Archief

Posts Tagged ‘evangelisatie’

Missiedrang kent grenzen

15 april 2012 1 reactie

Het heeft heel wat stof doen opwaaien, De Grote Jezus Quiz, die de EO op Tweede Paasdag uitzond. Er kwam een storm van kritiek, waarvan de teneur was dat het programma inhoudsloos, te lollig en zelfs godslasterlijk was. Arjan Lock, één van de directeuren van de EO, heeft inmiddels zijn verontschuldigingen aangeboden. Hij voelt zich persoonlijk verantwoordelijk, vooral omdat hij de uitzending van tevoren had gezien en die niet heeft tegengehouden. Volgens hem heeft de omroep zich vergaloppeerd in zijn verlangen de doelgroep van Nederland 3 met het evangelie te bereiken. In het Nederlands Dagblad van 11 april j.l. zegt hij als reactie op de opmerking dat sommige kijkers het programma godslasterlijk vonden dat, als hij hun mening had gedeeld, het programma uiteraard niet was uitgezonden. Daarmee maakt hij zich er wat erg gemakkelijk vanaf.

Vooropgesteld, ik heb het programma niet gezien. De titel alleen al stuit me tegen de borst. Het is in bepaalde christelijke kringen – en helaas vormen reformatorische kerken daarop geen uitzondering meer – gebruikelijk frequent over Jezus te spreken. Dat gebeurt meestal met de beste bedoelingen. Maar enige bezinning is hier wel op haar plaats. Sommigen spreken over Jezus alsof hij hun vriendje is. Vrijmoedigheid slaat niet zelden om in vrijpostigheid. Maar ook zonder dat kan het herhaaldelijk spreken over Jezus grenzen aan het ijdel gebruik van zijn naam. Dat is zeker ook het geval in de liedbundel Opwekking. Zowel in de liturgie als in de prediking zou iets meer ingetogenheid en eerbied op dit punt gewenst zijn. Dat geldt nog te meer bij het gebruik van de naam Jezus in de publieke samenleving.

Omdat ik de uitzending niet gezien heb, matig ik me er geen oordeel over aan. De citaten die hier en daar te lezen waren maken het wel begrijpelijk dat sommige EO-leden de uitzending als godslasterlijk betitelden. Maar laten we niet gemakkelijk denken over de taak die de EO zich stelt: het evangelie uitdragen onder een groeiende groep van kijkers die geen enkele kennis van het christelijk geloof heeft en misschien niet eens gewend is bij andere dan materiële dingen stil te staan. Dat de EO zich die taak stelt verdient waardering en het is beter mee te denken met programmamakers dan hen vanaf de zijlijn te bekritiseren. Dat wil niet zeggen dat er geen kritische vragen gesteld mogen of zelfs moeten worden. De belangrijkste vraag is niet welke aanpak wel of niet door de beugel kan of hoever je kunt en mag gaan om het evangelie aan de man te brengen. Daarachter ligt een belangrijker en fundamenteler vraag: waar komt het geloof vandaan?

Daarmee zijn we bij één van de kernen van het christelijk geloof. Juist hier scheiden zich de wegen binnen de christelijke wereld. Aan de ene kant staan de evangelischen, die een sterk remonstrants gekleurde opvatting hebben over de manier waarop mensen tot geloof komen. Aan de mens wordt een grote rol toebedeeld. Dat komt bijvoorbeeld tot uiting in het spreken over ‘kiezen voor God’, of – in evangelische kring gebruikelijker – ‘kiezen voor Jezus’. Dat heeft z’n weerslag in de ijver waarmee het evangelie wordt uitgedragen. Ook daarin speelt de mens een grote rol. Het hangt in hoge mate van hem af of ongelovigen met het evangelie worden geconfronteerd. Dat leidt niet zelden tot een nogal dwingende, bijna zelotische manier van evangeliseren. Het wordt de mensen bijna door de strot geduwd. De uitspraak van Jezus zoals weergegeven in Lukas 14,23 – “Dwingt ze om in te gaan” (vertaling NBG, 1951) – wordt weliswaar niet zo letterlijk genomen als door de rooms-katholieke kerk in het verleden, maar van een zeer sterke drang kan toch wel gesproken worden.

