Archief

Posts Tagged ‘doop’

Water, brood en wijn in coronatijd

Een christen die zijn Bijbel kent, is erop voorbereid dat dingen anders gaan dan hij gepland had. En anders drukt het leven hem er met z’n neus op. De uitbraak en snelle verspreiding van het coronavirus hebben de hele maatschappij op haar kop gezet. De manier waarop we als mensen samenleven, de economie, de politiek, het onderwijs – alles wordt door het virus beheerst. Elke nieuwsuitzending begint ermee en is er grotendeels mee gevuld en dat geldt ook voor de gedrukte media.

Het coronavirus dwong de overheid tot het nemen van maatregelen die het openbare leven in al z’n geledingen treffen. Die hadden en hebben ook grote gevolgen voor het kerkelijk leven. Dat betreft in de eerste plaats het functioneren van de gemeenten – het hart van de kerk. Dat wat als essentieel voor het gemeenteleven geldt – kerkdiensten, pastorale en diaconale zorg, onderwijs – werd binnen enkele weken zo goed als onmogelijk. Veel kerken hadden nogal wat moeite de ontwikkelingen bij te benen en liepen soms achter de feiten aan. Dat is niet verwijtbaar. Voor dit soort ontwikkelingen zijn geen draaiboeken. De overheid handelde ook naar bevind van zaken. Niet altijd was duidelijk wat de meest effectieve maatregelen waren. Dat in sommige gebieden waar kerken een belangrijke plaats in het dagelijks leven innemen, het coronavirus opvallend snel om zich heen greep, bracht sommigen ertoe de desbetreffende kerken met verwijten te overladen. Daar was geen reden voor. Het werd vooral door hen, die toch al leden aan religiestress, aangegrepen om nog eens hun afkeer van geloof en kerk te ventileren.

Inmiddels hebben kerken zich in grote mate aan de nieuwe werkelijkheid aangepast. Ze kunnen daarbij profiteren van ervaringen en kennis die in het kerkverband, waartoe ze behoren, aanwezig zijn. Er wordt wel eens gesuggereerd dat het verschijnsel kerkverband z’n langste tijd gehad heeft, maar deze crisis laat nog eens zien hoe nuttig zo’n instelling is. Als elke gemeente helemaal zelf zou moeten uitvinden, wat onder de gegeven omstandigheden wijsheid is, zouden vele met de handen in het haar zitten. Soms zijn onverwachte gebeurtenissen nodig om mensen van het nut van iets te overtuigen.

Dat laat onverlet dat gemeenten met de afgekondigde maatregelen op verschillende manieren omgaan. Er zijn kerken die bijeenkomsten in het kerkgebouw helemaal hebben afgelast. In plaats daarvan wordt gemeenteleden de mogelijkheid geboden via internet een meditatie, eventueel omlijst met liederen, te beluisteren. Andere gemeenten proberen nog enigszins het idee van een kerkdienst in stand te houden door de voorganger op de kansel of het spreekgestoelte voor een bijna lege kerk een preek te laten houden. Het feit dat dit live gebeurt, draagt er ook toe bij dat iedereen op hetzelfde moment luistert of kijkt, waarmee toch nog een zekere mate van verbondenheid ontstaat.

Nu is het, dankzij de moderne communicatiemiddelen, vrij eenvoudig het evangelie in de huiskamers te brengen. Maar dat is maar één onderdeel van de eredienst. Ook de inzameling van de gaven is voor een belangrijk deel digitaal te realiseren. Van het samen zingen – een belangrijke uitingsvorm van de gemeenschap die de kerk is – komt weinig terecht, al kan iedereen die dat wil, thuis liederen meezingen.

Het zijn echter vooral de sacramenten die aanleiding geven tot discussie. Want wanneer er geen kerkdiensten zijn, kunnen ook doop en avondmaal niet worden bediend. Althans, de kerkorden van protestantse kerken bieden geen handvaten voor het geval kerkdiensten langere tijd onmogelijk zijn. Zoals ik al schreef, voor zulke onverwachte situaties bestaan geen draaiboeken. Geen wonder dus dat daarover in diverse media enige discussie is ontstaan en suggesties zijn gedaan over mogelijkheden de bediening van de sacramenten toch op één of andere manier doorgang te laten vinden.

Die suggesties zeggen iets over de manier waarop naar de sacramenten gekeken wordt. Zoals bekend vormden de sacramenten één van de kernpunten in het conflict tussen Rome en de Reformatie. Niet alleen beperkten de Reformatoren het aantal sacramenten tot twee, doop en avondmaal, ze kenden daaraan ook een andere status toe. Uit de discussie binnen kerken van de Reformatie blijkt dat hier de traditie die door de Reformatie is gevormd en die zijn weerslag heeft gevonden in de gereformeerde belijdenissen en de in gereformeerde kerken gehanteerde formulieren, aan erosie onderhevig is.

Het is nuttig nog eens te kijken naar wat de kerk eigenlijk belijdt ten aanzien van de sacramenten. Zondag 25 van de Heidelbergse Catechismus definieert sacramenten als volgt: “Sacramenten zijn heilige zichtbare tekenen en zegels, die God ingesteld heeft om ons door het gebruik daarvan de belofte van het evangelie nog beter te doen verstaan en te verzegelen” (66). In de vraag en het antwoord die daarop volgen, wordt de relatie tussen evangelie en sacramenten nog eens onder woorden gebracht: “(…) [De] Heilige Geest leert ons in het evangelie en bevestigt ons door de sacramenten, dat ons volkomen heil rust in het enige offer van Christus, dat voor ons aan het kruis gebracht is” (67). Op deze manier worden de betekenis en het gewicht van de sacramenten duidelijk gemarkeerd. Het zijn geen heilsmiddelen, zoals de Rooms-Katholieke Kerk belijdt, maar slechts tekenen – ze bevestigen iets dat er al is. Tegelijkertijd wordt beleden dat het om instellingen van God gaat en dat ze dus niet facultatief zijn.

Dat laatste impliceert dat het zeker geen overbodige luxe is na te denken en te discussiëren over de vraag hoe met de bediening van de sacramenten moet worden omgegaan. Niet voor niets belijdt de kerk in Zondag 27 dat de kinderen gedoopt moeten worden. En in Zondag 28 wordt een passage uit 1 Corinthe 11 aangehaald, waarin Paulus naar de instellingswoorden van Jezus verwijst, met daarbij de woorden: “[Doet] dit tot mijn gedachtenis”. Het is een opdracht, geen suggestie. Niettemin: het feit dat de belijdenis de beide sacramenten als tekenen typeert, kan wel enige ontspanning in de gedachtenwisseling brengen.

Recent meldde het Nederlands Dagblad dat een predikant in de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) (GKV) de doop bediende, hoewel kerkdiensten aan zodanige beperkingen onderworpen zijn, dat van echte kerkdiensten eigenlijk geen sprake kan zijn. De vereiste afstand van anderhalve meter werd ook niet in acht genomen. Dat laatste is ook onmogelijk bij een doopsbediening. De desbetreffende predikant gaf verschillende argumenten die er vanuit het perspectief van de betekenis van de doop niet toe doen. “De doop is belangrijk” is het enige valide argument dat hij te berde bracht. Maar daarmee is nog niet gezegd dat de doop geen uitstel kan lijden. In dit verband moet wel op een merkwaardige dubbelhartigheid binnen de GKV – en dat zal in andere kerken wellicht niet anders zijn – gewezen worden. Het is tegenwoordig bepaald geen uitzondering dat de doop pas twee of drie maanden na de geboorte plaatsvindt – niet omdat het kind het niet “hebben kan” (zoals het vroeger in de kerkorde werd geformuleerd), maar omdat niet alle familieleden, vrienden en kennissen erbij kunnen zijn. Wanneer deze praktijk in feite algemeen geaccepteerd is, wordt het argument dat de bediening van de doop in deze bijzondere tijden, ondanks alle beperkingen en voorschriften, geen uitstel kan lijden, nogal ongeloofwaardig.

