Archief

Posts Tagged ‘De Reformatie’

Kerkelijke klokkenluiders

Op zaterdag 29 september j.l. was een aantal leden van de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) (GKV) bijeen in Bunschoten. Daar uitten zij hun zorg over ontwikkelingen in hun kerkelijke gemeenschap. Er werden toespraken gehouden en er werd een verklaring voorgelezen. Deze zal nog een definitieve vorm krijgen. Ik zal me daarom van inhoudelijk commentaar onthouden, ook gezien het feit dat ik de bijeenkomst niet heb bijgewoond. De hier gemaakte kanttekeningen zijn dan ook gebaseerd op de berichtgeving in de pers.

Op 27 september publiceerde het Nederlands Dagblad een vooruitblik op de bijeenkomst. Opvallend is het slot van het artikel. “Intussen gaat het gewone vrijgemaakte leven door. Wie denkt dat dat bol staat van zorg en verontrusting, vergist zich. Het tegendeel lijkt eerder waar: oeverloze discussies over de koers van de kerken en over omstreden synodebesluiten behoren tot het verleden. De onderwerpen waarover Douma en Wilschut zich zorgen maken, lijken een groot deel van de vrijgemaakt-gereformeerde kerkleden niet (meer) bezig te houden.” Over de omvang van de verontrusting valt geen zinnig woord te zeggen. De opkomst in Bunschoten – volgens het Nederlands Dagblad zo’n 500 – kan op geen enkele manier als maatstaf dienen. Juist doordat in de GKV de plaatselijke kerk een grote mate van autonomie heeft, onttrekt zich de omvang van de verontrusting aan de waarneming. Wie weet hoeveel bezwaarschriften en brieven op kerkenraadstafels terecht komen? En hoeveel gemeenteleden hebben inmiddels de hoop opgegeven dat daarmee iets wordt gedaan en hebben het hoofd in de schoot gelegd?

Het zou best eens waar kunnen zijn dat een groot deel van de vrijgemaakt-gereformeerde kerkleden zich niet meer bezighoudt met de zaken die in Bunschoten aan de orde kwamen. Maar dat zou nu wel eens precies een deel van de kwaal kunnen zijn waaraan de GKV lijden. Zaken die er volgens de Schrift en de gereformeerde belijdenis toe doen, worden als achterhaald of irrelevant ter zijde geschoven. Dat is reden te meer een appèl te doen op de kerken om die zaken weer de aandacht te geven die ze behoren te hebben. En zelfs al behoort slechts een kleine minderheid van de leden van de GKV tot de ‘verontrusten’, dat zegt niets over de vraag of ze gelijk dan wel ongelijk hebben. De waarheid wordt niet bij meerderheid van stemmen bepaald.

De hoofdredacteur van De Reformatie, ds. B. Luiten, verwijt de opstellers van het Appèl dat zich keert tegen het verzoek van de Stroomgemeente in Amsterdam toegelaten te worden tot het kerkverband, “onkerkelijk handelen” (Nederlands Dagblad, 24.9.12). Je wrijft toch wel even je ogen uit als je zoiets leest. Het is uiteraard uitstekend dat wordt aangedrongen op correct kerkelijk handelen. Maar dan wel graag consequent en niet alleen als het even goed uitkomt. Wie geen vreemde is in de GKV weet dat kerkelijke afspraken op plaatselijk niveau op grote schaal worden genegeerd.

Er vinden kerkelijke huwelijksbevestigingen plaats van bruidsparen waarvan één van de partners geen lid van een GKV is – in strijd met kerkelijke bepalingen. Er zijn gemeenten waar in de diensten op zondagmorgen de wet niet meer wordt voorgelezen of er een versie van eigen makelij wordt gebruikt – in strijd met wat daarover is afgesproken. In sommige gemeenten is de middagdienst afgeschaft of worden diensten gehouden die het etiket ‘kerkdienst’ niet verdienen. Dat zijn nog maar enkele voorbeelden. Ik heb niet de indruk dat kerkelijke vergaderingen zich erg inspannen hier corrigerend op te treden.

“Volgens Luiten “is buiten deze classis op dit moment niemand geroepen om over dit verzoek te oordelen””, schrijft het Nederlands Dagblad. Het gaat hier echter om een zaak waarover veel publiciteit is geweest. Het lijkt er niet op dat de classis Amsterdam-Leiden of de Stroomgemeente erg hun best hebben gedaan te voorkomen dat de kwestie in de openbaarheid kwam. Wanneer een predikant in zijn kerkblad of vanaf de kansel een opvatting ventileert die wordt geacht in strijd te zijn met de Schrift en de gereformeerde belijdenis, kan dat aan de classis worden voorgelegd. Dan moet de zaak daar ook blijven. Maar wanneer die predikant zijn visies door een publicatie in de openbaarheid brengt, heeft ieder kerklid – en dat sluit collega-predikanten in – het volste recht daarover een oordeel uit te spreken. En dan hebben we nog te maken met iets wat in principe tot tuchtmaatregelen zou kunnen leiden. Daarvan is hier geen sprake. Het gaat hier om de vraag of een gemeente als lid in volle rechten tot het kerkverband kan worden toegelaten, waar opvattingen en kerkelijke praktijken ruim baan krijgen waarvoor binnen het kerkverband tot dan toe geen plaats was. Niet alleen het publieke karakter van de zaak maar ook de reikwijdte van een eventueel positief besluit is een reden hierover ook publiek te discussiëren.

