat daaronder precies wordt verstaan. Vrijwel iedereen heeft bepaalde morele principes waarnaar hij probeert te leven. Dat hoeft niet te betekenen dat men die principes ook van anderen verwacht. In één van de reacties op het artikel van Leah Libresco stelt iemand: “Er is geen universele moraal”. Dat betekent dat men nooit kan zeggen: “gij zult”. Daarin ligt een fundamenteel verschil tussen gelovigen en ongelovigen. Dat heeft alles te maken met wat men als oorsprong van de moraal ziet. De christelijke ethiek heeft haar wortels in de Schrift en is daarom per definitie universeel. De Tien Geboden zijn daarvan het meest sprekende voorbeeld. Die universaliteit berust uiteindelijk op het feit dat de bron van de christelijke ethiek buiten de mens ligt. Waardoor ongelovigen zich in hun ethische keuzes ook laten inspireren, uiteindelijk ligt de bron van hun ethiek in de mens zelf. De mens is de maat van alle dingen.
De conclusie dat er geen universele moraal bestaat is dan onontkoombaar.

In het bovenstaande ging het over de personele ethiek. Wanneer die gebaseerd is op menselijke overtuigingen, hoe zit het dan met de publieke ethiek? Een belangrijk deel van de wetgeving brengt de publieke moraal tot uitdrukking: bepaalde gedragingen worden als gewenst dan wel ongewenst aangemerkt. Uiteraard komt wetgeving tot stand via politieke meerderheden. De daarin tot uiting gebrachte moraal is daarmee in feite de moraal van de meerderheid. Toch zullen maar weinig politici dat als doorslaggevend argument voor wetgeving gebruiken. Ze zijn van mening dat de desbetreffende wetgeving goed is voor de samenleving. Daarmee brengen ze in feite tot uitdrukking dat bepaalde ethische opvattingen wel degelijk universeel zijn.

Sommigen beperken die universaliteit tot de eigen maatschappij of eventueel de internationale cultuur waartoe zij behoort. Ze menen dat andere culturen het recht hebben er andere ethische normen op na te houden. In dit verband spreekt men wel van cultuurrelativisme. Daartegenover staan degenen die menen dat bepaalde ethische normen universeel zijn en de verschillen tussen de culturen overstijgen. Dat komt bijvoorbeeld tot uitdrukking in de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens.

Het zal duidelijk zijn dat dit een problematische positie is. Ongelovigen beweren soms dat wie zich op het christelijk geloof – en uiteindelijk de Schrift – beroept, zich in feite buiten de discussie plaatst, omdat de bron niet ter discussie staat. Die kritiek slaat op henzelf terug, want hun ethische bron – de mens zelf – staat evenmin ter discussie. Ooit werd via de radio een spotje van het Humanistisch Verbond uitgezonden, waarin expliciet werd gezegd dat humanisten geloven in de mens. Voor ongelovigen mag een beroep op de Schrift irrelevant zijn, voor christenen is een beroep op de mens als maat van alle dingen dat evenzeer.

Niet toevallig kwam Leah Libresco vanuit de vraag naar de oorsprong van de moraal bij het christelijk geloof terecht. Zonder een stevig fundament dat buiten de mens zelf ligt komt de personele en de publieke moraal in de lucht te hangen. Dat valt me steeds weer op bij het lezen van de krant. Neem nu het interview met de Australische ethicus Peter Singer in het Nederlands Dagblad van 7 juli j.l. Hij ziet geen fundamenteel verschil tussen mens en dier en geeft de mens het recht een kind te doden, wanneer naar de mening van ‘deskundigen’ en ouders de kwaliteit van het leven negatief is. Het valt moeilijk in te zien hoe zijn opvattingen kunnen worden weerlegd vanuit een moraal die – evenals die van Singer – zijn oorsprong vindt in de mens zelf. In het kader van de noodzakelijke bezuinigingen richten sommige politieke partijen hun pijlen op de ontwikkelingssamenwerking. Daarover wordt in de pers geschreven, maar daarbij gaat het – behalve over de vraag naar de effectiviteit van die uitgaven – vooral over het effect van bezuinigingen op de Nederlandse invloed in de wereld. De ethische dimensie blijft meestal onderbelicht. Dat is geen wonder: wanneer de bijbelse notie van het recht van de armen uit het zicht verdwijnt, blijven er alleen nog maar pragmatische argumenten voor of tegen over. Ook over onderwerpen als immigratie en integratie valt uiteindelijk niet zinvol te discussiëren zonder een bijbelse visie op begrippen als land, volk en natie.