De discussie over de bediening van het avondmaal kreeg enige urgentie, omdat het in steeds meer kerken gebruik geworden is, het avondmaal op Witte Donderdag of Goede Vrijdag te vieren. Enkele weken voordien waren dusdanige maatregelen afgekondigd dat kerkdiensten eigenlijk geen optie meer waren. Wat te doen? Als het evangelie langs digitale kanalen verkondigd kan worden, zou men dan ook niet op die manier het avondmaal kunnen vieren?

In het Nederlands Dagblad van 31 maart j.l. pleitten Arnold Huijgen en Edward van ’t Slot ervoor de situatie te accepteren en de consequenties voor de bediening van de sacramenten te trekken. Ze doen dat vanuit het aspect van het verwachten. “Misschien is de beste manier om het avondmaal te eren nu wel: uitzien naar de tijd dat het weer kan. Verwachtend uitzien is ook een houding die bij uitstek bij het avondmaal past.” Op deze manier kan de kerk ook solidair zijn met christenen die graag avondmaal zouden willen vieren, maar dit al langere tijd niet kunnen, zoals vluchtelingen. Het zijn waardevolle overwegingen. Terecht wijzen ze ook op het gemeenschapskarakter van het avondmaal. “[We] willen onderstrepen dat het delen van het ene brood en van de ene drank, uit vele druiven samengeperst, niet virtueel valt op te roepen. Je hebt er de wederkerigheid van de gemeenschap bij nodig, die tastbaar en fysiek werkelijk is. In die gemeenschap is het teken- en zegelkarakter van het sacrament ingebed.”

Dat laatste aspect komt ook in kerkelijke regelingen tot uitdrukking. De kerkorde-2017 van de GKV zegt in art. C40.1: “De gemeente viert in haar kerkdiensten regelmatig het heilig avondmaal zoals het door Christus is ingesteld.” De regel is dat het avondmaal in kerkdiensten wordt gevierd. De vorige kerkorde was hier explicieter: “Het avondmaal van de Here zal tenminste eens in de drie maanden gevierd worden in de openbare eredienst, volgens kerkelijke orde, onder toezicht van de ouderlingen (…)” (art. 61). De kerkorde-2017 laat het eerste lid van art. C40 door een tweede volgen: “De kerkenraad kan zijn medewerking verlenen aan een viering van het avondmaal aan huis of in bijvoorbeeld instellingen van gezondheidszorg, justitie of defensie.” De vraag kan gesteld worden wat hier onder “medewerking verlenen” wordt verstaan. Naar mijn inschatting betekent dit dat de daartoe bevoegde ambtsdragers onder bepaalde omstandigheden, zoals bij langdurige ziekte, aan huis het avondmaal mogen bedienen. Het werkwoord “kan” wijst er al op dat hier geen sprake is van een plicht of een opdracht. Bij de gesuggereerde digitale viering is van een medewerking van de kerkenraad in elk geval geen sprake.

Huijgen en Van ’t Slot wijzen terecht op het gemeenschapskarakter van het avondmaal. Daarvan is niet echt sprake bij een digitale viering. Hetzelfde argument kan worden gebruikt voor de bediening van de doop. De oude kerkorde van de GKV spreekt ook in dit verband over de bediening van de doop “in de openbare eredienst” (art. 56). Helaas is deze formulering in de kerkorde-2017 weggelaten. De aanwezigheid van de gemeente is echter essentieel. De doop markeert immers de opname van de dopeling in de kerk van Christus, zoals die concreet in de zondagse eredienst bijeen is. Ook vanuit dat perspectief is een doopsbediening zoals bovengenoemd – waarbij slechts elf mensen aanwezig waren – niet in overeenstemming met de bedoelingen van belijdenis en kerkorde.

De suggesties het avondmaal op digitale wijze te vieren mogen zijn ingegeven door de bijzondere omstandigheden, ze komen niet uit de lucht vallen. Ook ten aanzien van de sacramenten is het één en ander aan het verschuiven op het gereformeerde erf. Ik ga er op dit moment aan voorbij dat er stemmen klinken om aan het opdragen van kinderen een legitieme plaats naast de doop toe te kennen, ter tegemoetkoming aan die ouders die bezwaren hebben tegen de kinderdoop. Ik beperk me tot het avondmaal. Het lijkt erop dat dit inmiddels een eigen leven is gaan leiden. Het kan gebeuren dat een synode avondmaal gaat vieren. Dat gebeurt dan weliswaar onder verantwoordelijkheid van een kerkenraad, maar van een reguliere kerkdienst is geen sprake. Daarmee wordt de avondmaalsviering losgemaakt van de bediening van het evangelie. De gereformeerde belijdenissen leggen er juist sterk de nadruk op dat sacramenten tekenen zijn – stoffelijke uitbeeldingen van iets geestelijks. Wanneer dat geestelijke – de bediening van het evangelie – wordt overgeslagen, komen de tekenen in de lucht te hangen. De viering van het avondmaal krijgt een te groot gewicht, wanneer het een zelfstandige entiteit wordt. Het lijkt erop dat het avondmaal soms wordt beschouwd als iets dat gemeenschap sticht. Maar dat is het niet: het sticht geen gemeenschap, maar brengt de bestaande gemeenschap zichtbaar tot uitdrukking. De gemeenschap van de heiligen begint met de verkondiging van het evangelie – vroeger vaak aangeduid als de ‘bediening van de verzoening’. Tenslotte is dat één van de sleutels van het hemelrijk (Heidelbergse Catechismus, Zondag 31) – niet het avondmaal. Het is dan ook terecht dat in de nieuwere orden van dienst de avondmaalsviering consequent aan het eind van de dienst, na de bediening van het evangelie, plaatsvindt. Dat sluit overigens nog niet het misverstand uit dat de avondmaalsviering het hoogtepunt van de dienst is.

Het is relevant hier nog eens aan het verschil tussen Rome en Reformatie te herinneren. In de Rooms-Katholieke Kerk is de eucharistie het hart van de mis. De verkondiging komt daarbij, maar is daaraan ondergeschikt. Ik verwijs hier naar één van mijn eerste stukken op dit weblog (Het kerklied en de kerkliedjes), waarin vermeld wordt dat de toenmalige censor van het bisdom Utrecht bezwaar maakte tegen een lied, dat precies uitdrukt waar het in een gereformeerde eredienst om gaat: “Here Jezus, om Uw Woord zijn wij hier bijeengekomen”.

Deze belijdenis moet ook het uitgangspunt zijn bij elke discussie over eredienst, Woordbediening en sacramenten in het coronatijdperk: eerst de bediening van de verzoening, dan – zo mogelijk, zonder onnodige risico’s – de zichtbare tekenen daarvan.

Kerkelijke klokkenluiders

Op zaterdag 29 september j.l. was een aantal leden van de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) (GKV) bijeen in Bunschoten. Daar uitten zij hun zorg over ontwikkelingen in hun kerkelijke gemeenschap. Er werden toespraken gehouden en er werd een verklaring voorgelezen. Deze zal nog een definitieve vorm krijgen. Ik zal me daarom van inhoudelijk commentaar onthouden, ook gezien het feit dat ik de bijeenkomst niet heb bijgewoond. De hier gemaakte kanttekeningen zijn dan ook gebaseerd op de berichtgeving in de pers.

Op 27 september publiceerde het Nederlands Dagblad een vooruitblik op de bijeenkomst. Opvallend is het slot van het artikel. “Intussen gaat het gewone vrijgemaakte leven door. Wie denkt dat dat bol staat van zorg en verontrusting, vergist zich. Het tegendeel lijkt eerder waar: oeverloze discussies over de koers van de kerken en over omstreden synodebesluiten behoren tot het verleden. De onderwerpen waarover Douma en Wilschut zich zorgen maken, lijken een groot deel van de vrijgemaakt-gereformeerde kerkleden niet (meer) bezig te houden.” Over de omvang van de verontrusting valt geen zinnig woord te zeggen. De opkomst in Bunschoten – volgens het Nederlands Dagblad zo’n 500 – kan op geen enkele manier als maatstaf dienen. Juist doordat in de GKV de plaatselijke kerk een grote mate van autonomie heeft, onttrekt zich de omvang van de verontrusting aan de waarneming. Wie weet hoeveel bezwaarschriften en brieven op kerkenraadstafels terecht komen? En hoeveel gemeenteleden hebben inmiddels de hoop opgegeven dat daarmee iets wordt gedaan en hebben het hoofd in de schoot gelegd?

