Archief

Posts Tagged ‘evangelisch’

In ons kloffie naar de Koning

Op 9 mei j.l. stond er op de site van het Christelijk Informatie Platform een artikel van Tim van Dijl. Hij is verbonden aan de Stichting De Hoop in Dordrecht en via presentaties van het werk van deze stichting preekt hij in allerlei evangelische gemeenten. In het artikel vertelt hij dat hij na afloop van een dienst werd aangesproken door een dame van 92 jaar. “Op vriendelijke toon vroeg ze mij: ‘Beste jongeman, zou je die kleren ook aandoen als je bij de koningin op visite ging?’. Ik had een casual spijkerbroek aan met daarboven een gekleurd overhemd. Naar mijn mening prima kleding om in te preken. Deze keurige oude dame vond het blijkbaar niet netjes genoeg. Wat moest ik haar antwoorden?”

Van Dijl trad op als voorganger en werd ook als zodanig aangesproken. Je zou kunnen zeggen dat het punt van discussie was welke kleding een ambtsdrager in een kerkdienst zou moeten dragen. Maar terwijl in reformatorische kerken het ambt een belangrijk onderwerp is, speelt dat in evangelische kringen nauwelijks een rol. Iedereen die zich geroepen voelt kan het spreekgestoelte bestijgen en zich de mantel van voorganger omhangen. Dat is reden het onderwerp wat breder te bezien en de kleding van kerkgangers anno nu aan een nadere beschouwing te onderwerpen. Ook in de manier waarop Van Dijl zijn kledingkeuze verdedigt, maakt hij geen onderscheid tussen voorganger en toehoorder.

Enkele decennia geleden werd het steeds gebruikelijker bij allerlei ‘officiële’ gelegenheden minder formele kleding aan te trekken. Ook in een werkomgeving, waar vroeger formele kleding gangbaar was, is het tegenwoordig niet meer ongewoon werknemers in kleding aan te treffen die men in vroeger tijden in het geheel niet droeg of hooguit in de vrije tijd. Het duurde niet lang of deze manier van kleden drong ook tot de kerkdiensten door. Het zijn hooguit nog vertegenwoordigers van de oudere generatie die zich speciaal voor een kerkdienst kleden.

Ooit werd over dit onderwerp gediscussieerd en geschreven, bijvoorbeeld in kerkbladen. Maar, zoals het zo vaak gaat, de honden blaffen, maar de karavaan trekt verder. Het gesputter van diegenen, die van mening waren dat het bijwonen van een kerkdienst toch wel iets bijzonders is en dat dit in de kleding tot uiting moet komen, heeft geen effect gehad. Dat ligt waarschijnlijk niet alleen daaraan dat jongere generaties meestal niet geneigd zijn zich van de kritiek van ouderen iets aan te trekken. Eén van de oorzaken is wellicht ook dat de gebruikte argumenten niet zo sterk waren.

Tegenwoordig vormt het nog maar zelden een onderwerp van discussie. Wie het aan de orde stelt, ontmoet hooguit meewarig hoofdschudden. Maar de ironie is dat juist informele kleding vaak heel goed bij het karakter van de kerkdienst past. Die is namelijk in de loop van enkele decennia grondig veranderd. Kerkdiensten zijn tegenwoordig in veel gevallen even informeel als de kleding van de kerkgangers. De informaliteit van kerkdiensten beperkt zich allang niet meer tot de evangelische wereld, maar is ook in reformatorische kringen doorgedrongen. Alleen in kerkdiensten van bevindelijke kerkgenootschappen vindt men nog de kleding, die zo’n vijftig jaar geleden ook in ‘lichtere’ kerken nog gangbaar was.

Dat informele karakter van kerkdiensten momt bijvoorbeeld tot uitdrukking in de liedcultuur: het evangelische lied, dat meestal een nogal informele toon aanslaat en een geest van vrijmoedigheid – en soms zelfs van vrijpostigheid – ademt, heeft z’n intocht gedaan in kerken van reformatorische snit en is hard op weg de psalmen en de daarmee verwante liederen uit het Liedboek te verdringen.

Het liedrepertoire en, niet te vergeten, de daarbij passende begeleidingsvormen hebben er zonder twijfel toe bijgedragen dat kerkdiensten informeler, ‘huiselijker’ zijn geworden. Dat komt ook naar voren in de manier waarop de toehoorders worden aangesproken. De aanspraak ‘gemeente’ of ‘broeders en zusters’ maakt steeds meer plaats voor minder ‘formele’ alternatieven. En waar vroeger de toehoorders nog collectief met ‘u’ werden aangesproken, is het tegenwoordig bijna algemeen gebruik hen – jong of oud – te tutoyeren. Zelfs de inrichting van kerkzalen weerspiegelt de tendens naar informaliteit. Nieuwe kerken of kerkzalen worden ingericht als huiskamers, bestaande ruimten aangepast aan wat als het nieuwe ideaal geldt: het moet wel een beetje gezellig zijn.

We moeten nog een spade dieper steken. De manier waarop de kerkdiensten worden vormgegeven en verlopen en de manier waarop kerkzalen zijn ingericht, zeggen iets over ons Godsbeeld. Het beeld van God in die christelijke kringen, waar men pretendeert ‘schriftuurlijk’ te zijn, dreigt steeds meer nogal eenzijdig te worden. God is er vooral om ons over de bol te aaien, ons te troosten en ons uit de put te halen en ons te voorzien van wat we nodig hebben. Dat is allemaal waar, maar tegelijk niet meer dan één kant van het verhaal. Oude en Nieuwe Testament laten ons God als een God van liefde zien, maar ook als een God, die het kwaad en de zonde serieus neemt en zich daarover kwaad maakt. En de Schrift maakt – in Oude èn Nieuwe Testament – glashelder dat er een grote afstand tussen God en mens bestaat: God blijft God en de mens blijft altijd slechts een mens.

Hoe reëel het gevaar van een eenzijdig Godsbeeld is, blijkt ook uit de antwoorden die Van Dijl op de vraag van de oude zuster geeft.

Welke kleren zou hij aandoen als hij bij de koningin op bezoek ging, vraagt ze hem. (Ik weet niet of hij haar correct citeert; in het vervolg heeft hij het steeds over de koning, wat voor de argumentatie verder geen verschil maakt.) “Ten eerste is God niet alleen mijn Koning, Hij is ook mijn Vader. Als ik bij mijn vader op bezoek ga trek ik niet speciaal een pak aan. (…) Enerzijds is het waar dat we, door naar de kerk te gaan, op bezoek gaat bij de Grote Koning, maar tegelijk is die Koning ook onze Vader. En Hij wil graag dat we bij Hem komen zoals we zijn.”

Het is goed dat Van Dijl hiermee begint. Want dat is het kenmerkende verschil tussen het beeld van God dat de bijbel geeft en de godsbeelden in andere religies, zoals de islam. Daardoor komt ook Christus in het centrum te staan, want alleen dankzij Hem mogen we God onze Vader noemen. Maar de invulling die Van Dijl vervolgens aan het begrip ‘vader’ geeft, is wel heel erg Nederlands en 21e-eeuws. De informaliteit die de relatie tussen ouders en kinderen tegenwoordig vaak kenmerkt, is in de bijbel niet terug te vinden. De vader, zoals die in het Oude Testament wordt getekend, is toch echt een andere figuur. Het is degene die het gezag in het gezin heeft, leiding geeft en verantwoordelijkheid draagt. Er bestond zonder twijfel een substantiële afstand tussen een vader en zijn kinderen en eveneens tussen man en vrouw. Dat laatste onderstreept Petrus, wanneer hij er in zijn eerste brief op wijst dat Sara haar man Abraham ‘heer’ noemde (3,6).

Dit betekent niet dat de relatie tussen ouders en kinderen, zoals die tegenwoordig gangbaar is en door velen – ouders èn kinderen – als ideaal wordt gezien, verwerpelijk is. Maar ze mag niet ons beeld van God gaan bepalen. Jezus leert ons bidden: “Onze Vader, die in de hemelen zijt”. Volgens Zondag 46 van de Heidelbergse Catechismus is de zin van die verwijzing naar de hemel dat we over “de hemelse majesteit van God” niet “aards” gaan denken. Dat is geen overbodige waarschuwing.

