Archief

Posts Tagged ‘EO’

Parels voor de zwijnen

Het is weer Pasen geweest. Dat gaat in de regel niet ongemerkt voorbij. Dat was dit jaar zeker het geval. Op eerste Paasdag werd de wereld opgeschrikt door een terroristische aanslag op Sri Lanka, waarvan vooral christenen, die in kerken bijeen waren om de opstanding van Christus te herdenken en te vieren, het slachtoffer werden. Die datum was door de (waarschijnlijk) extremistische islamitische zelfmoordterroristen niet toevallig gekozen. Terwijl Jezus in de islam met egards wordt tegemoet getreden en de herdenking van zijn geboorte weinig weerstand ontmoet, is zijn opstanding een splijtzwam. Daarin komt immers naar voren dat hij echt God is, en dat wil er bij moslims – en niet alleen bij hen – niet in. Pasen is het feest waardoor bij uitstek het christendom zich van andere religies onderscheidt.

Maar ook andere jaren krijgt Pasen en wellicht nog meer de daaraan voorafgaande passietijd (voor seculieren is dat één pot nat) veel aandacht. In Nederland bezoeken vele duizenden één of meerdere uitvoeringen van de Matthäus-Passion van Johann Sebastian Bach. Daarin heeft ons land een traditie opgebouwd, die uniek is in de wereld en door buitenlandse muziekliefhebbers met verbazing wordt geregistreerd. Sinds 2011 is daar dan nog een ‘populaire’ versie van het lijdensverhaal bijgekomen: The Passion, georganiseerd door KRO-NCRV en EO. Die trekt elk jaar veel aandacht en ook de directe uitzendingen via de televisie worden door heel wat mensen bekeken. Zo gezien staat het er in Nederland met de aandacht voor het evangelie van het lijden en sterven van Christus en van zijn opstanding, in weerwil van de secularisatie, niet slecht voor.

Dat weerhoudt sommigen er niet van de alarmbel te luiden. Uit rechts-nationalistische hoek, en vooral door degenen die zich als ‘cultuurchristenen’ beschouwen, worden elk jaar alarmistische betogen afgestoken dat Nederland bezig is zijn christelijke feestdagen in de uitverkoop te doen, in een kennelijke poging de moslims onder ons niet voor het hoofd te stoten. Dit jaar was het de beurt aan Syp Wynia, voormalig redacteur van Elseviers Weekblad, om op Twitter te waarschuwen voor het verval van de christelijke feesten, en dan vooral Pasen. Daarbij verwees hij niet zozeer naar wensen van moslims, want dat zij bezwaar zouden maken tegen de viering van Pasen kunnen inmiddels zelfs de meest radicale islamofoben niet meer volhouden. Hij verweet vooral ‘autochtone’ Nederlanders, en dan met name christenen en hun organisaties, daaronder ook kerken, niet meer op te komen voor het behoud van hun feestdagen. Gevraagd naar bewijzen, bleef het stil. Het zal best waar zijn dat hier en daar in ‘autochtone’ kringen, en misschien zelfs in christelijke kring, suggesties gedaan worden om bijvoorbeeld een christelijke feestdag in te leveren in ruil voor een algemene vrije dag op een islamitisch feest. Maar dat is niet de algemene trend.

De alarmbellen van cultuurchristenen klinken ook nogal vals. Zij zien de christelijke feestdagen in de eerste plaats als piketpaaltjes van de Nederlandse Leitkultur. Ze brengen die feesten in stelling tegen bedreigingen van ‘vreemdelingen’. Het is een instrument in handen van een nationalistische ideologie. Cultuurchristenen maken zich in het geheel geen zorgen over de vraag of de boodschap van de evangeliën nog wel gehoord wordt. In de kerk zul je ze op eerste Paasdag niet aantreffen. Een zichzelf ‘cultuurchristen’ noemend politicus als Thierry Baudet liet er niet lang geleden in een discussie met SGP-leider Kees van der Staaij geen twijfel over bestaan dat hij geen boodschap heeft aan het christelijk geloof volgens de bijbel en dat hij zelfs een uitgesproken afkeer van christelijke kerken en organisaties heeft.

Het is overigens nog maar de vraag of het zo betreurenswaardig zou zijn, wanneer de aandacht voor de christelijke feesten zou verminderen. Want de aandacht die ze nu krijgen, of dat nu commercieel of muzikaal is, heeft meestal weinig te maken met waar die feesten echt over gaan. Natuurlijk, in Bachs Matthäus-Passion komt het evangelie onversneden naar voren. Maar hoeveel luisteraars begrijpen de boodschap? Het zal in Nederland niet zo zijn als in Frankrijk, waar het overgrote deel van de toehoorders geen flauw idee heeft waar dat werk eigenlijk over gaat, althans wanneer we Philippe Herreweghe, één van de grote Bachspecialisten van onze tijd, mogen geloven. Maar ook hier wordt de kern van de boodschap vaak gemist. Daaraan dragen ook uitvoerende musici en dirigenten bij, door aan Bachs werk, dat voor de Lutherse liturgie is bedoeld, een humanistische draai te geven, die onrecht doet aan de boodschap van het werk. Wie meent dat het alleen maar gaat over “verraad, om zwakte en om de dood waarvan we hopen dat hij niet het laatste woord heeft”, mist de essentie.

Dat laatste citaat slaat trouwens niet op de Matthäus-Passion, maar zijn woorden van Leo Fijen, hoofdredacteur levensbeschouwing van KRO-NCRV en één van de geestelijke vaders van The Passion. Het is zijn antwoord op de vraag of “The Passion door al die mensen zo gewaardeerd [wordt] vanwege het spektakel en de stoet van zingende BN’ers die langstrekt, of (…) de mooie kijkcijfers – vorig jaar keken 3,2 miljoen mensen – wel degelijk uitdrukking [geven] aan een brede ontvankelijkheid voor de Paasgedachte” (De Volkskrant, 17.4.19). Niet dat hij de geestelijke dimensie onder het kleed schuift. Hij voegt eraan toe: “En het gaat om de paradox van de Stille Week voor Pasen: dat Christus ons het meest geeft als hij kansloos aan het kruis hangt.” Maar is dat echt alles?

