Archief

Posts Tagged ‘eredienst’

Kerk zonder drempels

10 januari 2011 1 reactie

Openbare gebouwen behoren voor iedereen toegankelijk te zijn. Daarom wordt ernaar gestreefd zoveel mogelijk drempels en andere obstakels voor rolstoelgebruikers te vermijden. Ook bij nieuwbouw en verbouw van kerken wordt daar steeds meer op gelet. En dat is mooi: ook kerken behoren voor iedereen toegankelijk te zijn.

Het vermijden van fysieke obstakels is belangrijk, maar dan blijven er nog genoeg hindernissen over. En dan doel ik op hindernissen van geestelijke aard. Vroeger kon je in discussies over evangelisatie nog wel eens horen zeggen: de deuren van de kerk staan elke zondag open. Daarmee wilde men dan zeggen dat het niet zo nodig is over allerlei specifieke methoden van evangelisatie na te denken, want iedereen die dat wil kan zomaar een kerk binnenlopen. Op zichzelf is dat een waarheid als een koe, maar daarbij ontbreekt het besef dat er voor een ‘buitenstaander’ heel wat drempels te overwinnen zijn om een kerk binnen te gaan.

Dat is zeker in onze tijd het geval. Inmiddels zijn er enkele generaties waarvan een niet onaanzienlijk deel helemaal zonder christelijk geloof is opgegroeid. Dat een niet gering deel van de Nederlandse bevolking inmiddels nauwelijks weet heeft van de betekenis van de grote christelijke feesten is veelzeggend. De kans dat zulke mensen een kerk binnenstappen is al gering, de kans dat ze, àls ze dat al doen, ook maar iets begrijpen van wat daar gebeurt en gezegd wordt, is nog kleiner. Het is dus begrijpelijk dat in christelijke kring wordt nagedacht over middelen om de drempels tussen ‘buitenstaanders’ en de kerk te slechten, zodat kerkdiensten niet uitsluitend voor ‘ingewijden’ te volgen zijn.

Recent trof ik een artikel aan waarin Stefan Paas – die zich al vele jaren met evangelisatie en kerkplanting bezighoudt – aan het woord komt. Hij merkt op dat elke kerk laagdrempelig is, maar dan wel voor verschillende mensen. “Het woordje ‘laagdrempelig’ wordt vaak aan missionaire kerken toegeschreven. Maar kerken zijn altijd laagdrempelig voor bepaalde groepen mensen. Ook een heel erg naar binnen gekeerde kerk is dat: die is laagdrempelig voor doorgewinterde kerkgangers.” Uit het artikel blijkt dat hij vindt dat de kerk voor iedereen laagdrempelig moet zijn. “Als het Evangelie voor iedereen is, hoort er ook een stijl van preken bij die dat laat zien. Een preek mag niet alleen door de mensen die bij catechisatie zijn geweest begrepen worden. Als dat zo is dan maakt de kerk niet waar wat men zegt te geloven. Dat vind ik ernstig.”

Hiermee snijdt Paas een wezenlijk probleem aan. Er bestaan grote verschillen tussen mensen. Dat is in de evangelisatie al lastig genoeg. De mate van kennis van het christelijk geloof verschilt en er zijn grote verschillen in intelligentie en maatschappelijke achtergrond. De Nederlandse maatschappij is multicultureel geworden, niet maar alleen door de toestroom van mensen uit andere landen en culturen. Ook tussen mensen die in Nederland geboren zijn, worden de verschillen eerder groter dan kleiner. Je zou kunnen zeggen dat er nauwelijks nog een dominante cultuur bestaat, en dat de meeste mensen tot een bepaalde subcultuur behoren. Welke methode van evangelisatie men ook kiest, die zal altijd een beperkte reikwijdte hebben en niet in alle gevallen effectief zijn.