Opvallend is ook het element dat God graag wil “dat we bij Hem komen zoals we zijn”. Ook dat is een gangbare opvatting: je mag zijn wie je bent, je bent welkom zoals je bent. Dat heeft zeker een waarheidselement: niemand is te vuil om bij God welkom te zijn. We komen juist bij Hem om schoon gemaakt te worden. Maar daaruit kan niet zomaar de conclusie getrokken worden dat het niet uitmaakt, hoe je komt. De bijbel laat ook de andere kant van het verhaal zien. In het Oude Testament wordt herhaaldelijk van het volk gevraagd zich te reinigen, voordat het tot God mag naderen. Dat geldt nog nadrukkelijker voor de priesters die in de tempel dienst doen. En als het in het Nieuwe Testament over het bruiloftsmaal gaat, wordt van de gasten verlangd dat ze zich passend kleden. Dat mag niet één-op-één vertaald worden naar de kleding die tijdens kerkdiensten gedragen wordt. Maar het laat wel zien dat de uitspraak dat we bij God mogen komen, zoals we zijn, op z’n minst enige nuancering behoeft.

Zo’n één-op-één vertaling zou een vorm van biblicisme zijn. Dat wordt vaak gedefinieerd als de letterlijke interpretatie van bijbelteksten. Maar het kan ruimer worden opgevat: alles wat we als waarheid naar voren brengen, moet door bijbelcitaten gesteund worden. Van Dijl ontkomt niet aan dat gevaar. Over de idee dat een kerkdienst speciale kleding vereist, schrijft hij dat “het neigt naar een ‘menselijk gebod’. Jezus gaat in Mattheüs 15 tekeer tegen de Schriftgeleerden en Farizeeën die (vers 9) ‘geboden van mensen’ aan andere mensen onderwijzen. Het gebod “je moet nette kleding dragen in de kerk” zie ik niet direct terug in de bijbel. Het lijkt daarom mijns inziens een ‘gebod van mensen’.”

Hier zien we een voorbeeld van biblicisme in optima forma. In het Nieuwe Testament, dat in de regel als de belangrijkste bron van informatie over en inspiratie voor onze kerkdiensten wordt gehanteerd, treffen we inderdaad geen specifieke kledingvoorschriften aan. Maar er zijn wel meer zaken waarvoor in de Schrift geen voorschriften te vinden zijn. In reformatorische kring is het gebruikelijk in de morgendiensten regelmatig de Tien Geboden voor te lezen – hoewel die gewoonte steeds meer onder druk komt te staan – terwijl daarvoor geen enkel voorschrift te vinden is. Hetzelfde geldt voor de vaste plaats van de geloofsbelijdenis in middagdiensten; ook voor de viering van christelijke feestdagen kan men zich niet op de bijbel beroepen. Concrete teksten die verplichten tot de kinderdoop zul je in de bijbel niet vinden. Toch belijdt de kerk van de Reformatie met overtuiging het recht en de plicht van de kinderdoop, o.a. in de Heidelbergse Catechismus. Het gaat er dan ook niet om voor elk dogma of elke gewoonte een bijbeltekst te vinden. Het gaat om de grote lijnen in de Schrift en, ook al zijn er geen concrete voorschriften m.b.t. de vereiste kleding voor bijeenkomsten van de gemeente, er zijn wel degelijk allerlei elementen waar te nemen die wijzen in de richting van het belang van het op een gepaste manier verschijnen voor God.

Het derde argument dat Van Dijl gebruikt, laat zien dat, als het om kerkdiensten gaat, het brandpunt verschoven is. Was vroeger de aandacht bij de inrichting van kerken en de vormgeving van erediensten vooral verticaal gericht, tegenwoordig is die in horizontale richting verschoven. “Een kerk vol net geklede mensen krijgt (…) automatisch een bepaalde sfeer. Een elitaire sfeer van stijfheid.” Ongelovigen kunnen zich ongemakkelijk voelen “als ze in een kerk komen vol verplicht net-geklede mensen. De sfeer echter die wél willen overdragen (Gods liefde, blijdschap en vrede) worden hierdoor minder goed zichtbaar.”

Het gaat hier helemaal om de manier waarop mensen – en dan vooral ‘buitenstaanders’ – kerkdiensten ervaren. Deze benadering is ongetwijfeld beïnvloed door de grotere aandacht voor de missionaire taak van de kerk, die weer het gevolg is van de toegenomen secularisatie. Dat is op zichzelf een goede zaak, maar het is de vraag of kerkdiensten nu de meest geschikte middelen zijn om die mensen te bereiken, die van het christelijk geloof zijn vervreemd of daarmee nog nooit in aanraking zijn geweest.

Dat leidt ertoe dat kerkdiensten soms verregaand worden aangepast om ‘buitenstaanders’ tegemoet te komen. Daarbij laat men zich niet zelden leiden door wat men denkt dat buitenstaanders zien of horen. Zien ‘buitenstaanders’ een kerk vol ‘verplicht’ net-geklede mensen? Of zijn het vooral kerkmensen die er zo tegenaan kijken? Zou het misschien ook zo kunnen zijn dat buitenstaanders eerder mensen zien die kerkdiensten blijkbaar zo belangrijk vinden dat ze bereid zijn zich ervoor in nette kleding te steken?

De aanleiding voor dit stuk was een vraag betreffende de kleding tijdens een kerkdienst. Maar dat is slechts de oppervlakte. Wat we aantrekken zegt vooral iets over de manier waarop we naar de kerkdienst kijken. En onze kerkdiensten zeggen iets over ons beeld van God.

Als we in ons kloffie bij de Koning op bezoek gaan, wie is Hij dan eigenlijk voor ons?

Evangelische schutkleur

27 juni 2012 1 reactie

Andries Knevel, presentator van de Evangelische Omroep, organiseerde op 18 juni j.l. een symposium over de vraag of de tegenstelling tussen reformatorisch en evangelisch achterhaald is. Zelf had hij die vraag al bevestigend beantwoord, zoals blijkt uit een interview met het Nederlands Dagblad (16.6.12). Zijn antwoord is vooral gebaseerd op de feiten zoals hij die waarneemt. Daartoe behoren de toegenomen contacten tussen vertegenwoordigers van beide stromingen. Op de pinksterconferentie Opwekking lopen gereformeerden en evangelischen door elkaar alsof het de gewoonste zaak van de wereld is. Jongeren maken zich niet druk over zaken die voor ouderen belangrijk zijn. “Voor oudere christenen doen de theologische verschillen er nog toe, maar jongeren interesseren zich niet meer voor verschillen op het gebied van verbond, verkiezing of de verhouding tussen rechtvaardiging en heiliging. Voor hen spelen culturele, sociologische aspecten een veel belangrijker rol. Zij zijn bezig met de vraag ‘ben ik een geliefd kind van God?’. Ze geven een andere expressie aan hun geloof, zingen uit de Opwekkingsbundel, kennen een zintuiglijke liturgie, en incorporeren postmoderne cultuuruitingen.” Op de vraag of hij dan geen verschillen ziet, antwoordt Knevel: “Kinderdoop versus volwassendoop en de waardering van de kerk der eeuwen, denk ik. Het instituut, met canon en credo, met synodes aan de ene kant, en aan de andere kant vrije gemeenten die soms in een los verband bij elkaar komen, maar waarbij het verband geen zeggenschap heeft over de theologie in een willekeurige gemeente.”

De door Knevel gesignaleerde feiten zijn niet te ontkennen. Maar de conclusies die hij daaruit trekt zijn nogal gemakzuchtig. De geringe belangstelling van jongeren voor zulke kwesties kan toch moeilijk als argument voor de irrelevantie van de verschillen dienen. Veel jongeren zien de gevaren van drankgebruik niet in. Is dat een reden hen hun gang te laten gaan? Knevel lijkt de door hem gesignaleerde verschillen bijna als bijzaken te beschouwen. Daarmee miskent hij hun belang en reikwijdte.

“De afwijzing van de kinderdoop staat zelden op zichzelf. (…) Naar mijn overtuiging is de kinderdoop (…) niet maar een zwerfkei tussen allerlei theologische thema’s, maar een exponent van onze theologische grondstructuur”, aldus ds. A.J. Mensink, predikant in de PKN en lid van het hoofdbestuur van de Gereformeerde Bond. Hij wijst erop dat de afwijzing van de kinderdoop vaak gepaard gaat met een visie op de erfzonde en de vrije wil die haaks staat op de gereformeerde belijdenis. De visie op de doop heeft ook alles te maken met zaken als verbond en uitverkiezing. Daaruit kan de conclusie getrokken worden dat de vraag waarmee jongeren zich volgens Knevel vooral bezighouden, namelijk “ben ik een geliefd kind van God?”, helemaal niet zo ver afstaat van thema’s als verkiezing en verbond, waaraan volgens hem vooral ouderen grote waarde hechten. Zolang jongeren daarop geen Schriftuurlijk zicht hebben, zullen ze geen antwoord op hun vraag vinden.