Luiten is ook van mening dat het Appèl wantrouwen heeft gezaaid. Hier haalt hij oorzaak en gevolg door elkaar. Het Appèl geeft inderdaad blijk van wantrouwen, zoals prof. J. Douma, één van de opstellers, ook heeft toegegeven. Maar dat wantrouwen is het resultaat van de kerkelijke ontwikkelingen. Van wantrouwen tegenover de betrokken classis is alle reden, gezien de afwachtende en zelfs toegeeflijke houding die ze in het recente verleden heeft ingenomen, bijvoorbeeld toen de Stroomgemeente besloot de doop als norm te laten vallen en die in feite tot specialité de la maison te reduceren. De kerk waaruit Stroom is opgezet en de classis hebben door hun opstelling zelf wantrouwen gezaaid. Ook de manier waarop met kerkelijke regels wordt omgegaan, zoals hierboven al geschetst, draagt bij tot het ontstaan van een klimaat van wantrouwen. Van een onbekrompen binding aan de belijdenis lijkt niet altijd sprake. Wie denkt dat kerkenraden altijd doen wat hun opdracht is – het onverkort uitdragen van de gereformeerde belijdenis en alles weerleggen wat die belijdenis weerspreekt – mag het zeggen.

Zolang een belangrijk deel van de kerkelijke gemeenschap rustig slaapt in de waan dat er vrede heerst en er geen gevaar dreigt hebben we klokkenluiders hard nodig.

Advertenties

Jacob Kamphuis, oecumenicus

Over de doden niets dan goeds, zegt een van oorsprong Latijnse uitdrukking. Dat betekent dat men na iemands overlijden zijn fouten en gebreken zo veel mogelijk ongenoemd laat. Daar komt in de praktijk meestal niet veel van terecht. Want over de meeste doden valt wel iets in negatieve of in elk geval kritische zin te zeggen. Dat geldt zeker wanneer iemand een belangrijke rol in het openbare leven heeft gespeeld. Daar is op zichzelf niets tegen, zolang daarbij rekening wordt gehouden met tijd en plaats. Er is een tijd om kritiek te leveren en een tijd om zich van kritiek te onthouden. Dat geldt ook bij het overlijden van Jacob Kamphuis op 13 december j.l.

Vele jaren was hij actief als hoogleraar aan de Theologische Hogeschool – zoals die toen nog heette – van de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) in Kampen, eerst in kerkgeschiedenis en kerkrecht en vervolgens in de dogmatiek. Lange tijd was hij ook in veel opzichten het ‘gezicht’ van zijn kerken, niet in de eerste plaats als hoogleraar, maar vooral als vruchtbaar auteur van artikelen, met name in De Reformatie. In de kerkstrijd die de Gereformeerde Kerken in de jaren ’60 van de vorige eeuw verscheurde en die tot het ontstaan van de Nederlands Gereformeerde Kerken leidde, speelde hij een centrale rol. Vooral dat laatste heeft hem de naam bezorgd de deuren van zijn kerken naar de buitenwereld gesloten te willen houden. Ten onrechte.

Niet voor niets zette ik boven dit artikel als typering oecumenicus. Want Kamphuis was een man met een brede blik. Hij had een grote en intense belangstelling voor de cultuur waarin hij en zijn kerken zich bevonden. Daarom confronteerde hij zich met filosofische en literaire uitingen van die cultuur. Maar de betiteling als oecumenicus verdient hij vooral omdat de heilige, algemene, christelijke kerk – zoals de Apostolische Geloofsbelijdenis daarover spreekt – in het middelpunt van zijn aandacht stond.

Wanneer die belijdenis in een kerkdienst wordt uitgesproken of gezongen, wordt dat vaak ingeleid met de woorden: “We belijden in gemeenschap met de kerk van alle tijden en plaatsen”. En daarnaar ging Kamphuis’ belangstelling uit. Dat kwam tot uiting in zijn werk als hoogleraar. Als kerkhistoricus met een grote dogmatische belangstelling en als dogmaticus met kerkhistorische bagage trok hij lijnen van het verleden naar het heden. Daarmee onderstreepte hij de continuïteit in het kerkvergaderend werk van Christus. Hij liet daarin ook de actualiteit van het verleden voor het heden zien. In dit aspect van zijn werk stond de kerk van alle eeuwen centraal. In zijn emeritaatsperiode gaf hij daaraan een vervolg toen hij zich via het GemeenteNproject inzette voor de kerk van de toekomst. Door middel van dit project werden jonge gelovigen gestimuleerd zich in te zetten voor de kerk.

