Archief

Posts Tagged ‘Dordtse Leerregels’

Parels voor de zwijnen

Het is weer Pasen geweest. Dat gaat in de regel niet ongemerkt voorbij. Dat was dit jaar zeker het geval. Op eerste Paasdag werd de wereld opgeschrikt door een terroristische aanslag op Sri Lanka, waarvan vooral christenen, die in kerken bijeen waren om de opstanding van Christus te herdenken en te vieren, het slachtoffer werden. Die datum was door de (waarschijnlijk) extremistische islamitische zelfmoordterroristen niet toevallig gekozen. Terwijl Jezus in de islam met egards wordt tegemoet getreden en de herdenking van zijn geboorte weinig weerstand ontmoet, is zijn opstanding een splijtzwam. Daarin komt immers naar voren dat hij echt God is, en dat wil er bij moslims – en niet alleen bij hen – niet in. Pasen is het feest waardoor bij uitstek het christendom zich van andere religies onderscheidt.

Maar ook andere jaren krijgt Pasen en wellicht nog meer de daaraan voorafgaande passietijd (voor seculieren is dat één pot nat) veel aandacht. In Nederland bezoeken vele duizenden één of meerdere uitvoeringen van de Matthäus-Passion van Johann Sebastian Bach. Daarin heeft ons land een traditie opgebouwd, die uniek is in de wereld en door buitenlandse muziekliefhebbers met verbazing wordt geregistreerd. Sinds 2011 is daar dan nog een ‘populaire’ versie van het lijdensverhaal bijgekomen: The Passion, georganiseerd door KRO-NCRV en EO. Die trekt elk jaar veel aandacht en ook de directe uitzendingen via de televisie worden door heel wat mensen bekeken. Zo gezien staat het er in Nederland met de aandacht voor het evangelie van het lijden en sterven van Christus en van zijn opstanding, in weerwil van de secularisatie, niet slecht voor.

Dat weerhoudt sommigen er niet van de alarmbel te luiden. Uit rechts-nationalistische hoek, en vooral door degenen die zich als ‘cultuurchristenen’ beschouwen, worden elk jaar alarmistische betogen afgestoken dat Nederland bezig is zijn christelijke feestdagen in de uitverkoop te doen, in een kennelijke poging de moslims onder ons niet voor het hoofd te stoten. Dit jaar was het de beurt aan Syp Wynia, voormalig redacteur van Elseviers Weekblad, om op Twitter te waarschuwen voor het verval van de christelijke feesten, en dan vooral Pasen. Daarbij verwees hij niet zozeer naar wensen van moslims, want dat zij bezwaar zouden maken tegen de viering van Pasen kunnen inmiddels zelfs de meest radicale islamofoben niet meer volhouden. Hij verweet vooral ‘autochtone’ Nederlanders, en dan met name christenen en hun organisaties, daaronder ook kerken, niet meer op te komen voor het behoud van hun feestdagen. Gevraagd naar bewijzen, bleef het stil. Het zal best waar zijn dat hier en daar in ‘autochtone’ kringen, en misschien zelfs in christelijke kring, suggesties gedaan worden om bijvoorbeeld een christelijke feestdag in te leveren in ruil voor een algemene vrije dag op een islamitisch feest. Maar dat is niet de algemene trend.

De alarmbellen van cultuurchristenen klinken ook nogal vals. Zij zien de christelijke feestdagen in de eerste plaats als piketpaaltjes van de Nederlandse Leitkultur. Ze brengen die feesten in stelling tegen bedreigingen van ‘vreemdelingen’. Het is een instrument in handen van een nationalistische ideologie. Cultuurchristenen maken zich in het geheel geen zorgen over de vraag of de boodschap van de evangeliën nog wel gehoord wordt. In de kerk zul je ze op eerste Paasdag niet aantreffen. Een zichzelf ‘cultuurchristen’ noemend politicus als Thierry Baudet liet er niet lang geleden in een discussie met SGP-leider Kees van der Staaij geen twijfel over bestaan dat hij geen boodschap heeft aan het christelijk geloof volgens de bijbel en dat hij zelfs een uitgesproken afkeer van christelijke kerken en organisaties heeft.