Ook de visie op de kerk is geen ‘zwerfkei’. In het evangelische denken speelt de kerkgeschiedenis geen grote rol. Dat heeft veel met het sterk individualistische karakter van de evangelische beweging te maken. De kerkgeschiedenis maakt duidelijk dat de gelovigen onderdeel zijn van een gemeenschap die de eeuwen omspant. De kerkgeschiedenis begint niet bij ons. Ze leert ons dus bescheiden te zijn – niet bepaald een in het oog lopende eigenschap van de evangelische wereld. Wie de kerkgeschiedenis niet kent, kan er ook niets van leren. Wat we ervan kunnen leren is bijvoorbeeld dat veel wat als modern wordt aangeprezen, oude papieren heeft. We kunnen leren hoe dwalingen in het verleden de kop opstaken en hoe de gemeenschap van de heiligen zich daartegen heeft gewapend. De gereformeerde belijdenisgeschriften zijn het resultaat van de strijd van de kerk tegen dwalingen. De belijdenissen bewijzen zich nog steeds als nuttige middelen om de kerk te vrijwaren van leervrijheid. Ze voorkomen dat de gemeente het slachtoffer wordt van de gedachtenspinsels van een voorganger. Daarbij speelt ook het kerkverband een belangrijke rol, als middel om zulke voorgangers hun plaats te wijzen en de gemeente te beschermen. Dat gebeurt ook door een Schriftuurlijke visie op het ambt, die voorkomt dat ieder die dat wil zich zomaar als ‘geestelijk leider’ kan opwerpen zonder door de gemeente geroepen te zijn.

Uit de verslagen van het symposium kreeg ik de indruk dat alleen diegenen aan het woord kwamen die de tegenstellingen tussen gereformeerd en evangelisch als achterhaald of in ieder geval als niet-fundamenteel en niet-kerkscheidend beschouwen. Je zou haast denken dat Knevel alleen degenen had uitgenodigd van wie hij verwachtte dat ze zijn eigen antwoorden van een steviger fundament zouden voorzien. Het zou interessant zijn geweest wanneer ook bijvoorbeeld prof. J.C. Maris, net als Knevel christelijk-gereformeerd, aan het woord zou zijn gekomen. Die zou voor flink wat tegenspraak hebben gezorgd. Dat mag tenminste worden geconcludeerd uit een lezing die hij enige tijd geleden heeft gehouden en waarvan het maandblad Nader Bekeken (mei 2012) een uitgebreide samenvatting publiceerde. Daarin zet hij de onderwerpen waarover evangelischen en gereformeerden van mening verschillen, op een rijtje. Hij laat zien dat die verschillen substantieel zijn en bepaald niet van marginaal belang. Hij komt tot die conclusie omdat hij de opvattingen die in evangelische kring gangbaar zijn confronteert met de gereformeerde religie, zoals die o.a. in de belijdenisgeschriften tot uitdrukking komt.

Wanneer we concluderen dat de tegenstellingen tussen evangelisch en gereformeerd wel degelijk fundamenteel van aard zijn, volgt daaruit niet dat gereformeerden zich van contacten met de evangelische wereld zouden moeten onthouden, zo dat al mogelijk zou zijn. Prof. Maris doet dat, niettegenstaande zijn duidelijke stellingname, ook niet. Integendeel: hij is van mening dat gereformeerden het één en ander van de evangelischen kunnen leren. Daarmee staat hij geheel in de gereformeerde traditie. Die wil zich immers altijd (laten) reformeren, wanneer vanuit de Schrift onjuistheden of eenzijdigheden worden aangewezen. De vraag is wel of gereformeerden de dingen die ze van evangelischen zouden kunnen leren, niet ook in hun eigen traditie zouden kunnen vinden. Maar die kennen ze waarschijnlijk niet.

Gereformeerden moeten de contacten met evangelischen niet uit de weg gaan. Maar dan moeten ze hun gereformeerde belijdenis niet thuis laten. Ze moeten ook in hun spreken en handelen laten zien wat die belijdenis voor hen betekent. Ze moeten zich zeker niet aanpassen aan wat in evangelische kring gebruikelijk is. In het al genoemde interview laat Andries Knevel zien hoe het niet moet.

Hoewel hij lid is van een christelijke gereformeerde kerk ziet hij er geen enkel bezwaar in op zondagmorgen een dienst van een evangelische gemeente te bezoeken. Iemand die is opgegroeid met de Nederlandse Geloofsbelijdenis zou toch moeten weten dat kerkelijk shoppen niet in overeenstemming is met wat die over de kerk belijdt. Knevel bezoekt niet alleen bijeenkomsten buiten het kerkverband waartoe hij behoort, hij gaat er zelfs in diensten voor. Dat doet hij kennelijk niet in zijn eigen kerkverband: in het interview noemt hij alleen PKN- en evangelische gemeenten. Daaruit mogen we wel concluderen dat hem in zijn eigen kerkverband geen preekbevoegdheid is verleend. Waaraan ontleent hij dan het recht de kansel te beklimmen om het Woord te bedienen? De Nederlandse Geloofsbelijdenis wijst ambtelijk optreden zonder “wettige verkiezing door de kerk” af (art. 31). Ze spreekt uit dat ieder “de tijd (moet) afwachten dat hij door God geroepen wordt, om daarin het overtuigend bewijs te hebben dat zijn roeping van de Here komt”. God roept door middel van zijn gemeente tot het ambt. Die belijdenis is aan evangelischen niet besteed. In die wereld kan iedereen zich opwerpen als “dienaar van het Woord”, omdat hij zich geroepen voelt. Het is kenmerkend voor het individualistische karakter van de evangelische beweging.

Hoezeer Knevel zich daaraan heeft aangepast blijkt uit zijn formuleringen. Wanneer gevraagd wordt of zijn bezoek van een evangelische bijeenkomst samengaat met zijn lidmaatschap van de christelijke gereformeerde kerk volgt geen antwoord vanuit de Schrift of de belijdenis. Hij verdedigt zijn kerkelijk shoppen vanuit zijn persoonlijke beleving. “Ik bevind me zondagochtend zeer wel in Crossroads, waar ik met vreugde Engelstalige opwekkingsliederen zing, en waar de liturgie expressief en zintuiglijk is”. De vorm speelt voor hem een belangrijke rol en ook daarin is zijn persoonlijke voorkeur doorslaggevend. In zijn eigen gemeente bedwingt hij de neiging bij bepaalde psalmen “mijn handen in de lucht te steken. (…) Dan denk ik: dat moet ik maar niet doen. Om anderen niet voor het hoofd te stoten”. Afgezien van de vraag of iemand zich daaraan inderdaad zou stoten: waarom is dat zo belangrijk? Is dat een reden je heil elders te zoeken? Waarom hebben bepaalde christenen die bijna onbedwingbare neiging hun handen in de lucht te steken? Gaan ze soms ook op de knieën, wanneer de regel “wij knielen voor uw zetel neer” wordt aangeheven? Het eerste heb ik wel eens meegemaakt, het tweede nog nooit…

Wie meent dat de evangelische wereld de correctie van de gereformeerde religie nodig heeft, moet die religie – die niets anders is dan een (menselijke) weergave van de leer van de Schrift – zelf hooghouden en uitdragen. Wie als gereformeerde een evangelische schutkleur aanneemt, helpt zijn evangelische broeders en zusters niet verder.

Het kerklied en de kerkliedjes (2)

Tot de top-drie van onderwerpen waarover onder kerkmensen de emoties hoog kunnen oplopen, behoort ongetwijfeld de liturgie, en dan vooral het muzikale aspect daarvan. Hoe zou dat komen? Blijkbaar maakt muziek iets in mensen los, niet maar eerst verstandelijk, maar vooral emotioneel. Toen ooit een predikant aan het begin van zijn preek vroeg wie er van zingen hield, gingen vrijwel alle handen omhoog. Kennelijk laat muziek maar weinig mensen onberoerd.