Het zou best eens waar kunnen zijn dat een groot deel van de vrijgemaakt-gereformeerde kerkleden zich niet meer bezighoudt met de zaken die in Bunschoten aan de orde kwamen. Maar dat zou nu wel eens precies een deel van de kwaal kunnen zijn waaraan de GKV lijden. Zaken die er volgens de Schrift en de gereformeerde belijdenis toe doen, worden als achterhaald of irrelevant ter zijde geschoven. Dat is reden te meer een appèl te doen op de kerken om die zaken weer de aandacht te geven die ze behoren te hebben. En zelfs al behoort slechts een kleine minderheid van de leden van de GKV tot de ‘verontrusten’, dat zegt niets over de vraag of ze gelijk dan wel ongelijk hebben. De waarheid wordt niet bij meerderheid van stemmen bepaald.

De hoofdredacteur van De Reformatie, ds. B. Luiten, verwijt de opstellers van het Appèl dat zich keert tegen het verzoek van de Stroomgemeente in Amsterdam toegelaten te worden tot het kerkverband, “onkerkelijk handelen” (Nederlands Dagblad, 24.9.12). Je wrijft toch wel even je ogen uit als je zoiets leest. Het is uiteraard uitstekend dat wordt aangedrongen op correct kerkelijk handelen. Maar dan wel graag consequent en niet alleen als het even goed uitkomt. Wie geen vreemde is in de GKV weet dat kerkelijke afspraken op plaatselijk niveau op grote schaal worden genegeerd.

Er vinden kerkelijke huwelijksbevestigingen plaats van bruidsparen waarvan één van de partners geen lid van een GKV is – in strijd met kerkelijke bepalingen. Er zijn gemeenten waar in de diensten op zondagmorgen de wet niet meer wordt voorgelezen of er een versie van eigen makelij wordt gebruikt – in strijd met wat daarover is afgesproken. In sommige gemeenten is de middagdienst afgeschaft of worden diensten gehouden die het etiket ‘kerkdienst’ niet verdienen. Dat zijn nog maar enkele voorbeelden. Ik heb niet de indruk dat kerkelijke vergaderingen zich erg inspannen hier corrigerend op te treden.

“Volgens Luiten “is buiten deze classis op dit moment niemand geroepen om over dit verzoek te oordelen””, schrijft het Nederlands Dagblad. Het gaat hier echter om een zaak waarover veel publiciteit is geweest. Het lijkt er niet op dat de classis Amsterdam-Leiden of de Stroomgemeente erg hun best hebben gedaan te voorkomen dat de kwestie in de openbaarheid kwam. Wanneer een predikant in zijn kerkblad of vanaf de kansel een opvatting ventileert die wordt geacht in strijd te zijn met de Schrift en de gereformeerde belijdenis, kan dat aan de classis worden voorgelegd. Dan moet de zaak daar ook blijven. Maar wanneer die predikant zijn visies door een publicatie in de openbaarheid brengt, heeft ieder kerklid – en dat sluit collega-predikanten in – het volste recht daarover een oordeel uit te spreken. En dan hebben we nog te maken met iets wat in principe tot tuchtmaatregelen zou kunnen leiden. Daarvan is hier geen sprake. Het gaat hier om de vraag of een gemeente als lid in volle rechten tot het kerkverband kan worden toegelaten, waar opvattingen en kerkelijke praktijken ruim baan krijgen waarvoor binnen het kerkverband tot dan toe geen plaats was. Niet alleen het publieke karakter van de zaak maar ook de reikwijdte van een eventueel positief besluit is een reden hierover ook publiek te discussiëren.

Luiten is ook van mening dat het Appèl wantrouwen heeft gezaaid. Hier haalt hij oorzaak en gevolg door elkaar. Het Appèl geeft inderdaad blijk van wantrouwen, zoals prof. J. Douma, één van de opstellers, ook heeft toegegeven. Maar dat wantrouwen is het resultaat van de kerkelijke ontwikkelingen. Van wantrouwen tegenover de betrokken classis is alle reden, gezien de afwachtende en zelfs toegeeflijke houding die ze in het recente verleden heeft ingenomen, bijvoorbeeld toen de Stroomgemeente besloot de doop als norm te laten vallen en die in feite tot specialité de la maison te reduceren. De kerk waaruit Stroom is opgezet en de classis hebben door hun opstelling zelf wantrouwen gezaaid. Ook de manier waarop met kerkelijke regels wordt omgegaan, zoals hierboven al geschetst, draagt bij tot het ontstaan van een klimaat van wantrouwen. Van een onbekrompen binding aan de belijdenis lijkt niet altijd sprake. Wie denkt dat kerkenraden altijd doen wat hun opdracht is – het onverkort uitdragen van de gereformeerde belijdenis en alles weerleggen wat die belijdenis weerspreekt – mag het zeggen.

Zolang een belangrijk deel van de kerkelijke gemeenschap rustig slaapt in de waan dat er vrede heerst en er geen gevaar dreigt hebben we klokkenluiders hard nodig.

Wij geloven met het hart

Verstand en gevoel, kennis en beleving – velen zien in die twee begrippenparen een tegenstelling. In christelijke kring worden daarover vaak de degens gekruisd, en bepaald niet pas sinds gisteren. Het speelt ook een rol in de manier waarop bijvoorbeeld gereformeerden en evangelischen naar elkaar kijken. Gereformeerden hebben de naam nogal verstandelijk te zijn en dat is in evangelische kringen bepaald geen aanbeveling. Omgekeerd zien gereformeerden – soms met afgrijzen, soms met jaloezie – hoe evangelischen onbekommerd hun gevoel laten spreken wanneer het om geloofszaken gaat. Ook kerkdiensten of gemeentelijke samenkomsten worden vaak door de bril van het gevoel of het verstand bekeken en beleefd.

Twee recente berichten in het Nederlands Dagblad laten zien hoe het kerkelijk leven hiervan de weerslag ondervindt. In de krant van 5 mei staat een artikel waarin gesignaleerd wordt dat de bijbelkennis van jongeren in christelijke kerken sterk is afgenomen. Onder de deskundigen die gevraagd wordt hoe daarmee moet worden omgegaan, heerst vooral verwarring. Niemand heeft een recept, maar er tekent zich in de reacties wel een patroon af. Wim Verboom, oud-hoogleraar namens de Gereformeerde Bond, wordt als volgt geciteerd: “In de theologische bezinning is steeds meer gezegd: het gaat niet om feitenkennis, maar om relationele en functionele kennis.” Dat idee lijkt vrij algemeen te zijn overgenomen. Hier wordt op z’n minst gesuggereerd dat er een tegenstelling bestaat tussen feitenkennis en beleving.

Van diezelfde tegenstelling lijken ook de predikanten Burger en Schaeffer uit te gaan, die op de jaarvergadering van de Bijbelstudiebond binnen de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) spraken over de doop. De redactie van het Nederlands Dagblad zette boven het verslag op 9 mei de kop: “Sacramenten lijden onder de preek”. Volgens Schaeffer staat de preek nog teveel centraal, waar de sacramenten van doop en avondmaal onder lijden. Burger keert zich tegen de concentratie op het woord: “Het geloof wordt op die manier een zaak van het hoofd, terwijl het net zo goed een zaak van het lichaam is.” Over de wenselijkheid dat in de kerkdiensten ook iets te zien is, kan best een zinvolle discussie gevoerd worden, ook gezien de veranderingen in de cultuur. Maar de beide predikanten maken die discussie niet eenvoudiger door een tegenstelling tussen preek en sacrament te construeren.