Het is overigens nog maar de vraag of het zo betreurenswaardig zou zijn, wanneer de aandacht voor de christelijke feesten zou verminderen. Want de aandacht die ze nu krijgen, of dat nu commercieel of muzikaal is, heeft meestal weinig te maken met waar die feesten echt over gaan. Natuurlijk, in Bachs Matthäus-Passion komt het evangelie onversneden naar voren. Maar hoeveel luisteraars begrijpen de boodschap? Het zal in Nederland niet zo zijn als in Frankrijk, waar het overgrote deel van de toehoorders geen flauw idee heeft waar dat werk eigenlijk over gaat, althans wanneer we Philippe Herreweghe, één van de grote Bachspecialisten van onze tijd, mogen geloven. Maar ook hier wordt de kern van de boodschap vaak gemist. Daaraan dragen ook uitvoerende musici en dirigenten bij, door aan Bachs werk, dat voor de Lutherse liturgie is bedoeld, een humanistische draai te geven, die onrecht doet aan de boodschap van het werk. Wie meent dat het alleen maar gaat over “verraad, om zwakte en om de dood waarvan we hopen dat hij niet het laatste woord heeft”, mist de essentie.

Dat laatste citaat slaat trouwens niet op de Matthäus-Passion, maar zijn woorden van Leo Fijen, hoofdredacteur levensbeschouwing van KRO-NCRV en één van de geestelijke vaders van The Passion. Het is zijn antwoord op de vraag of “The Passion door al die mensen zo gewaardeerd [wordt] vanwege het spektakel en de stoet van zingende BN’ers die langstrekt, of (…) de mooie kijkcijfers – vorig jaar keken 3,2 miljoen mensen – wel degelijk uitdrukking [geven] aan een brede ontvankelijkheid voor de Paasgedachte” (De Volkskrant, 17.4.19). Niet dat hij de geestelijke dimensie onder het kleed schuift. Hij voegt eraan toe: “En het gaat om de paradox van de Stille Week voor Pasen: dat Christus ons het meest geeft als hij kansloos aan het kruis hangt.” Maar is dat echt alles?

The Passion vindt op diverse plaatsen in het land navolging, in de vorm van ‘mini-Passions’, Passiespelen of een uitbeelding van de kruisweg. “De kruisweg [in Sneek] is nota bene geopend door een burgemeester die zegt niet te geloven, maar die zo’n initiatief ziet als een welkome bijdrage aan de gemeenschapszin.” En daarmee wordt de herdenking van Christus’ lijden dienstbaar gemaakt aan een maatschappelijk ideaal van verbinding over grenzen heen. Met dat ideaal is niets mis, maar het lijden en sterven van Christus brengt nu juist geen verbinding, maar eerder verdeeldheid. Want iedereen die het verhaal hoort, wordt voor de keuze gesteld of hij de boodschap van persoonlijke schuld en de noodzaak van verzoening door een Ander aanvaardt of verwerpt. Van het antwoord hangt zijn of haar toekomst af. Het lijden en sterven van Christus is een tweesnijdend zwaard, om een bijbelse term te gebruiken.

Het is een oude vraag: mag wat kan? Moeten we blij zijn met een project als The Passion of het op z’n minst het voordeel van de twijfel geven? Een predikant schreef op Twitter dat hij een echtpaar kende dat door het kijken naar The Passion tot nadenken was gebracht en uiteindelijk tot geloof was gekomen. Dat is goed om te horen, maar kan niet dienen als argument ten faveure van dit project.

De verdeeldheid op dit punt is deels een kwestie van smaak, maar wellicht ook van cultuur. Ik zie hier – generaliserend gesproken – een verschil tussen de evangelische en de reformatorische wereld. De eerste – die voor een niet gering deel in de Amerikaanse cultuur wortelt – is over het algemeen wat minder huiverig om elementen van de hedendaagse, seculiere cultuur over te nemen en die voor eigen doeleinden te gebruiken. Of de vorm wel bij de inhoud past, is naar mijn waarneming nauwelijks een onderwerp van discussie. Vorm en inhoud lijken twee geheel gescheiden compartimenten te zijn. Het gaat toch in de eerste plaats om de goede bedoelingen; de vorm is van relatief ondergeschikt belang. Dat komt ook tot uiting in de evangelische liedcultuur. Als men al erkent dat aan de kwaliteit van teksten en muziek het één en ander ontbreekt, wordt dat niet echt als een probleem ervaren.