In de evangelisatie is daaraan in zoverre een mouw te passen dat verschillende methodieken naast elkaar kunnen worden gebruikt en dat men ervoor kan kiezen zich op een specifieke groep van de bevolking te richten. Dat gebeurt bijvoorbeeld wanneer men zich concentreert op evangelisatie onder moslims. Maar als het om de kerkdienst gaat, is het gesignaleerde probleem niet zo gemakkelijk oplosbaar. De voorganger weet immers niet van elke toehoorder tot welke (sub)sultuur hij behoort. Wellicht heeft hij wel een beeld van de achtergrond en het niveau van zijn eigen gemeenteleden, maar als er inderdaad ‘buitenstaanders’ onder zijn gehoor zijn, kan van hem niet verwacht worden dat hij hun achtergrond en niveau kent.

Paas signaleert het probleem wel, maar een oplossing lijkt hij ook niet in de aanbieding te hebben. Dat heeft wellicht ook daarmee te maken dat hij zich onvoldoende realiseert hoe groot de culturele verschillen tussen kerkgangers zijn. Hij merkt op dat de sfeer van een kerkdienst belangrijk is en dat bezoekers zich welkom moeten voelen. Maar er zijn verschillen in beleving: het ene gevoel is het andere niet. Terwijl de ene bezoeker de sfeer als plezierig ervaart, voelt de ander zich een kat in een vreemd pakhuis. De ene toevallige bezoeker stelt het op prijs persoonlijk welkom te worden geheten, terwijl de ander er de voorkeur aan geeft onopgemerkt zich onder de kerkgangers te mengen. De manier waarop in sommige kerken alle bezoekers bij de ingang door middel van een handdruk welkom worden geheten, geeft blijk van een gebrek aan besef van zulke verschillen.

Als het om de kerkdienst zelf gaat, wordt het probleem alleen nog maar groter. Wanneer men zich in de liedkeuze aansluit bij de populaire muziek, zal dat wellicht sommige buitenstaanders aantrekken. Anderen – die een wat meer klassieke smaak hebben – zouden kunnen besluiten een deurtje verder te gaan. Paas vindt dat voorgangers een voorbeeld aan Jezus zouden moeten nemen. “Een missionaire preek is niet zo heel bijzonder. Ik zie het als een gewone preek waarin de spreker er rekening mee houdt dat er niet gelovigen aanwezig zijn. Jezus is voor mij daarin een voorbeeld. De gelijkenissen van Jezus zijn heel boeiend. Hij gebruikte daarin seculiere voorbeelden van gebeurtenissen die je destijds kon aantreffen in Israël. Zo kwam Hij heel dicht bij de mensen en legde Hij dingen bloot.”

Dat lijkt een treffend voorbeeld. Maar bij nader inzien is het wellicht niet zo gelukkig gekozen. Koos Jezus niet vooral voor de methode van de gelijkenis om de zin van wat hij bedoelde verborgen te houden? En waren zijn gelijkenissen zo doorzichtig als Paas suggereert? Zelfs zijn leerlingen begrepen lang niet altijd wat Hij wilde zeggen. Niet zelden vroegen ze Hem om uitleg.
Het is waar dat Jezus teruggreep op het dagelijks leven. Vaak gebruikt Hij beelden uit de agrarische wereld. Dat is begrijpelijk: ook al kende Israel een aantal steden en waren er ook mensen in niet agrarische beroepen werkzaam, Israel was een agrarische samenleving en dan ligt het voor de hand beelden uit het agrarische leven te gebruiken. Maar hoe moet dat dan in onze moderne maatschappij?