The Passion vindt op diverse plaatsen in het land navolging, in de vorm van ‘mini-Passions’, Passiespelen of een uitbeelding van de kruisweg. “De kruisweg [in Sneek] is nota bene geopend door een burgemeester die zegt niet te geloven, maar die zo’n initiatief ziet als een welkome bijdrage aan de gemeenschapszin.” En daarmee wordt de herdenking van Christus’ lijden dienstbaar gemaakt aan een maatschappelijk ideaal van verbinding over grenzen heen. Met dat ideaal is niets mis, maar het lijden en sterven van Christus brengt nu juist geen verbinding, maar eerder verdeeldheid. Want iedereen die het verhaal hoort, wordt voor de keuze gesteld of hij de boodschap van persoonlijke schuld en de noodzaak van verzoening door een Ander aanvaardt of verwerpt. Van het antwoord hangt zijn of haar toekomst af. Het lijden en sterven van Christus is een tweesnijdend zwaard, om een bijbelse term te gebruiken.

Het is een oude vraag: mag wat kan? Moeten we blij zijn met een project als The Passion of het op z’n minst het voordeel van de twijfel geven? Een predikant schreef op Twitter dat hij een echtpaar kende dat door het kijken naar The Passion tot nadenken was gebracht en uiteindelijk tot geloof was gekomen. Dat is goed om te horen, maar kan niet dienen als argument ten faveure van dit project.

De verdeeldheid op dit punt is deels een kwestie van smaak, maar wellicht ook van cultuur. Ik zie hier – generaliserend gesproken – een verschil tussen de evangelische en de reformatorische wereld. De eerste – die voor een niet gering deel in de Amerikaanse cultuur wortelt – is over het algemeen wat minder huiverig om elementen van de hedendaagse, seculiere cultuur over te nemen en die voor eigen doeleinden te gebruiken. Of de vorm wel bij de inhoud past, is naar mijn waarneming nauwelijks een onderwerp van discussie. Vorm en inhoud lijken twee geheel gescheiden compartimenten te zijn. Het gaat toch in de eerste plaats om de goede bedoelingen; de vorm is van relatief ondergeschikt belang. Dat komt ook tot uiting in de evangelische liedcultuur. Als men al erkent dat aan de kwaliteit van teksten en muziek het één en ander ontbreekt, wordt dat niet echt als een probleem ervaren.

In de reformatorische wereld staat men traditioneel wat gereserveerder tegenover moderne cultuuruitingen. In bevindelijke kring uit zich dat in een meer of minder sterke vorm van wereldmijding. In kringen die door het denken van Abraham Kuyper zijn beïnvloed, staat men positiever tegenover de samenleving en uitingsvormen van de moderne cultuur als zodanig, maar die liggen altijd onder het beslag van de antithese. Dat laatste begrip wordt zelden meer in discussies gebruikt, maar de achterliggende gedachten – waartoe ook de overtuiging gerekend kan worden dat niet alles wat in onze tijd opgeld doet, zonder meer omarmd kan worden en bruikbaar gemaakt kan worden voor het eigen ideaal – zijn nog wel degelijk levend.

Ik denk echter dat er een diepere laag aangeboord moet worden. De hier aangesneden kwestie heeft mijns inziens een principiële kant. Evangelischen hebben van oudsher een sterke drive om zoveel mogelijk mensen met het evangelie in aanraking te brengen, rechtsom of linksom. Daarbij hebben ze ongetwijfeld de Schrift aan hun zijde. Voor zijn hemelvaart geeft Jezus zijn discipelen de opdracht alle volken tot zijn leerlingen te maken. Die lieten, zoals het boek Handelingen laat zien, weinig middelen onbeproefd om hun boodschap te slijten. Of we dat als maatstaf moeten nemen voor vandaag, is de vraag. Uiteindelijk weten we niet of ze bepaalde middelen bewust hebben laten liggen omdat die niet bij de aard van hun boodschap pasten. Bovendien zijn er dusdanige verschillen tussen de culturen van toen en die van nu dat het optreden van de apostelen toen niet zonder meer overgebracht kan worden naar onze tijd.

De sterke motivatie tot evangelisatie van de evangelische beweging is bewonderenswaardig, maar er zit wel een schaduwkant aan. Het leidt vaak tot een manier van optreden die onnodig weerstand opwekt en vaak getuigt van een gebrek aan sensitiviteit. Dat is niet maar een kwestie van cultuur, dat heeft een diepere reden. Ik heb er al eerder, naar aanleiding van de dood van de Amerikaanse evangelist John Chau, op gewezen dat in de evangelische beweging het arminianisme een niet te onderschatten rol speelt. Op het vlak van zending en evangelisatie leidt dat ertoe dat men geneigd is aan de mens een te grote rol toe te kennen. Uiteindelijk hangt het van de gelovigen af of ‘de wereld’ met het christelijk geloof in aanraking komt. Dan is eigenlijk geen middel te gek. Het verklaart ook waarom het nogal eens voorkomt dat evangelische gelovigen hun ‘gewone’ beroep opgeven om zich een ‘bediening’ toe te eigenen. Werk is tenslotte maar werk en je specifiek inzetten voor de verbreiding van het evangelie is van veel groter gewicht.