In de reformatorische wereld staat men traditioneel wat gereserveerder tegenover moderne cultuuruitingen. In bevindelijke kring uit zich dat in een meer of minder sterke vorm van wereldmijding. In kringen die door het denken van Abraham Kuyper zijn beïnvloed, staat men positiever tegenover de samenleving en uitingsvormen van de moderne cultuur als zodanig, maar die liggen altijd onder het beslag van de antithese. Dat laatste begrip wordt zelden meer in discussies gebruikt, maar de achterliggende gedachten – waartoe ook de overtuiging gerekend kan worden dat niet alles wat in onze tijd opgeld doet, zonder meer omarmd kan worden en bruikbaar gemaakt kan worden voor het eigen ideaal – zijn nog wel degelijk levend.

Ik denk echter dat er een diepere laag aangeboord moet worden. De hier aangesneden kwestie heeft mijns inziens een principiële kant. Evangelischen hebben van oudsher een sterke drive om zoveel mogelijk mensen met het evangelie in aanraking te brengen, rechtsom of linksom. Daarbij hebben ze ongetwijfeld de Schrift aan hun zijde. Voor zijn hemelvaart geeft Jezus zijn discipelen de opdracht alle volken tot zijn leerlingen te maken. Die lieten, zoals het boek Handelingen laat zien, weinig middelen onbeproefd om hun boodschap te slijten. Of we dat als maatstaf moeten nemen voor vandaag, is de vraag. Uiteindelijk weten we niet of ze bepaalde middelen bewust hebben laten liggen omdat die niet bij de aard van hun boodschap pasten. Bovendien zijn er dusdanige verschillen tussen de culturen van toen en die van nu dat het optreden van de apostelen toen niet zonder meer overgebracht kan worden naar onze tijd.

De sterke motivatie tot evangelisatie van de evangelische beweging is bewonderenswaardig, maar er zit wel een schaduwkant aan. Het leidt vaak tot een manier van optreden die onnodig weerstand opwekt en vaak getuigt van een gebrek aan sensitiviteit. Dat is niet maar een kwestie van cultuur, dat heeft een diepere reden. Ik heb er al eerder, naar aanleiding van de dood van de Amerikaanse evangelist John Chau, op gewezen dat in de evangelische beweging het arminianisme een niet te onderschatten rol speelt. Op het vlak van zending en evangelisatie leidt dat ertoe dat men geneigd is aan de mens een te grote rol toe te kennen. Uiteindelijk hangt het van de gelovigen af of ‘de wereld’ met het christelijk geloof in aanraking komt. Dan is eigenlijk geen middel te gek. Het verklaart ook waarom het nogal eens voorkomt dat evangelische gelovigen hun ‘gewone’ beroep opgeven om zich een ‘bediening’ toe te eigenen. Werk is tenslotte maar werk en je specifiek inzetten voor de verbreiding van het evangelie is van veel groter gewicht.

In de gereformeerde traditie wordt meer ruimte gelaten aan de heilige Geest. In de gereformeerde belijdenissen en vooral in de Dordtse Leerregels wordt beklemtoond dat de mens wel een rol speelt – en moet spelen – in de verkondiging van het evangelie, maar dat het uiteindelijk de heilige Geest is die het geloof geeft. Hij kan dat doen – en doet dat soms ook – zonder menselijke tussenkomst. Dat geeft rust: wanneer mensen geen mogelijkheden zien of van mening zijn dat bepaalde middelen niet bij de aard van de boodschap passen, weet de Geest wel raad. Hij kan langs andere wegen mensen toch bereiken. Maar hij kan ze ook het geloof onthouden.

Evangelischen en gereformeerden erkennen beide dat de heilige Geest met een kromme stok een rechte slag kan slaan. Daarmee is nog niet gezegd dat we hem kromme stokken moeten aanbieden, in de verwachting dat hij er een rechte slag mee slaat. Sterker nog: ook van het laten liggen van een kromme stok kan een boodschap uitgaan. Passie en Pasen zijn parels van grote waarde. Ze zijn te kostbaar om ze voor de zwijnen te gooien.

Advertenties

John Chau en de belijdenis van Dordt

De naam John Allen Chau zou een paar maanden geleden niemand in Nederland iets gezegd hebben en ook in zijn eigen land, de Verenigde Staten, zou die niet veel herkenning opgeroepen hebben. Maar inmiddels is hij een soort beroemdheid geworden, maar dan op een andere manier dan hij gehoopt zal hebben. Wat begon als een missie, eindigde in een tragedie. In zijn pogingen de totaal geïsoleerde bevolking van North Sentinel Island bij India in aanraking te brengen met het evangelie, kwam hij in aanraking met hun afkeer van vreemdelingen. Hij moest zijn hardnekkigheid – want hij probeerde het, na een eerdere vergeefse poging, nog een keer – met de dood bekopen. Zijn lichaam kreeg een andere begrafenis dan zijn familie en vrienden voor hem in petto hadden, mocht hij komen te overlijden.