Dat heeft Maarten Luther in de 16e eeuw al begrepen. Afgezien van het feit dat hij zelf een muziekliefhebber was, geloofde hij ook dat goede muziek de duivel op een afstand houdt: “Muziek verdrijft de duivel”. Dat heeft hem ongetwijfeld ook geïnspireerd tot zijn streven de gemeente aan het zingen te krijgen. Het gevolg was een stroom van teksten die door componisten op muziek werden gezet. Dat Luther belang hechtte aan muziek als onderdeel van het christelijk leven had hij niet van zichzelf. Hij kon zich daarbij beroepen op de bijbel. Door de hele bijbel heen wordt bij allerlei gelegenheden gezongen. Denk maar aan het loflied na de doortocht door de Schelfzee, na de uittocht uit Egypte. En het meest indrukwekkende bewijs van het belang van de muziek is het boek van de Psalmen, dat Luther “een kleine bijbel” noemde – een soort samenvatting van alles wat in de bijbel geschreven staat.

Het is dus geen wonder dat het kerklied en de kerkmuziek steeds weer voor discussiestof zorgen. Al weer een tijd geleden schreef ik onder de titel Het kerklied en de kerkliedjes een artikel over een conflict over het kerklied in de rooms-katholieke kerk. Het leek me goed die titel opnieuw te gebruiken om iets te schrijven over verschillende berichten die de laatste maanden in het Reformatorisch Dagblad en het Nederlands Dagblad te lezen waren.

De achterban van de eerstgenoemde krant bestaat vooral uit leden van zogenaamde bevindelijke kerkgenootschappen. Tijdens kerkdiensten worden daar vrijwel uitsluitend psalmen gezongen. Maar binnen het psalmboek lijkt een soort van canon te zijn gevormd. In het RD is een discussie ontstaan over de oorzaak van het feit dat bepaalde psalmen vrijwel niet gezongen worden. Die zoeken sommigen in de aard van de melodieën van die psalmen. Die zouden voor een belangrijk deel van de gemeente te moeilijk zijn. Daarom pleiten sommigen ervoor die door eenvoudiger melodieën te vervangen.

Dit is niet de plaats om uit te wijden over de muzikale kant van de zaak. Maar ik verbaas me wel over het aangereikte medicijn. De keuze voor simpeler melodieën is wel erg gemakzuchtig. Deze suggestie geeft blijk van hetzelfde fatalisme dat ook op andere terreinen te signaleren is (ik kom daar in een ander verband nog op terug). En dat is merkwaardig, want de christelijke wereld staat bol van het activisme. We moeten van alles: evangeliseren, gemeenten stichten, diaconaal actief zijn, de liturgie vernieuwen en wat niet al. Maar het aanleren van een niet zo erg gemakkelijke melodie is blijkbaar te veel moeite. Misschien moeten we, voordat we besluiten bepaalde melodieën of zelfs het hele Geneefse psalter in de vuilnisemmer te kieperen en door meezingers te vervangen, eerst eens een poging doen de luiheid, de gemakzucht en de ongeïnteresseerdheid te bestrijden die uiteindelijk ten grondslag liggen aan de beperkte keuze uit de psalmen.

Luiheid en gemakzucht komen ook om de hoek kijken bij een andere kwestie, waarover het Nederlands Dagblad (7.3.12) schreef. “Als kerkenraden van Gereformeerde Bondsgemeenten besluiten naast de psalmen ook andere liederen te zingen, gebeurt dat vooral omdat de gemeente daarom vraagt, blijkt uit een steekproef van de Gereformeerde Bond”, zo meldde de krant. “De Gereformeerde Bond is er kritisch over dat er vaak nauwelijks inhoudelijke onderbouwing is voor de liedkeuze tijdens de kerkdienst, zowel van alleen psalmen als ook van andere liederen daarnaast, zo blijkt uit een artikel op de website van kerkblad De Waarheidsvriend.” Dat komt mij, als lid van de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt), erg bekend voor. “U vraagt en wij draaien”, dat lijkt de houding van veel kerkenraden te zijn. Waar een op argumenten gebaseerde visie op het kerklied – en, naar te vrezen valt, op liturgie in het algemeen – ontbreekt, gaan gemeenten naar het pijpen dansen van degenen die het hoogst van de toren blazen. Het is best voor te stellen dat kerkenraden, gezien de hoeveelheid werk die op hun bordje ligt en het chronisch gebrek aan ambtsdragers, er tegenop zien tijd te steken in het formuleren van een visie op liturgie. Maar ze hoeven echt niet allemaal het wiel uit te vinden. In de meeste kerkverbanden zijn organisaties van kerkmusici en/of organisten actief die daarbij een helpende hand kunnen bieden. Dan moeten kerkenraden wel bereid zijn naar argumenten te luisteren. De ervaringen van kerkmusici lijken erop te wijzen dat de bereidheid daartoe niet al te groot is. De oorzaak zou wel eens kunnen zijn dat die musici een visie hebben die haaks staat op wat de bovengenoemde pijpers graag willen horen. En dus winnen de kerkliedjes het regelmatig van de kerkliederen.

Tenslotte maak ik melding van een bericht in het Nederlands Dagblad van 1 maart 2012. De kop vat de inhoud treffend samen: “Meer loflied dan klaagzang in kerkdienst”. Theoloog en muzikant Theo van Setten signaleert dat het loflied veel ruimte krijgt in de kerk, maar dat dit niet geldt voor de klaagzang. Hij wijst erop dat “een substantieel deel van de psalmen en van de profeten doortrokken (is) van de klacht, maar op een of andere manier is de lofprijzing beter te verteren dan de klacht.” Volgens hem ontbreekt de klacht in evangelische kringen zelfs vrijwel geheel. Maar ook in meer traditionele kerken is de aandacht voor de nood in de wereld nogal plichtmatig. Van Setten gaat ook in op wat hij als de oorzaak ziet: succes en geluk zijn maakbaar geworden. “Je moet altijd positief en optimistisch zijn. Zelfs het ergste dat ons overkomt, vormt slechts een beloftevolle ‘uitdaging’, zo leren managementgoeroes ons. Klagen en zeuren zijn taboe. Ten diepste zijn we verlegen met de klacht, die komt misschien te dichtbij.”

Er zullen best gemeenten zijn waarvoor Van Settens observatie niet opgaat. Maar ik denk dat hij er gelijk in heeft dat de donkere kanten van het menselijk bestaan in de liturgie veel minder aan bod komen dan de lichtzijde. Ik kan me eigenlijk nauwelijks herinneren dat als openingslied van een kerkdienst een klaagzang werd aangeheven. Ook hier is dus sprake van een soort van canon, zij het niet op grond van de melodie maar vanwege de inhoud. En dat is uiteraard ernstiger.

Wat is de oorzaak van deze eenzijdigheid? Van Setten wijst op het tegenwoordig overheersende maakbaarheidsdenken. Dat komen we in de maatschappij tegen en ook in de door het liberalisme gedomineerde politiek. Maar zou dat ook in de kerk een rol spelen? Naar mijn ervaring komen in preken en met name in de voorbeden de moeiten van het leven zeker aan de orde, al was het alleen maar omdat in elke gemeente er wel mensen zijn die deze kant van het leven uit eigen ervaring kennen. Waarom vindt die aandacht dan zo weinig weerklank in de gezongen liederen?

Eén van de oorzaken is ongetwijfeld de groeiende populariteit van het evangelische kerklied. Ik verwees al naar Van Settens observatie dat in evangelische kring de klacht vrijwel geheel ontbreekt. Ook in diensten die ik bijwoon, wordt van tijd tot tijd een lied uit de bundel Opwekking gezongen. Een klaaglied heb ik nooit voorbij horen komen. Het is juist het boek van de Psalmen waarin de moeiten van het menselijk leven alle ruimte krijgen. Wanneer de psalmen meer en meer naar de marge gedrukt worden gaat ook de klacht verdampen.