In de gereformeerde traditie wordt meer ruimte gelaten aan de heilige Geest. In de gereformeerde belijdenissen en vooral in de Dordtse Leerregels wordt beklemtoond dat de mens wel een rol speelt – en moet spelen – in de verkondiging van het evangelie, maar dat het uiteindelijk de heilige Geest is die het geloof geeft. Hij kan dat doen – en doet dat soms ook – zonder menselijke tussenkomst. Dat geeft rust: wanneer mensen geen mogelijkheden zien of van mening zijn dat bepaalde middelen niet bij de aard van de boodschap passen, weet de Geest wel raad. Hij kan langs andere wegen mensen toch bereiken. Maar hij kan ze ook het geloof onthouden.

Evangelischen en gereformeerden erkennen beide dat de heilige Geest met een kromme stok een rechte slag kan slaan. Daarmee is nog niet gezegd dat we hem kromme stokken moeten aanbieden, in de verwachting dat hij er een rechte slag mee slaat. Sterker nog: ook van het laten liggen van een kromme stok kan een boodschap uitgaan. Passie en Pasen zijn parels van grote waarde. Ze zijn te kostbaar om ze voor de zwijnen te gooien.

Advertenties

Bij de dood van een theoloog

Het overlijden van de theoloog Harry Kuitert heeft heel wat pennen in beweging gebracht. Niet alleen in protestantse of, ruimer, christelijke kring, maar zelfs daarbuiten. Dat heeft enerzijds te maken met het feit dat zijn uitspraken en boeken nogal geruchtmakend waren, maar is ook te verklaren uit zijn bijdragen tot de maatschappelijke discussies over met name euthanasie. In een verder verleden oefende hij kritiek op kerkelijke uitspraken over kernbewapening.

Wat in de reacties uit meer behoudende kring opvalt is de terughoudendheid. Dat is ook het geval bij de toon die het Nederlands Dagblad in zijn commentaar aanslaat. Weliswaar schrijft Dick Schinkelshoek dat zijn naam verbonden is aan de “stapsgewijze afbraak van gereformeerde geloofswaarheden”. “Ieder nieuw boek ging Kuitert daarin een stukje verder. Totdat hij en veel van zijn (jongere) generatiegenoten geen geloof meer overhielden, en ze eenzaam onder een lege hemel achterbleven. De weg van Kuitert bleek niet bevrijdend, maar heilloos.” Maar tegelijk roept hij de critici op tot zelfonderzoek.

Hij wijst op de persoonlijke aanvallen en de soms grove kwalificaties die hem ten deel vielen. Kritiek daarop is terecht en wie de schoen past, moet hem vooral aantrekken. Maar dat is niet het enige. Gesuggereerd wordt dat de kritiek op Kuitert ook wel eens uit angst kan zijn voortgekomen. “Angst voor het afbrokkelen van zekerheden die, toen iemand als Kuitert ertegenaan duwde, niet zo zeker bleken te zijn. Angst voor de vragen die Kuitert stelde (‘hoe weten we zo zeker wat we zeggen te weten over God?’) en de wetenschap dat men die vragen ook aantreft op de bodem van het eigen hart.” Dat laat zich gemakkelijk opschrijven, is echter niet te bewijzen. Er is ook kritiek op gekomen: mensen uit bijvoorbeeld EO-kringen, die destijds het debat over Kuitert van nabij hebben meegemaakt, herkenden dit niet. Maar er zit natuurlijk wel een kern van waarheid in. Want geloven komt niemand aanwaaien. Juist een gereformeerde gelovige die met de Heidelbergse Catechismus belijdt dat de mens van nature geneigd is God en de naaste te haten, zal het gevaar van de sirenenzang van Kuitert en anderen niet onderschatten. Het is dus best mogelijk dat de kritiek op Kuitert werd ingegeven door angst. Maar dat is dan een terechte angst: niet de angst dat hij misschien gelijk zou kunnen hebben, maar de angst dat de gelovige datgene ontnomen wordt wat hem wapent tegen de aanvallen van de duivel.

Is het, vanuit dat perspectief, te verdedigen dat ook in orthodoxe kring de reacties op Kuiterts overlijden van enige terughoudendheid getuigen? Ja en nee.

Ja: over iemand schrijven of spreken die zojuist is overleden, is een riskante aangelegenheid. Daar is enige terughoudendheid wel op haar plaats. De zegswijze “over de doden niets dan goeds” is niet algemeen geldig, want over bepaalde mensen valt niets goeds te zeggen. Natuurlijk kun je ervoor kiezen iemands overlijden gewoon te melden zonder daar verder nader op in te gaan. Maar wanneer iemand een prominente rol in het kerkelijke en maatschappelijke leven heeft gespeeld, zoals Kuitert, is dat geen optie. Bovendien was zijn invloed groot en dan kun je er, zeker als christelijke krant, moeilijk het zwijgen toe doen.

Nee: Kuitert heeft, zoals het ND-commentaar terecht zegt, een belangrijke rol gespeeld in de afbraak van “gereformeerde geloofszekerheden”. Ik zou het wat scherper willen formuleren. Kuitert is gelovigen voorgegaan in de stapsgewijze afbraak van het geloof in een levende God. Het gevolg is dat niet weinigen hun geloof helemaal zijn kwijtgeraakt. Ze staan nu met lege handen. Daarbij past wel een kanttekening. Wellicht zouden ze hun geloof ook zonder Kuitert zijn kwijtgeraakt. Bovendien: wie zijn geloof aan de wilgen hangt, doet dat zelf. Ieder is persoonlijk aanspreekbaar op zijn relatie tot God en op de inhoud van zijn geloof. Niemand kan zich achter een ander verschuilen en de schuld op anderen afschuiven.