Daarnaast had hij ook oog voor de kerk van alle plaatsen. Zijn interesse bleef niet beperkt tot de kerk zoals die zich in Nederland manifesteert. In zijn veelvuldige contacten met gelovigen en kerken over de grenzen – bijvoorbeeld in Oost-Europa – gaf hij blijk van een echte oecumenische instelling. Hoezeer hij de gereformeerde belijdenis en het gereformeerde kerkrecht in Nederland tegen aanvallen verdedigde, hij realiseerde zich – juist als kerkhistoricus – heel goed dat God met zijn kinderen in verschillende landen en culturen verschillende wegen kan gaan. Een neerlandocentrische visie was hem vreemd.

Zijn inzet in de kerkstrijd van de jaren ’60 is daarmee niet in tegenspraak. Integendeel. Het begrip ‘oecumene’ is in de loop van de 20e eeuw in de greep gekomen van degenen die het gezag van de Schrift ter discussie stelden en vraagtekens plaatsten bij haar eenduidigheid en blijvende geldigheid. Belijdenissen konden hooguit als specifieke interpretaties van de Schrift worden beschouwd, die op gelijke hoogte staan met andere, soms geheel tegengestelde interpretaties. Met echte oecumene, die de eenheid van de kerk van alle tijden en plaatsen handhaaft en bevordert, heeft dat niets te maken. In die zin is Kamphuis’ verdediging van de ‘gereformeerde religie’ – zoals prof. J. Douma in het Nederlands Dagblad van 15 december j.l. het noemde – bij uitstek een blijk van oecumenische gezindheid. Wie de gereformeerde religie – wat niets anders is dan de leer van apostelen en profeten – tegen aanvallen verdedigt, komt daarmee ook op voor de eenheid van de kerk van alle tijden en plaatsen. Die eenheid wordt verbroken wanneer ieder de vrijheid gelaten wordt in de Schrift te lezen wat hem uitkomt. Een binding aan de gereformeerde leer is geen benepenheid en geen vorm van kerkisme, maar een daad van oecumenische betekenis.

Vooral in zijn oecumenische gezindheid en werk ligt de blijvende betekenis van Jacob Kamphuis.

Een kudde zonder herders? (4)

Na een onderbreking sluit ik met deze vierde aflevering de serie onder de titel “Een kudde zonder herders?” af. Waar ging het ook al weer over? Prof. Douma wees er op zijn website op dat veel lezers van gereformeerde persorganen het gevoel hebben dat zij geen begeleiding meer krijgen. Uit zijn verdere betoog valt op te maken dat hij doelt op leiding. In het vervolg neemt hij dan De Reformatie en het Nederlands Dagblad op de korrel.

In het eerste artikel wees ik erop dat de leiding die in het verleden werd gegeven door bladen als De Reformatie en het Gereformeerd Gezinsblad – voorganger van het Nederlands Dagblad – niet berustte op enig ambtelijk gezag, maar op de brede aanvaarding van de leiding die de scribenten in de genoemde bladen gaven. In het tweede artikel betoogde ik dat de taak leiding te geven berust bij de ambtsdragers in de kerkelijke gemeenten, die daartoe door God zelf geroepen zijn. In het derde artikel ging het vervolgens over de manier waarop de gemeente daarmee moet omgaan en vooral hoe ze moet reageren wanneer er geen of verkeerde leiding wordt gegeven.

Het is nu tijd terug te keren naar het betoog van Douma. Hij noemt enkele voorbeelden van bijdragen in De Reformatie en het Nederlands Dagblad waarin – naar zijn mening – geen leiding wordt gegeven of een verkeerde weg wordt gewezen. Doet hij de desbetreffende bladen en de betrokken scribenten recht?

Douma noemt allereerst enkele voorbeelden van artikelen in De Reformatie waarin naar zijn mening verhullend gesproken wordt, bijvoorbeeld over de zonde van het ongehuwd samenwonen en de manier waarop daarmee in de tuchtoefening moet worden omgegaan. Uit een reactie van de schrijver van het artikel over het genoemde onderwerp en het antwoord van Douma daarop blijkt dat het verschil uiteindelijk minder groot is dan aanvankelijk het geval leek. Dat is ook bij een ander door hem genoemd artikel het geval. In beide gevallen moet wel geconstateerd worden dat sommige auteurs blijkbaar niet in staat zijn een duidelijke visie te formuleren die geen aanleiding is voor misverstanden. Of zou de oorzaak zijn dat de auteurs een beetje bang zijn al te scherp uit de hoek te komen? Natuurlijk, wie iets aan papier toevertrouwt, moet voorzichtig zijn. Het geschrevene kan zomaar z’n doel missen. Maar wanneer het geschrevene onduidelijkheid tot gevolg heeft of misverstanden veroorzaakt, mist het zijn doel evenzeer.

