Archief

Posts Tagged ‘evangelischen’

Onderzoek alles

15 juli 2012 1 reactie

Mocht de wetenschap ooit op een voetstuk hebben gestaan, die tijd is wel voorbij. Dat is niet alleen toe te schrijven aan het populisme, ze heeft het ook aan zichzelf te danken. De laatste jaren zijn diverse wetenschappers door de mand gevallen, toen werd vastgesteld dat ze gegevens hadden gemanipuleerd of zelfs uit hun duim gezogen. Dat geldt in de wetenschap als een doodzonde. De gevolgen waren onvermijdelijk: ze namen ontslag of werden ontslagen.

Hoewel de betrokken wetenschappers meestal bekenden schuldig te zijn en lieten blijken hun handelen te betreuren, konden ze het niet nalaten te wijzen op de omstandigheden waarin ze hun werk deden. Daarbij werd o.a. gerefereerd aan de druk die op wetenschappers wordt uitgeoefend om regelmatig te publiceren. Ook al was dat misschien niet de bedoeling, zoiets wordt wel geïnterpreteerd als een soort verontschuldiging, althans als een factor die hun schuld zou kunnen verzachten.

Daar kan uiteraard geen sprake van zijn. Uiteindelijk is ieder verantwoordelijk voor zijn eigen handelen. Maar daarmee is de kous niet af. Niemand opereert in het luchtledige, wetenschappers die aan een universiteit werkzaam zijn al helemaal niet. De universitaire wereld kan zich er daarom niet toe beperken de rotte appels uit de mand te verwijderen. Men moet de hand in eigen boezem steken. Worden wetenschappers onder een zodanige druk gezet te publiceren dat de kwaliteit van hun werk eronder lijdt? Zo ja, wat is daarvan de oorzaak? Laten de universiteiten hun oren hangen naar hun geldschieters, of dat nu de overheid of het bedrijfsleven is? Wetenschappelijke instellingen moeten hun onafhankelijkheid bewaren. Dat is een voorwaarde om de kwaliteit van wetenschappelijk werk te kunnen bewaken.

De kwaal van de manipulatie beperkt zich uiteraard niet tot de wetenschap. Ook elders wordt gesjoemeld. Dat komt niet altijd aan de oppervlakte. Wanneer dat wel gebeurt, staan er ook altijd wel mensen klaar die daarvoor een als excuus klinkende verklaring hebben. De evangelische wereld werd opgeschrikt door een onderzoek waaruit blijkt dat Frank Ouweneel, die als ‘bijbelleraar’ het land doortrekt, gebruik maakt van gegevens die soms aan zijn eigen fantasie lijken te zijn ontsproten dan wel ontleend zijn aan bronnen die niet bestaan of in elk geval voor anderen niet vindbaar zijn. Het Nederlands Dagblad berichtte daarover op 11 juli j.l. Terwijl de wetenschappers erkenden dat ze fouten gemaakt hadden, is dat inzicht bij Ouweneel niet doorgedrongen. Hij zette de tegenaanval in en verweet zijn critici onzorgvuldig te werk te zijn gegaan. De onderzoekers deden een deel van hun werk nog eens dunnetjes over; de resultaten waren hetzelfde. Daarop wilde Ouweneel niet meer reageren. Vervolgens tapte hij uit het vaatje dat in zijn kringen klaar lijkt te staan voor gevallen waarin kritiek wordt geleverd. De toezegging van een gesprek met het ND werd ingetrokken. “Ons enige commentaar: datgene waar u naar verwijst zien wij als een aanval van de satan.”

Uiteraard is dit geval niet één op één vergelijkbaar met de gevallen van manipulatie in de wetenschap. Daar bestaan algemeen aanvaarde en objectieve maatstaven om de betrouwbaarheid van onderzoek te meten. Die worden bijvoorbeeld door de redacties van wetenschappelijke tijdschriften gehanteerd om aangeboden artikelen te toetsen. Verder kunnen ook collega’s uit hetzelfde vakgebied worden ingeschakeld om zulke publicaties aan een kritisch onderzoek te onderwerpen (peer review). Dat heeft in het geval van de Nederlandse wetenschappers blijkbaar niet gewerkt en dat moet de wetenschappelijke wereld zich aantrekken.