Agrarische beelden zijn nauwelijks nog bruikbaar. Zelfs op het platteland is niet iedereen meer in de agrarische sector werkzaam. En doorgewinterde stadsmensen kunnen misschien nog wel een koe van een varken onderscheiden, maar daarmee houdt het waarschijnlijk wel op. Welk alternatief dient zich aan? Ik heb bij Paas geen voorbeeld aangetroffen van een beeld dat de doorsnee kerkganger – gelovig of (nog) niet gelovig – zou kunnen aanspreken. Het zal ook niet meevallen zo’n beeld te verzinnen. Dat heeft alles te maken met het gesignaleerde verschil in cultuur. En dat moet hier dan ruim worden opgevat. Daarmee hangen ook verschillen in beroep, opleiding, levensomstandigheden en sociaal-economische situatie samen.

Beelden uit de moderne netwerksamenleving mogen de meeste jongeren aanspreken, anderen kennen die hooguit van horen-zeggen. Wanneer een voorganger in een preek – bijvoorbeeld in de lijdenstijd – naar Bachs Matthäus-Passion verwijst, zal dat bij de meeste jongeren waarschijnlijk op rotsachtige bodem vallen, aangezien te vrezen valt dat ze daarmee niet zijn opgegroeid. Maar als een predikant een lied van een zanger aanhaalt, kan een deel van de kerkgangers hooguit uit de context opmaken dat het om een gospelzanger gaat. Maar de zin van zo’n verwijzing zal hun dan geheel ontgaan. En zo zou er nog veel meer te noemen zijn.

Het valt moeilijk in te zien hoe dit probleem opgelost zou kunnen worden. Binnen de gemeente van ‘ingewijden’ een manier van preken vinden die zoveel mogelijk recht doet aan de verschillen in achtergrond is al moeilijk genoeg. Het streven zowel de ‘ingewijde’ als de ‘buitenstaander’ aan te spreken is als het zoeken naar een vierkante cirkel. Dat is niet alleen vruchteloos, het is zelfs de vraag of het wenselijk en nodig is. Is de kerkdienst het meest geschikte middel voor evangelisatie? Laten we er ons geen illusies over maken: ook als de preek heel eenvoudig is blijft er voor de ‘buitenstaander’ nog heel veel over waarvan de betekenis hem geheel ontgaat.

De kerkdienst is ook niet in de eerste plaats bedoeld om mensen tot geloof te brengen. De kerkdienst is een ontmoeting tussen God en zijn huisgezin. Hij laat zich daar kennen door het Woord en de sacramenten, en Hem wordt daar de eer gebracht waarop Hij recht heeft. Dat is het wezen van de eredienst. De karakterisering van de kerk als Gods huisgezin geeft al aan dat van gasten – degenen die (nog) niet tot dat huisgezin behoren – enige inspanning mag worden verwacht om vertrouwd te raken met de eigenaardigheden, die de kerk – net als ieder gezin – aankleven. Dat leden van dat gezin daarbij hulp bieden is vanzelfsprekend. Maar van een gezin mag niet verwacht worden dat ze zich volledig aanpast aan de gast. Wie bij een gezin aan tafel zit, eet wat de pot schaft.

Advertenties

Aanpassen of wegwezen?

5 april 2010 1 reactie

‘Aanpassen’ is een veel gebruikt begrip in de samenleving van vandaag, vooral in de discussie over de integratie van allochtonen. Maar ook in kerkelijke discussies speelt het een rol. Verschillende recente publicaties over de toekomst van de kerk houden zich bezig met de vraag of, en zo ja hoe, de kerk zich zou moeten aanpassen aan de moderne samenleving.

George Harinck noemt enkele van deze publicaties in zijn column in het Nederlands Dagblad van 3 april j.l. Zijn bijdrage draagt de titel ‘Toekomst kerk niet in huidige vorm’. Daarin betoogt hij dat, wil de kerk toekomst hebben, ze zich moet aanpassen aan de samenleving. Kort gezegd: aanpassen of wegwezen. Harinck doelt op de vorm waarin de kerk zich presenteert. Hij heeft het niet over de leer van de kerk. Maar zijn vorm en inhoud wel zomaar te scheiden?