Er is trouwens wel enige reden zich over hun uitlatingen te verbazen. Ik heb bepaald niet de indruk dat de sacramenten te weinig aandacht krijgen. De huidige dooppraktijk wijkt sterk af van wat nog zo’n twintig jaar geleden gangbaar was. Het komt vrijwel niet meer voor dat de moeder niet bij de doop van haar kind aanwezig is. In de regel wordt gewacht tot ze voldoende is hersteld om er bij te zijn. Sterker nog, vaak wordt een datum voor de doopbediening gekozen die ook familie en vrienden in staat stelt aanwezig te zijn. Het is geen uitzondering wanneer de doop pas enkele maanden na de geboorte plaatsvindt, ook wanneer daarvoor geen medische gronden aanwezig zijn.
Rond de doopbediening hebben zich allerlei rituelen ontwikkeld die wijzen op het belang dat daaraan gehecht wordt. Kinderen uit de gemeente scharen zich rond de doopvont en worden soms nog apart toegesproken, ouders krijgen soms de gelegenheid een getuigenis af te leggen, ze mogen vaak het dooplied kiezen en wanneer de keus valt op een lied dat geen enkele kerkelijke status heeft wordt daar in de regel niet moeilijk over gedaan.

Ook het avondmaal krijgt meer nadruk dan voorheen. Net als het aantal doopformulieren is ook het aantal formulieren voor de bediening van het avondmaal uitgebreid. Terwijl enkele decennia geleden in de meeste gemeenten het avondmaal eenmaal per kwartaal of per twee maanden werd gevierd, zijn er nu nogal wat gemeenten waar dit elke maand plaatsvindt. Naast de vroeger gangbare zittende viering worden nu ook andere vormen gebruikt, zoals de gaande en de staande viering. Ook de groeiende tendens de avondmaalstafel open te stellen voor leden van andere kerkgenootschappen wijst op een verandering in de manier waarop met dit sacrament wordt omgegaan.

Wat men van deze ontwikkelingen ook vindt – en bij sommige kunnen zeker wel kritische kanttekeningen worden geplaatst -, ze wijzen toch bepaald niet op een onderwaardering van de sacramenten.

De tegenstelling tussen de sacramenten en de preek is nogal discutabel. Ds. Schaeffer relativeert die trouwens, wellicht onbedoeld, wanneer hij zegt: “Ieder kind wordt gedoopt met gewoon water, maar door de woorden die God zelf aan de doop verbindt, krijgt dat vervolgens een veel diepere betekenis dan ‘gewoon een plons water’.” Daarmee geeft hij precies aan waarom preek en sacrament een eenheid zijn, die verbonden worden door het woord – of, beter gezegd, het Woord. Want de sacramenten zijn in feite plaatjes bij het verhaal dat in de prediking centraal staat. Kinderen worden niet door de doop in het verbond opgenomen: ze zijn het al. De doop stelt dat aanschouwelijk voor. De verzoening door het lijden en sterven van Christus vindt niet door brood en wijn plaats. Die zijn slechts de aanschouwelijke voorstelling van het feit van de verzoening. Preek en sacrament verkondigen dezelfde boodschap.

Bij de bediening van de sacramenten mag dan meer te beleven zijn, die beleving is wel geworteld in de feiten zoals die door de bijzondere zorg van de heilige Geest in de Schrift zijn opgetekend. Een beleving die niet op feiten is gebaseerd is als een huis dat op zand is gebouwd. Geloofsbeleving die tegen een stootje kan, moet gefundeerd zijn op de rots van in de Schrift overgeleverde feiten.

Die feiten zijn ook de basis van de preek. Het Woord van God staat daarin immers centraal. Dat impliceert dat wat de heilige Geest nodig oordeelde in de Schrift op te nemen, in de prediking een centrale plaats moet hebben. De hele Schrift moet in de volle breedte aan de orde komen, Oude èn Nieuwe Testament. De prediking wordt soms aangeduid als verkondiging of bediening van het Woord of van het evangelie. Dat suggereert al dat er meer gebeurt dan het weergeven en uitleggen van feiten. Een ouderwetse uitdrukking maakt dat nog duidelijker: ‘bediening van de verzoening’. Daaruit komt naar voren dat het maar niet gaat om een afstandelijke analyse van geopenbaarde feiten. In de Schrift openbaart God zichzelf, laat hij zichzelf kennen. Dat maakt een afstandelijke omgang met het Woord onmogelijk.

‘Naam en feit’ staan niet in tegenstelling tot ‘relationele’ of ‘functionele’ kennis. In de omgang met de Schrift is alle kennis per definitie relationeel. Maar wanneer in de Schrift God zichzelf laat kennen – in zijn zoon, maar ook in de geschiedenis – is onderzoek en kennis van de feiten essentieel. De prediking van apostelen en profeten is niet gebaseerd op ‘vernuftige verzinsels’ (2 Petr 1,16), maar op de verslagen van oor- en ooggetuigen. Lukas schreef zijn evangelie op basis van een grondig onderzoek van de feiten. Kennis van de feiten verhindert de constructie van een op maat gesneden beeld van God en van zijn wil.

De tegenstelling tussen ‘hoofd’ en ‘lichaam’ is een valse. Of het Woord nu klinkt in de preek of in het sacrament – of ook in de bijbelstudie of het godsdienst- of catechetisch onderwijs -, nooit gaat het om het hoofd of het lichaam. Het gaat uiteindelijk altijd om het hart. Dat is de mens zelf, de hele mens, met zijn hoofd en zijn lichaam. Preek en sacrament zijn niet hetzelfde. Maar beide doen een beroep op de hele mens. Ze verkondigen het Woord en vragen om een antwoord.

Missiedrang kent grenzen (2)

23 april 2012 1 reactie

De laatste aflevering van deze weblog ging over de grenzen in de evangelisatie. De aanleiding daartoe was De Grote Jezus Quiz, die de EO op Tweede Paasdag uitzond. Deze aflevering sluit daar in zekere zin op aan. Ook hier gaat het om de vraag hoe ver christenen mogen gaan om ongelovigen voor het evangelie te winnen. De aanleiding is nu een bericht in het Nederlands Dagblad van 21 april j.l., waarin wordt gemeld dat de gemeente die uit het kerkplantingsproject Stroom is voortgekomen, een verzoek heeft ingediend als zelfstandige gemeente in de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) (GKV) te mogen worden opgenomen. Het adres van dat verzoek ligt voor de hand, want dit project is uit die kerken voortgekomen, met name de gemeente van Amsterdam (Centrum).

Eén en ander leidde echter tot onenigheid binnen de classis Amsterdam-Leiden, die hierover een beslissing moet nemen. Er zijn verschillende factoren die verklaren waarom Stroom niet zonder slag of stoot tot het kerkverband wordt toegelaten. In het bericht wordt vooral gewezen op het feit dat drie vrouwen deel uitmaken van de oudstenraad. Die is in feite wat in gereformeerde kerken de kerkenraad is. Deze vrouwen hebben daarmee de status van ambtsdrager. Maar de GKV kennen geen vrouwelijke ambtsdragers en het openstellen van het ambt voor vrouwen is tot op heden door kerkelijke vergaderingen altijd met principiële argumenten afgewezen. Overige verschilpunten komen hooguit zijdelings aan de orde. Kerkplanter Martijn Horsman wordt als volgt geciteerd: “[We] vragen aanvaard te worden zoals we nu zijn, want dit is de christelijke gemeenschap die we geworden zijn, inclusief hoe we het heilig avondmaal vieren, de doop bedienen en de leiding hebben ingevuld.” Het beleid ten aanzien van de doop kwam al eens aan de orde in een artikel in het Nederlands Dagblad op 12 november 2010 over de dooppraktijk in verschillende protestantse kerken (zie De doop onder vuur). In de Stroomgemeente worden alle kinderen gezegend en daarnaast ondergaan degenen die gedoopt worden “het complete ritueel”, zoals het werd uitgedrukt.

Het is van belang hier te noteren dat het besluit dienaangaande door de classis werd goedgekeurd. Dat werpt wel een bepaald licht op de huidige meningsverschillen op dezelfde classis. Wat is er veranderd? Ten aanzien van het besluit betreffende de doop schreef ik in bovengenoemd artikel: “De zegening is hier regel, de doop uitzondering. Op deze manier wordt de kinderdoop gereduceerd tot een spécialité de la maison voor wie daarop prijs stelt. Een Schriftuurlijke basis ontbreekt daarvoor geheel, evenals voor de praktijk van het zegenen van pasgeboren kinderen. Kerkelijke afspraken daarover bestaan ook niet. Hoe je het ook wendt of keert, ook hier wordt de kinderdoop als wezenlijk element van de leer van de Schrift ondermijnd.”