In de wereld waarin Ouweneel opereert, bestaan zulke objectieve criteria niet. Iedereen kan zich ‘bijbelleraar’ noemen. Je hoeft daarvoor geen examen af te leggen of aan bepaalde eisen te voldoen. Uit een artikel over ‘Het fenomeen Bijbelleraar’ (ND, 14.7.12) wordt duidelijk dat de meesten die zich als zodanig afficheren geen enkele theologische opleiding hebben gevolgd. Dat geldt eerder als voordeel dan als nadeel. Ongehinderd door theologische ‘ballast’ worden de meest ‘originele’ verklaringen van Schriftgedeelten ten beste gegeven. In de kringen waarin ‘bijbelleraren’ zich bewegen “wordt vindingrijkheid zeer op prijs gesteld. Jezelf weten te onderscheiden draagt zeer bij aan je succes als Bijbelleraar”, zegt Henk Bakker, universitair docent geschiedenis en theologie van het baptisme aan de VU. De legitimatie ligt in de appreciatie van de toehoorders. “Als je een podium krijgt om je boodschap uit te dragen, geldt dat als bevestiging van je roeping”. Dat verklaart ook waarom zulke ‘bijbelleraren’ niet open staan voor kritiek. Als een ‘bijbelleraar’ dan ook nog meent dat zijn ‘bediening’ gebaseerd is op een directe goddelijke aanwijzing is het maar een kleine stap naar de etikettering van critici als werktuigen van de duivel. Dat er in de kringen waarin ‘bijbelleraren’ zich bewegen, sprake is van een bepaalde vorm van persoonscultus, kan geen verwondering wekken. Dat blijkt ook uit de reacties op de onthullingen betreffende Ouweneel. Hij blijkt een schare van bewonderaars te hebben die geen enkele kritiek accepteren en hun held zonder voorbehoud verdedigen.

‘Bijbelleraren’ fungeren meestal los van enig kerkverband. Het zijn kleine zelfstandigen. In hetzelfde artikel wordt één van hen geciteerd: “Ik ben niet gebonden aan een kerkelijke of gemeentelijke visie. Het enige waar ik mij aan heb gebonden, is Christus Jezus.” Daardoor ontbreekt elk mechanisme om valse leringen of ongefundeerde beweringen te weerleggen. In een artikel in dezelfde krant (13.7.12) schreef Jan Martijn Abrahamse, wetenschappelijk medewerker van het Baptistenseminarie aan de VU, dat de misstappen van Ouweneel verklaarbaar zijn vanuit de context waarin hij functioneert. Er bestaat een publiek dat concrete toepassingen van de Schrift ten aanzien van de eindtijd wenst en daarin voorziet Ouweneel met zijn lezingen. “De Schrift functioneert als routekaart naar de hemel. Ten diepste is het sensatie. De sensatie dat de Bijbel zienderogen in vervulling gaat. De autoriteit van de Schrift bewijst zich in de wereldgeschiedenis. Mensen willen zien én dan geloven. En zoals met zo veel zaken, creëert vraag aanbod.”

De hier geschetste achtergronden kunnen niet als verontschuldiging dienen. Ze zouden wel de evangelische wereld ertoe moeten aanzetten kritisch naar het verschijnsel ‘bijbelleraar’ te kijken en daaruit conclusies te trekken. Maar niet alleen daar is bezinning gewenst. Het is waar dat een kerkverband, zoals in de gereformeerde wereld, een middel is om onschriftuurlijke of ongefundeerde opvattingen te weerleggen. Maar Rien van den Berg wijst er in zijn commentaar (ND, 14.7.12) op dat christenen zich steeds minder aan het kerkverband gelegen laten liggen. “En ondertussen roepen ze om spannende verkondiging, klagen ze steen en been over de saaie degelijkheid van preken. En de voorganger die het wel kan brengen? Wordt die omringd door een publiek met een gedegen kennis van de Schrift? Vrees het ergste maar. Wordt die dan omringd door een kerkverband dat hem opvangt als hij zich dreigt te vergalopperen? Maar daarvoor is een gemeente nodig die hem niet laat wegkomen met gelikt (en intelligent) verkondigde onzin.”