Dat laat onverlet dat wie zich in het publieke debat beweegt een bijzondere verantwoordelijkheid draagt. Door de geschiedenis heen hebben dichters, denkers en wetenschappers grote invloed uitgeoefend, soms ten goede – en in dit Reformatiejaar kunnen we dan aan Luther en Calvijn denken – maar vaker nog ten kwade. Woorden hebben effect en degenen die ze uitspreken of opschrijven moeten zich daarvan bewust zijn. Iedereen die in de publieke sfeer spreekt of schrijft moet deze woorden van Jezus ter harte nemen: “Wie een van de geringen die in mij geloven van de goede weg afbrengt, die kan maar beter met een molensteen om zijn nek in zee geworpen worden en in de diepte verdrinken” (Mt 18,6).

De boodschap en de kloof

In 1997 organiseerde de EO een conferentie onder de titel ‘De boodschap en de kloof’, naar aanleiding van een door de omroep uitgevoerd onderzoek. Het congres ging over de vraag hoe wij de moderne postmoderne mens met het evangelie kunnen bereiken. Sinds die conferentie is de kloof bepaald niet smaller geworden. Het is waar: veel mensen zijn op zoek naar de zin van het leven. Maar er is op de markt van zingeving en geluk veel keus. De meeste mensen zijn niet geneigd zich daarvoor tot de kerk of tot het christelijk geloof te wenden. Ze zoeken liever iets dat hun de vrijheid geeft de zin van het leven naar eigen smaak in te vullen. De kerk is – in navolging van haar Heer – gericht op een langdurige relatie: God wil mensen in zijn verbond opnemen. Maar zulke langdurige verbindingen passen niet bij de moderne tijd waarin mensen de voorkeur geven aan kortlopende relaties.

Allerlei vormen die zijn gebruikt om mensen te bereiken zijn bij het vuilnis gezet. Wie heeft het nog over de koffiebar als evangelisatiemiddel? De straten in de centra van steden en dorpen zijn inmiddels helemaal volgeplempt met horeca in allerlei soorten en maten. Daar kan geen koffiebar met ideële instelling tegenop. Evangelisatie in verbinding met recreatie – dat doet het nog wel, maar voor hoe lang? Want ook daar zijn er kapers op de kust: activiteiten voor vakantiegangers zijn er tegenwoordig volop, aangezien veel mensen niet in staat lijken hun eigen vertier te organiseren.

Er wordt dus naar nieuwe manieren gezocht. Daarbij stuiten we op een groot probleem dat niet in een handomdraai op te lossen is. Nederland is een multiculturele samenleving geworden. Ik doel daarbij nu niet in de eerste plaats op de toevloed van mensen uit andere – vaak niet-westerse – culturen. Ook zonder hun aanwezigheid zou Nederland een multiculturele samenleving zijn. Er is in diverse rapporten al op gewezen hoezeer de samenleving bezig is uiteen te vallen in klassen van mensen die in gescheiden wijken wonen en gescheiden levens leiden en wier wegen elkaar nauwelijks kruisen. Ze onderscheiden zich naar opleiding en navenant inkomen en die verschillen vertalen zich dan in opvattingen over politieke en maatschappelijke kwesties. Er dreigen parallelle beschavingen te ontstaan die elkaar nauwelijks nog kunnen bereiken en begrijpen. Die gescheidenheid komt ook in de politiek tot uitdrukking. Een partij als de PvdA wil mensen uit verschillende sociale en culturele klassen met elkaar verbinden maar dat lukt niet zo goed. Dat verklaart de vele interne strubbelingen. Het schijnbaar onverenigbare verenigen – dat lukt alleen partijen met een sterk ideologisch profiel, zoals de SP en de kleine christelijke partijen.

Dat laatste is ook bij uitstek een kenmerk van de kerk. Dat is een verzameling van mensen met heel verschillende achtergronden, in culturele voorkeuren, in opleiding en inkomen en soms ook in de manier waarop tegen politieke en maatschappelijke kwesties wordt aangekeken. Toch laten ze elkaar niet los, vooral niet omdat ze elkaar niet gevonden hebben op grond van wederzijdse sympathie maar omdat ze geloven dat ze van hogerhand tot elkaar veroordeeld zijn. Ze zullen het met elkaar moeten rooien. Dat is niet gemakkelijk – wrijvingen en conflicten zijn onvermijdelijk. Maar nergens belooft de Schrift ons dat kerk-zijn gemakkelijk is.

Legt dit kenmerk van de kerk enig gewicht in de schaal bij pogingen de kloof te overbruggen? Je zou mogen verwachten van wel, want zijn veel mensen niet op zoek naar verbinding? Ja, maar – zoals ik in een eerdere weblog schreef – dan wel een verbinding op hun voorwaarden. Die zoekt men vooral met gelijkgezinden. Wanneer iemand zegt – zoals ik eens in een forum op internet las – dat in zijn omgeving iedereen PVV stemt, zegt dat vooral iets over hem en over de mensen met wie hij omgaat. Hij is geen uitzondering: dit past in een patroon, zoals we gezien hebben.

Moet de kerk daar dan maar bij aansluiten? Sommigen lijken die vraag bevestigend te beantwoorden. Dat verklaart de opkomst van allerlei doelgroepenkerken. We kennen inmiddels een popupkerk in Amsterdam en er is al eens sprake geweest – hoewel misschien niet helemaal serieus – van een wielrenkerk. Wel realiteit is een internetkerk: enkele jaren geleden heeft de PKN zoiets opgezet. “De doelgroep van de internetkerk bestaat uit mensen die geen binding hebben met de kerk, maar ook tegen levensvragen aanlopen en daar wat mee willen doen”, volgens een woordvoerder van de PKN in het Reformatorisch Dagblad.

Het concept van een doelgroepenkerk roept veel vragen op. Is het de bedoeling dat zo’n ‘kerk’ ook het eindstation is? Blijft men daarin altijd hangen? Of wordt ernaar gestreefd dat de bezoekers van zo’n kerk te zijner tijd doorstromen naar een ‘gewone’ kerk? Dat lijkt me nogal problematisch, want die ziet er heel anders uit dan de ‘kerk’ die men gewend is. Zal men daar z’n draai kunnen vinden of teleurgesteld afhaken? Men zou zich zelfs voor de gek gehouden kunnen voelen, want de kerk blijkt anders te zijn dan men verwacht had – minder vrijblijvend, geen draaideurgemeenschap met los-vaste relaties, maar een gemeenschap met structuur en met een eigen identiteit.