Men zou met recht kunnen beweren dat de bezwaren tegen de kerkelijke praktijk bij Stroom een beetje mosterd na de maaltijd zijn. Met betrekking tot de doop had men al een concessie gedaan aan de inmiddels gegroeide praktijk. Waarom zet men dan nu de hakken in het zand? Heeft dat te maken met de ambtelijke status van enkele vrouwen? Zou dat meer tegen de Schrift ingaan dan de dooppraktijk in deze gemeente? Het is in dit verband dienstig erop te wijzen dat de gereformeerde belijdenis zich over de vraag of vrouwen een kerkelijk ambt mogen bekleden, niet uitlaat. De doop wordt daarentegen uitvoerig behandeld. Heeft de classis, door in te stemmen met het compromis over de doop, de slag niet al verloren en wordt in feite nu geen achterhoedegevecht gevoerd?

Hoe de onderhavige kwestie moet worden opgelost is volstrekt onduidelijk. Volgens een verklaring van de classis lagen de standpunten zover uiteen dat van een besluit nog geen sprake kon zijn. In het najaar wordt de zaak opnieuw geagendeerd en in de tussentijd zal door gesprekken gepoogd worden nader tot elkaar te komen. Ik zou eigenlijk niet weten hoe men hier tot een voor alle zijden bevredigende oplossing kan komen. Daarvoor is de in de Stroomgemeente gegroeide praktijk te ver verwijderd van wat in de GKV gebruikelijk is. De oorzaak moeten deze kerken – en dan met name die in de classis – vooral bij zichzelf zoeken. Wanneer dit kerkplantingsproject vanaf het begin duidelijk kerkelijk was ingekaderd en ook naar buiten toe geen onduidelijkheid was geschapen over de (toekomstige) identiteit, zou het probleem zich niet – of niet in die mate – hebben voorgedaan. Het feit dat Horsman meldt dat pas na een “heftig intern debat” besloten is binnen de GKV te blijven is veelzeggend. Daarover had nooit onduidelijkheid mogen bestaan, gezien het feit dat dit project van de GKV uitging.

Er is vanaf het begin een grote mate van vrijblijvendheid in het project geslopen. Dat komt ook tot uitdrukking in het identiteitsdocument waarin de visie op de gemeente is vastgelegd. Die gaat vooral over het hoe van het geloven en het gemeente-zijn, maar nauwelijks over de inhoud van het geloof. Het document suggereert een grote mate van vrijblijvendheid. Die indruk wordt bevestigd door de manier waarop Horsman volgens het Nederlands Dagblad tegen de meningsverschillen binnen het kerkverband aankijkt. “Natuurlijk is het gesprek met elkaar over wat de Bijbel daarover zegt mogelijk, zegt hij. ‘Daarom heb je elkaar als kerken nodig.’ Maar dat is wat anders dan afspraken aan elkaar opleggen op een manier die geen ruimte biedt aan nieuwe missionaire gemeenschappen die nu eenmaal niet gevormd zijn naar de vrijgemaakte kerkcultuur.” Wat is de zin van gesprekken over wat de Bijbel zegt, wanneer die volstrekt vrijblijvend zijn? En behoren de manier waarop doop en avondmaal bediend worden en de wijze waarop de kerk geregeerd wordt tot de ‘vrijgemaakte kerkcultuur’ of zouden die iets met de gereformeerde religie te maken kunnen hebben, zoals die in de belijdenis wordt verwoord?

Wat vanaf het begin is scheefgegroeid valt nauwelijks meer recht te zetten. Als de gemeente wordt toegelaten onder de voorwaarde dat ze de gegroeide praktijk op een aantal punten aanpast aan die van het kerkverband zal dat ongetwijfeld tot gevolg hebben dat een aantal leden van de gemeente zal afhaken. Zij zouden zich om de tuin geleid kunnen voelen omdat de gemeente uiteindelijk een andere identiteit aanneemt dan waarmee ze zich aanvankelijk had gepresenteerd. Daar hebben ze dan nog gelijk in ook. Dat had voorkomen kunnen worden wanneer er vanaf het begin duidelijkheid was geweest over de gereformeerde identiteit van de kerkplantingsgemeente en er duidelijke grenzen waren getrokken ten aanzien van de aanpassing aan de cultuur van de doelgroep.
Een toelating zonder voorwaarden is alleen mogelijk wanneer men aanvaardt dat de gereformeerde religie in verschillende smaken verkrijgbaar is en de belijdenis reduceert tot één van de mogelijke interpretaties van de Schrift. Daarmee is dan wel de principiële basis onder de binding van ambtsdragers aan de belijdenis weggevallen. Die kan men dan beter bij het grofvuil zetten.

Maar dan zijn de Gereformeerde Kerken wel opgehouden gereformeerd te zijn.

Avondmaal en kerklidmaatschap

Het is tijd mijn verhaal over de sacramenten en het kerklidmaatschap voort te zetten. In de vorige bijdrage ging het over de doop. Aan het slot kwam de kwestie ter sprake die de uiteindelijke aanleiding vormde voor deze serie: de positie van kerkleden die zich in een andere kerkelijke gemeenschap laten ‘overdopen’. Heeft een ‘overdoop’ gevolgen voor het kerklidmaatschap of kan iemand die zich laat ‘overdopen’ gewoon lid van de gemeente blijven? Ik heb die vraag toen nog opengelaten. Er is een goede reden eerst de relatie tussen avondmaal en kerklidmaatschap te behandelen. Want degenen die zich laten ‘overdopen’ zijn meestal volwassenen, die ook al vaak belijdenis hebben gedaan en dus het recht hebben aan de viering van het avondmaal deel te nemen.

In de vorige bijdrage liet ik zien dat het feit dat de doop binnen de gemeente plaatsvindt, impliceert dat er sprake is van geloofseenheid tussen de doopouders en de gemeente. Die wordt op allerlei manieren bij de bediening van de doop onderstreept. Bovendien wordt de dopeling door de doop formeel in de gemeente opgenomen. Ook tussen avondmaal en kerklidmaatschap bestaat een nauwe band.

Het avondmaal is allereerst een uitdrukking van de band tussen Christus en de gemeente. Christus zelf heeft die bij de instelling van het avondmaal geproclameerd. Paulus onderstreept deze in zijn eerste brief aan de Corinthiërs. “Maakt de beker waarvoor wij God loven en danken ons niet één met het bloed van Christus? Maakt het brood dat wij breken ons niet één met het lichaam van Christus?” (1 Cor. 10,16). Hij laat daar direct op volgen dat het avondmaal ook een gemeenschap met elkaar is. “Omdat het één brood is zijn wij, hoewel met velen, één lichaam, want wij hebben allen deel aan dat ene brood.” (1 Cor. 10,17). In de christelijke gemeente die met Pinksteren in Jeruzalem ontstaat, is het “breken van het brood” een teken dat de leerlingen met elkaar een gemeenschap vormden (Hand. 2,42). Omdat de viering van het avondmaal een uitdrukking is van de eenheid van de gemeente, gaat Paulus in zijn eerste brief aan de Corinthiërs ook zo uitvoerig in op de misbruiken rond het avondmaal. Die zijn een aanwijzing dat het in de gemeente aan eensgezindheid ontbreekt. Dat had Paulus in de voorgaande hoofdstukken al gesignaleerd toen hij wees op de vele partijschappen.

De belijdenis van het geloof, voorafgaand aan de viering van het avondmaal, onderstreept dat hierin de geestelijke eenheid van de gemeente tot uiting komt. Maar die is niet pas in de avondmaalsviering zichtbaar. Die komt in de eerste plaats tot uitdrukking in de wekelijkse samenkomsten waarin het Woord wordt verkondigd. Woord en sacrament mogen ook in die zin niet van elkaar worden losgemaakt dat het ene vrijblijvend zou zijn en het andere geestelijke verbondenheid veronderstelt.

Wanneer Woord en sacrament onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn heeft dat consequenties.

Wie elke week het Evangelie hoort verkondigen kan zich niet onthouden van de viering van het avondmaal. Omgekeerd kan wie zich aan de wekelijkse evangelieverkondiging onttrekt, geen recht op deelname aan het avondmaal laten gelden. In beide gevallen worden Woord en sacrament van elkaar losgemaakt.