In de confrontatie tussen christenen en ongelovigen gaat het uiteindelijk niet om de vraag wat hun ethische opvattingen zijn, maar vooral om de vraag waarin die gefundeerd zijn. Een moraal die gebaseerd is menselijke inzichten, kan geen aanspraak maken op universele geldigheid.

Christelijke kruistocht of de vrede van de stad

Vrijdag 22 juli 2011 werd de wereld opgeschrikt door twee terreurdaden die – volgens de toen bekende cijfers – bijna 100 dodelijke slachtoffers opleverden. Nadat aanvankelijk algemeen werd aangenomen dat de daders in de islamitische wereld gezocht moesten worden, werd na de arrestatie van de vermoedelijke dader duidelijk dat het om een autochtone Noor ging. Opvallend was een toevoeging die in de media rondzong: hij zou zich als een conservatief christen beschouwen. Hadden we het nu eens niet met een fundamentalistische moslim, maar met een fundamentalistische christen te doen?

Inmiddels is dat beeld nogal gecorrigeerd en hoor je die verwijzingen vrijwel niet meer. Dat is vooral te danken aan de publicaties die de dader op het internet heeft gezet en gedeeltelijk ook verspreid. Daarin komt niet bepaald een beeld naar voren dat doet denken aan fundamentalistische christenen, zoals we die uit andere landen – vooral de Verenigde Staten – kennen. Duidelijk is inmiddels dat Breiviks christendom vooral van culturele aard is. Daarin lijkt hij op Geert Wilders. Die schermt wel met de christelijk-joodse cultuur, die beschermd moet worden tegen de ‘islamisering’, maar hij noemt zichzelf een atheïst. Breivik zegt van zichzelf dat hij niet bijzonder religieus is. En wie kijkt door wie hij zich heeft laten inspireren komt geen opvallende figuren uit de christelijke wereld tegen. Hij heeft scherpe kritiek geuit op de (staats)kerk van Noorwegen, maar dan vooral vanwege haar zijns inziens slappe houding ten aanzien van de islam. Over de theologische koers van die kerk – het toelaten van vrijzinnigheid bijvoorbeeld – hoor je hem niet.

Dat is een hele opluchting. Nu hoeven we ons als christenen tenminste niet voor de wandaden van Breivik te verantwoorden. Of dachten sommigen wellicht dat alleen moslims zich moeten verantwoorden wanneer één van hen zich aan terrorisme schuldig maakt?
Maar zo gemakkelijk komen we er niet vanaf. Breivik grijpt vooral terug op de middeleeuwen. Dat is de tijd van de kruistochten, van de ridders zonder vrees of blaam, die een goed werk voor God dachten te doen toen ze talloze ‘ongelovigen’ over de kling joegen in hun strijd voor de ‘bevrijding’ van het ‘Heilige Land’. Daarvan kunnen christenen zich niet zomaar distantiëren alsof het niet tot hun eigen geschiedenis behoort. De kruistochten vonden plaats met toestemming van en zelfs gestimuleerd door de nog ongedeelde christelijke kerk. De kruisvaarders gingen op weg met de zegen van de ambtsdragers van de kerk. En hun kreet “God wil het” werd door de kerk niet weersproken. Integendeel.

En dan zijn er nog de moderne kruisvaarders. Dan kan gedacht worden aan degenen die aanslagen plegen op abortusklinieken in de Verenigde Staten of abortusartsen vermoorden. Ook zij zijn ervan overtuigd een godvruchtig werk te verrichten. En ook daar zijn geestelijken te vinden die hen eerder in deze overtuiging sterken dan die weerspreken. Ver van ons bed? Dat valt te bezien. In Nederland loopt iemand rond die zich ‘joods-christelijk pastor’ noemt en geen traan laat om de doden van Oslo en Utøya.

Zowel het verleden als het heden leveren voldoende redenen voor christenen om niet al te hoog van de toren te blazen als het om de bezinning over de aanslagen in Noorwegen gaat. Want ook zij blijken tot wandaden in staat te zijn.