Maar dat kan niet de enige oorzaak zijn. Want ook de keuze uit de psalmen is vaak zodanig dat de klacht niet al te veel nadruk krijgt. Als al een couplet gezongen wordt waarin daaraan uiting wordt gegeven, wordt toch vrijwel altijd afgesloten met een hoopvol getoonzet couplet. Op zaterdag 17 maart j.l. vond in Maarssen een studiedag over dit onderwerp plaats. Het Nederlands Dagblad van 19 maart deed er verslag van. Typerend is een opmerking van theoloog Evert Jonker. “Het is not done om lang in de modder te blijven zitten, ook in de kerk”. Uit de reacties van de deelnemers die in het verslag worden opgetekend blijkt dat hij gelijk heeft. De vraag is dan wel – en die werd ook gesteld door andere deelnemers – of daarmee het leed voldoende gepeild wordt. De vaak gehoorde opmerking dat na klachten altijd een positieve omslag volgt, kan weerlegd worden met een verwijzing naar Psalm 88.

Zou een oorzaak kunnen liggen in het toenemende individualisme? Hoe worden kerkliederen eigenlijk gezongen? Zingt men die als gemeente of als individuele gelovige? Als het laatste het geval is wordt het zingen van klaagliederen problematisch, want gelukkig gaat het de meeste mensen relatief goed.
Ik herinner me een brief van een gemeentelid aan haar kerkenraad. Ze maakte bezwaar tegen het zingen van een loflied aan het begin van een kerkdienst, omdat ze zelf nogal in de lappenmand zat en haar hoofd niet naar het zingen van een loflied stond. Dat is begrijpelijk, maar daarmee kan een liturg geen rekening houden. Het omgekeerde is ook voorstelbaar: heeft iemand die met een blij gemoed de kerk binnenstapt er behoefte aan een klaagpsalm aan het begin van de dienst te zingen?

Als dat de maatstaf wordt is de gemeente uit het zicht verdwenen. Het zijn geen individuele gelovigen die in de kerk psalmen en andere liederen zingen. Hun persoonlijke gevoelens kunnen en mogen geen maatstaf zijn voor de keuze van de liederen. Het is de gemeente die een lofzang zingt of een klaaglied aanheft. De inhoud daarvan hoeft geen directe relatie te hebben met de gemoedsgesteldheid van de individuele gelovige, maar weerspiegelt het leven van de gemeente. Daar horen zowel het klaaglied als de lofzang bij.

Enige tijd geleden begon een voorganger zijn gebed, na een sterfgeval, met de zin: “Uw gemeente is verdrietig”. Ongetwijfeld waren er kerkgangers die de overledene niet persoonlijk kenden en geen persoonlijk verdriet voelden. Daarover hoeven ze zich niet schuldig te voelen. Maar dat doet niets af aan de waarheid van wat de voorganger zei. ‘Blij met de blijden’ wil niet zeggen dat iedereen zich persoonlijk blij hoeft te voelen, en ‘bedroefd met de bedroefden’ verlangt geen persoonlijk gevoelde droefheid. Het betekent dat zowel de vreugde als het verdriet in de gemeente een plaats krijgen in de eredienst en ook in de keuze van de liederen tot uitdrukking komt. Bij de vreugde lukt dat wel, maar bij het verdriet veel minder.
Dat vraagt om bezinning op het wezen van gemeente-zijn. Dat is geen overbodige luxe in een cultureel klimaat waarin veel mensen zichzelf erg belangrijk vinden en er voortdurend de nadruk op wordt gelegd dat je voor jezelf moet opkomen.

Maar er is ook actie nodig op liturgisch gebied. Het beste medicijn tegen een canon binnen het boek van de Psalmen is het consequent systematisch doorzingen van het psalmboek. Laat een gemeente gewoon de morgendienst eens beginnen met Psalm 1 en dan elke zondag doorgaan waar ze de vorige zondag gebleven was. Dat moet geen keurslijf worden: op eerste Paasdag hoef je geen klaagpsalmen te zingen. Maar ze moeten wel aan de orde komen. Door een in principe vast stramien kan worden voorkomen dat een wezenlijk onderdeel van het leven van de gemeente onderbelicht blijft. Het draagt er bovendien toe bij dat het psalmboek de status houdt die het toekomt. Want de psalmen zijn naar hun aard echte kerkliederen, die het hele leven weerspiegelen en die de generaties en “stammen, talen en naties” verbinden. Daar kan geen kerkliedje tegenop.

Avondmaal en kerklidmaatschap

Het is tijd mijn verhaal over de sacramenten en het kerklidmaatschap voort te zetten. In de vorige bijdrage ging het over de doop. Aan het slot kwam de kwestie ter sprake die de uiteindelijke aanleiding vormde voor deze serie: de positie van kerkleden die zich in een andere kerkelijke gemeenschap laten ‘overdopen’. Heeft een ‘overdoop’ gevolgen voor het kerklidmaatschap of kan iemand die zich laat ‘overdopen’ gewoon lid van de gemeente blijven? Ik heb die vraag toen nog opengelaten. Er is een goede reden eerst de relatie tussen avondmaal en kerklidmaatschap te behandelen. Want degenen die zich laten ‘overdopen’ zijn meestal volwassenen, die ook al vaak belijdenis hebben gedaan en dus het recht hebben aan de viering van het avondmaal deel te nemen.

In de vorige bijdrage liet ik zien dat het feit dat de doop binnen de gemeente plaatsvindt, impliceert dat er sprake is van geloofseenheid tussen de doopouders en de gemeente. Die wordt op allerlei manieren bij de bediening van de doop onderstreept. Bovendien wordt de dopeling door de doop formeel in de gemeente opgenomen. Ook tussen avondmaal en kerklidmaatschap bestaat een nauwe band.

Het avondmaal is allereerst een uitdrukking van de band tussen Christus en de gemeente. Christus zelf heeft die bij de instelling van het avondmaal geproclameerd. Paulus onderstreept deze in zijn eerste brief aan de Corinthiërs. “Maakt de beker waarvoor wij God loven en danken ons niet één met het bloed van Christus? Maakt het brood dat wij breken ons niet één met het lichaam van Christus?” (1 Cor. 10,16). Hij laat daar direct op volgen dat het avondmaal ook een gemeenschap met elkaar is. “Omdat het één brood is zijn wij, hoewel met velen, één lichaam, want wij hebben allen deel aan dat ene brood.” (1 Cor. 10,17). In de christelijke gemeente die met Pinksteren in Jeruzalem ontstaat, is het “breken van het brood” een teken dat de leerlingen met elkaar een gemeenschap vormden (Hand. 2,42). Omdat de viering van het avondmaal een uitdrukking is van de eenheid van de gemeente, gaat Paulus in zijn eerste brief aan de Corinthiërs ook zo uitvoerig in op de misbruiken rond het avondmaal. Die zijn een aanwijzing dat het in de gemeente aan eensgezindheid ontbreekt. Dat had Paulus in de voorgaande hoofdstukken al gesignaleerd toen hij wees op de vele partijschappen.

De belijdenis van het geloof, voorafgaand aan de viering van het avondmaal, onderstreept dat hierin de geestelijke eenheid van de gemeente tot uiting komt. Maar die is niet pas in de avondmaalsviering zichtbaar. Die komt in de eerste plaats tot uitdrukking in de wekelijkse samenkomsten waarin het Woord wordt verkondigd. Woord en sacrament mogen ook in die zin niet van elkaar worden losgemaakt dat het ene vrijblijvend zou zijn en het andere geestelijke verbondenheid veronderstelt.

Wanneer Woord en sacrament onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn heeft dat consequenties.

Wie elke week het Evangelie hoort verkondigen kan zich niet onthouden van de viering van het avondmaal. Omgekeerd kan wie zich aan de wekelijkse evangelieverkondiging onttrekt, geen recht op deelname aan het avondmaal laten gelden. In beide gevallen worden Woord en sacrament van elkaar losgemaakt.

De eenheid tussen Woord en sacrament moet ook dan in stand gehouden worden wanneer gemeenten van verschillende kerkverbanden samen avondmaal vieren. Tussen de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) (GKV), de Christelijke Gereformeerde Kerken (CGK) en soms ook de Nederlands Gereformeerde Kerken (NGK) is in toenemende mate toenadering te constateren. Steeds meer gemeenten erkennen elkaar als gemeente van Christus. Dat is een verheugende ontwikkeling, wanneer deze erkenning gebaseerd is op de normen die de Schrift en de gereformeerde belijdenis hiervoor aanreiken. Ze leidt gewoonlijk tot kanselruil, gemeenschappelijke erediensten en gezamenlijke avondmaalsvieringen. Die drie elementen mogen niet van elkaar gescheiden worden. Wanneer bijvoorbeeld een CGK van tijd tot tijd met de GKV avondmaal viert, maar op andere momenten erediensten belegt met de NGK, terwijl deze door de GKV niet als kerk van Christus wordt erkend, worden Woord en sacrament losgeknipt.