Je kunt je niet helemaal aan de indruk onttrekken dat het experimentele karakter van doelgroepenkerken soms ook bedoeld is als breekijzer om de bestaande kerk te veranderen. Dat lijkt ook – in elk geval mede – het motief te zijn van mensen die ernaar streven dat de kerk helemaal overnieuw begint. Een voorbeeld daarvan was de campagne 7keer7 – waar we overigens niets meer van horen. Overnieuw beginnen en dan alle fouten vermijden die we als kerk gemaakt hebben – zou dat lukken? Dat lijkt me erg onwaarschijnlijk. Want we zijn en blijven mensen. Misschien vermijden we de fouten van het verleden, maar we zullen ongetwijfeld nieuwe fouten maken en er is geen reden aan te nemen dat die minder ernstig zullen zijn dan de fouten die we willen vermijden. Die fouten uit het verleden zijn ook niet meer ongedaan te maken en we zijn gedwongen die met ons mee te dragen. Ook wie zich er tegen afzet neemt ze mee: ze geven immers richting aan de koers die hij vaart. Het is een onrealistisch streven dat lijdt aan zelfoverschatting. Het is ook onhistorisch en dat is iets wat niet bij de kerk past. Die weet immers uit de Schrift waar ze vandaan komt: ook de zonde van Adam en Eva is een deel van haar geschiedenis.

Maar, afgezien van eventuele verborgen agenda’s, zullen doelgroepkerken beklijven? Het lijkt me onwaarschijnlijk. We hebben er al ervaring mee: de jeugdkerken die zo’n 15 tot 20 jaar geleden nogal opgang maakten werden beschouwd als het ei van Columbus. Maar ze zijn inmiddels vrijwel allemaal ter ziele gegaan. Dat past in het beeld van de heersende mentaliteit: langlopende verbintenissen zijn ‘uit’. Wanneer de sensatie van weleer wegebt – en dat is onvermijdelijk – slaat eerst de gewenning en dan de verveling toe. Dan gaat men op zoek naar weer een nieuwe ervaring. Blijkbaar hebben zulke doelgroepenkerken te weinig substantie om echt wortel te schieten. Ze zijn ook te eenzijdig: wie altijd dezelfde kost voorgeschoteld krijgt, heeft daar na verloop van tijd genoeg van. Bovendien is niemand alleen maar deel van één bepaalde groep. De mensheid bestaat uit allerlei verzamelingen met gemeenschappelijke eigenschappen, maar die verzamelingen overlappen elkaar gedeeltelijk.

Tot nu toe heb ik vooral pragmatische bedenkingen geformuleerd. Belangrijker zijn uiteraard de bezwaren van principiële aard. Kunnen we bij de zoektocht naar een manier om de kloof te dichten wezenlijke kenmerken van de kerk tussen haken zetten? Hoe serieus neem je de kerk dan eigenlijk? En hoe kun je anderen overtuigen van de blijvende waarde van het christelijk geloof en de christelijke kerk wanneer je zelf op wezenlijke onderdelen compromissen sluit? Organisaties die water bij de principiële wijn doen vergaat het zelden goed. Uit heden en verleden zijn daarvan voorbeelden te over te vinden. Wie dat doet loopt het risico zichzelf overbodig te maken. In een artikel in Nader Bekeken van februari van dit jaar wijst ds. Henk Drost – naar aanleiding van een boek van de Amerikaanse theoloog Tim Keller en Nederlandse reacties daarop – op het gevaar van contextualisatie. Daar tegenover stelt hij een veelzeggend citaat van Keller: “De grote missionaire uitdaging is de boodschap van het evangelie zo te verwoorden voor een nieuwe cultuur dat de boodschap niet onnodig vreemd overkomt, en tegelijk het aanstootgevende karakter van de Bijbelse waarheid niet weggelaten of verdoezeld wordt”.

In de context van wat hiervoor is opgemerkt betekent dit dat de kerk duidelijk maakt dat haar Heer met los-vast relaties geen genoegen neemt. Wie zich aan Hem gewonnen geeft, moet zich ook voegen in de kerk, die zijn eigen schepping is. Die heeft geen draaideur, waardoor men naar believen in en uit kan gaan. Die boodschap is niet alleen extern gericht, op een cultuur die steeds meer afwijzend staat tegenover langdurige relaties – en zeker relaties voor het leven – maar ook op de kerk en haar leden zelf. Want ook steeds meer kerkleden zien de gemeente – het kerkverband blijft helemaal buiten beeld – als een gemeenschap waaraan men zich zolang verbindt als men zich er thuis voelt. En wie gaat verhuizen zoekt een gemeente die bij hem of haar past. Waar kerkleden in dezen zich de mentaliteit van de wereld eigen maken hoeft men zich over de werfkracht van de kerk geen illusies te maken.

Wanneer de boodschap haar kracht verliest blijft de kloof onoverbrugbaar.