Naar aanleiding van de opmerkingen van Douma over enkele artikelen in De Reformatie maak ik nog twee algemene opmerkingen. In de eerste plaats: wanneer een predikant een artikel schrijft, is hij niet minder gebonden aan de Schrift en de belijdenis dan wanneer hij op de kansel staat. Dat betekent dat ook hier de kerkenraad de taak heeft toezicht te houden op wat hij naar voren brengt. Wanneer een gemeentelid meent dat zijn predikant in bijvoorbeeld De Reformatie een artikel heeft geschreven dat niet in overeenstemming is met de Schrift, is hij gerechtigd hem – en eventueel zijn kerkenraad – daarop aan te spreken.
Het tweede is dat in het aanvankelijk door Douma bekritiseerde artikel de hedendaagse cultuur een belangrijke rol speelt. De neiging zich aan te sluiten bij de ‘post-christelijke’ cultuur is vooral op het terrein van de kerkplanting nogal sterk. Het is een onderwerp dat belangrijk genoeg is om er nog eens apart op terug te komen.

In zijn beschouwing over de koers van het Nederlands Dagblad schetst Douma eerst hoe de krant zich van een exclusief op de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) gericht blad heeft ontwikkeld tot een blad dat als ondertitel “christelijk betrokken” draagt. Als journalisten werden ook leden van andere kerken aangetrokken. Douma schrijft: “Toch leek het er voor een korte tijd op dat het gereformeerde karakter een stempel op de krant zou blijven drukken. Helaas is daar weinig van terecht gekomen. Juister lijkt het mij daarom de krant maar gewoon ‘christelijk betrokken’ te noemen, wat ook op de voorpagina staat. En wat ‘christelijk betrokken’ betekent, is zeer rekbaar, zoals uit menig artikel en ook uit de sfeer van de krant blijkt.”

Douma specificeert dan zijn kritiek op de koers van de krant. Hij gaat allereerst in op de manier waarop ‘religieus nieuws’ wordt ingevuld. Daaronder vallen allerlei nieuwsberichten en artikelen die niets met ‘gereformeerd’ te maken hebben. Daar heeft hij op zich gelijk in; zijn voorbeelden zijn welsprekend genoeg. Maar: moet ‘religie’ worden ingevuld als ‘gereformeerd’? De genoemde artikelen hebben zeker wat met ‘religie’ te maken, zoals dat begrip in de maatschappij gehanteerd wordt. Ik kan me best voorstellen dat Douma aan de genoemde bijdragen geen behoefte heeft. Maar dat is geen criterium. Het feit dat ik economisch nieuws oversla, is voor mij geen reden te zeggen dat het er niet in zou moeten staan.

Ik haal twee door Douma genoemde voorbeelden aan. “In een rubriek ‘Religie overal en nergens’ krijgen soms bekende Nederlanders aandacht, zoals Brigitte Kaandorp. We lezen van haar dat ze wel eens naar de kerk gaat (16-10-2009). Val je er fris in, aldus Brigitte, dan is het een leuk, informatief uur op de zondagochtend. Je hoort nog eens wat! In een andere rubriek lezen we van twee glamourfiguren dat ze in hun boekenkast de Bijbel, de koran en andere heilige boeken naast elkaar hebben staan (16-07-2010). Hun oudste zoon is buddhist, en de moeder wil ook nog graag een christelijk en een islamitisch kind, Voor haar hoeft er overigens geen God te zijn.”
Is dat informatief? In zekere zin wel. Ondanks het feit dat in de toonaangevende kranten en tijdschriften vooral negatief over religie en geloof wordt geschreven, praten allerlei figuren die een publieke rol vervullen, onbekommerd over hun eigen religieuze overtuiging. Dat zou de gedachte kunnen doen postvatten dat het met de antireligieuze gezindheid van deze ‘post-christelijke’ tijd nogal meevalt. Je hoort het ook beweren in kringen waar men zich met evangelisatie en kerkplanting bezighoudt: de moderne mens staat weer open voor geloof. Maar is dat waar? Ik denk dat juist zulke artikelen als hier aangehaald nuttig zijn om die bewering te relativeren. Mijns inziens behoort het juist tot de taak van een christelijke krant alles wat zich als ‘religieus’ of ‘gelovig’ aandient, nader te onderzoeken. En dan blijkt al gauw dat niet alles wat zich als ‘religieus’ aandient die naam verdient en dat het meestal zeer ver afstaat van het christelijk geloof. Het komt meestal neer op een soort ‘geloof’ waarin de mens centraal staat en zijn behoeften bevredigd worden. Staan de aanhangers van zo’n geloof ook open voor een geloof dat van de mens afwijst en dat verplichtingen meebrengt? Artikelen als die waarnaar Douma verwijst kunnen dienen om al te veel optimisme op dat punt te temperen.