In de media heeft het incident nogal wat aandacht getrokken. Op veel sympathie hoefde het slachtoffer niet te rekenen. De algemene teneur was ‘eigen schuld, dikke bult’. Hij had gewoon de wensen van de bewoners van het eiland moeten respecteren. Op Twitter wees theoloog Stefan Paas er op dat in onze tijd weinig begrip, laat staan sympathie, bestaat voor zoiets als zending. Dat heeft uiteraard te maken met een algemene afkeer van religie – in elk geval in onze contreien – maar meer in het algemeen met onbegrip voor mensen die kennelijk zo overtuigd zijn van hun eigen gelijk dat ze dat met iedereen willen delen en anderen daartoe willen ‘bekeren’.

Eigenlijk is dat nogal vreemd. Want er lopen in ons deel van de wereld – ‘het westen’, maar zeker ook Nederland – nogal wat lieden rond die er absoluut zeker van zijn dat hun opvattingen de (enige) juiste zijn. Ik heb nog nooit een politicus gehoord die toegaf dat mensen met tegenovergestelde opvattingen misschien wel gelijk zouden kunnen hebben. En er zijn tegenwoordig steeds meer mensen die beklemtonen dat ‘onze’ cultuur – voor de gelegenheid voorzien van de toevoeging ‘joods-christelijk’ – toch echt superieur is aan alle andere culturen. Je zou verwachten dat zulke mensen dan niets liever willen dan anderen daarvan te overtuigen. Maar dat lijkt niet het geval te zijn. Dat zou wel eens te wijten kunnen zijn aan het nationalisme dat steeds meer veld wint. Dat gaat er van uit dat elk land zijn eigen boontjes moet doppen en dat landen elkaar niet lastig moeten vallen. Ieder land staat het dan vrij zijn eigen cultuur te verdedigen, of anderen die nu appreciëren of niet. Vanuit die gedachte is het niet zo vreemd dat het concept van ‘universele mensenrechten’ in dit soort kringen niet op applaus mag rekenen.

Dat kan ook verklaren dat op sociale media sommigen bijna met jaloezie reageerden op de wijze waarop de eilandbewoners zich van een indringer ontdeden. “Dat zouden wij ook moeten doen”, schreef iemand op Twitter. Men mag dan neerkijken op ‘primitieve culturen’, als het er om gaat je eigen levenswijze te verdedigen tegen vreemdelingen, kunnen we kennelijk nog wel iets van hen leren.

Vanuit christelijk perspectief roept de hele kwestie nogal wat vragen op. Moeten we de vrij algemene kritiek op Chau bijvallen? Of zouden we hem moeten verdedigen en zelfs zijn moed en doorzettingsvermogen moeten bewonderen? Iemand die zo gedreven is om heidenen met het Evangelie bekend te maken, verdient toch bewondering? Is wat hem is overkomen niet het risico dat we lopen als we het zendingsbevel serieus nemen?

Jezus draagt zijn leerlingen inderdaad op alle volken tot zijn discipelen te maken. Dat hebben de eerste christenen ook in praktijk gebracht. We lezen daarover in het boek Handelingen. En de eeuwen door hebben christelijke kerken zich geroepen gevoeld het evangelie uit te dragen tot aan de ‘uiteinden der aarde’. In de recentere kerkgeschiedenis heeft de zending ook altijd een warme plek gehad in het leven van kerkleden. Toch heb ik het idee dat ook onder orthodoxe christenen, die geloven dat iedereen zich aan God en aan Christus gewonnen moet geven, weinig sympathie voor iemand als Chau bestaat. Ik heb in de pers in elk geval nog geen verdediging van zijn optreden gelezen.