Zoetsappig christendom

Het christelijk geloof is in Nederland op de terugtocht, zo hoor je vaak beweren. De feiten liegen niet: kerken lopen leeg, veel mensen weten vrijwel niets van het christelijk geloof en wie gelooft is inmiddels een vreemde vogel. Of valt het allemaal nog wel mee? Matthijs Haak, predikant van de Gereformeerde Kerk (vrijgemaakt) van Rotterdam-Delfshaven, schreef in een artikel in het Nederlands Dagblad van 4 januari 2014: “Je hoort zeggen dat God weer terug is in Nederland. Dat zijn comeback bijvoorbeeld te zien is in veel media-aandacht voor het christelijk geloof.” Hij wijst op een recensie van theologische boeken in het zeer seculiere NRC-Handelsblad. “Je mag weer geloven in God. Zelfs in Jezus. Die ommekeer hangt al langer in de lucht. Zo zei de alom gewaardeerde columnist J.L. Heldring bij zijn terugblik op vijftig jaar opinieschrijven dat God terug was van weggeweest (NRC Handelsblad 4 januari 2010).” Er valt ook te denken aan de waardering die seculiere politici ten toon spreiden voor de rol van kerken in de samenleving, bijvoorbeeld op het vlak van diaconale hulpverlening. Dat laatste kan gemotiveerd zijn door eigenbelang: dankzij diaconale hulp houdt de overheid geld in haar zak. Dat betekent niet dat die waardering niet oprecht gemeend kan zijn.

De vraag is dan wel: welk christendom is weer “in”? Ds. Haak relativeert die herleefde aandacht voor het christelijk geloof. Hij geeft verschillende voorbeelden waaruit een versmalling of zelfs vertekening van het christelijke geloof naar voren komt. “Het blijkt (…) dat zelfs (geloven in) Jezus weer sexy is. Maar om wélke Jezus gaat het? Nu de kerk weinig meer voorstelt, dogma’s als onwenselijk aanvoelen en ieder het geloof invult zoals hij het zelf ziet, wordt dat een heel spannende vraag.”

Het christelijk geloof is onlosmakelijk verbonden met de kerk. Ook al zijn er tegenwoordig steeds meer christenen die zeggen wel te geloven, maar niets te hebben met de kerk, vanuit de Schrift gezien zijn die twee niet te scheiden. Dat is in de ogen van veel ‘buitenstaanders’ trouwens ook het geval. Men wijst het christelijk geloof af door te wijzen op – feitelijke of vermeende – misstappen van de kerk. Dat men daarbij de verschillende kerken niet uit elkaar kan houden valt te begrijpen. Daarom slaan de misstanden in één kerk terug op alle kerken. Ook het gedrag van christenen met wie niet-gelovigen zelf in aanraking komen of over wie ze iets lezen of horen speelt een rol in de beeldvorming.

Het is voor kerken en individuele christenen dan verleidelijk zich in hun uitlatingen en gedrag voorzichtig op te stellen en alles te vermijden wat aanstoot zou kunnen geven. Daar kan de angst achter zitten niet meer voor vol te worden aangezien en niet meer op voet van gelijkheid te kunnen deelnemen aan het openbare leven en de daar plaatsvindende meningsvorming. Dat zal niet zo gauw worden toegegeven. Eerder wordt het principieel beargumenteerd: men moet alles vermijden wat mensen ervan zou kunnen weerhouden zich aan Christus en het christelijk geloof gewonnen te geven.

Maar aan welke Christus moet men zich gewonnen geven? Als alles wat aanstoot zou kunnen geven moet worden vermeden, wordt het christelijk geloof dan niet erg zoetsappig? Waar blijven de scherpe randen die ook in de prediking van Jezus ruimschoots aanwezig waren? Houden we dan nog iets anders over dan een feel good christendom?

Het is mooi wanneer de kerk haar diaconale taak serieus neemt en die niet beperkt tot het goeddoen aan de gelovigen maar ook daar te hulp schiet waar niet-gelovigen in de knel komen. Maar mag het daarbij blijven? De diaconale taak van de kerk is altijd nauw verbonden geweest met haar diepste overtuiging dat alleen Christus redding brengt in een geschonden bestaan. Sterker nog: daarin ligt haar diepste motivatie voor haar diaconale werk. Dat komt al in de eerste hoofdstukken van het boek Handelingen naar voren. Er is geen scheiding tussen de verkondigende en de diaconale taak van de kerk. Eén van de eerste diakenen, Stefanus, moest zijn vrijmoedige getuigenis met de dood bekopen.

Het is mooi wanneer de overheid haar waardering uitspreekt voor de maatschappelijke betrokkenheid van christelijke kerken. Maar van die waardering zou wel eens weinig over kunnen blijven wanneer de kerk haar aanspreekt op de manier waarop zij met haar kwetsbare onderdanen omgaat. Of wanneer de kerk zaken ter discussie stelt die inmiddels als maatschappelijke verworvenheden gelden. De kerk mag wel pleisters plakken, maar wordt verder geacht te zwijgen. De vraag van ds. Haak, die eerder geciteerd werd, is dus een heel relevante: als het over Jezus gaat, over wèlke Jezus gaat het dan? Over iemand die mensen een aai over de bol geeft of over iemand die ook zegt: Zondig niet meer?

Waartoe de angst voor een slechte naam van de kerk kan leiden bleek in december van het vorige jaar. Leden van een hervormde wijkgemeente in Zeist riepen hun broeders en zusters op twee supermarkten te boycotten, aangezien deze besloten hadden op zondag de deuren te openen. De oproep kwam in de pers terecht en de verontwaardiging was algemeen. Eén van de winkeliers repte van ‘chantage’ en een poging hem en zijn bedrijf kapot te maken. Nu kan over zo’n actie van alles gezegd worden, ook in kritische zin. Maar de maatschappelijke verontwaardiging was op z’n minst nogal hypocriet. Actiegroepen roepen regelmatig op tot een boycot van winkels vanwege de verkoop van producten die het milieu schaden of die onder erbarmelijke omstandigheden in een Derde-Wereldland zijn geproduceerd. Nog niet zo lang geleden nagelde zelfs een minister een winkelketen publiek aan de schandpaal. En daarbij gaat het dan om oproepen aan iedereen, terwijl de desbetreffende hervormden zich alleen op de eigen gemeente richtten.