“Het Nederlands Dagblad is, zeker op pag. 2, gewoon een doorgeefluik geworden van allerlei nieuws uit oude en nieuwe dozen, zonder nog enige functie te hebben voor de opbouw van het gereformeerde geloof.” Dat is in directe zin misschien waar. Maar moet nieuws worden gebruikt om het gereformeerde geloof op te bouwen? Zijn daar niet in de eerste plaats de opiniërende artikelen voor bedoeld? En zou de opbouw van het gereformeerde leven niet eerder de taak van ambtsdragers zijn en van kerkelijke bladen?

Douma noemt vervolgens voorbeelden van een zijns inziens onrechtvaardige beoordeling van historische gebeurtenissen. Daarbij constateert hij een zekere – en soms grote mate van – afstandelijkheid tegenover het eigen verleden. De door hem aangehaalde voorbeelden betreffen vrijwel uitsluitend bijdragen van columnisten. Mijns inziens is het niet terecht die de redactie van het Nederlands Dagblad aan te wrijven. Er zijn wel vragen te stellen over het beleid ten aanzien van columnisten. Deze genieten terecht de nodige vrijheid, en één van de taken van de columnist is, de lezer te prikkelen. Maar daar zijn wel grenzen aan. Douma noemt in elk geval één voorbeeld waarbij de columnist ver over de schreef ging van wat in een christelijke krant aanvaardbaar is. De redactie had hier behoren in te grijpen.
Er bestaat binnen gereformeerde kring een wat men wel eens ‘weg-met-ons-mentaliteit’ noemt, waarbij men nauwelijks anders dan in negatief-kritische zin over het eigen verleden kan spreken. Die neiging kom je in het Nederlands Dagblad zeker ook tegen. Maar ik zou dat niet als typerend voor de krant willen bestempelen. De door mij al eerder genoemde biografie van Pieter Jongeling van ND-journalist Herman Veenhof is wel kritisch, maar zeker niet negatief.

Zijn er dan geen kritische noten te kraken? Zeker wel. Het is goed dat de redactie op de opiniepagina vogels van verschillende pluimage aan het woord laat. Maar ze zou wel eens wat kritischer mogen zijn ten aanzien van de plaatsing van artikelen. Er staan nogal eens stukken in die haaks staan op de gereformeerde belijdenis – die nog altijd tot de grondslag van de krant behoort – en die geen weerwoord krijgen. Wanneer geen scribent van buiten zich daarvoor meldt, dan zou de redactie die taak zelf op zich moeten nemen. Ook in de hoofdartikelen zou, zeker als het om kerkelijke zaken gaat, weleens duidelijker en confessioneler positie kunnen worden gekozen.

Dat de verbreding van de krant invloed heeft op de inhoud is onvermijdelijk. Maar was er een alternatief? Aan het eind van zijn beschouwing over het Nederlands Dagblad laat Douma merken wel degelijk oog te hebben voor de situatie waarin de krant zich bevindt. Hij wijst erop dat jongeren in de kerk niet meer warm te krijgen zijn voor een abonnement. Men kan natuurlijk betreuren dat het Nederlands Dagblad medewerkers aantrekt van buiten de GKV. Maar wanneer de verbreding van de krant niet was doorgevoerd, zou het ND nu wellicht niet meer bestaan of zich hebben moeten omvormen tot een weekblad.

Het is duidelijk dat die verbreding impliceert dat men zijn verwachtingen moet bijstellen. Wie gewend was aan een krant die geestelijk leiding gaf, zal het moeilijk vinden te wennen aan het huidige redactionele beleid. Maar zoals in de eerste aflevering werd opgemerkt is er geen sprake van dat de redactie van een krant de taak zou hebben leiding te geven in een kerkelijke gemeenschap. De herders van de kudde zijn niet gevestigd aan de Hermesweg in Barneveld, maar in de kerkelijke gemeente.

P.S. Ik was van plan ook nog in te gaan op de kritische opmerkingen van Douma over de ChristenUnie. Daar zie ik op dit moment van af. Ik kom er hopelijk binnenkort op terug in het kader van een beschouwing over de rol van de belijdenis in de ChristenUnie en de consequenties daarvan voor het lidmaatschap en het passieve kiesrecht.

Een kudde zonder herders?

Het is een klacht die in gereformeerde kring nogal eens te horen is: er wordt geen leiding meer gegeven. Niet zelden gaat dit gepaard met een verwijzing naar de tijd toen dat heel anders was. Ook prof. J. Douma doet dat op zijn website, waar hij op 28 augustus j.l. een uitvoerige bijdrage publiceerde (in de rubriek ‘Het christelijk leven’, par. 4.15 – 4.24) waarin hij vooral de ontwikkelingen in de gereformeerde pers onder de loep neemt.