Zoals elke cultuur is ook de kerkelijke cultuur aan verandering onderhevig. De tijden veranderen en de kerk verandert mee.
Dat is een natuurlijk proces. Het zou geen goed teken zijn wanneer de kerk niet zou veranderen. Maar veranderingen zijn niet per definitie positief te waarderen. De kerk is onlosmakelijk met de cultuur verbonden, maar dient daar ook kritisch tegenover te staan. Dat betekent dat ze zich steeds zal moeten afvragen wat verpakking is – en dus voor verandering vatbaar – en wat voortvloeit uit de Schrift en dus onopgeefbaar is.
Dat is dus ook de vraag die bij het artikel van Harinck gesteld moet worden. Zijn de voorbeelden die hij geeft van aspecten van de kerkelijke cultuur die niet passen bij de huidige samenleving, inderdaad alleen maar verpakking of raken die het wezen van de christelijke kerk?

Zijn uitgangspunt is een waarneming van de manier waarop de politiek functioneert. Hij concentreert zich daarbij vooral op de organisatievorm en de manier waarop politieke meningsvorming plaatsvindt. Kernpunten daarbij zijn dat de politieke partij een vorm is die zichzelf heeft overleefd omdat de burger van nu niet geïnteresseerd is in een totaalvisie maar zijn standpunt per onderwerp bepaalt en er de voorkeur aan geeft individueel te leven in plaats van groepsgewijs.

Die ontwikkeling gaat aan de kerk niet voorbij. “Kerkleden hebben niet meer het clubgevoel dat vroeger zo goed bij de kerk en bij hen paste, ze hebben geen behoefte aan de activiteiten die een kerk biedt, ze willen niet verplicht zijn elke zondag te komen en steigeren als ze door het bestuur op hun gebrekkige betrokkenheid worden aangesproken. Dat komt lang niet altijd omdat deze leden onverschillige christenen zijn geworden, maar vaak wel omdat deze mensen niet meer functioneren in een structuur die in de kerk nog steeds bestaat: die van de groep en van de verenigingsvorm van vroeger.”

Aangenomen dat deze analyse juist is – en daar valt wel wat op af te dingen -, welke conclusies zou de kerk daaruit moeten trekken? In welke zin zou de kerk moeten veranderen om meer aansluiting te vinden bij de maatschappelijke ontwikkelingen? Daarop geeft Harinck geen antwoord. “Er is veel in beweging in de samenleving, zonder dat duidelijk is waarheen.” Dat is ongetwijfeld waar, maar dat maakt het tegelijk vrijwel onmogelijk zich daaraan aan te passen. Een kerk die besluit een bepaalde richting in te slaan, moet wel eerst weten waar ze uit wil komen. Dat moet passen binnen de grenzen van wat essentieel en dus onopgeefbaar is.

De verschijnselen die Harinck op het christelijke erf meent waar te nemen, bieden weinig perspectief voor de kerk. Volgens hem willen kerkleden niet verplicht worden elke zondag naar de kerk te komen. Ik geloof dat hij daarin overdrijft. Wel valt te constateren dat het bijwonen van twee diensten per zondag aan sterke erosie onderhevig is. En ook nemen kerkleden in toenemende mate de vrijheid de eigen bijeenkomsten links te laten liggen en een dienst uit te zoeken die van hun gading is.

Wat moet de kerk daarmee? Zijn de zondagse bijeenkomsten alleen maar een onderdeel van de kerkelijke cultuur die geen directe relatie heeft met hoe de Schrift over de kerk spreekt? Vast staat dat regelmatige bijeenkomsten van het volk van God een constant gegeven zijn in de Schrift, zowel in het Oude als het Nieuwe Testament. De schrijver van de brief aan de Hebreeën roept zijn lezers nadrukkelijk op de onderlinge bijeenkomsten niet te verzuimen. En uit de brieven die de apostel Johannes vanaf Patmos schrijft aan de zeven gemeenten in Klein-Azië wordt duidelijk dat deze voorgelezen moesten worden aan alle gemeenten. Dat veronderstelt een samenkomst van de gelovigen.