Je zou mogen verwachten dat christelijke opiniemakers hier voor enige nuance zouden zorgen en in elk geval het goed recht van de actievoerders zouden verdedigen. In plaats daarvan meende Marco van der Straten, hoofdredacteur van Visie, het programmablad van de EO, dat hij de geprangde winkelier in bescherming moest nemen. Daarbij vond hij het niet eens nodig kennis te nemen van de feiten, aangezien hij meende dat de actievoerders hun visie wilden opleggen aan diegenen die er geen moeite mee hebben op zondag boodschappen te doen. In dit verband sprak hij van “intolerantie”. Ernstiger is dat hij de manier waarop Jezus met de sabbat omgaat voor zijn karretje spande. Daar blijkt hij niet veel van begrepen te hebben. Jezus verdedigt zijn werk op de sabbat, in antwoord op de kritiek van de Farizeeën, met de uitspraak dat de mens heer is over de sabbat – en daarmee bedoelde hij niet zomaar ieder mens, maar zichzelf. En dat is nu precies de reden waarom christenen als deze Zeister hervormden protest aantekenden tegen de zondagopenstelling van twee supermarkten. Jezus verdedigde zijn recht goed te doen op de sabbat. Dat is iets heel anders dan spullen verkopen om de kas te spekken.

Wie goed oplet komt steeds vaker gevallen tegen waarin christenen op een soms krampachtige manier hun best doen alles te vermijden wat aanstoot zou kunnen geven. De motieven daarvoor mogen dan heel respectabel zijn, de vraag is welk beeld van het christelijk geloof en de christelijke kerk daarmee wordt geschapen. ‘Buitenstaanders’ zouden zich weleens kunnen gaan afvragen hoe serieus christenen hun eigen geloof eigenlijk nemen.

In Trouw schrijft Beatrijs Ritsema over ‘Moderne manieren’. Ze beantwoordt vragen van lezers die haar advies willen in allerlei zaken die met de omgang tussen mensen te maken heeft. Op 5 januari beantwoordde ze een brief van iemand die met een groep mensen van de kerk was gaan klussen bij een moslimfamilie. “Toen we het klussen onderbraken voor de lunch met allerlei lekkernijen, wilde iemand van ons clubje graag bidden. Dat heeft ze ook gedaan en enkele groepsleden deden mee. Ik voelde me behoorlijk opgelaten, omdat moslims er andere gebedsmomenten op nahouden en door ons werden uitgesloten. Hadden we het bidden niet beter achterwege kunnen laten?”

Nee, vindt Ritsema. “Als de leden van uw klusgroepje gewend zijn om te bidden voor het eten, moeten ze dat vooral doen. Dat kan overal, dus ook in het huis van moslims.” Dat geldt te meer omdat de briefschrijfster zelf meedeelde dat de vrouw des huizes de overeenkomsten tussen islam en christendom beklemtoonde. Iemand reageerde: “Een moslim kan het juist waarderen dat je als christen serieus bent. Het wordt dus ook meestal als een positief gebaar ervaren dat men de gelegenheid neemt om te bidden. Zowel in de brief als in meerdere reacties hieronder komt het beeld naar voren dat niet de gastvrouw er een probleem van maakt, maar juist anderen.” Daarmee slaat de schrijver de spijker op de kop. Moslims nemen hun geloof meestal heel serieus. Het zou de waardering voor het christelijk geloof wel eens eerder kunnen bevorderen dan schaden wanneer christenen dat ook doen. Bijvoorbeeld door eerlijk en consequent uit te komen voor die aspecten die veel mensen – en, als ze eerlijk zijn, van nature ook henzelf – tegen de borst stuiten.

De neiging zich aan te passen aan wat algemeen aanvaard is en te vermijden wat irritatie zou kunnen opwekken is kennelijk sterk. Die dateert niet van vandaag of gisteren. In Nader Bekeken (december 2013) schreef ds. Henk Drost dat hij bij zijn intrede in een nieuwe gemeente geïnterviewd werd en daarbij liet weten dat hij geloofde in het laatste oordeel. “Interessant was de reactie die met name van de kant van de evangelisatiecommissie van die gemeente kwam. Die waren niet erg ingenomen met mijn eerlijkheid. Ze vonden dat het een negatieve insteek was. Ze vonden dat we als kerken moeten werken aan een positief imago. Blijkbaar past het laatste oordeel daar niet in”.

Maar de kerk en het christelijk geloof worden echt niet aantrekkelijker door de kool en de geit te sparen, zoals Sake Stoppels, docent gemeenteopbouw aan de Vrije Universiteit in Amsterdam, kortgeleden opmerkte (ND, 12.2.14). Voor een houding als “hier sta ik, ik kan ook anders” zullen weinig mensen respect kunnen opbrengen. Natuurlijk wekt het weerstand, wanneer de kerk belijdt en zonder mitsen en maren uitdraagt dat pasgeboren kinderen gedoopt behoren te worden. Ze vergroot haar aantrekkingskracht niet wanneer ze haar overtuiging bijstelt en kinder- en geloofsdoop als keuzemenu aanbiedt. De kerk loopt in de ogen van de wereld achter, wanneer ze vrouwen de toegang tot het ambt ontzegt. Maar degenen die daartegen de wapens opnemen worden echt niet ontvankelijk voor de boodschap van de kerk wanneer die het ambt voor vrouwen openstelt om de moderne samenleving niet te mishagen. Wellicht zijn er goede argumenten om de tot nu toe verdedigde overtuigingen ten aanzien van de doop of het ambt bij het vuilnis te zetten, maar dat zullen dan toch echt andere argumenten moeten zijn dan zulke die ontleend zijn aan wat ‘men’ aanvaardbaar vindt.

Stoppels roept gemeenten op een “sterk profiel” te kiezen. Dat kan niets anders zijn dan de onversneden boodschap van de Schrift. Net als de meeste medicinale drankjes is die niet zoetsappig, maar wel heilzaam en geneeskrachtig.