De eenheid tussen Woord en sacrament moet ook dan in stand gehouden worden wanneer gemeenten van verschillende kerkverbanden samen avondmaal vieren. Tussen de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) (GKV), de Christelijke Gereformeerde Kerken (CGK) en soms ook de Nederlands Gereformeerde Kerken (NGK) is in toenemende mate toenadering te constateren. Steeds meer gemeenten erkennen elkaar als gemeente van Christus. Dat is een verheugende ontwikkeling, wanneer deze erkenning gebaseerd is op de normen die de Schrift en de gereformeerde belijdenis hiervoor aanreiken. Ze leidt gewoonlijk tot kanselruil, gemeenschappelijke erediensten en gezamenlijke avondmaalsvieringen. Die drie elementen mogen niet van elkaar gescheiden worden. Wanneer bijvoorbeeld een CGK van tijd tot tijd met de GKV avondmaal viert, maar op andere momenten erediensten belegt met de NGK, terwijl deze door de GKV niet als kerk van Christus wordt erkend, worden Woord en sacrament losgeknipt.

Dat gebeurt ook wanneer gelovigen van buiten de kerkelijke gemeenschap wel het avondmaal willen meevieren, maar voor de wekelijkse Woordverkondiging hun heil in hun eigen gemeente zoeken. Het avondmaal is alleen opengesteld voor wie de geestelijke eenheid van de gemeente wil onderhouden. Daar hoort de Woordverkondiging bij.

Het onderhouden van de eenheid van de gemeente verdraagt zich ook niet met het vieren van het avondmaal in gemeenten waarmee geen geestelijke eenheid bestaat. Gereformeerden kunnen geen avondmaal vieren in een PKN- of evangelische gemeente. Daarmee zetten ze de toegang tot het avondmaal in hun eigen gemeente op het spel.

Ik keer terug tot de vraag die de aanleiding vormde tot deze serie: kan iemand die zich laat ‘overdopen’ lid van de gemeente blijven? Op grond van wat is opgemerkt ten aanzien van de relatie tussen sacrament en kerklidmaatschap moet deze vraag met “nee” beantwoord worden. Wie zich in een gemeente laat ‘overdopen’ belijdt geestelijk één te zijn met die gemeente en verbreekt daarmee de eenheid met de gemeente waarvan hij lid is. Dat moet in elk geval als consequentie hebben dat hij niet meer tot de viering van het avondmaal wordt toegelaten. Er is immers geen sprake van “één lichaam en één geest, (…) één geloof, één doop”, kenmerken van de eenheid van de Geest (Ef. 4). Wanneer er geen formele basis bestaat om in een dergelijk geval te concluderen dat van een “feitelijke onttrekking” sprake is, wordt het tijd dat de kerken door middel van een synodaal besluit uitspreken dat ‘overdoop’ een onttrekking aan de gemeente impliceert. Dat zou ook de uitspraak van de Generale Synode van Harderwijk van de GKV dat een tweede doop “in strijd is met wat de Schrift leert en de kerken belijden” onderstrepen.

Doop en kerklidmaatschap

In mijn vorige artikel ging het over de consequenties van het ‘overdopen’ voor het kerklidmaatschap. Volgens de Generale Synode van de Gereformeerde Kerken vrijgemaakt (GKV) is het enkele feit dat iemand zich in een andere gemeente laat ‘overdopen’ nog geen reden te concluderen dat hij zich ‘metterdaad’ aan de gemeenschap van de kerk heeft onttrokken. Ik stelde de vraag of hiermee recht gedaan wordt aan de relatie tussen doop en kerklidmaatschap. Omdat ook de toegang tot het avondmaal een onderwerp van discussie is, nam ik me voor nader in te gaan op de verbinding tussen de sacramenten en het kerklidmaatschap. Na enkele algemene opmerkingen over de sacramenten ga ik in dit artikel in op de doop. In een volgende bijdrage gaat het dan over het avondmaal.

Uitgangspunt is het gegeven dat God geen individuele mensen verzamelt, maar een volk, een gemeenschap. Dat deed hij in het Oude Testament door zich aan Israel te verbinden. Dat doet hij in de nieuwtestamentische tijd door zijn kinderen bijeen te brengen in de kerk. Op zijn zendingsreizen sticht Paulus gemeenten; aan een aantal daarvan schrijft hij brieven, waarin vooral het gemeentelijk samenleven uitvoerig aan de orde komt. In de Openbaring moet Johannes op Patmos brieven schrijven aan een aantal gemeenten in Klein-Azië. Ook in brieven aan individuele personen, zoals Timotheus, gaat het vooral over de gemeente. In de gemeenten stelt Paulus oudsten aan. Deze hebben als opdracht ervoor te zorgen dat het Evangelie wordt verkondigd en dat de gemeente bij de leer van Christus wordt bewaard (zie bv. Hand. 20,28).

Het Woord is genoeg voor ons behoud. Om dit te laten zien haalt Paulus in zijn brief aan de Romeinen Mozes aan. “Maar vervolgens zegt Mozes: ‘Het woord is dichtbij u, in uw mond en in uw hart’ – en dat betekent: de boodschap van het geloof die wij verkondigen, is dichtbij u. Als uw mond belijdt dat Jezus de Heer is en uw hart gelooft dat God hem uit de dood heeft opgewekt, zult u worden gered” (Rom. 10,8-9). Het gepredikte Woord zou dus voldoende moeten zijn. Maar door de geschiedenis heen blijkt dat mensen een zichtbare bevestiging van het gesproken woord verlangen. Daaraan is God tegemoet gekomen: herhaaldelijk geeft hij tekenen aan mensen dat zijn woorden echt waar zijn. Toen Abraham bereid bleek zijn zoon aan God af te staan, werd dat hem tot gerechtigheid gerekend. Toen was hij nog niet besneden. “De besnijdenis ontving hij later als een bezegeling en teken dat hij als onbesnedene rechtvaardig was omdat hij op God vertrouwde.” (Rom. 4,11).
Het Pascha, ingesteld bij de uittocht uit Egypte, is de zichtbare uitdrukking van de verbondenheid tussen Jahweh en zijn volk. Dat de sacramenten uiterlijke tekenen zijn van wat in het innerlijk heeft plaatsgevonden, onderstreept Paulus in zijn brief aan de Romeinen. Het gaat om een innerlijke besnijdenis, die het werk is van de Geest (Rom. 2,28-29). De Geest werkt in de eerste plaats door de verkondiging van het Evangelie. Maar God heeft besloten van die innerlijke besnijdenis een uiterlijk teken te geven.

De Heidelbergse Catechismus zegt dan ook terecht in het antwoord op vraag 66 (HC, Zondag 25): “Sacramenten zijn heilige zichtbare tekenen en zegels, die God ingesteld heeft om ons door het gebruik daarvan de belofte van het evangelie nog beter te doen verstaan en te verzegelen.” De Nederlandse Geloofsbelijdenis (art. 33) brengt dit expliciet in verband met de zwakheid van ons geloof: “Wij geloven dat onze goede God, omdat Hij met ons onverstand en de zwakheid van ons geloof rekening houdt, voor ons de sacramenten heeft ingesteld. Zo wil Hij ons zijn beloften verzegelen en ons onderpanden van zijn goedgunstigheid en genade jegens ons in handen geven.” Omdat de sacramenten het werk zijn van de Heilige Geest, mag de gelovige die niet ongebruikt laten.

Uit het bovenstaande kan een tweezijdige conclusie getrokken worden: Woord en sacrament zijn niet los verkrijgbaar. Ze horen bij elkaar, want door beide middelen wil God ons geloof voeden en onderhouden (NGB, art. 33). Wie zich door de verkondiging van het Woord wil laten voeden, kan zich niet aan de bediening van de sacramenten onttrekken. Daarom zijn het laten dopen van kinderen en de viering van het avondmaal niet facultatief; verzuim is reden tot ambtelijk vermaan. Het omgekeerde is ook waar: wanneer men de diensten waarin het Woord verkondigd wordt zonder wettige reden verzuimt, staat het recht op het gebruik van de sacramenten op het spel.

