Archief

Posts Tagged ‘ethiek’

Gereformeerd of fundamentalistisch

Het dagblad Trouw heeft, na de Calvijn-test en de Relitest, een Funditest ontworpen. Aan de hand van 14 stellingen wordt bepaald hoe fundamentalistisch de deelnemer is. In mijn politieke weblog Dingen van de Dag heb ik uitgelegd dat op deze test van alles aan te merken is. Het belangrijkste bezwaar is dat nergens duidelijk gemaakt wordt welke definitie van fundamentalisme wordt gehanteerd. De test is ontworpen in samenwerking met medewerkers van de Vrije Universiteit. Juist zij, met hun wetenschappelijke kennis, zouden toch moeten weten dat over de definitie van fundamentalisme bepaald geen eenstemmigheid bestaat.

Ik vermoed dat de meeste gereformeerden die deze test maken, een hoge score zullen halen. Hoewel een aantal keuzemogelijkheden onduidelijk is, heb ik de test gedaan en kwam boven de 80 procent. Het oordeel was dat ik een “doorgewinterde fundamentalist” ben. Ik lig daar niet wakker van, maar toch wekt zo’n oordeel weerzin op. Gereformeerden houden er niet van als ‘fundamentalist’ te worden beschouwd. Ze zien zichzelf bepaald niet als fundamentalistisch.

Dat heeft allereerst natuurlijk te maken met de negatieve associaties die deze term oproept, zoals intolerantie en zelfs geweld en terrorisme. Aan dat laatste maken weliswaar vooral moslimfundamentalisten zich schuldig, maar dat is een nuance die in de publieke opinie niet altijd wordt waargenomen. En dat soms een Amerikaanse abortusarts het slachtoffer wordt van een moordaanslag van een ‘christenfundamentalist’ maakt het er niet beter op.

Maar dat gereformeerden het liefst afstand bewaren tot het fundamentalisme heeft nog een diepere reden. Die komen we op het spoor door terug te gaan naar de oorsprong van het christelijke fundamentalisme. In een begeleidend artikel herinnert Pauline Weseman daaraan.
“De term was er wellicht niet eens gekomen zonder de rijke zakenmannen Milton en Lyman Stewart, afkomstig uit de bible belt van Californië. De broers, rijk geworden in de oliebusiness, financierden drie miljoen exemplaren van ’The Fundamentals: A Testimony to the Truth’. Dat was een serie van negentig essays in twaalf boeken die tussen 1910 en 1915 werden verspreid onder protestantse leiders, wetenschappers, studenten en uitgevers in Amerika en Engeland. Centraal erin staan vijf dogma’s: de onfeilbaarheid van de Bijbel, de maagdelijke geboorte en de goddelijke natuur van Christus, zijn plaatsvervangend en verzoenend lijden, zijn lichamelijke opstanding en wonderen, en zijn wederkomst.”

Tegen die vijf ‘fundamentals’ is op zich niets in te brengen. Ze roepen herkenning op, en gereformeerden van ‘orthodoxe’ snit zullen ze wel onderschrijven. Maar ze roepen ook scepsis op. Waarom nu uitgerekend deze punten? Er staat toch wel meer in de bijbel? Waar is het verbond, waar is de kerk, waar zijn de sacramenten, waar de ambten? En waar is de Bergrede gebleven?
Het is mooi wanneer de onfeilbaarheid van de Schrift wordt beleden, maar wat heb je daaraan wanneer in die Schrift wordt gewinkeld en daaruit een aantal ‘onopgeefbare waarheden’ worden geselecteerd?

In de praktijk trekt het fundamentalisme eerder de aandacht vanwege ethische dan vanwege dogmatische standpunten. In een tweede artikel wordt erop gewezen dat de levensstijl een centraal thema in het fundamentalisme is. Godsdienstsocioloog Hyme Stoffels zegt: “Misschien ken je die tekeningetjes waarbij de letters IK op een troon staan getekend. Dat ’ik’ bepaalt alles, is koning in zijn rijkje. Dat is het foute model. Het goede model is waar God op de troon zit en waar jij als zijn dienaar zijn geboden uitvoert. Het eigen ik wordt gewantrouwd, het is het meest ultieme slagveld waar God en de duivel met elkaar vechten.” De schrijfster concludeert: “Vandaar dat christenfundamentalistische strijdpunten meestal liggen op het micro-ethische vlak: homoseksualiteit, abortus, echtscheiding.”

De keuze van de ‘fundamentals’ is het gevolg van een selectief en eenzijdig gebruik van de Schrift. De sterke nadruk op zaken die de sexuele en medische ethiek raken wijzen in dezelfde richting. Het verbaast dan ook niet dat onder fundamentalisten op het terrein van de geloofsleer allerlei opvattingen te vinden zijn, die bepaald niet verenigbaar zijn met wat gereformeerden als de leer van de Schrift beschouwen. En het is evenmin verbazingwekkend dat vooral onder Amerikaanse fundamentalisten ethiek zich vaak beperkt tot zaken rond huwelijk en gezin. Zodra de wijdere wereld in beeld komt, is van een doorwerking van het geloof vaak niet veel te merken. Ten aanzien van zaken als economie en milieubeleid hebben veel Amerikaanse fundamentalisten meer gemeen met de Nederlandse VVD dan met de ChristenUnie.

Eén en ander rechtvaardigt dat gereformeerden liefst wat afstand tot het fundamentalisme bewaren. Het probleem is niet dat het fundamentalisme bepaalde leerstukken als onopgeefbaar beschouwt. Ook gereformeerden hebben dogma’s. Die zijn bijvoorbeeld in de belijdenisgeschriften te vinden. Maar die staan niet op zichzelf; ze functioneren binnen het totaal van de gereformeerde leer die gebaseerd is op een zorgvuldig lezen van de hele Schrift.

In de gereformeerde Schriftbeschouwing staan twee principes centraal: alleen de Schrift en heel de Schrift. Met het eerste principe positioneren gereformeerden zich tegenover de rooms-katholieke kerk, met het tweede tegenover het fundamentalisme dat zich vooral in evangelische stromingen doet gelden. De gereformeerde belijdenisgeschriften laten zien hoe deze manier van omgaan met de Schrift ons behoedt voor de eenzijdigheden die het gevolg zijn van een selectief lezen van de Schrift.

Voor dat gevaar zijn gereformeerden bepaald niet immuun. Natuurlijk, het plaatsvervangend en verzoenend lijden van Christus is het centrum van de Schrift. Het is dan ook heel schriftuurlijk daar alle nadruk op te leggen. Maar dat betekent niet dat alles wat daaraan niet direct gerelateerd is, slechts van relatief belang is en nooit kerkscheidend zou mogen zijn. Het gaat in de kerk immers om heel de Schrift. En daarin lezen we ook hoe Jezus tijdens zijn verblijf op aarde de mensen leerde. In zijn prediking greep Hij voortdurend terug op de wet en de profeten.

De ‘leer van Christus’ is daarom niets anders dan de leer van de Schrift. En die is in de gereformeerde belijdenis samengevat. Daarom moet een kerk, die zich verre wil houden van het fundamentalisme en haar selectieve en eenzijdige Schriftgebruik, de gereformeerde belijdenis in ere houden en met verve uitdragen en verdedigen.

Advertenties