Terroristen die zich door een religieus of ideologisch ideaal laten leiden hebben vaak één ding gemeen: ze hebben zich overgegeven aan een utopie. Die bestaat vooral daarin dat men meent een bepaald veelomvattend ideaal – soms zelfs geproclameerd als ‘heilstaat’ – te kunnen realiseren. Wanneer dat niet lijkt te lukken, laten ze zich niet ontmoedigen. Ze komen al helemaal niet tot het inzicht dat de realisering misschien helemaal niet binnen de menselijke mogelijkheden ligt. Ze zijn er zo diep van overtuigd dat het door menselijke inspanning tot stand gebracht kan worden dat ze gaan zoeken naar factoren die obstakels vormen. En dat blijken dan niet zelden mensen of groepen van mensen te zijn. De zondebok is geboren.

Na de Russische revolutie waren het de boeren, in het nationaal-socialisme de joden, in het Cambodja van Pol Pot de intellectuelen – ze stonden de realisering van het nagestreefde ideaal in de weg. Breivik streeft naar een Europa dat vrij is van de islam. Zijn agressie richt zich echter niet in de eerste plaats tegen moslims; zij waren niet het doelwit van zijn aanslagen. Hèt obstakel voor het ontstaan van een islam-vrij Europa is de politieke en maatschappelijke elite, en die bestaat in Noorwegen voor een groot deel uit de sociaal-democraten. Daarom waren die het doelwit van zijn terreur.

Dat lijkt allemaal ver van christenen af te staan. Die geloven immers niet in een utopie. De heilstaat – in christelijke termen: het koninkrijk van God – wordt niet door mensen tot stand gebracht. Het komt van God en daalt vanuit de hemel neer. Het krijgt pas volledig gestalte na de terugkomst van Jezus Christus en de vernieuwing van de hemel en de aarde. Maar christenen geloven ook dat het koninkrijk al tijdens de geschiedenis zich begint af te tekenen en dat ze zelf een rol mogen spelen in de komst van dat koninkrijk. En daar zit een gevaar. Sommige christenen lijken wel erg goed te weten hoe dat koninkrijk er uit zal zien. En ze kunnen zomaar in de verleiding komen daar een tastbare bijdrage aan te leveren die zich niet verdraagt met de bijbelse notie dat het koninkrijk van God niet door geweld tot stand komt. De middeleeuwse kruisvaarder kan zomaar opnieuw tot leven komen.

Ik denk dat in deze tijd een ander gevaar christenen meer bedreigt. Ze zijn in de westerse wereld in toenemende mate een minderheid geworden, waarmee in het maatschappelijk leven steeds minder rekening wordt gehouden. Ook politiek worden ze steeds minder relevant. De deelname van de Christenunie aan het vorige kabinet en de spilpositie van de SGP in de huidige politieke constellatie veranderen daar niets aan. Veel Nederlanders voelen zich vreemden in eigen land en zien hun positie bedreigd door de islam of door Europa of door de globalisering. Ze vrezen dat hun de regie over hun leven uit handen wordt genomen en keren zich steeds feller tegen wat ze als de veroorzakers daarvan beschouwen.

Veel christenen zullen dat gevoel herkennen. Ze belijden wel dat ze vreemdelingen zijn op aarde, maar in de praktijk viel dat vaak nog wel mee. Er waren christelijke organisaties die ertoe deden en niet weinig sleutelposities in de maatschappij werden door mensen bekleed die in elk geval geworteld waren in de christelijke wereld. Die tijden zijn voorbij. Christenen ervaren de vreemdelingschap steeds meer aan den lijve. En dan is het gevaar niet denkbeeldig dat ze zich gaan afkeren van de maatschappij en meegaan in de wereldse trend naar zondebokken te zoeken.

Voor Breivik en voor Wilders zijn dat wat zij als de politieke en maatschappelijke elite beschouwen. En die associëren zij vooral met ‘links’, vertegenwoordigd door partijen als D66, GroenLinks en de PvdA. Deze zijn de belangrijkste obstakels op de weg naar hun ideaal, een Europa zonder moslims. Het valt te vrezen dat ook christenen dat tot hun ideaal maken. Ook onder hen voelen velen de islam als een bedreiging voor hun positie. Daarbij wordt verwezen naar de weinig benijdenswaardige situatie van christenen in islamitische landen. De dreiging van een toenemende marginalisering komt nog uit een andere hoek: de in toenemende mate als agressief ervaren ‘seculieren’. Die vinden ze grotendeels bij dezelfde partijen die Geert Wilders en zijn PVV bestrijden. En dat verklaart waarom een toenemend aantal christenen zich in het kamp van Wilders schaart.