Aan de andere kant staan de kerken van de Reformatie. De gereformeerde belijdenis laat een heel ander geluid horen. Hier ligt alle nadruk op het geloof als een werking van de heilige Geest. In zijn soevereiniteit schenkt God het geloof aan wie hij wil en hij onthoudt het ook aan wie hij wil. De heilige Geest voert de wil van de Vader uit. Wanneer hij iemand tot geloof wil brengen, schakelt hij in de regel mensen in. Maar hij is van hen niet afhankelijk. Ook buiten hun activiteiten om kan hij het geloof in mensen werken. Het hangt uiteindelijk niet van mensen af of iemand tot geloof komt. Het hangt evenmin van menselijke inspanningen af of iemand met het evangelie geconfronteerd wordt.

Dat geeft ontspanning en rust. We hoeven ons niet in allerlei mogelijke en onmogelijke bochten te wringen om mensen te bereiken die door een bijna onoverbrugbare kloof van het christelijk geloof gescheiden worden. Menselijke mogelijkheden mogen tekortschieten, de heilige Geest heeft een onbeperkt aantal pijlen op zijn boog. Geen kloof is te wijd om door hem overwonnen te worden. Dat besef geeft de vrijmoedigheid om halt te houden, wanneer een methode van evangelisatie een reëel risico meebrengt dat Gods naam eerder gelasterd dan geëerd wordt. Daarmee wordt niet alleen zijn naam hooggehouden, op deze manier wordt ook zijn soevereiniteit gerespecteerd. Wie weet of het niet zijn wil is dat bepaalde mensen niet bereikt worden?

Missiedrang moet grenzen kennen. Dat is geen gemakzucht, maar eerbied voor het werk van de heilige Geest.

Advertenties

Kerk zonder drempels

10 januari 2011 1 reactie

Openbare gebouwen behoren voor iedereen toegankelijk te zijn. Daarom wordt ernaar gestreefd zoveel mogelijk drempels en andere obstakels voor rolstoelgebruikers te vermijden. Ook bij nieuwbouw en verbouw van kerken wordt daar steeds meer op gelet. En dat is mooi: ook kerken behoren voor iedereen toegankelijk te zijn.

Het vermijden van fysieke obstakels is belangrijk, maar dan blijven er nog genoeg hindernissen over. En dan doel ik op hindernissen van geestelijke aard. Vroeger kon je in discussies over evangelisatie nog wel eens horen zeggen: de deuren van de kerk staan elke zondag open. Daarmee wilde men dan zeggen dat het niet zo nodig is over allerlei specifieke methoden van evangelisatie na te denken, want iedereen die dat wil kan zomaar een kerk binnenlopen. Op zichzelf is dat een waarheid als een koe, maar daarbij ontbreekt het besef dat er voor een ‘buitenstaander’ heel wat drempels te overwinnen zijn om een kerk binnen te gaan.

Dat is zeker in onze tijd het geval. Inmiddels zijn er enkele generaties waarvan een niet onaanzienlijk deel helemaal zonder christelijk geloof is opgegroeid. Dat een niet gering deel van de Nederlandse bevolking inmiddels nauwelijks weet heeft van de betekenis van de grote christelijke feesten is veelzeggend. De kans dat zulke mensen een kerk binnenstappen is al gering, de kans dat ze, àls ze dat al doen, ook maar iets begrijpen van wat daar gebeurt en gezegd wordt, is nog kleiner. Het is dus begrijpelijk dat in christelijke kring wordt nagedacht over middelen om de drempels tussen ‘buitenstaanders’ en de kerk te slechten, zodat kerkdiensten niet uitsluitend voor ‘ingewijden’ te volgen zijn.

Recent trof ik een artikel aan waarin Stefan Paas – die zich al vele jaren met evangelisatie en kerkplanting bezighoudt – aan het woord komt. Hij merkt op dat elke kerk laagdrempelig is, maar dan wel voor verschillende mensen. “Het woordje ‘laagdrempelig’ wordt vaak aan missionaire kerken toegeschreven. Maar kerken zijn altijd laagdrempelig voor bepaalde groepen mensen. Ook een heel erg naar binnen gekeerde kerk is dat: die is laagdrempelig voor doorgewinterde kerkgangers.” Uit het artikel blijkt dat hij vindt dat de kerk voor iedereen laagdrempelig moet zijn. “Als het Evangelie voor iedereen is, hoort er ook een stijl van preken bij die dat laat zien. Een preek mag niet alleen door de mensen die bij catechisatie zijn geweest begrepen worden. Als dat zo is dan maakt de kerk niet waar wat men zegt te geloven. Dat vind ik ernstig.”