Missiedrang kent grenzen

15 april 2012 1 reactie

Het heeft heel wat stof doen opwaaien, De Grote Jezus Quiz, die de EO op Tweede Paasdag uitzond. Er kwam een storm van kritiek, waarvan de teneur was dat het programma inhoudsloos, te lollig en zelfs godslasterlijk was. Arjan Lock, één van de directeuren van de EO, heeft inmiddels zijn verontschuldigingen aangeboden. Hij voelt zich persoonlijk verantwoordelijk, vooral omdat hij de uitzending van tevoren had gezien en die niet heeft tegengehouden. Volgens hem heeft de omroep zich vergaloppeerd in zijn verlangen de doelgroep van Nederland 3 met het evangelie te bereiken. In het Nederlands Dagblad van 11 april j.l. zegt hij als reactie op de opmerking dat sommige kijkers het programma godslasterlijk vonden dat, als hij hun mening had gedeeld, het programma uiteraard niet was uitgezonden. Daarmee maakt hij zich er wat erg gemakkelijk vanaf.

Vooropgesteld, ik heb het programma niet gezien. De titel alleen al stuit me tegen de borst. Het is in bepaalde christelijke kringen – en helaas vormen reformatorische kerken daarop geen uitzondering meer – gebruikelijk frequent over Jezus te spreken. Dat gebeurt meestal met de beste bedoelingen. Maar enige bezinning is hier wel op haar plaats. Sommigen spreken over Jezus alsof hij hun vriendje is. Vrijmoedigheid slaat niet zelden om in vrijpostigheid. Maar ook zonder dat kan het herhaaldelijk spreken over Jezus grenzen aan het ijdel gebruik van zijn naam. Dat is zeker ook het geval in de liedbundel Opwekking. Zowel in de liturgie als in de prediking zou iets meer ingetogenheid en eerbied op dit punt gewenst zijn. Dat geldt nog te meer bij het gebruik van de naam Jezus in de publieke samenleving.

Omdat ik de uitzending niet gezien heb, matig ik me er geen oordeel over aan. De citaten die hier en daar te lezen waren maken het wel begrijpelijk dat sommige EO-leden de uitzending als godslasterlijk betitelden. Maar laten we niet gemakkelijk denken over de taak die de EO zich stelt: het evangelie uitdragen onder een groeiende groep van kijkers die geen enkele kennis van het christelijk geloof heeft en misschien niet eens gewend is bij andere dan materiële dingen stil te staan. Dat de EO zich die taak stelt verdient waardering en het is beter mee te denken met programmamakers dan hen vanaf de zijlijn te bekritiseren. Dat wil niet zeggen dat er geen kritische vragen gesteld mogen of zelfs moeten worden. De belangrijkste vraag is niet welke aanpak wel of niet door de beugel kan of hoever je kunt en mag gaan om het evangelie aan de man te brengen. Daarachter ligt een belangrijker en fundamenteler vraag: waar komt het geloof vandaan?

Daarmee zijn we bij één van de kernen van het christelijk geloof. Juist hier scheiden zich de wegen binnen de christelijke wereld. Aan de ene kant staan de evangelischen, die een sterk remonstrants gekleurde opvatting hebben over de manier waarop mensen tot geloof komen. Aan de mens wordt een grote rol toebedeeld. Dat komt bijvoorbeeld tot uiting in het spreken over ‘kiezen voor God’, of – in evangelische kring gebruikelijker – ‘kiezen voor Jezus’. Dat heeft z’n weerslag in de ijver waarmee het evangelie wordt uitgedragen. Ook daarin speelt de mens een grote rol. Het hangt in hoge mate van hem af of ongelovigen met het evangelie worden geconfronteerd. Dat leidt niet zelden tot een nogal dwingende, bijna zelotische manier van evangeliseren. Het wordt de mensen bijna door de strot geduwd. De uitspraak van Jezus zoals weergegeven in Lukas 14,23 – “Dwingt ze om in te gaan” (vertaling NBG, 1951) – wordt weliswaar niet zo letterlijk genomen als door de rooms-katholieke kerk in het verleden, maar van een zeer sterke drang kan toch wel gesproken worden.

Aan de andere kant staan de kerken van de Reformatie. De gereformeerde belijdenis laat een heel ander geluid horen. Hier ligt alle nadruk op het geloof als een werking van de heilige Geest. In zijn soevereiniteit schenkt God het geloof aan wie hij wil en hij onthoudt het ook aan wie hij wil. De heilige Geest voert de wil van de Vader uit. Wanneer hij iemand tot geloof wil brengen, schakelt hij in de regel mensen in. Maar hij is van hen niet afhankelijk. Ook buiten hun activiteiten om kan hij het geloof in mensen werken. Het hangt uiteindelijk niet van mensen af of iemand tot geloof komt. Het hangt evenmin van menselijke inspanningen af of iemand met het evangelie geconfronteerd wordt.

Dat geeft ontspanning en rust. We hoeven ons niet in allerlei mogelijke en onmogelijke bochten te wringen om mensen te bereiken die door een bijna onoverbrugbare kloof van het christelijk geloof gescheiden worden. Menselijke mogelijkheden mogen tekortschieten, de heilige Geest heeft een onbeperkt aantal pijlen op zijn boog. Geen kloof is te wijd om door hem overwonnen te worden. Dat besef geeft de vrijmoedigheid om halt te houden, wanneer een methode van evangelisatie een reëel risico meebrengt dat Gods naam eerder gelasterd dan geëerd wordt. Daarmee wordt niet alleen zijn naam hooggehouden, op deze manier wordt ook zijn soevereiniteit gerespecteerd. Wie weet of het niet zijn wil is dat bepaalde mensen niet bereikt worden?

Missiedrang moet grenzen kennen. Dat is geen gemakzucht, maar eerbied voor het werk van de heilige Geest.