Ook in gereformeerde kring is de kritische zin ten aanzien van bepaalde voorgangers soms ver te zoeken. Wanneer een daartoe bevoegde kerkelijke vergadering een theoloog zijn preekconsent ontneemt, is toorn haar deel: hoe durft men die maatregel te nemen tegen iemand die door sommigen als een moderne profeet op het schild wordt geheven? Regels gelden voor iedereen, maar niet voor onze profeet. Tijdens een beroepingsvergadering in een gereformeerde kerk kan het gebeuren dat sommigen de indruk wekken dat de ter beroeping voorgestelde predikant weinig minder dan de vijfde evangelist is.

Men is wellicht geneigd deze verschijnselen in verband te brengen met het individualisme en de ik-cultuur of de opkomst van de massacommunicatiemiddelen. Het gaat hier echter bepaald niet om moderne verschijnselen. Ik hoef alleen maar te herinneren aan Abraham Kuyper. Hij werd – terecht – bewonderd om zijn werkkracht en organisatietalent en zijn rol in de emancipatie van het gereformeerde volksdeel. Maar de bewondering sloeg al te vaak om in kritiekloze verheerlijking die in de gereformeerde kerken van de 20e eeuw veel schade heeft aangericht. Zulke adoratie leidt in de regel tot partijschappen. De apostel Paulus wist daar al alles van, toen hij zijn eerste brief aan de gemeente van Korinthe schreef.

De manier waarop Paulus daarop reageert is veelzeggend. Sommigen zeiden: “Ik ben van Paulus”. Dat laat hij zich niet aanleunen, integendeel. Hij wijst van zichzelf af, omdat Christus en zijn evangelie in het middelpunt moeten staan. Daar zouden moderne ‘bijbelleraars’, maar evenzeer predikanten, hoogleraren en wie al niet de verkondiging van het evangelie tot zijn taak rekent, een voorbeeld aan moeten nemen. De predikant hoeft zich niet achter de boodschap te verschuilen. Hij kan dat ook niet: de persoonlijkheid van de prediker zal altijd op een bepaalde manier doorklinken in de manier waarop de boodschap wordt gebracht. Maar hij zal ervoor moeten waken – en dat geldt vooral voor wie “het wel kan brengen” – dat hij met zijn persoonlijkheid niet tussen de boodschap en de gemeente in gaat staan. Het is best mogelijk dat de boodschap door een bepaalde persoonlijkheid gemakkelijker ingang vindt. Maar wordt die boodschap dan om de goede reden aanvaard? Een te grote rol van de persoon van de boodschapper maakt de boodschap ook kwetsbaar. Wanneer de boodschapper van zijn voetstuk valt en het “Hosanna” verandert in “Kruisig hem”, kan de boodschap door de val van de boodschapper verpletterd worden.

Een kerkverband is geen garantie tegen misstanden zoals hierboven beschreven. Dat kerkverband moet wel functioneren. Ik wees er al op dat in het geval van de frauderende wetenschappers het systeem van de peer review – de beoordeling door vakgenoten – heeft gefaald. Misschien moet dat aan slordigheid worden toegeschreven. Maar wellicht houden wetenschappers elkaar ook – bewust of onbewust – de hand boven het hoofd. Dat kan ook in de kerk gebeuren, wanneer personen op het schild worden geheven en in het middelpunt komen te staan. Kerkelijke vergaderingen moeten er niet voor terugschrikken voorgangers aan te spreken en desnoods maatregelen tegen hen te nemen wanneer hun visies niet in overeenstemming zijn met de Schrift en de belijdenis van de kerk. Voorgangers moeten ook te allen tijde bereid zijn tot verantwoording van wat zij te berde brengen. De Schrift is niet aan hen, maar aan de kerk toevertrouwd.