Hiermee komen we tot het eigenlijke onderwerp van dit verhaal. Als de Woordverkondiging en de sacramenten bijeen horen, hoe kan men dan in de ene gemeente deelnemen aan de verkondiging van het evangelie en voor de sacramenten zich bij een andere gemeente vervoegen? Op deze wijze wordt de eenheid tussen beide verbroken. Dat geldt des te meer wanneer de inhoud van de Woordverkondiging en de visie op de sacramenten in deze gemeenten principieel van elkaar verschillen. We hebben gezien dat de Geest zowel in de Woordverkondiging als in de bediening van de sacramenten werkzaam is. Kan Hij zichzelf tegenspreken door in de ene kerk via de prediking iets anders te verkondigen dan door middel van de sacramenten in de andere kerk?

Daar komt nog een belangrijk aspect bij: in beide gevallen is sprake van gemeenschap oftewel geestelijke eenheid. Wanneer in een kerkdienst een doop bediend wordt, is de gemeente maar niet een neutrale waarnemer, maar deelnemer. En het avondmaal is maar niet alleen een teken van eenheid met Christus, maar ook van de eenheid met elkaar. Dat wordt onderstreept doordat de gemeente, voorafgaand aan de avondmaalsviering, samen haar geloof belijdt.

Ik spits het bovenstaande nu toe op de doop.

Geconstateerd werd dat de sacramenten een toegevoegde waarde hebben. Ze staan niet los van de Woordverkondiging, ze staan er ook niet onder, maar ze staan er naast, als illustratie en bevestiging van dat Woord. Dat geldt zowel voor de doop als voor het avondmaal. In het zogenaamde ‘zendingsbevel’ in Matteus 28 draagt Jezus zijn leerlingen op de volken tot zijn leerlingen te maken en hen te dopen. Duidelijk is dat het tweede volgt op het eerste: de doop is de bevestiging van de verandering van mensen tot leerlingen van Christus. Door de apostelen wordt dit in praktijk gebracht. Op de Pinksterdag verkondigt Petrus het evangelie. Pas wanneer toehoorders vragen wat ze moeten doen, wekt hij hen op zich te laten dopen. Filippus legt eerst de Schrift uit aan de Ethiopiër; pas daarna wordt deze op zijn verzoek gedoopt (Hand. 8). Paulus schrijft in zijn eerste brief aan de Korintiërs dat hij door Christus niet is uitgezonden om te dopen, maar om te verkondigen (1 Kor. 1). Zelfs al voordat Christus zijn werk begint heeft Johannes eerst de komst van het koninkrijk van de hemel aangekondigd alvorens mensen te dopen.

In het Oude Testament was de besnijdenis de manier waarop God zijn kinderen apart zette van de wereld. Dat zat hem niet in de besnijdenis zelf, want die kwam ook onder andere volken voor. De besnijdenis was een uiterlijk teken, een bevestiging van het feit dat God beslag op het leven van de besnedene had gelegd. Abraham werd pas op hoge leeftijd besneden. Hij werd niet toen pas een kind van God; dat was hij al. De besnijdenis was alleen het zichtbare teken dat het verbond dat God met hem had gesloten, bevestigde. Zo is het ook met de doop. Kinderen van de gelovigen zijn vanaf hun geboorte in het verbond opgenomen. De doop maakt dat voor de ouders en voor de gemeente zichtbaar. “De dienaren van hun kant geven ons alleen het sacrament, dat zichtbaar is, maar onze Here geeft wat door het sacrament wordt aangeduid, namelijk de onzichtbare genadegaven” (NGB, art. 34). Door de bediening van de doop in het midden van de gemeente te laten plaatsvinden, wordt de eenheid tussen Woord en sacrament onderstreept.

De doop is ook het middel waardoor Christus de kinderen van de gelovigen in zijn gemeente opneemt. “Daarom moeten zij door de doop, als teken van het verbond, bij de christelijke kerk ingelijfd en van de kinderen van de ongelovigen onderscheiden worden” (HC, Zondag 27, antw. 74). Dat krijgt een formele vertaling in het feit dat een kind pas in het kerkelijk register wordt ingeschreven en als lid van de gemeente geldt, wanneer de doopsbediening heeft plaatsgevonden.

De relatie tussen doop en kerklidmaatschap wordt door de doopformulieren onderstreept.
Aan de doopouders wordt gevraagd of ze belijden dat “de leer van het Oude en Nieuwe Testament, die in de Apostolische Geloofsbelijdenis is samengevat en hier in de christelijke kerk geleerd wordt, de ware en volkomen leer van de verlossing is”. Door die vraag bevestigend te beantwoorden, geven de ouders te kennen dat ze deel willen zijn de gemeente waar ze hun kind ten doop houden. Wie zijn kind laat dopen, vormt een geestelijke eenheid met de gemeente. Die wordt in het derde doopformulier dat in de GKV in gebruik is, onderstreept door de geloofsbelijdenis, voorafgaand aan de vragen aan de ouders.

In de doopsbediening in het midden van de gemeente komt ook tot uitdrukking dat de gemeente de gedoopte in haar midden opneemt en haar verantwoordelijkheid voor hem op zich neemt. Ze bidt dat God de gedoopte mag regeren zodat hij “in de Here Jezus Christus zal opgroeien en toenemen” en “uw vaderlijke goedheid en barmhartigheid, die U aan dit kind en aan ons allen bewezen hebt, zal erkennen en belijden” (GKV, formulier I). In het tweede formulier wordt de verbinding tussen de dopeling en de gemeente explicieter gemaakt. In het gebed voor de doop wordt gezegd: “Laat de bediening van de heilige doop voor de hele gemeente tot zegen zijn. Wij zijn in uw naam gedoopt en U hebt ons allen zoveel beloofd. Geef dat wij dit bij deze doop opnieuw mogen zien, en des te meer bidden om de vervulling van uw beloften.” In het derde formulier wordt de gemeente na de bediening van de doop apart aangesproken. “Weet u geroepen door uw voorbede en voorbeeld deze ouders te steunen. Wees ook daadwerkelijk bereid om, waar nodig en mogelijk, eraan mee te helpen, dat dit kind groeit in het geloof, in de genade en de kennis van onze Heer Jezus Christus.”

Daarmee komt ook de formele kant van de doopsbediening in beeld. De gemeente heeft immers geen ondersteunende taak ten aanzien van elke gedoopte; alleen wie tot de gemeente behoort en daar zijn kind heeft laten dopen mag daarop aanspraak maken. De gemeente heeft ook – direct of via de kerkenraad – de plicht de ouders te vermanen wanneer ze hun bij de doop gegeven beloften niet nakomen. Maar dat geldt alleen ten aanzien van ouders die lid zijn van de gemeente en onder opzicht en tucht van de kerkenraad staan. Daarom worden ook alleen de kinderen van zulke ouders gedoopt.
Wie geen lid van de gemeente is, kan er geen aanspraak op maken dat zijn kind de doop ontvangt. Ook wanneer ouders te kennen geven zich aan de gemeente te willen onttrekken, kunnen ze niet meer verlangen dat hun kind in het midden van die gemeente de doop ontvangt. Zolang hun onttrekking niet formeel is aanvaard behoren ze weliswaar nog tot de gemeente, maar materieel staan ze er al buiten. Hoeveel betekenis kan aan hun antwoorden op de gestelde vragen worden gehecht? Wat betekent het, wanneer ze uitspreken dat de leer van die gemeente de “ware en volkomen leer van de verlossing” is, en beloven hun kind in die leer te laten onderwijzen, wanneer ze bijvoorbeeld van plan zijn zich te voegen bij een kerkgemeenschap waar deze leer ongestraft kan worden geloochend?

Doop en kerklidmaatschap horen bijeen. Dat heeft ook consequenties voor leden van de gemeente die zich elders laten ‘overdopen’. Maar daarbij doet zich wel de bijzonderheid voor dat het hier om volwassenen gaat, in veel gevallen zelfs om broeders of zusters die al belijdenis van hun geloof hebben afgelegd. En daarmee zijn ze gerechtigd het avondmaal te vieren. Daarom bewaar ik dit onderwerp tot de volgende keer. Dan gaat het over het tweede sacrament, het Heilig Avondmaal. Dan komt ook de vraag aan de orde wie tot de viering van het avondmaal kunnen worden toegelaten. Ook de positie van ‘overgedoopten’ komt dan ter sprake.