Hiermee snijdt Paas een wezenlijk probleem aan. Er bestaan grote verschillen tussen mensen. Dat is in de evangelisatie al lastig genoeg. De mate van kennis van het christelijk geloof verschilt en er zijn grote verschillen in intelligentie en maatschappelijke achtergrond. De Nederlandse maatschappij is multicultureel geworden, niet maar alleen door de toestroom van mensen uit andere landen en culturen. Ook tussen mensen die in Nederland geboren zijn, worden de verschillen eerder groter dan kleiner. Je zou kunnen zeggen dat er nauwelijks nog een dominante cultuur bestaat, en dat de meeste mensen tot een bepaalde subcultuur behoren. Welke methode van evangelisatie men ook kiest, die zal altijd een beperkte reikwijdte hebben en niet in alle gevallen effectief zijn.

In de evangelisatie is daaraan in zoverre een mouw te passen dat verschillende methodieken naast elkaar kunnen worden gebruikt en dat men ervoor kan kiezen zich op een specifieke groep van de bevolking te richten. Dat gebeurt bijvoorbeeld wanneer men zich concentreert op evangelisatie onder moslims. Maar als het om de kerkdienst gaat, is het gesignaleerde probleem niet zo gemakkelijk oplosbaar. De voorganger weet immers niet van elke toehoorder tot welke (sub)sultuur hij behoort. Wellicht heeft hij wel een beeld van de achtergrond en het niveau van zijn eigen gemeenteleden, maar als er inderdaad ‘buitenstaanders’ onder zijn gehoor zijn, kan van hem niet verwacht worden dat hij hun achtergrond en niveau kent.

Paas signaleert het probleem wel, maar een oplossing lijkt hij ook niet in de aanbieding te hebben. Dat heeft wellicht ook daarmee te maken dat hij zich onvoldoende realiseert hoe groot de culturele verschillen tussen kerkgangers zijn. Hij merkt op dat de sfeer van een kerkdienst belangrijk is en dat bezoekers zich welkom moeten voelen. Maar er zijn verschillen in beleving: het ene gevoel is het andere niet. Terwijl de ene bezoeker de sfeer als plezierig ervaart, voelt de ander zich een kat in een vreemd pakhuis. De ene toevallige bezoeker stelt het op prijs persoonlijk welkom te worden geheten, terwijl de ander er de voorkeur aan geeft onopgemerkt zich onder de kerkgangers te mengen. De manier waarop in sommige kerken alle bezoekers bij de ingang door middel van een handdruk welkom worden geheten, geeft blijk van een gebrek aan besef van zulke verschillen.

Als het om de kerkdienst zelf gaat, wordt het probleem alleen nog maar groter. Wanneer men zich in de liedkeuze aansluit bij de populaire muziek, zal dat wellicht sommige buitenstaanders aantrekken. Anderen – die een wat meer klassieke smaak hebben – zouden kunnen besluiten een deurtje verder te gaan. Paas vindt dat voorgangers een voorbeeld aan Jezus zouden moeten nemen. “Een missionaire preek is niet zo heel bijzonder. Ik zie het als een gewone preek waarin de spreker er rekening mee houdt dat er niet gelovigen aanwezig zijn. Jezus is voor mij daarin een voorbeeld. De gelijkenissen van Jezus zijn heel boeiend. Hij gebruikte daarin seculiere voorbeelden van gebeurtenissen die je destijds kon aantreffen in Israël. Zo kwam Hij heel dicht bij de mensen en legde Hij dingen bloot.”

Dat lijkt een treffend voorbeeld. Maar bij nader inzien is het wellicht niet zo gelukkig gekozen. Koos Jezus niet vooral voor de methode van de gelijkenis om de zin van wat hij bedoelde verborgen te houden? En waren zijn gelijkenissen zo doorzichtig als Paas suggereert? Zelfs zijn leerlingen begrepen lang niet altijd wat Hij wilde zeggen. Niet zelden vroegen ze Hem om uitleg.
Het is waar dat Jezus teruggreep op het dagelijks leven. Vaak gebruikt Hij beelden uit de agrarische wereld. Dat is begrijpelijk: ook al kende Israel een aantal steden en waren er ook mensen in niet agrarische beroepen werkzaam, Israel was een agrarische samenleving en dan ligt het voor de hand beelden uit het agrarische leven te gebruiken. Maar hoe moet dat dan in onze moderne maatschappij?