Er is alle reden kritisch te kijken naar de geschiedenis van zending en missie (om gelijk ook even de rooms-katholieke variant er bij te betrekken). Voor veel mensen van onze tijd – christen of seculier – zijn zending en missie onlosmakelijk verbonden met het kolonialisme. Sommigen zullen die zelfs identificeren en zending als zodanig als een vorm van kolonialisme beschouwen. Het gaat te ver in dit verband daarop verder in te gaan. Maar de wat mildere variant, waarin kolonialisme en zending met elkaar verbonden worden, verdient wel serieuze aandacht. Want er kan geen twijfel over bestaan dat die connectie er is geweest. Zendelingen en missionarissen zijn in het kielzog van kolonisten in Afrika, Azië en Latijns-Amerika terecht gekomen. De kolonisatie was het voertuig waarin ze meeliftten. Weliswaar vonden de kolonisatoren de bekering van ‘inboorlingen’ heel belangrijk – of in elk geval deden ze het voorkomen of ze er belang aan hechtten – maar als puntje bij paaltje kwam gaf het economisch gewin toch de doorslag. Meestal won de koopman het van de dominee, ook in de activiteiten van bijvoorbeeld de VOC. En er kan geen twijfel over bestaan dat zending en missie vaak geen of te weinig afstand hebben gehouden van de economische en politieke activiteiten die we nu samenvatten onder de noemer ‘kolonialisme’.

Het is dan ook niet voor niets dat in onze tijd de verhoudingen veranderd zijn. Zoals niet meer gesproken wordt over ontwikkelingshulp, maar over ontwikkelingssamenwerking, wordt ook door zendingsorganisaties steeds meer en steeds sterker de ‘ontvangende’ partij als gelijkwaardig gezien en behandeld. Er wordt niet meer eenzijdig aangeboden – of opgedrongen – wat kerken in het westen belangrijk vinden, maar er wordt veel meer geprobeerd te voorzien in behoeften die door christenen en kerken in landen in de ‘derde wereld’ op tafel worden gelegd. En ook bij het ontsluiten van nieuwe gebieden kijkt men vooral naar wat gedaan kan worden vanuit de directe omgeving. Afrikaanse kerken die in Afrika zending drijven is het uitgangspunt, waarbij westerse kerken hooguit met kennis en financiën kunnen assisteren.

Er is dus alle reden kritisch te kijken naar zendingsactiviteiten zoals die van Chau. Maar laten we niet in karikaturen vervallen. Het wekt verbazing dat hij, volgens de berichten, in het Engels de eilandbewoners toegeschreeuwd zou hebben: “My name is John, I love you and Jesus loves you.” Dit suggereert dat hij impulsief te werk ging. Maar dat lijkt niet het geval te zijn geweest. Vanuit All Nations, de evangelische missie-organisatie die hem steunde, wordt meegedeeld dat Chau “thorough and meticulous in his preparation” was en zelfs in quarantaine was geweest om te voorkomen dat hij ziekten zou overdragen, waartegen de eilandbewoners, als gevolg van hun isolatie, geen afweer hebben.

Dat neemt niet weg dat we kritische vragen mogen en moeten stellen over zijn missie. In analyses is er op gewezen dat zijn activiteiten en die van anderen geworteld zijn in de evangelische zending zoals die in de 19e eeuw in de Verenigde Staten is ontstaan. William Smelvoe schrijft: “From the beginning of the 19th century, Protestants sent missionaries abroad under mission boards that required seminary education and full funding for prospective recruits. By the end of the 19th century, however, some mission leaders believed that the established missions were evangelizing the world at much too slow a pace. Evangelicals believe in a hell where the souls of those who don’t convert to Christianity will burn forever. Missionaries are motivated by Christ’s words in the “Great Commission” to “make disciples of all nations.” In these biblical verses, the risen Christ commands his disciples to go into all the world and preach the gospel. This command has motivated the missionary enterprise for centuries.”

“Evangelicals believe in a hell where the souls of those who don’t convert to Christianity will burn forever.” Als dat de motivatie voor zending is, heeft men toch de boodschap van de Schrift niet helemaal begrepen. Over de realiteit van de hel is de Schrift glashelder. Dat uiteindelijk het geloof in Christus en zijn verzoenend werk beslissend is voor de eeuwige toekomst van de mens, daarover laat ze evenmin onduidelijkheid bestaan. Maar in zijn zendingsbevel formuleert Jezus geen motief. Het is een eenvoudige opdracht. Het doel is iedereen te leren alles te onderhouden wat Hij zijn leerlingen geboden heeft. Daarmee legt Jezus de verbinding met de beden waarmee het Onze Vader begint: “Laat Uw koninkrijk komen” en “Laat Uw wil gedaan worden”. Dat gebed is gericht tot de Vader. En daarmee komen tegelijk zending en evangelisatie in een bepaald perspectief te staan. Het gaat in de zending uiteindelijk niet om de toekomst van de mens, maar om de eer en de wil van de Vader.