Dat gebeurt ook wanneer gelovigen van buiten de kerkelijke gemeenschap wel het avondmaal willen meevieren, maar voor de wekelijkse Woordverkondiging hun heil in hun eigen gemeente zoeken. Het avondmaal is alleen opengesteld voor wie de geestelijke eenheid van de gemeente wil onderhouden. Daar hoort de Woordverkondiging bij.

Het onderhouden van de eenheid van de gemeente verdraagt zich ook niet met het vieren van het avondmaal in gemeenten waarmee geen geestelijke eenheid bestaat. Gereformeerden kunnen geen avondmaal vieren in een PKN- of evangelische gemeente. Daarmee zetten ze de toegang tot het avondmaal in hun eigen gemeente op het spel.

Ik keer terug tot de vraag die de aanleiding vormde tot deze serie: kan iemand die zich laat ‘overdopen’ lid van de gemeente blijven? Op grond van wat is opgemerkt ten aanzien van de relatie tussen sacrament en kerklidmaatschap moet deze vraag met “nee” beantwoord worden. Wie zich in een gemeente laat ‘overdopen’ belijdt geestelijk één te zijn met die gemeente en verbreekt daarmee de eenheid met de gemeente waarvan hij lid is. Dat moet in elk geval als consequentie hebben dat hij niet meer tot de viering van het avondmaal wordt toegelaten. Er is immers geen sprake van “één lichaam en één geest, (…) één geloof, één doop”, kenmerken van de eenheid van de Geest (Ef. 4). Wanneer er geen formele basis bestaat om in een dergelijk geval te concluderen dat van een “feitelijke onttrekking” sprake is, wordt het tijd dat de kerken door middel van een synodaal besluit uitspreken dat ‘overdoop’ een onttrekking aan de gemeente impliceert. Dat zou ook de uitspraak van de Generale Synode van Harderwijk van de GKV dat een tweede doop “in strijd is met wat de Schrift leert en de kerken belijden” onderstrepen.

Daar wordt de rust geschonken

Het was een opvallend artikeltje op de site Habakuk. Ronald Koops, hoofdredacteur van het evangelische nieuwsblad Uitdaging, beklaagt zich over de hoeveelheid herrie in de samenleving. Daar is niets opmerkelijks aan: dat zal iedereen herkennen. Op straat, in winkels, als je door een helpdesk in de wacht gezet wordt – overal wordt je letterlijk om de oren geslagen met muziek. En zelfs mensen die zich in gezelschap bevinden, kun je nog met een oordopje in elk geval in één oor zien, want zonder muziek – of in elk geval geluid – kan men blijkbaar niet.

Het opvallende is dat Koops signaleert dat deze lawine van geluid ook kerken en gemeenten overspoelen en dat hij pleit voor het in ere herstellen van de stilte. Dat is om twee redenen opvallend. Hij is zelf ook actief in de muziek, en gezien zijn evangelische achtergrond zal hij wel de nodige decibellen produceren. Want – en dat is de tweede reden – juist in de evangelische wereld wordt doorgaans muziek gemaakt op een aanzienlijk hoger geluidsniveau dan gereformeerden in meer traditionele kerkdiensten gewend zijn. Het zijn vooral evangelische gemeenten die als eerste de uit de populaire muziek afkomstige band een plaats hebben gegeven in hun samenkomsten. Van daaruit heeft het verschijnsel zich verder verspreid en heeft het inmiddels ook in menige gemeente van reformatorische snit zijn intrede gedaan.
Juist dit verschijnsel is er voor een belangrijk deel verantwoordelijk voor dat het aantal decibellen in kerkdiensten flink wordt opgeschroefd, want ik moet de eerste band nog horen die niet vooral veel lawaai produceert. Alleen al de door zulke bands gebruikte instrumenten nodigen daartoe uit. En het karakter van de ten gehore gebrachte muziek past daarbij. Subtiliteit en introvertie zijn niet de meest in het oor springende kenmerken van ‘evangelische muziek’.

“Het wordt hoog tijd dat de gemeente de helende werking van de stilte en de rust van God herontdekt. Dat kerken en gemeenten oases van rust worden. Dat men zich stil weet in de liefdevolle en ontzagwekkende aanwezigheid van God. De waarheid van Psalm 62 wordt alleen ontdekt, als je het probeert: stil zijn, onze gedachten richtend op Hem. ‘Alleen bij God vindt mijn ziel haar rust, van Hem komt mijn redding.'” Het valt niet moeilijk zo’n pleidooi voor het eerherstel van rust en stilte bij te vallen. Het is te hopen dat deze visie veld wint in de kringen waarin Koops verkeert. En met een beetje geluk zullen reformatorische gemeenten die ontwikkeling ook dan volgen.

Maar er zijn wel een paar kanttekeningen bij deze hartekreet te maken.
Is stilte het enige alternatief voor lawaai? Is het echt nodig van het ene uiterste in het andere te vallen? Is er geen tussenweg?

In dit verband is het goed eraan te herinneren dat ‘stilte’ binnen evangelische kring geen onbekend verschijnsel is. In de bijeenkomsten mag het er dan meestal nogal luidruchtig aan toe gaan, voor het persoonlijk leven wordt juist de stilte gepropageerd. Weliswaar is de ‘stille tijd’ inmiddels een algemeen begrip geworden in de christelijke wereld, het idee is van evangelische oorsprong en vindt binnen de evangelische wereld nog altijd de vurigste pleitbezorgers.

Er doet zich dus het merkwaardige verschijnsel voor dat zowel excessief lawaai als volledige stilte kenmerken van de evangelische geloofsbeleving lijken te zijn. Je bent bijna geneigd te denken dat het tweede een soort compensatie vormt voor het eerste. Maar wellicht moeten we deze twee verschijnselen als twee kanten van dezelfde medaille beschouwen. In de evangelische muziek staat de lofprijzing centraal, in de stille tijd het contact met God. Tegen beide is in principe niets in te brengen. God verwacht van de gelovigen dat ze zijn lof zingen. En Hij wil ook contact met zijn kinderen. Maar zowel lofprijzing als het zoeken van contact met God kunnen gemakkelijk ontsporen.

Evangelische muziek is vaak nogal eenzijdig: de aandacht voor de schaduwzijden in het leven van de christen is nogal mager. En de lofprijzing neigt niet zelden tot extase, met een eindeloze herhaling van dezelfde tekstuele en muzikale frasen. Staat de eer van God dan nog wel centraal of de eigen emotie? Overdaad in de lofprijzing kan gemakkelijk een dwingend karakter krijgen.

Ook de stilte brengt dat gevaar mee. Door concentratie moet het contact met God tot stand komen. Maar God laat zich niet dwingen. In het Nederlands Dagblad van 17 december j.l. staat in de bijlage Gulliver een artikel over de broederschap van Taizé. Iemand zegt over zijn ervaring: “Mijn ziel werd stil voor God en opende zich voor de werking van Gods Geest”. Welke werking? De stilte als zodanig is geen werktuig van de Geest. Rust vinden bij God is iets anders dan God vinden door rust.

Stilte en lawaai zijn geen van beide specifieke werktuigen van de Geest. In het Oude Testament manifesteerde God zich op heel verschillende manieren. Soms door middel van storm en bliksem, dan weer door een zachte bries. Na de afsluiting van de canon laat Hij zich in de eerste plaats in zijn Woord vinden. Zowel in de publieke als in de persoonlijke eredienst moet dus alles erop gericht zijn dat Hij aan het Woord komt.

Dat wordt het meest bevorderd wanneer de eredienst gekenmerkt wordt door rust en regelmaat. Er hoeven geen stiltes gevallen te zijn om na afloop van de dienst te kunnen constateren: daar werd de rust geschonken.

De doop onder vuur

12 november 2010 1 reactie

Eén van de meest significante verschillen tussen kerken van gereformeerde signatuur en zogenaamde ‘evangelische’ gemeenten is de kinderdoop. Gereformeerden en evangelischen mogen elkaar op allerlei punten waarderen en in allerlei zaken dezelfde lijnen trekken, hierover zijn en blijven ze het fundamenteel oneens. Maar ook binnen de kerken van de Reformatie is het altijd een strijdpunt geweest. Er zijn altijd mensen geweest die moeite hadden met de kinderdoop. Daarom hoeft het niet te verbazen dat volgens het Nederlands Dagblad van 12 november binnen die kerken sommige ouders hun kinderen niet laten dopen. Met dat soort situaties wordt verschillend omgegaan, zo blijkt uit het artikel.