Feitelijke onttrekking

19 juni 2011 1 reactie

Het komt in vrijwel elke gemeente voor: broeders of zusters die te kennen geven zich aan de gemeenschap van de kerk te willen onttrekken. Aan zulke onttrekkingen ligt gewoonlijk een formele kennisgeving ten grondslag: een kerklid deelt schriftelijk aan de kerkenraad zijn besluit mee. Maar er zijn ook gevallen waarin iemand zich op een bepaalde manier van de gemeente verwijdert zonder dat hij zich formeel onttrekt.

Soms verhuist een gemeentelid naar een plaats die tot het grondgebied van een andere gemeente in hetzelfde kerkverband behoort. Het is dan de bedoeling dat hij zijn attestatie opvraagt bij het kerkelijk bureau van zijn gemeente en die, na ontvangst, bij de kerkenraad of het kerkelijk bureau van zijn nieuwe gemeente inlevert. Maar soms neemt een kerklid een verhuizing te baat om zich stilletjes aan de kerkelijke gemeenschap te onttrekken. Hij neemt dan niet de moeite de kerkenraad daarvan formeel op de hoogte te stellen. Het is in gereformeerde kerken niet gebruikelijk iemand ongevraagd een attestatie toe te sturen. De kerkenraad van de ‘oude’ gemeente heeft hier dus een probleem. Nu zou men kunnen overwegen de kerkenraad van de gemeente, op welks grondgebied de desbetreffende broeder of zuster woont, hiervan in kennis te stellen. Die zou dan de betrokkene kunnen benaderen en kunnen proberen hem of haar ertoe te bewegen zich bij de gemeente in de nieuwe woonplaats aan te sluiten. De vraag is of dat altijd verstandig is; dat zou best eens tot grotere verwijdering kunnen leiden. En het is ook de vraag of de ene kerkenraad de andere met zijn eigen probleem mag opzadelen. Het komt overigens ook voor dat niet eens bekend is waar een gemeentelid zich ophoudt. In beide gevallen draait het er meestal op uit dat de kerkenraad constateert dat het gemeentelid zich ‘metterdaad’ aan de gemeenschap van de kerk heeft onttrokken.

Maar deze praktijk komt binnen de Gereformeerde Kerken vrijgemaakt (GKV) op losse schroeven te staan door een uitspraak van de Generale Synode van Harderwijk. Ze sprak kortgeleden uit dat een ‘feitelijke onttrekking’ – een moderne formulering van een onttrekking ‘metterdaad’ – in de Kerkorde en in bestaande regelingen nergens voorkomt. Van een onttrekking kan volgens de synode alleen sprake zijn wanneer iemand bewust overgaat naar een andere kerk. Die constatering mag feitelijk correct zijn, daarmee worden kerkenraden in feite met een onoplosbaar probleem opgezadeld. Wanneer een kerklid om welke reden dan ook zich niet formeel onttrekt en kerkenraden hem niet op grond van een ‘feitelijke onttrekking’ kunnen uitschrijven, blijft hij lid. Dat is – zeker wanneer het niet tot één geval beperkt blijft – een financiële last, want zulke ‘papieren leden’ blijven meetellen bij de bepaling van de landelijke quota, die gerelateerd zijn aan het aantal gemeenteleden. Ernstiger nog is het probleem van zulke ‘papieren leden’ vanuit ambtelijk oogpunt. Amtsdragers zijn verplicht aan de hun vertrouwde gemeenteleden ambtelijke zorg te verlenen, maar dat wordt bij verhuizing uit het grondgebied van de gemeente in veel gevallen praktisch onmogelijk.

Voor de uitspraak van de Generale Synode bestond een concrete aanleiding. Door kerken uit twee provincies werd aan de synode de vraag voorgelegd hoe om te gaan met gemeenteleden die zich hebben laten ‘overdopen’ in een evangelische gemeente, maar toch lid willen blijven van hun eigen gemeente. Sommige kerkenraden interpreteren dit als een ‘feitelijke onttrekking’. Door de uitspraak dat voor zo’n onttrekking elke formele basis ontbreekt, gaat de vraag klemmen hoe in zulke gevallen gehandeld moet worden. De synode komt met het volgende antwoord: in zulke gevallen is “Bijbels onderwijs, zo nodig gevolgd door vermaan, nodig” (citaat uit het Nederlands Dagblad, 6.6.11).

Hieruit blijkt dat de synode het verschijnsel niet bagatelliseert. Dat wordt onderstreept door haar uitspraak dat een tweede doop “in strijd is met wat de Schrift leert en de kerken belijden” (citaat ND, 6.6.11). Daarmee heeft ze aangegeven dat hierin niet mag worden berust. Het gebruik van het woord ‘vermaan’ suggereert dat de kerkelijke tucht niet bij voorbaat buiten beeld moet blijven. Volgens het in de GKV fungerende Formulier voor de uitsluiting uit de gemeente van Christus ligt het vermaan ten grondslag aan de tuchtoefening die uiteindelijk tot uitsluiting uit de gemeente kan leiden. In het formulier wordt meegedeeld dat een gemeentelid “ondanks vele vermaningen” geen enkel teken van berouw toonde en dat hij of zij daarom van het heilig avondmaal werd afgehouden. Je zou hieruit mogen concluderen dat vermaan een voorstadium van de tuchtoefening is. Daarmee wordt de ernst van de aan de orde zijnde kwestie onderstreept.

Dat bijbels onderwijs noodzakelijk is wanneer een gemeentelid zich laat overdopen, is duidelijk. Maar is dat niet wat laat? Een ‘overdoop’ komt toch niet uit de lucht vallen? Daaraan is een proces voorafgegaan, en je mag hopen dat dit niet aan de aandacht van de kerkenraad is ontsnapt. Meestal heeft het betrokken gemeentelid regelmatig bijeenkomsten van een evangelische gemeente bezocht en dat zal vrijwel altijd gepaard gaan met het verzuimen van de eigen kerkdiensten. Van een kerkenraad mag worden verwacht dat hij de betrokkene hierop aanspreekt. En wanneer dan blijkt dat deze zijn heil in evangelische samenkomsten zoekt is dat al reden voor bijbels onderwijs. Te vrezen valt dat slordigheid of misplaatste tolerantie van kerkenraden er mede de oorzaak van is dat ze met de ‘overdoop’ als voldongen feit geconfronteerd worden. Bijbels onderwijs komt dan waarschijnlijk als mosterd na de maaltijd.

De uitspraak van de Generale Synode lijkt te zijn geïnspireerd door de ‘tolerantiebepaling’ die door de Generale Synode van de Gereformeerde Kerken in 1914 is aanvaard. Daarin wordt uitgesproken dat gemeenteleden die hun kind niet willen laten dopen, niet direct in aanmerking komen voor tuchtmaatregelen, maar onderwezen moeten worden, omdat zij “te goeder trouw dwalen”. Maar dan moet wel de vraag gesteld worden of het hier om vergelijkbare gevallen gaat. Ouders die hun kind niet willen laten dopen zijn en blijven immers gewoon lid van hun gemeente en sluiten zich niet aan bij een gemeenschap die de kinderdoop verwerpt. Een volwassen gemeentelid dat zich in een andere gemeente laat ‘overdopen’, geeft daarmee te kennen dat hij zich verbonden voelt met die gemeente. Maar: kan iemand zich verbonden voelen met twee gemeenten, die in hun geloofsleer in elk geval op een aantal punten diametraal tegenover elkaar staan? Er bestaat niet voor niets een nauwe relatie tussen de doop en het lidmaatschap van de kerk. Daarover laten de Heidelbergse Catechismus maar ook de formulieren voor de doop van kinderen en van volwassenen, die in de GKV gebruikt worden, geen misverstand bestaan.

Binnen de GKV is niet alleen ‘overdopen’ een onderwerp van discussie, de toegang tot de viering van het avondmaal is dat evenzeer. En ook dat laatste heeft alles met de belijdenis over de kerk te maken. Dat is een reden er speciaal aandacht aan te besteden. Dat komt in een volgende bijdrage in deze weblog aan de orde.