In mijn politieke weblog Dingen van de Dag heb ik betoogd dat de terreurdaden van Breivik aanleiding zouden moeten zijn tot bezinning op het politieke en maatschappelijke klimaat in Nederland. Christenen zouden hier een belangrijke rol in kunnen spelen. Maar dat kan alleen wanneer ze eerst enig zelfonderzoek doen.

Wat is de taak van christenen in de maatschappij? De brief van de profeet Jeremia aan de Joodse ballingen in Babylonië is in dit verband bijzonder relevant. Zou je hun positie in de Babylonische samenleving niet met die van christenen in de westerse, grotendeels ontkerstende maatschappij kunnen vergelijken? En lijkt hun ballingschap niet op de vreemdelingschap van de westerse christenen? Dit is wat Jeremia schrijft: “Bid tot de Heer voor de stad waarheen ik jullie weggevoerd heb en zet je in voor haar bloei, want de bloei van de stad is ook jullie bloei” (Jer. 29,7). De ballingen worden opgeroepen deel te nemen aan het economische en maatschappelijke leven, ook al worden ze publiek vernederd (Psalm 137). En uit het boek Daniël kunnen we concluderen dat ook het nemen van verantwoordelijkheid op het politieke vlak bepaald geen taboe was.

Christenen moeten zich dus niet laten meeslepen in de populistische afkeer van de samenleving en de daarin functionerende instituties. Net als in de dagen van Daniël nemen die beslissingen die strijdig zijn met de wil van God. Maar dat is geen reden zich daarvan af te keren en die instituties zelf in de beklaagdenbank te zetten. En dat is precies wat de PVV doet, of het nu ‘de politiek’, ‘de rechterlijke macht’ of ‘de cultuur’ is. Het is juist de voortdurende voeding van de publieke afkeer van het ‘establishment’ die bijdraagt aan het ontstaan van een maatschappelijk klimaat waarin mensen naar geweld kunnen grijpen omdat ze het geloof in de politiek hebben verloren. Flirten met de anti-establishmentretoriek van Wilders is bepaald geen onschuldige bezigheid, zoals de terreur van Breivik laat zien.

Het maatschappelijke en politieke klimaat zou er mee gebaat zijn wanneer juist christenen, die zich steeds vaker vreemden in eigen huis voelen, desondanks volop blijven deelnemen aan de samenleving. Juist zij zouden ervoor moeten waken dat bepaalde instellingen of groepen mensen als zondebokken worden weggezet, of dat nu ‘de seculieren’ of ‘de moslims’ zijn. In andere vertalingen van het geciteerde vers uit Jeremia 29 wordt gesproken over de “vrede van de stad”. Die vrede ligt niet in de uitsluiting van groepen mensen op grond van hun religieuze of politieke overtuiging, maar in het zoeken naar wat verbindt en het bouwen van bruggen die de samenleving – bij alle blijvende verschillen – leefbaar houden.

Ruimte voor geloof

Onder bovenstaande titel schreef Tijs van den Brink een column in Visie, het programmablad van de EO (22-28.5.10). Hij begint zijn column met de vraag: “Is de vrijheid van godsdienst in ons land serieus in gevaar?” Aanleiding voor die vraag zijn de reacties van gesprekspartners in zijn programma ‘Moraalridders’ als hij en Andries Knevel de vrijheid van gelovigen aan de orde stelden. Hij meldt dat Femke Halsema van GroenLinks vindt dat religieuze organisaties sollicitanten die geen christen of moslim zijn niet mogen weigeren. En Alexander Pechtold van D66 vindt dat orthodoxe scholen vrijzinnige docenten niet mogen weigeren alleen omdat ze vrijzinnig zijn. Ervan uitgaande dat Van den Brink de opvattingen van beide politici correct weergeeft, laat dat zien dat met de mond beleden vrijheden – met name vrijheid van godsdienst en vrijheid van vereniging en vergadering – in de praktijk zeker niet onbedreigd zijn. Maar sinds de uitspraak van de Hoge Raad over het ‘vrouwenstandpunt’ van de SGP wisten we dat al.