In sommige gevallen is hier evident sprake van invloed van het evangelische denken. Daarnaast ziet ds. Hans Schaeffer, predikant van de Gereformeerde Kerk vrijgemaakt van Wageningen, nog een ander motief: het willen beleven van rituelen, zoals de sacramenten doop en avondmaal. Hij omschrijft dat zo: “Dopen hoort bij gelóven. Daar zit een subjectieve kant aan. En dat vraagt om een uiterlijk ritueel”. Het is zinvol onderscheid te maken tussen een principiële keuze voor de volwassendoop en de moeite met de kinderdoop vanuit het verlangen naar beleving. Maar tegelijk moet vastgesteld worden dat het tweede motief evenzeer als het eerste door de evangelische beweging gevoed wordt. De persoon van de gelovige en zijn beleving zijn daarin van groot en niet zelden doorslaggevend gewicht.

De gereformeerde belijdenis is volstrekt duidelijk als het om de kinderdoop gaat. De kinderen van de gelovigen behoren gedoopt te zijn, volgens het doopsformulier dat in reformatorische kerken gebruikt wordt. Zo wordt kort en bondig samengevat wat de belijdenis op grond van de Schrift over de doop aan kinderen van gelovige ouders leert. Op dit punt kan de kerk geen compromis sluiten. Dat moet ook tot uiting komen in de manier waarop ze ouders tegemoet treedt die weigeren hun kind te laten dopen.

Zoals te verwachten is loopt de praktijk op dat punt binnen de gereformeerde wereld nogal uiteen. In het artikel komt een geval ter sprake van ouders in een hervormde gemeente. Hun eerste kind werd gezegend in een huisbijeenkomst waarbij de predikant aanwezig was. Hun tweede willen ze in het midden van de gemeente laten zegenen, maar voor de kerkenraad is een huissamenkomst het hoogst haalbare. Ds. René de Reuver (PKN) komt aan het woord. Hij schreef een proefschrift over het omgaan met kerkelijke diversiteit. Hij kiest zelf voor de kinderdoop, maar zegt tegelijkertijd dat doop en geloof bij elkaar horen, “meer nog dan doop en verbond”. Hij vindt onenigheid over het tijdstip van de doop “een beetje overdreven. Het beslissende is dat je gedoopt bent of wordt”.

Met de hier beschreven handelswijzen wordt de zaak van de kinderdoop niet echt een dienst bewezen. Formeel wordt de belijdenis van de kerk ten aanzien van de doop gehandhaafd, maar in de praktijk in feite uitgehold. Dat is evenzeer het geval wanneer in nieuw gestichte gemeenten de kinderdoop tussen haken wordt geplaatst. Als voorbeeld van een ‘kerkplantingsproject’ waar de kinderdoop wordt aangemerkt als een onderwerp waarover verschillend mag worden gedacht, wordt ‘Hoop voor Noord’ in Amsterdam genoemd, dat uitgaat van de Christelijke Gereformeerde Kerken. Naast ‘dopen’ staan ook onderwerpen als het duizendjarig rijk, de visie op Israel en het Joodse volk en de gaven van de Geest op de lijst van zaken waarover men verschillend mag denken, “maar elkaar niet op veroordeelt”. De vraag is: waar blijft hier de belijdenis van de Christelijke Gereformeerde Kerken? Hoe geloofwaardig is een kerk die bereid is een deel van haar identiteitspapieren thuis te laten wanneer ze een nieuwe gemeente sticht?

Het is begrijpelijk dat een nieuw geplante kerk een eigen aanpak vraagt. Het valt niet te verwachten dat iedereen die zich bij zo’n gemeente aansluit, zich direct volledig kan vinden in de leer van die kerk. Dat vraagt geduld en verdraagzaamheid. In die zin is de situatie in een kerkplantingsgemeente te vergelijken met die in zendingsgebieden. Het kost soms vele jaren van onderwijs voordat de leer van de Schrift, zoals die door de kerk wordt beleden, ook echt wortel schiet. Dat onderwijs moet dan wel volhardend gegeven worden. Maar wat mag op dat punt verwacht worden, wanneer de aan het genoemde project verbonden gemeentestichter beweert dat “van de doop toch echt een te groot issue gemaakt” is? Dan is verschil van mening over de kinderdoop geen tijdelijk probleem meer dat moet worden overwonnen, maar een aanvaard verschijnsel.

Hetzelfde probleem doet zich voor in het vrijgemaakt-gereformeerde project ‘Stroom’, eveneens in Amsterdam. Daar heeft men – na discussie binnen het kerkverband – besloten alle kinderen te zegenen en daarnaast degenen die gedoopt worden “het complete ritueel” te laten ondergaan. “Voor deze lijn is gekozen om te voorkomen dat het zegenen in praktijk als alternatief voor de doop gaat gelden”. Deze optie lijkt beter dan wat bij ‘Hoop voor Noord’ wordt gepractiseerd. Maar dat is weinig meer dan schijn. De zegening is hier regel, de doop uitzondering. Op deze manier wordt de kinderdoop gereduceerd tot een spécialité de la maison voor wie daarop prijs stelt. Een Schriftuurlijke basis ontbreekt daarvoor geheel, evenals voor de praktijk van het zegenen van pasgeboren kinderen. Kerkelijke afspraken daarover bestaan ook niet. Hoe je het ook wendt of keert, ook hier wordt de kinderdoop als wezenlijk element van de leer van de Schrift ondermijnd.

Hoe moet gehandeld worden met gemeenteleden die hun kinderen niet willen laten dopen? Dit is niet de plaats hierop een gedetailleerd antwoord te geven. Dat is de verantwoordelijkheid van een kerkenraad die alle achtergronden en specifieke omstandigheden moet meewegen. Het is opvallend dat zelfs de Generale Synode van de Gereformeerde Kerken van 1914 niet uitspreekt dat censuur toegepast moet worden. In het Nederlands Dagblad wordt naar een besluit van die synode verwezen. Daarin staat dat een gereformeerde die de kinderdoop afwijst, “dwaalt te goeder trouw”. Dat vraagt tolerantie, maar wel onder voorwaarden: het desbetreffende gemeentelid moet bereid zijn zich te laten onderwijzen en hij mag geen propaganda maken voor zijn opvattingen. Ook de verkiezing tot een kerkelijk ambt is onmogelijk. Ik denk dat hier – in het algemeen gesproken – een goede lijn is uitgezet. De belijdenis van de kinderdoop wordt ten volle gehandhaafd en wie daarmee moeite heeft, dient zich te laten onderwijzen. Daarmee wordt elke suggestie dat de kinderdoop facultatief of slechts één van de mogelijkheden is, de pas afgesneden.

Een dergelijke situatie zorgt overigens wel voor allerlei praktische problemen. Er zijn kinderen in de gemeente die niet gedoopt zijn. Horen die erbij? Hoe ga je daarmee om? En welke gevolgen heeft dat voor het catechetisch onderwijs? De verplichting zijn kinderen naar de catechisatie te sturen berust op de doopbelofte. Maar wanneer ouders die belofte niet hebben afgelegd, kan van zo’n verplichting geen sprake zijn.

Er is niet veel fantasie voor nodig om te voorspellen dat gereformeerde kerken in de komende jaren vaker geconfronteerd zullen worden met kerkleden die het recht opeisen over allerlei zaken er hun eigen opvattingen op na te houden. Dat heeft niet alleen te maken met invloeden van andere kerken en stromingen. Het is ook de uitdrukking van de cultuur waarin we leven.

Enerzijds is die cultuur een gevoelscultuur, waarin de eigen beleving wordt verheven tot maatstaf voor wat wel en niet waar is en wat wel en niet aanvaardbaar is. Dat raakt niet alleen de kinderdoop, maar het wezen van de kerk. De vraag is: wie heeft het eerste en het laatste woord? Het antwoord op die vraag onderscheidt niet alleen de kerk van de wereld, maar brengt in toenemende mate ook scheiding binnen de kerk.