De teneur van zijn betoog wordt direct duidelijk in de openingszinnen van par. 4.16, die handelt over De Reformatie. “Veel lezers hebben het gevoel dat zij geen begeleiding in hun kerkelijk leven meer krijgen. Het ontbreken van mensen die als leider en gids in de pers hun broeders en zusters een duidelijke weg wijzen, is niet toevallig. De overtuigingskracht om in allerlei kwesties een duidelijk en beslist antwoord te geven, is verzwakt.” Hoewel hij aanvankelijk spreekt over begeleiding, wordt in de tweede zin al duidelijk dat hij doelt op leiding. En dat is toch wat anders dan begeleiding.

Douma’s observatie valt moeilijk te weerleggen, of men zijn mening betreffende de oorzaak nu deelt of niet. De gereformeerde wereld is sterk veranderd en dat geldt zeker ook voor de media die Douma met name noemt: De Reformatie en het Nederlands Dagblad. Hij is van mening dat van deze organen geen leiding meer uitgaat. Ik kan me voorstellen dat zijn vaststelling door de redacties van de desbetreffende bladen niet eens weersproken wordt.

Hoewel ik veel van zijn kritiek op de ontwikkelingen in de Gereformeerde Kerken kan onderschrijven, vraag ik me toch af of Douma hier zijn pijlen wel op het juiste doel richt. Zijn de genoemde media wel in de positie om leiding te geven? Ze hebben dat in het verleden inderdaad gedaan. Maar op grond waarvan? En moeten we naar de tijd terugverlangen dat De Reformatie en het Gereformeerd Gezinsblad – zoals het Nederlands Dagblad vroeger heette – leiding gaven aan het gereformeerde volksdeel?

Ik wil in enkele bijdragen hierover wat schrijven. In deze eerste bijdrage ga ik in op het onderwerp leiding geven.

Het is een niet te loochenen feit dat na de Vrijmaking verschillende personen en instanties een leidinggevende rol speelden in het gereformeerde leven. Douma noemt als voorbeeld De Reformatie en met name de bijdragen die de hoogleraren aan de (toen nog) Theologische Hogeschool daaraan leverden. Op grond waarvan gaven ze leiding?

In elk geval niet op grond van enige ambtelijke bevoegdheid. Hoogleraren werden en worden bij hun benoeming geëmeriteerd als predikant. Dat betekent dat ze van hun verantwoordelijkheid voor een kerkelijke gemeente worden ontslagen. In plaats daarvan krijgen ze de taak studenten toe te rusten voor hun taak als voorganger van een kerkelijke gemeente. Er is geen sprake van dat aan het ambt van hoogleraar de verantwoordelijkheid verbonden is leiding te geven in het kerkverband.

Hoogleraren in Kampen hebben dus niet de taak, maar ook zelfs niet de bevoegdheid leiding te geven aan het kerkelijk leven. Ze hebben dat in het verleden wel gedaan. Of ze daar bewust naar gestreefd hebben of zelfs gedacht hebben dat dat hun taak was, doet niet ter zake. Feit is dat ze leiding gaven. Ze deden dat echter niet op grond van enige ambtelijke bevoegdheid, maar omdat hun leiding door veel kerkleden werd aanvaard. Door hun positie en door het gewicht van wat ze zeiden en schreven hebben de professoren – en niet alleen zij overigens – een belangrijke rol kunnen spelen in de ontwikkeling van het gereformeerde leven. Er is geen enkele reden daarover de staf te breken. In veel gevallen is hun leiding de Gereformeerde Kerken tot zegen geweest, zoals in het kerkelijke conflict van de jaren ’60 van de vorige eeuw. Maar het is goed zich te realiseren dat de leiding die zij gaven, verbonden was aan gezag dat hun werd toegekend, niet aan gezag dat ze op grond van hun ambt konden opeisen.

Dat relativeert ook de klachten over het gebrek aan leiding vanuit Kampen. Ik laat voor dit moment de vraag liggen of die klachten terecht zijn. Ik beperk me nu tot twee opmerkingen. Ik weet niet of de hoogleraren die nu aan de Theologische Universiteit verbonden zijn, zich bewust zijn van het feit dat zij geen ambtelijke bevoegdheid bezitten om leiding te geven aan het kerkelijk leven. Wanneer dat wel het geval is en zij zich om die reden terughoudend opstellen in de discussies die binnen de Gereformeerde Kerken gevoerd worden, lijkt me dat winst.