Agrarische beelden zijn nauwelijks nog bruikbaar. Zelfs op het platteland is niet iedereen meer in de agrarische sector werkzaam. En doorgewinterde stadsmensen kunnen misschien nog wel een koe van een varken onderscheiden, maar daarmee houdt het waarschijnlijk wel op. Welk alternatief dient zich aan? Ik heb bij Paas geen voorbeeld aangetroffen van een beeld dat de doorsnee kerkganger – gelovig of (nog) niet gelovig – zou kunnen aanspreken. Het zal ook niet meevallen zo’n beeld te verzinnen. Dat heeft alles te maken met het gesignaleerde verschil in cultuur. En dat moet hier dan ruim worden opgevat. Daarmee hangen ook verschillen in beroep, opleiding, levensomstandigheden en sociaal-economische situatie samen.

Beelden uit de moderne netwerksamenleving mogen de meeste jongeren aanspreken, anderen kennen die hooguit van horen-zeggen. Wanneer een voorganger in een preek – bijvoorbeeld in de lijdenstijd – naar Bachs Matthäus-Passion verwijst, zal dat bij de meeste jongeren waarschijnlijk op rotsachtige bodem vallen, aangezien te vrezen valt dat ze daarmee niet zijn opgegroeid. Maar als een predikant een lied van een zanger aanhaalt, kan een deel van de kerkgangers hooguit uit de context opmaken dat het om een gospelzanger gaat. Maar de zin van zo’n verwijzing zal hun dan geheel ontgaan. En zo zou er nog veel meer te noemen zijn.

Het valt moeilijk in te zien hoe dit probleem opgelost zou kunnen worden. Binnen de gemeente van ‘ingewijden’ een manier van preken vinden die zoveel mogelijk recht doet aan de verschillen in achtergrond is al moeilijk genoeg. Het streven zowel de ‘ingewijde’ als de ‘buitenstaander’ aan te spreken is als het zoeken naar een vierkante cirkel. Dat is niet alleen vruchteloos, het is zelfs de vraag of het wenselijk en nodig is. Is de kerkdienst het meest geschikte middel voor evangelisatie? Laten we er ons geen illusies over maken: ook als de preek heel eenvoudig is blijft er voor de ‘buitenstaander’ nog heel veel over waarvan de betekenis hem geheel ontgaat.

De kerkdienst is ook niet in de eerste plaats bedoeld om mensen tot geloof te brengen. De kerkdienst is een ontmoeting tussen God en zijn huisgezin. Hij laat zich daar kennen door het Woord en de sacramenten, en Hem wordt daar de eer gebracht waarop Hij recht heeft. Dat is het wezen van de eredienst. De karakterisering van de kerk als Gods huisgezin geeft al aan dat van gasten – degenen die (nog) niet tot dat huisgezin behoren – enige inspanning mag worden verwacht om vertrouwd te raken met de eigenaardigheden, die de kerk – net als ieder gezin – aankleven. Dat leden van dat gezin daarbij hulp bieden is vanzelfsprekend. Maar van een gezin mag niet verwacht worden dat ze zich volledig aanpast aan de gast. Wie bij een gezin aan tafel zit, eet wat de pot schaft.

Discriminatie of evangelisatie?

Naarmate de vorming van een ‘rechts’ kabinet waaraan ook de PVV op één of andere manier bijdraagt, dichterbij komt, lopen de emoties steeds hoger op. In kranten en tijdschriften en niet het minst op internetsites gaan voor- en tegenstanders van zo’n kabinet elkaar te lijf, niet zelden met grof geschut. Ook in christelijke kring is de verdeeldheid groot.

Dat bleek nog eens duidelijk na de verkiezingen. Al bij de eerste consultatieronde liet de SGP weten eventueel wel gedoogsteun te willen verlenen aan een zodanig kabinet. Ook in de reacties op de informatieronde van Ruud Lubbers viel de open houding van de SGP tegenover een ‘rechts’ kabinet op. Dat staat in schril contrast met de afkeer van de PVV en vooral van het meeregeren door de PVV, die de ChristenUnie ten toon spreidt. De verklaring van senator Egbert Schuurman op de site van de partij spreekt wat dat betreft duidelijke taal. Een krant vermeldde in dit verband dat de ChristenUnie geldt als de felste politieke tegenstander van de PVV.