De cultuur van nu is ook die van het individualisme. Dat beïnvloedt de kerk in die zin dat individuele kerkleden hun eigen opvattingen niet ondergeschikt willen maken aan wat de kerk als haar belijdenis heeft geformuleerd. Het is toe te juichen wanneer gelovigen nadenken over de leer van de kerk en die steeds kritisch tegen het licht houden. Maar dat moet dan wel het licht van de Schrift zijn. Dat moet ook bij voorkeur gebeuren binnen de context van de gemeente. In Handelingen 17 wordt gezegd dat de Joden in Berea “dagelijks de Schriften [bestudeerden] om te zien of het waar was wat er werd gezegd”. Let wel, ze deden dat samen. De leer van de kerk wordt niet door individuele gelovigen vastgesteld, maar in gemeenschap met gelovigen van alle tijden en plaatsen.

De kerk zal een antwoord moeten vinden op de verbreiding van een cultuur van gevoel en individualisme. Dat moet een Schriftuurlijk antwoord zijn. Een compromis met die cultuur is dat niet. De Schrift laat er geen misverstand over bestaan dat het criterium voor de waarheid niet in het gevoel maar in Gods openbaring ligt. En ze is ook duidelijk over het feit dat die waarheid niet aan individuele mensen maar aan de gemeente is toevertrouwd.

Een ander antwoord op de cultuur is er niet.

Gereformeerd of fundamentalistisch

Het dagblad Trouw heeft, na de Calvijn-test en de Relitest, een Funditest ontworpen. Aan de hand van 14 stellingen wordt bepaald hoe fundamentalistisch de deelnemer is. In mijn politieke weblog Dingen van de Dag heb ik uitgelegd dat op deze test van alles aan te merken is. Het belangrijkste bezwaar is dat nergens duidelijk gemaakt wordt welke definitie van fundamentalisme wordt gehanteerd. De test is ontworpen in samenwerking met medewerkers van de Vrije Universiteit. Juist zij, met hun wetenschappelijke kennis, zouden toch moeten weten dat over de definitie van fundamentalisme bepaald geen eenstemmigheid bestaat.

Ik vermoed dat de meeste gereformeerden die deze test maken, een hoge score zullen halen. Hoewel een aantal keuzemogelijkheden onduidelijk is, heb ik de test gedaan en kwam boven de 80 procent. Het oordeel was dat ik een “doorgewinterde fundamentalist” ben. Ik lig daar niet wakker van, maar toch wekt zo’n oordeel weerzin op. Gereformeerden houden er niet van als ‘fundamentalist’ te worden beschouwd. Ze zien zichzelf bepaald niet als fundamentalistisch.

Dat heeft allereerst natuurlijk te maken met de negatieve associaties die deze term oproept, zoals intolerantie en zelfs geweld en terrorisme. Aan dat laatste maken weliswaar vooral moslimfundamentalisten zich schuldig, maar dat is een nuance die in de publieke opinie niet altijd wordt waargenomen. En dat soms een Amerikaanse abortusarts het slachtoffer wordt van een moordaanslag van een ‘christenfundamentalist’ maakt het er niet beter op.

Maar dat gereformeerden het liefst afstand bewaren tot het fundamentalisme heeft nog een diepere reden. Die komen we op het spoor door terug te gaan naar de oorsprong van het christelijke fundamentalisme. In een begeleidend artikel herinnert Pauline Weseman daaraan.
“De term was er wellicht niet eens gekomen zonder de rijke zakenmannen Milton en Lyman Stewart, afkomstig uit de bible belt van Californië. De broers, rijk geworden in de oliebusiness, financierden drie miljoen exemplaren van ’The Fundamentals: A Testimony to the Truth’. Dat was een serie van negentig essays in twaalf boeken die tussen 1910 en 1915 werden verspreid onder protestantse leiders, wetenschappers, studenten en uitgevers in Amerika en Engeland. Centraal erin staan vijf dogma’s: de onfeilbaarheid van de Bijbel, de maagdelijke geboorte en de goddelijke natuur van Christus, zijn plaatsvervangend en verzoenend lijden, zijn lichamelijke opstanding en wonderen, en zijn wederkomst.”

Tegen die vijf ‘fundamentals’ is op zich niets in te brengen. Ze roepen herkenning op, en gereformeerden van ‘orthodoxe’ snit zullen ze wel onderschrijven. Maar ze roepen ook scepsis op. Waarom nu uitgerekend deze punten? Er staat toch wel meer in de bijbel? Waar is het verbond, waar is de kerk, waar zijn de sacramenten, waar de ambten? En waar is de Bergrede gebleven?
Het is mooi wanneer de onfeilbaarheid van de Schrift wordt beleden, maar wat heb je daaraan wanneer in die Schrift wordt gewinkeld en daaruit een aantal ‘onopgeefbare waarheden’ worden geselecteerd?

In de praktijk trekt het fundamentalisme eerder de aandacht vanwege ethische dan vanwege dogmatische standpunten. In een tweede artikel wordt erop gewezen dat de levensstijl een centraal thema in het fundamentalisme is. Godsdienstsocioloog Hyme Stoffels zegt: “Misschien ken je die tekeningetjes waarbij de letters IK op een troon staan getekend. Dat ’ik’ bepaalt alles, is koning in zijn rijkje. Dat is het foute model. Het goede model is waar God op de troon zit en waar jij als zijn dienaar zijn geboden uitvoert. Het eigen ik wordt gewantrouwd, het is het meest ultieme slagveld waar God en de duivel met elkaar vechten.” De schrijfster concludeert: “Vandaar dat christenfundamentalistische strijdpunten meestal liggen op het micro-ethische vlak: homoseksualiteit, abortus, echtscheiding.”

De keuze van de ‘fundamentals’ is het gevolg van een selectief en eenzijdig gebruik van de Schrift. De sterke nadruk op zaken die de sexuele en medische ethiek raken wijzen in dezelfde richting. Het verbaast dan ook niet dat onder fundamentalisten op het terrein van de geloofsleer allerlei opvattingen te vinden zijn, die bepaald niet verenigbaar zijn met wat gereformeerden als de leer van de Schrift beschouwen. En het is evenmin verbazingwekkend dat vooral onder Amerikaanse fundamentalisten ethiek zich vaak beperkt tot zaken rond huwelijk en gezin. Zodra de wijdere wereld in beeld komt, is van een doorwerking van het geloof vaak niet veel te merken. Ten aanzien van zaken als economie en milieubeleid hebben veel Amerikaanse fundamentalisten meer gemeen met de Nederlandse VVD dan met de ChristenUnie.

Eén en ander rechtvaardigt dat gereformeerden liefst wat afstand tot het fundamentalisme bewaren. Het probleem is niet dat het fundamentalisme bepaalde leerstukken als onopgeefbaar beschouwt. Ook gereformeerden hebben dogma’s. Die zijn bijvoorbeeld in de belijdenisgeschriften te vinden. Maar die staan niet op zichzelf; ze functioneren binnen het totaal van de gereformeerde leer die gebaseerd is op een zorgvuldig lezen van de hele Schrift.

In de gereformeerde Schriftbeschouwing staan twee principes centraal: alleen de Schrift en heel de Schrift. Met het eerste principe positioneren gereformeerden zich tegenover de rooms-katholieke kerk, met het tweede tegenover het fundamentalisme dat zich vooral in evangelische stromingen doet gelden. De gereformeerde belijdenisgeschriften laten zien hoe deze manier van omgaan met de Schrift ons behoedt voor de eenzijdigheden die het gevolg zijn van een selectief lezen van de Schrift.

Voor dat gevaar zijn gereformeerden bepaald niet immuun. Natuurlijk, het plaatsvervangend en verzoenend lijden van Christus is het centrum van de Schrift. Het is dan ook heel schriftuurlijk daar alle nadruk op te leggen. Maar dat betekent niet dat alles wat daaraan niet direct gerelateerd is, slechts van relatief belang is en nooit kerkscheidend zou mogen zijn. Het gaat in de kerk immers om heel de Schrift. En daarin lezen we ook hoe Jezus tijdens zijn verblijf op aarde de mensen leerde. In zijn prediking greep Hij voortdurend terug op de wet en de profeten.

De ‘leer van Christus’ is daarom niets anders dan de leer van de Schrift. En die is in de gereformeerde belijdenis samengevat. Daarom moet een kerk, die zich verre wil houden van het fundamentalisme en haar selectieve en eenzijdige Schriftgebruik, de gereformeerde belijdenis in ere houden en met verve uitdragen en verdedigen.