Chau is een typisch product van wat men geloofszending noemt, die niet kerkelijk gebonden is en niet werkt binnen een confessioneel kader. Veel Amerikaanse zendingsorganisaties wortelen in het methodisme, dat sterk arminiaans gekleurd is. Daarin wordt aan de mens een doorslaggevende rol in het aanvaarden of afwijzen van het geloof toegekend. De uitverkiezing blijft helemaal buiten beeld. Maar die heeft alles te maken met de manier waarop naar zending en evangelisatie gekeken wordt.

In het Nederlands Dagblad bracht oud-zendeling Jacob Kruidhof dit ooit zo onder woorden: “Het tweezijdige verbond tussen God en zijn volk is ingesteld en wordt onderhouden door de eenzijdige kracht van God. God en mens vullen elkaar niet aan, maar God doet alles alleen. En onderdeel van Gods werk is dat Hij zijn tegenpartij, zijn counterpart, ook maakt tot een echte partij die gebracht wordt tot echt en zuiver meedoen. (…) Hoe wordt de mens Gods tegenpartij? Door de verkondiging van het evangelie. Lazarus was dood en kon niets horen en kon zich niet bewegen, maar Jezus’ roepen máákte hem tot een levend mens die meewerkt. Zo maakt God mensen die niet kunnen en willen horen, door zijn evangelieverkondiging tot zijn tegenpartij die graag met Hem meegaat. Wie verkondigen dat? De mensen die Hij verkiezend zendt. Tot wie? Tot wie Hij verkiezend zendt. Wie maakt Hij daardoor levend? Hen die Hij door dat evangelie verkiezend gehoor geeft. Anders gezegd: Wij vinden onze plek door zijn verkiezing te gehoorzamen.” We horen hier de weerklank van de Dordtse Leerregels.

Kruidhof wijst dan vervolgens op de menselijke beperkingen. We moeten het Evangelie ‘tot aan de einden der aarde’ uitdragen, “maar niet aan allen tegelijk”. En, vul ik vanuit het onderwerp waaraan dit blog is gewijd, toe: niet door ruiten en roeien. Het staat nergens zo in de bijbel, maar ik denk dat het spreekwoord dat tot het onmogelijke niemand gehouden is, een heel christelijke waarheid verwoordt. Want God vraagt van niemand wat menselijk gesproken onmogelijk is. De ‘invasie’ op North Sentinel Island was volgens de Indiase wet illegaal. Dat moet ook de zending in eerste instantie respecteren. Bovendien: rekening houden met de uitverkiezing betekent respect voor het werk van de Geest. In het boek Handelingen lezen we soms dat de plannen van de apostelen door de Geest zelf worden doorkruist. En Paulus nam zich voor naar Spanje te gaan, maar er is geen enkele reden te geloven dat hij daar ook is geweest. De Geest had voor hem iets anders in petto.

Respect voor het werk van de Geest betekent ook dat we de mogelijkheid moeten incalculeren dat hij volken, die voor ons onbereikbaar zijn, wel op andere manieren, zonder menselijke inbreng, met het Evangelie kan aanraken. En zelfs zonder een bijzondere activiteit van de Geest is, zoals artikel 2 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis zegt, niemand te verontschuldigen voor zijn ongeloof: de schepping, onderhouding en regering van de wereld zijn welsprekende bewijzen van Gods “eeuwige kracht en goddelijkheid”.

Dat geeft ontspannenheid in zending en evangelisatie. Christenen en de christelijke kerk mogen hun handen in onschuld wassen, wanneer het onmogelijk blijkt bepaalde mensen of culturen met het Evangelie te confronteren.

Had Chau de Schriftuurlijke belijdenis van de uitverkiezing tot de zijne gemaakt, dan was hij nu wellicht nog in leven geweest.

De leer is pastoraal

Met meer dan gewone belangstelling is uitgekeken naar de besluiten van de bisschoppensynode die kort geleden in Rome werd gehouden. Gezien de uitspraken van paus Franciscus over een aantal aspecten van de leer van de rooms-katholieke kerk die in de huidige samenleving – in elk geval die van het ‘Westen’ – op grote weerstand stuiten, hoopten sommigen dat die op een aantal punten echt gewijzigd zou worden. De meer realistische waarnemers verwachtten dat niet: het wijzigen van de leer is een proces van vele jaren. Daarover wordt niet op een achternamiddag een besluit genomen. Ze kregen gelijk: de toon ten aanzien van hen die zich niet in overeenstemming met de kerkelijke leer gedragen mag enigszins veranderd zijn, die leer zelf blijft onveranderd.