Inmiddels heeft een Comité voor de Rechtsstaat een oproep doen uitgaan naar de leden van de Tweede-Kamerfracties van VVD en CDA, waarin hun wordt gevraagd een coalitie af te wijzen, waarbij de PVV op enigerlei wijze betrokken is, met een verwijzing naar standpunten van de PVV, die op gespannen voet staan met het wezen van de rechtsstaat. Op het discussieforum van het Nederlands Dagblad werd daarop overwegend zeer negatief gereageerd. Weliswaar kan men er niet zonder meer vanuit gaan dat iedereen die reageert christen is, uit de reacties kan toch worden opgemaakt dat dit voor de meesten wel geldt. En dan valt het op hoe negatief wordt gesproken over de islam, en hoever men bereid is te gaan om het vermeende gevaar van de ‘islamisering’ tegen te gaan. Daarbij worden opvattingen geventileerd die je ook in kringen van de PVV kunt horen.

Nu is er voor christenen geen enkele reden positief te zijn over de islam. Wie ervan overtuigd is dat het christelijk geloof het enig ware geloof is en dat niemand tot de Vader kan komen dan door de Zoon, kan niet anders dan de islam als een valse godsdienst bestempelen. Maar wat betekent dat in de praktijk? Is dat een vrijbrief om de aanhangers van dat geloof te beledigen of hen als tweederangsburgers te behandelen? Geeft dat het recht hun vrijheden te ontzeggen die men voor zichzelf – als christenen – wel opeist? Laten we even aannemen dat Nederland inderdaad het gevaar loopt te ‘islamiseren’. Hoe ga je dat gevaar dan tegen?

Het merkwaardige is dat degenen die altijd roepen dat de scheiding van kerk en staat betekent dat de staat zich niet moet bemoeien met de kerk, in het geval van de islam ineens bepleiten dat de overheid zich wel bemoeit met de moskee. Er moet nauwkeurig voor gewaakt worden dat daar geen opvattingen worden uitgedragen die haaks staan op wat wij in Nederland aanvaardbaar vinden. Maar in de kringen van christenen die met de PVV sympathiseren blijft het meestal akelig stil, als het gaat om de geestelijke strijd tegen de islam. Binnen christelijke kerken zijn weliswaar mensen actief ten behoeve van de evangelieverkondiging onder moslims en er zijn gemeenten die speciaal iemand hebben aangesteld om zich hiermee bezig te houden, maar ik heb niet de indruk dat deze activiteiten op erg veel sympathie kunnen rekenen van degenen die in de PVV een bondgenoot zien in de strijd tegen de ‘islamisering’.

Voor een geestelijke strijd tegen de islam moet je natuurlijk niet bij de PVV zijn. Ondanks het feit dat ze er prat op gaat de ‘joods-christelijke cultuur’ van Nederland te verdedigen tegen de ‘aanvallen’ van de islam, moet deze beweging als volstrekt nihilistisch beschouwd worden. De PVV is niet gebaseerd op een levensbeschouwing en heeft moslims dus niets te bieden. Nu is het niet de taak van een politieke partij mensen tot een bepaald geloof te bekeren. Maar het is evenmin haar taak een bepaald geloof te bestrijden en de aanhangers daarvan het belijden van dat geloof onmogelijk te maken.

Wanneer dat geloof leidt tot maatschappelijke misstanden, dan moeten die aangepakt worden. Maar dat betekent niet dat dan aan het achterliggende geloof beperkingen opgelegd mogen worden. Er wordt beweerd dat de islam een politieke ideologie is. Dat is echter geen wetenschappelijk vaststelbaar feit maar een subjectieve interpretatie. Van de islam wordt misbruik gemaakt voor het bereiken van politieke doeleinden. Maar dat is in de loop van de geschiedenis met het christelijk geloof ook gebeurd. Daaruit trekt niemand de conclusie dat het christelijk geloof zelf een politieke ideologie is.

De geestelijke strijd tegen de islam is de taak van de kerk. En juist degenen die zich zoveel zorgen maken over een dreigende ‘islamisering’, zouden zich hiervoor actief moeten inzetten. Bekering tot het christelijk geloof is immers het meest effectieve wapen tegen de ‘islamisering’. Maar dan zitten we wel met een probleem. Want als je iemand wilt bekeren, zul je eerst contact moeten leggen en dat vervolgens moeten onderhouden en ontwikkelen. Iedereen begrijpt dat zo’n contact niet ontstaat en zeker geen stand houdt, wanneer wederzijds respect ontbreekt. En daar zit ‘m de kneep. PVV-sympathisanten hebben geen respect voor moslims, en hun wijze van optreden en hun uitlatingen roepen bij moslims begrijpelijkerwijs geen respect op.