De tweede opmerking heeft betrekking op de aanvaarding van de leiding van – bijvoorbeeld – de hoogleraren in Kampen. Ik merkte al op dat in vroeger tijden de hoogleraren leiding gaven omdat die door kerkleden werd aanvaard. Daarvan is nu geen sprake meer. Veel kerkleden hebben moeite leiding van wie ook te aanvaarden, inclusief de eigen kerkenraad. Dan mag iemand die zich niet op enige ambtelijke bevoegdheid om leiding te geven kan beroepen, zeker niet verwachten dat zijn leiding aanvaard wordt.

Ik trek dit door naar De Reformatie, die vele jaren het belangrijkste orgaan was dat de hoogleraren in Kampen gebruikten om leiding te geven. Het is in verband met dit onderwerp relevant zich te realiseren dat De Reformatie – in tegenstelling tot bijvoorbeeld De Wekker in de Christelijke Gereformeerde Kerken – nooit een officieel kerkelijk orgaan was en ook nu niet is. De uitgever en de redactie waren (en zijn) geen verantwoording verschuldigd aan enige kerkelijke vergadering. Net zoals de hoogleraren leiding konden geven doordat hun gezag door kerkleden aanvaard werd, zo was de positie van De Reformatie in de Gereformeerde Kerken gebaseerd op het gewicht dat de kerkleden eraan toekenden. Daardoor en dankzij het feit dat het blad in elk geval door meelevende kerkleden veel gelezen werd kon het een belangrijke rol in het kerkelijk leven spelen.

En daarmee kom ik bij de laatste factor die hier aandacht moet krijgen. Zelfs wanneer De Reformatie ernaar zou streven leiding te geven aan het gereformeerde leven zoals dat enkele decennia geleden nog gebeurde, zal dat weinig concreet effect hebben. Het maatschappelijke verschijnsel van de ‘ontlezing’ gaat ook de kerk niet voorbij. Wanneer een blad nauwelijks gelezen wordt, is alleen al om die reden het geven van leiding een vrijwel onbegonnen karwei.

Wat hier over De Reformatie is opgemerkt, geldt mutatis mutandis ook voor het Nederlands Dagblad. Pieter Jongeling heeft in zijn functie als hoofdredacteur van het Gereformeerd Gezinsblad, later omgedoopt tot Nederlands Dagblad, ongetwijfeld grote invloed uitgeoefend in de gereformeerde wereld. Uit de biografie van ND-journalist Herman Veenhof, waarnaar ik in een eerdere bijdrage al eens verwees, komt naar voren dat die rol hem min of meer is overkomen. Maar toen hij die positie eenmaal had, heeft hij niet geaarzeld ook leiding te geven. Of hij dat als een goddelijke opdracht zag of niet doet verder niet terzake. Feit is dat ook hij leiding gaf zonder daartoe op grond van een ambt geroepen te zijn. Zijn leiding werd aanvaard, door zijn positie, door het gewicht van wat hij schreef en door de positie die zijn krant in de gereformeerde wereld innam.

Van die leiding heeft de gereformeerde wereld geprofiteerd en daarvoor mag men dankbaar zijn. Maar de wereld is veranderd. In gereformeerde kring is een abonnement op het Nederlands Dagblad niet meer vanzelfsprekend. Wat voor De Reformatie geldt, is ook van toepassing op het Nederlands Dagblad: minder lezers betekent ook minder invloed. En wat de hoofdredacteur schrijft, wordt hooguit als één van de vele meningen beschouwd. Wanneer men al leiding zoekt in allerlei actuele maatschappelijke en ethische kwesties, zijn er veel opiniemakers – ook in christelijke kring – bij wie men te rade kan gaan. Voor weinigen heeft daarbij de hoofdredacteur van het Nederlands Dagblad nog per definitie een streepje voor.

De vraag is dus of Douma met zijn kritiek wel voldoende rekening houdt met de geschetste omstandigheden, en of hij in het licht daarvan de door hem bekritiseerde persorganen wel recht doet.

Voordat ik daarop inga, moet eerst iets anders aan de orde komen. Wanneer de gereformeerde pers geen leiding meer geeft, zijn de gereformeerden dan een kudde zonder herders geworden? Of moeten we de herders toch ergens anders zoeken dan aan de Broederweg in Kampen of aan de Hermesweg in Barneveld?

Niets is meer vanzelfsprekend

Al weer een tijd geleden wees ds. J.H.F. Schaeffer er in De Reformatie op dat tegenwoordig nog maar weinig zaken vanzelf spreken. Er wordt gediscussieerd over onderwerpen waarover vroeger een grote mate van consensus bestond. Juist vorige week bleek dat weer eens toen christenen voor de vraag werden gesteld: kijken we naar de finale van het WK voetbal op zondagavond of niet?