De houding van seculiere media ten opzichte van de paus is nogal tegenstrijdig. Wanneer hij de toenemende kloof tussen rijk en arm aan de kaak stelt en zijn eigen kerk oproept soberder te leven, krijgt hij vele handen op elkaar. Wanneer hij kritiek levert op de behandeling van asielzoekers en immigranten en de landen van de Europese Unie verwijt niet adequaat te reageren op de toevloed van Afrikaanse bootvluchtelingen, is de bijval al heel wat minder. Die blijft vrijwel uit wanneer hij de opvattingen van de kerk ten aanzien van de seksuele moraal naar voren brengt. Kennelijk is dat een onderwerp dat tot een scheiding van de geesten leidt.

In de verslaggeving van de bisschoppensynode ging het vooral om de positie van homoseksuelen en van diegenen die na een scheiding een nieuw huwelijk zijn aangegaan. Dat de toon waarop over de betrokkenen werd gesproken anders is dan men van de rooms-katholieke kerk en haar geestelijken gewend is, kan moeilijk worden ontkend. Maar worden daarmee de scherpe kanten van de leer van de kerk afgeslepen? Krijgt het pastoraat meer gewicht ten koste van de leer?

Het lijkt erop dat in onze tijd leer en pastoraat een tegenstelling vormen. ‘Leer’ staat voor een stelsel van onwrikbare waarheden waaraan mensen worden geacht zich zonder mitsen en maren te onderwerpen. Dat zou hun levensgeluk verstoren en hen zelfs psychisch kunnen beschadigen. Daartegenover staat een kerk die vooral pastoraal is. Daarmee wordt dan in de regel bedoeld dat de wensen en verlangens van mensen op de eerste plaats komen. “Wellicht zijn mensen in deze tijd niet zozeer op zoek naar een heldere uitleg van de christelijke leer, maar vooral naar de troost dat in alle eenzaamheid Iemand onvoorwaardelijk van je houdt”, zo wordt deze mentaliteit in het commentaar van het Nederlands Dagblad (15.10.14) treffend getypeerd.

De praktijk ziet er vaak anders uit. Het zijn bepaald niet alleen christelijke kerken die er een aantal leerstelligheden op na houden. Seculieren mogen met nog zoveel aplomb beweren dat er geen absolute zekerheden zijn – een uitspraak overigens die zichzelf tegenspreekt -, er zijn maar weinig politici uit die hoek die durven te zeggen dat ze er ook maar een slag naar slaan en dat de kiezer even zo goed op de concurrentie kan stemmen. Elke partij of maatschappelijke organisatie met een duidelijk levensbeschouwelijk of ideologisch profiel wijst mensen de deur die zich daaraan niet conformeren. Waarom zou dat bij een kerk dan anders moeten zijn?

De opvatting dat mensen belangrijker zijn dan de leer wint overigens ook binnen de kerk terrein. Dat heeft tot gevolg dat de verkondiging van de leer in kerkdiensten bepaald niet op algemene bijval kan rekenen. Diensten waarin de Heidelbergse Catechismus wordt behandeld, trekken niet het meeste volk. Die behandeling vindt meestal plaats tijdens de middagdiensten en naarmate die slechter bezocht worden blijven steeds meer kerkleden van dit onderwijs verstoken. Dat heeft op langere termijn ongetwijfeld gevolgen, niet alleen ten aanzien van de inhoud van de leer, maar ook voor wat betreft het belang dat aan de leer van de kerk als zodanig gehecht wordt.

Van een krant als het Nederlands Dagblad mag men niet verwachten dat ze pleit voor een onderschikking van de leer aan het levensgeluk van mensen. De auteur van het eerder aangehaalde commentaar doet dat dan ook niet. Hij besluit als volgt: “Hoe je ook aankijkt tegen de rooms-katholieke huwelijksmoraal: een kerk die zó liefdevol is voor mensen dat ze iedere dwarse boodschap wegstopt en vergeet op te roepen tot bekering, heeft zichzelf overbodig gemaakt. Andersom: als de Rooms-Katholieke Kerk onder paus Franciscus – maar dit geldt evenzeer voor alle andere kerken – christelijke liefde weet te paren aan evangelische duidelijkheid, is er pas echt een wereld gewonnen.”