Daaruit moet geconcludeerd worden dat degenen die in Wilders en zijn beweging een bondgenoot zien, in feite het meest effectieve wapen tegen de ‘islamisering’ buiten werking stellen. Naarmate de opvattingen van Wilders meer aanhang krijgen, wordt de evangelieverkondiging onder moslims moeilijker. En het is bepaald niet denkbeeldig dat degenen die moslims benaderen met het evangelie zich steeds vaker expliciet van de PVV en haar strijd tegen de islam zullen moeten distantiëren.

De politieke strijd tegen de islam en de evangelieverkondiging onder moslims laten zich niet verenigen. De uiteindelijke vraag voor christelijke PVV-sympathisanten is daarom wat het zwaarst weegt: het eigen tijdelijke welzijn of het eeuwige welzijn van de moslim.

Evangelisatie en kerk

De vereniging Evangelisatie & Recreatie is een organisatie die uitgaat van de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) (GKV). Ze houdt zich bezig met evangelisatie-activiteiten tijdens de zomervakantie in verschillende vakantiecentra in Nederland, zoals aan stranden en op campings. De vereniging heeft een semi-officiële status: het is een zelfstandige vereniging, die haar eigen beleid bepaalt, maar tegelijk door de kerken financieel ondersteund wordt. Ook wordt elk jaar aan de kerken gebed gevraagd voor de activiteiten die tijdens de vakantiemaanden zullen plaatsvinden.

Het Nederlands Dagblad berichtte op 28 april j.l. dat de vereniging besloten heeft het lidmaatschap open te stellen voor leden van de Christelijke Gereformeerde Kerken (CGK) en de Nederlands Gereformeerde Kerken (NGK). Daarmee volgt ze het voorbeeld van veel andere organisaties die de laatste tien tot vijftien jaar hun exclusieve binding aan de vrijgemaakt-gereformeerde kerken hebben losgelaten.

Dat was soms onvermijdelijk en vanuit principieel oogpunt hoeft er niet altijd bezwaar tegen gemaakt te worden. Maar organisaties die zich voornamelijk of uitsluitend richten op geloofsopvoeding of geloofsopbouw nemen een bijzondere positie in. Hierbij kan gedacht worden aan studentenverenigingen. Er is vrijwel geen studentenvereniging meer te vinden die reglementair heeft vastgelegd dat alleen leden van de GKV als leden worden toegelaten. De meeste van zulke verenigingen hebben als doelstelling de leden te vormen tot christelijk academicus – of hoe de gebruikte formulering ook mag luiden. Die doelstelling maakt een kerkelijke binding meer urgent dan bij een organisatie die maatschappelijke of politieke activiteiten ontwikkelt.

Geloof en kerk hebben immers alles met elkaar te maken. De Nederlandse Geloofsbelijdenis (NGB) brengt dat in artikel 28 tot uitdrukking wanneer ze uitspreekt dat niemand zich afzijdig mag houden van de kerk van Christus. Geloven in Christus impliceert het zich voegen bij zijn kerk.

Maar Christus verkondigde toch vooral de komst van het koninkrijk van God, zou men kunnen tegenwerpen. Dat is juist, maar doet niets af aan de betekenis van de kerk. Onderweg naar de voltooiing van dat koninkrijk is de kerk de plaats waar Christus zijn onderdanen verzamelt en instrueert. Het al genoemde artikel van de NGB verzuimt niet uit te leggen wat de betekenis van de kerk in dit verband is. De nauwe band tussen kerk en koninkrijk wordt ook tot uitdrukking gebracht in Zondag 48 van de Heidelbergse Catechismus, volgens welke de bede ‘uw koninkrijk kome’ onder andere betekent: “bewaar en vermeerder uw kerk”.

De centrale plaats van de kerk in het koninkrijk is voor evangelisatieactiviteiten van bijzonder gewicht. Omdat geloof en kerk bijeenhoren, dient evangelisatie haar uitgangspunt te nemen in en gericht te zijn op de kerk. De in de Gereformeerde Kerken gehanteerde Kerkorde bepaalt in art. 26 dan ook expliciet dat evangelisatieactiviteiten gericht moeten zijn op het lidmaatschap van de kerk.