In SGP-kringen werd die vraag overwegend negatief beantwoord. Dat heeft in de pers nogal wat aandacht gekregen. In de achterban van de ChristenUnie, waartoe ook de leden van de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) grotendeels behoren, gaat men hier wat soepeler mee om. Ook uit de enquête van het Nederlands Dagblad onder zijn lezers bleek dat de overgrote meerderheid weliswaar geen kerkdienst zou verzuimen voor een finale als deze, maar dat bij de meerderheid de televisie ’s avonds toch wel aan ging.

Hoezeer de consensus verdwenen is, blijkt wel uit het feit dat twee predikanten uit de GKV, die aan deze enquête hadden deelgenomen, geheel verschillende visies formuleerden over de vraag of het bekijken van deze voetbalwedstrijd wel of niet paste bij de heiliging van de zondag.

Nu gaat het mij niet om dit specifieke onderwerp. Daarover zou best het één en ander te zeggen zijn, maar dat laat ik nu achterwege. Ik gebruik het hier vooral als illustratie van de teloorgang van de consensus binnen christelijke kring over ethische zaken. Inmiddels brokkelt de consensus over zaken die de leer betreffen, ook steeds meer af, maar ook dat laat ik voor dit moment rusten.

Moet deze teloorgang van consensus betreurd worden? Het is in elk geval wel lastig en tijdrovend, want de tijd en de energie die nu gestoken worden in discussies over wat ooit vaststond, kunnen niet besteed worden aan andere, wellicht belangrijkere zaken. Daarbij valt te denken aan de vraag hoe in deze tijd ongelovigen met het Evangelie kunnen worden bereikt of hoe de evangelisatie onder moslims moet worden aangepakt.

Zulke discussies veroorzaken ook onrust. Mensen vragen zich af: staat er dan niets meer vast, mag overal een vraagteken achter worden gezet? Die onrust is op zichzelf wel heilzaam: het is goed zich af te vragen wat eigenlijk de grond is onder vroeger vaststaande waarheden. Want consensus heeft één groot gevaar: dat men wel dingen vindt, maar niet goed kan uitleggen waarom.

Ik heb dat zelf ervaren toen ik in 1975 lid werd van de Vereniging van Gereformeerde Studenten te Utrecht (VGSU). Ook daar bestond een aantal gewoonten en tradities en werd een bepaalde manier van kennismaking met aspirantleden gehanteerd die ongetwijfeld ooit vanuit bepaalde overtuigingen waren ontstaan. Maar toen nieuwe generaties leden zich publiek afvroegen of het niet anders kon of moest, werd pijnlijk duidelijk dat nog maar weinig vertegenwoordigers van de oude garde konden vertellen, waarom bepaalde zaken waren zoals ze waren of gedaan werden zoals ze gedaan werden. Binnen enkele jaren waren de meeste van deze tradities en gewoonten verdwenen: ze waren op zand gebouwd en niet bestand tegen de hardnekkige vraag: waarom?

Recent las ik de biografie van Pieter Jongeling, die ND-journalist Herman Veenhof heeft geschreven (*). Daarin trof me hoe Jongeling in de jaren ’60 van de vorige eeuw de culturele revolutie taxeerde, zoals die vooral door de Provo-beweging werd uitgedragen. Daar had hij uiteraard groot bezwaar tegen, maar enige sympathie had hij ook, omdat ze zich keerde tegen “duffe, burgerlijke gezapigheid”, zoals hij het zelf formuleerde, en tegen de “moderne samenleving, met haar sterk materiële inslag”. Consensus leidt niet zelden tot geestelijke luiheid en gemakzucht, waarbij verzuimd wordt elke overtuiging – ook de eigen – steeds weer kritisch tegen het licht te houden. En dat maakt kwetsbaar voor wat als nieuw en beter wordt aangeprezen.

De teloorgang van de consensus heeft dus op z’n minst twee kanten. Het dwingt een gemeenschap ertoe zich af te vragen of de eigen overtuigingen slechts voortkomen uit traditie dan wel een schriftuurlijk fundament hebben. Daar wordt zo’n gemeenschap uiteindelijk eerder sterker dan zwakker van.

Maar er is ook een andere kant. Consensus is een uiting van de cohesie binnen een gemeenschap. Die maakt het mogelijk in bepaalde situaties te zeggen: “zoiets doen wij niet.” Ik herinner hier aan de geschiedenis van Jacob, Lea en Rachel (Gen. 29). Jacob dient Laban om Rachel, maar krijgt aanvankelijk Lea, want – zo is het argument – de jongste dochter uithuwelijken voor de oudste, dat is hier niet de gewoonte. Alleen in een situatie van culturele of religieuze cohesie kan zoiets als geldig argument dienen. Dat is in de gereformeerde wereld niet meer het geval, en dat is een indicatie van haar teloorgang als coherente gemeenschap. En dat is bepaald geen winst.

(*) H. Veenhof, Zonder twijfel. Pieter Jongeling (1909-1985), Journalist, politicus en Prins, Barneveld 2009. De passage waarnaar verwezen wordt, staat op pp. 326-327.