Hoezeer men het daarmee op zichzelf eens kan zijn, het probleem van de verhouding tussen leer en pastoraat wordt daarmee niet opgelost. Hier wordt gepleit voor een gezond evenwicht tussen beide. Maar dat stelt de kerk voor een bijna onoplosbaar probleem, want daar bestaat geen recept voor. Wat de één als gezond evenwicht zal ervaren, wordt door de ander als een overwicht van het één of het ander gezien. En wie problemen heeft met (aspecten van) de leer van de kerk wordt door een andere toon niet misleid. De kerk kan de leer nog zo voorzichtig naar voren brengen, de scherpe kanten waaraan mensen zich snijden, worden er daardoor niet afgeslepen.

Een evenwichtsconstructie zal de spanning tussen leer en pastoraat niet kunnen opheffen. Dat is ook niet nodig, want leer en pastoraat staan niet tegenover elkaar. De kerk moet duidelijk maken dat ze geen concurrenten zijn, maar een eenheid vormen. De leer is naar haar aard pastoraal. De leer van de kerk is immers niets anders dan de leer van Christus. In Johannes 10 presenteert Hij zichzelf als de goede herder; Hij loopt voor de schapen uit die hem volgen omdat ze zijn stem kennen. Van het Latijnse woord voor herder – pastor – zijn de begrippen pastoraat en pastoraal afgeleid. Een kerk die de leer van Christus verkondigt, is bij uitstek pastoraal: ze roept mensen op in het spoor van de goede herder te gaan en zijn stem te volgen, dat is: te blijven bij wat Hij zelf hen geleerd heeft.

Paulus onderstreept de eenheid van leer en pastoraat door de begrippen herder en leraar aan elkaar te verbinden (Ef. 4,11). En Petrus maakt duidelijk waar het in het pastoraat uiteindelijk om gaat. Na gesproken te hebben over de rechtvaardiging door Christus’ kruisdood schrijft hij: “Eens dwaalde u als schapen, nu bent u teruggekeerd naar hem die de herder is, naar hem die uw ziel behoedt”. Pastoraat is niet gericht op wat mensen hier en nu als hun levensgeluk beschouwen, maar op hun eeuwig geluk, het behoud van hun ziel.

Kan dan in de verkondiging van de leer niets misgaan? Natuurlijk wel. Die verkondiging is altijd mensenwerk en dus gebrekkig. Mensen kunnen de leer op allerlei manieren misbruiken, bijvoorbeeld als machtsmiddel. Dat gebeurt vooral dan wanneer de leer wordt gereduceerd tot een aantal fundamentele waarheden. Het is geen wonder dat juist voorgangers in fundamentalistische kring nogal eens ophef veroorzaken door uitspraken waarin wel waarheden worden gedebiteerd maar waaruit de Waarheid is verdwenen. Zonder de liefde van Christus verwordt de leer tot een levenloos dogmatisch stelsel. Het is veelzeggend dat God zelf de afkondiging van zijn Tien Woorden met een liefdesverklaring aan zijn volk begint. Dat stempelt de geboden die Hij aan zijn volk oplegt.

Dat hebben de opstellers van de Heidelbergse Catechismus zich gerealiseerd. Dit belijdenisgeschrift spreekt harde woorden over de mens en zijn aard en over zijn onvermogen zichzelf te redden. Maar het begint daar niet mee. Het begint met de troostvolle boodschap van de verbondenheid van God met zijn kinderen. Van daaruit moet dan het vervolg gelezen worden.

In hun uiteenzetting van de leer grijpen de Catechismus en ook de Nederlandse Geloofsbelijdenis en de Dordtse Leerregels voortdurend terug op de Schrift. En daar zit nu het probleem van de rooms-katholieke kerk. Haar leer is te vaak gebaseerd op uitspraken van pausen en concilies en is lang niet altijd terug te voeren op de leer van de Schrift. Wanneer dat wel het geval is, klinkt dat te weinig door. De leer kan alleen pastoraal zijn en als zodanig worden herkend wanneer die geworteld is in en beargumenteerd wordt vanuit de Schrift. Daarin laat God weten dat Hij het behoud van mensen op het oog heeft: wie de stem van de herder volgt gaat niet verloren, maar heeft eeuwig leven.

De kerk die de verkondiging van de leer verwaarloost, laadt een zware verantwoordelijkheid op zich.