In het licht van het bovenstaande levert de openstelling van de vereniging E&R een probleem op. De vereniging deelt zelf mee dat deze openstelling niet impliceert dat de band met de GKV wordt losgelaten. “Onder verantwoordelijkheid van die plaatselijke gemeente zal het evangelisatiewerk plaatsvinden. Met deze besluiten blijft de vereniging bewust kiezen voor kerkgebonden evangelisatie.”

Maar wat is dan de reden de vereniging voor leden van andere kerken open te stellen? Kan van leden van de CGK of de NGK verwacht worden dat ze in hun evangelisatiecontacten naar de GKV verwijzen? En wat wordt geantwoord op vragen over de kerk en over kerkelijke verdeeldheid? Over de motieven tot openstelling wordt geen duidelijkheid verstrekt.

Er zit nog een ander aspect aan. De vereniging wordt niet zomaar opengesteld, maar alleen voor leden van twee met name genoemde kerken.

Principieel bestaat er geen bezwaar tegen toelating van leden van de CGK. De GKV hebben deze kerken als kerken van Christus erkend en daarmee uitgesproken dat kerkverbandelijke eenheid geboden is. Maar het is niet de taak van een vereniging als E&R daarop een voorschot te nemen. Kerkelijk gebonden organisaties dienen geen trendsetters, maar trendvolgers te zijn.

Veel problematischer is de toelating van leden van de NGK. Het proces van samenspreking tussen GKV en NGK loopt bepaald niet op rolletjes en dat is niet verbazingwekkend. Binnen de NGK bestaan grote verschillen in de manier waarop met de Schrift en de belijdenis wordt omgegaan, en ook in de kerkelijke praktijk bestaan soms fundamentele verschillen. En dan laat ik het kerkordelijke aspect nog buiten beschouwing. Toelating van leden van de NGK als lid van de vereniging E&R is dan ook principieel niet verdedigbaar.

Op grond van de hier geschetste ontwikkelingen lijkt het me onvermijdelijk dat de GKV hun opstelling ten aanzien van E&R kritisch overdenken.

Categorieën:kerk Tags: , , , , , , ,

Kerkgroei: een normale conditie?

29 maart 2010 1 reactie

‘Randen van de kerk moeten flexibeler worden’. Dat was een kop in het Nederlands Dagblad van 19 maart. Die stond boven een verslag van de conferentie van Europese gereformeerde en presbyteriaanse kerken, die vorige week in Edinburgh werd gehouden. Zo’n kop intrigeert, want wat wordt precies bedoeld met de ‘randen van de kerk’? En in welke zin moeten die ‘flexibeler’ worden?

Het thema van de conferentie was de missionaire kracht van de gereformeerde theologie en traditie. Er werd gesproken over de mogelijkheden als kerken ‘Europa te bereiken’. Daarbij draaide men er niet omheen dat daarvan tot nu toe niet veel terecht is gekomen. In het verslag werd een impressie gegeven van een gesprek tussen de Schotse dominee David Robertson en de Nederlandse theoloog Stefan Paas. Ondanks hun verschillen van mening op bepaalde punten deelden ze de overtuiging dat “de grenzen van de kerk veel flexibeler moeten worden”. “De Bijbel en het kruis in het centrum, daar moet alles om gaan, en daarnaast ‘veel ruimte aan de grenzen’.”

Het blijft wat onduidelijk wat ze daaronder precies verstaan. Heeft men vooral het culturele aspect op het oog? Of bedoelt met een concentratie op wat tot het centrum van het christelijk geloof behoort? Zijn dat de Bijbel en het kruis? Zo ja, wat is dan precies ‘de rand’ of wat zijn ‘de grenzen’?

Andere opmerkingen die volgens het verslag zijn gemaakt, helpen niet verder. Robertson wijst erop dat de kennis van het evangelie zo gering is geworden dat de kerken vragen beantwoorden die de mensen niet stellen. En Stefan Paas is kritisch over de belijdenisgeschriften, omdat ze niet ingaan op vragen die “christenen en moderne mensen nu bezighouden”. Daartoe rekent hij de vraag of God bestaat, over de verhouding tussen schepping en wetenschap en over de islam. Maar zijn dat dan wel zaken die het centrum van het christelijk geloof betreffen? Het bestaan van God uiteraard wel, maar de verhouding tussen geloof en wetenschap? Zou het feit dat de belijdenisgeschriften daarover zwijgen er op kunnen duiden dat dit niet tot het centrum van het christelijk geloof behoort?