Van den Brink denkt dat het niet zo’n vaart loopt. “Maar een typisch Nederlandse verworvenheid, zoals de vrijheid van onderwijs, zou in haar huidige vorm wel eens zijn langste tijd gehad kunnen hebben”, schrijft hij aan het eind van zijn column. Het gevaar moet inderdaad niet overdreven worden. De opvattingen van mensen als Halsema en Pechtold zijn nog lang geen beleid. En uit de nasleep van de ‘SGP-uitspraak’ blijkt dat niet alleen christenen van mening zijn dat de staat daarmee de grenzen van zijn bevoegdheden heeft overschreden, en dat dit vèrgaande en ernstige consequenties kan hebben, en zeker niet alleen voor christenen.

Maar de waarschuwing dat vooral de vrijheid van onderwijs onder vuur zal komen te liggen, lijkt me eveneens terecht. Het aangekondigde wetsvoorstel van D66 dat bijzondere scholen het recht ontneemt een leraar te ontslaan dan wel niet aan te nemen omdat hij een homosexuele relatie heeft, wijst al in die richting. Het is geen wonder dat een bij uitstek anti-christelijke partij als D66 haar pijlen vooral op het onderwijs richt. Juist daar vindt immers voor een belangrijk deel de overdracht van normen en waarden plaats. En een partij als D66 – en dat geldt niet minder voor partijen als GroenLinks en de VVD – ziet heel goed in dat juist de inperking van de vrijheid van onderwijs een middel is om de geloofsoverdracht tegen te gaan.

Ook wanneer er geen reden is al te alarmistisch te reageren op zulke ontwikkelingen, het christelijk onderwijs doet er goed aan zich erop voor te bereiden dat haar vrijheid sterk wordt ingeperkt. Voor het gereformeerd onderwijs is er geen reden achterover te leunen, alsof haar niets kan gebeuren. Natuurlijk staat ze in zekere zin sterker. Gereformeerde scholen hebben immers een grondslag, die iemand die een homosexuele relatie heeft, in eerlijkheid niet kan onderschrijven. Het komt er dan wel op aan die grondslag serieus te nemen, ook bij sollicitatieprocedures.

Het verruimen van het personeelsbeleid is in dit licht nogal riskant. Gereformeerde scholen zijn ertoe overgegaan ook leerkrachten uit andere dan de vrijgemaakt-gereformeerde kerken aan te nemen, vooral de Christelijke Gereformeerde Kerken (CGK) en de Nederlands-Gereformeerde Kerken (NGK). Aangezien geloof en kerk niet van elkaar losgemaakt kunnen worden, verdient dit beleid geen bijval. De toenemende bedreiging van de vrijheid van onderwijs is een reden te meer hier nog eens kritisch naar te kijken.

De kans dat een sollicitant uit één van deze kerken zich als ‘vrijzinnig’ ontpopt, lijkt me niet erg groot. Veel waarschijnlijker is het dat een sollicitant ongehuwd samenwoont of een homosexuele relatie blijkt te hebben. Christelijke organisaties worden geconfronteerd met het feit dat juist hierover ook binnen orthodoxe christelijke kerken uiteenlopende opvattingen bestaan. Als gevolg daarvan loopt ook het beleid van kerkenraden, bijvoorbeeld in de toepassing van censuur, sterk uiteen. Dat geldt in het bijzonder voor de NGK. Binnen dat kerkverband zijn er bijvoorbeeld kerkenraden die geen bezwaar hebben tegen homosexuele ambtsdragers die een relatie hebben. En een kind van lesbische ouders kan daar gedoopt worden.

Het gereformeerd onderwijs moet zich niet in allerlei bochten gaan wringen of allerlei trucs uit gaan halen om een confrontatie met de overheid te voorkomen. Het moet juist zelfbewust de confrontatie aangaan. Op deze manier kan ze ook duidelijk maken waar ze voor staat en waarom. Maar anderzijds, ze moet zich niet nodeloos kwetsbaar maken wanneer de overheid het bijzonder onderwijs de duimschroeven aandraait. Dat betekent dat niet alleen de grondslag voluit moet functioneren, maar dat ook de exclusieve binding met de Gereformeerde Kerken moet worden gehandhaafd en waar nodig hersteld. Die kerken moeten dan wel hun eigen grondslag – de Schrift en de gereformeerde belijdenis – handhaven en ernaar handelen, ook wanneer dat bij deze en gene weerstand oproept. In het verlengde daarvan ligt de consequente toepassing van censuur. Dat is ook in het belang van het gereformeerd onderwijs.