De manier waarop de gemeente samenkomt is cultureel en historisch bepaald. Voor het houden van twee kerkdiensten op een zondag is geen Schriftuurlijk voorschrift te vinden. Er zijn nog wel andere gewoonten waarvoor men zich niet direct op de Schrift kan beroepen, zoals de voorlezing van de Wet in de morgendienst en het uitspreken van de geloofsbelijdenis in de middagdienst. Dat is historisch zo gegroeid en kan dus in principe ook veranderen.

Maar niet alles wat historisch gegroeid is kan op één hoop worden gegooid. Het gebruik van het orgel in de eredienst is een historisch verschijnsel dat sterk verbonden is met de Westeuropese cultuur. In andere culturen zul je geen orgel in de kerk aantreffen. Bij verschijnselen als de lezing van de Wet en de geloofsbelijdenis ligt dat toch wat anders. Daarvoor zijn goede gronden aan te voeren en wie van mening is dat deze gewoonten moeten veranderen, zal daarvoor met argumenten moeten komen.
Hetzelfde geldt voor het verschijnsel van twee kerkdiensten per zondag. Dat mag niet gegrond zijn in de Schrift, daarvoor zijn wel goede redenen en wie daarmee wil breken zal steekhoudende argumenten moeten hebben. Een beroep op wat voor de samenleving of de eigen leden nog aanvaardbaar is, behoort daar niet toe.

En dat brengt tot de kern van de zaak. De kerk moet proberen ‘buitenstaanders’ te bereiken. De kerk moet zich evenzeer inspannen de leden van de kerk vast te houden. Maar wat maatschappelijk aanvaardbaar is, kan daarbij nooit maatstaf zijn.
Het is praktisch onmogelijk, want daarvoor is de maatschappij, zoals Harinck zelf al schrijft, teveel in beweging. De samenleving is ook zo veelkleurig dat een kerk zich hooguit kan aanpassen aan een deel van de samenleving. Daarbij zal ze  onvermijdelijk een ander deel van die samenleving missen. Want het is ongetwijfeld waar dat veel mensen tegenwoordig geen behoefte hebben aan de structuur van een vereniging of een organisatie als de kerk. Maar er zijn ook mensen die juist wèl behoefte hebben aan structuur, zoals bijvoorbeeld een kerk kan bieden. Die zijn niet alleen buiten de kerk, maar ook binnen de kerk te vinden.
Niet voor niets spreekt men wel van de ‘verweesde samenleving’. De waarnemingen van Harinck zijn eenzijdig en hebben betrekking op dat deel van de samenleving dat bestaat uit mensen die zich prima kunnen redden. Maar dat is niet de hele samenleving.

Aanpassing aan wat maatschappelijk aanvaardbaar wordt geacht, is ook principieel gezien onmogelijk. Niet de samenleving, maar de Schrift is maatstaf. Een kerk die toegeeft aan het dominante individualisme van de moderne samenleving verliest haar bestaansrecht. Sinds de komst van Christus op aarde is het koninkrijk van God bezig gestalte te krijgen. De kerk is daarvan het centrum: daar brengt God mensen bijeen die hij wil inzetten voor dat koninkrijk. Daar wil hij hen ook instrueren door middel van de verkondiging van zijn Woord. De kerk en haar bijeenkomsten zijn dus op schriftuurlijke gronden onopgeefbaar. Daarom moet zij zich distantiëren van het individualisme van buiten èn van binnen.

Een kerk die zich aanpast, heeft geen toekomst. Het is niet ‘aanpassen of wegwezen’, maar eerder ‘aanpassen èn wegwezen’. De kerk overleeft alleen wanneer ze de moed heeft zich niet aan te passen aan de waan van de tijd, maar anders durft te zijn.