Een belangrijk thema binnen de evangelisatie van nu is het fenomeen van de kerkplanting. Dat zou wel eens met de hier gesignaleerde problemen kunnen samenhangen. Kerkplanting is eigenlijk een poging overnieuw te beginnen en ‘historische ballast’ achter zich te laten. Wellicht kan men dan gemakkelijker aansluiten bij de moderne cultuur en ingaan op vragen die de mensen van nu stellen. Maar uit het verslag van de slotdag van de conferentie blijkt wel dat ook dit niet van een leien dakje gaat.

Heeft dat wellicht te maken met overspannen verwachtingen? Dat is een kwaal waaraan mensen die zich veel met evangelisatie bezighouden, nogal eens lijken te lijden. Ze constateren dat veel mensen onbevredigd zijn over hun leven en vaak ervaren dat het leeg is. Maar mag je daaruit de conclusie trekken dat die mensen ook op het evangelie zitten te wachten? De Schotse kerkplanter David Meredith zegt, volgens het Nederlands Dagblad van 19 maart: “Dat een kerk groeit, is een normale conditie. Zo niet, dan is er iets mis”.

Dat is een nogal boude uitspraak. Waar in de bijbel is te lezen dat groei de ‘normale conditie’ van de kerk is? De bijbel heeft het eerder over toenemende afval en zelfs de mogelijkheid dat de kerk geheel verdwijnt – niet van de aarde, maar toch wel uit een deel van de wereld. Bovendien verdwijnt op deze manier de bijbelse notie dat het de heilige Geest is die geloof geeft, uit beeld. De Geest waait waarheen hij wil: hij kan mensen het geloof geven, maar het hun ook onthouden.

Merediths uitspraak is niet alleen bijbels moeilijk te verantwoorden, ze zet ook de christelijke kerk en elke christelijke gemeente onder onaanvaardbare druk. De consequentie van deze opvatting is namelijk dat wanneer een gemeente niet groeit, de oorzaak bij haar zelf ligt.

Nu is er uiteraard geen enkel bezwaar tegen wanneer een gemeente eens kritisch naar zichzelf kijkt. Sterker nog, dat moet ze voortdurend doen, en niet alleen wanneer er geen groei is. Maar het is niet eerlijk een gemeente per definitie de schuld van een gebrek aan groei te geven. Daarmee doet men haar en haar leden onrecht.

Het kan ook leiden tot krampachtigheid. Omdat de gemeente behoort te groeien gaat men zich in allerlei bochten wringen om die groei te bewerkstelligen. En dat kan ongewenste effecten hebben. De aandacht voor ‘buitenstaanders’ kan zoveel aandacht opslokken dat de zorg voor de leden van de gemeente erbij inschiet. Men kan zover gaan in het zich aanpassen aan wat men denkt dat buitenstaanders verwachten of wensen aan te treffen dat bij de leden van de gemeente een gevoel van vervreemding optreedt.

Wanneer een gemeente groeit door toetreding van mensen die niet met het geloof zijn opgegroeid en vreemd staan tegenover kerkelijke gewoonten en tradities, zal de kerkelijke cultuur logischerwijs veranderen. Dat is niet erg, want die cultuur is voor een groot deel niet specifiek gerelateerd aan bijbelse voorschriften. Maar dat de kerk per definitie haar eigen cultuur heeft, daarvoor hoeft ze zich niet te schamen of te verontschuldigen. Een kerk is iets fundamenteel anders dan de publieke samenleving.

In de samenleving kunnen allerlei opvattingen en culturen naast elkaar bestaan. In de kerk is dat anders. Hoe verschillende ‘culturen’ – hoe ook gedefinieerd – in de kerk samen kunnen leven, daarover zou nog eens een stevig debat gevoerd moeten worden. Maar als de kerk echt wil openstaan voor wie nu nog ‘buiten’ zijn, zal ze gastvrij moeten zijn, maar tegelijk duidelijk moeten zijn over het centrum en de grenzen van de kerk. Juist de belijdenisgeschriften zijn daarbij een onmisbaar hulpmiddel.