Dat betekent dat ook de toehoorders een verantwoordelijkheid hebben. Er is inderdaad, zoals Rien van den Berg schrijft, een gemeente nodig die een voorganger “niet laat wegkomen met gelikt (en intelligent) verkondigde onzin.” Dat is een gemeente die niet gekenmerkt wordt door luiheid en oppervlakkigheid, maar een gemeenschap waar mensen de Schriften bestuderen “om te zien of het inderdaad waar was wat er werd gezegd” (Hand. 17,11). Zeker ten aanzien van de verkondiging van het evangelie dient de gemeente zich te laten leiden door de aansporing van Paulus: “Onderzoek alles en behoud het goede” (1 Thess. 5,21).

Advertenties

Missiedrang kent grenzen

15 april 2012 1 reactie

Het heeft heel wat stof doen opwaaien, De Grote Jezus Quiz, die de EO op Tweede Paasdag uitzond. Er kwam een storm van kritiek, waarvan de teneur was dat het programma inhoudsloos, te lollig en zelfs godslasterlijk was. Arjan Lock, één van de directeuren van de EO, heeft inmiddels zijn verontschuldigingen aangeboden. Hij voelt zich persoonlijk verantwoordelijk, vooral omdat hij de uitzending van tevoren had gezien en die niet heeft tegengehouden. Volgens hem heeft de omroep zich vergaloppeerd in zijn verlangen de doelgroep van Nederland 3 met het evangelie te bereiken. In het Nederlands Dagblad van 11 april j.l. zegt hij als reactie op de opmerking dat sommige kijkers het programma godslasterlijk vonden dat, als hij hun mening had gedeeld, het programma uiteraard niet was uitgezonden. Daarmee maakt hij zich er wat erg gemakkelijk vanaf.

Vooropgesteld, ik heb het programma niet gezien. De titel alleen al stuit me tegen de borst. Het is in bepaalde christelijke kringen – en helaas vormen reformatorische kerken daarop geen uitzondering meer – gebruikelijk frequent over Jezus te spreken. Dat gebeurt meestal met de beste bedoelingen. Maar enige bezinning is hier wel op haar plaats. Sommigen spreken over Jezus alsof hij hun vriendje is. Vrijmoedigheid slaat niet zelden om in vrijpostigheid. Maar ook zonder dat kan het herhaaldelijk spreken over Jezus grenzen aan het ijdel gebruik van zijn naam. Dat is zeker ook het geval in de liedbundel Opwekking. Zowel in de liturgie als in de prediking zou iets meer ingetogenheid en eerbied op dit punt gewenst zijn. Dat geldt nog te meer bij het gebruik van de naam Jezus in de publieke samenleving.

Omdat ik de uitzending niet gezien heb, matig ik me er geen oordeel over aan. De citaten die hier en daar te lezen waren maken het wel begrijpelijk dat sommige EO-leden de uitzending als godslasterlijk betitelden. Maar laten we niet gemakkelijk denken over de taak die de EO zich stelt: het evangelie uitdragen onder een groeiende groep van kijkers die geen enkele kennis van het christelijk geloof heeft en misschien niet eens gewend is bij andere dan materiële dingen stil te staan. Dat de EO zich die taak stelt verdient waardering en het is beter mee te denken met programmamakers dan hen vanaf de zijlijn te bekritiseren. Dat wil niet zeggen dat er geen kritische vragen gesteld mogen of zelfs moeten worden. De belangrijkste vraag is niet welke aanpak wel of niet door de beugel kan of hoever je kunt en mag gaan om het evangelie aan de man te brengen. Daarachter ligt een belangrijker en fundamenteler vraag: waar komt het geloof vandaan?

Daarmee zijn we bij één van de kernen van het christelijk geloof. Juist hier scheiden zich de wegen binnen de christelijke wereld. Aan de ene kant staan de evangelischen, die een sterk remonstrants gekleurde opvatting hebben over de manier waarop mensen tot geloof komen. Aan de mens wordt een grote rol toebedeeld. Dat komt bijvoorbeeld tot uiting in het spreken over ‘kiezen voor God’, of – in evangelische kring gebruikelijker – ‘kiezen voor Jezus’. Dat heeft z’n weerslag in de ijver waarmee het evangelie wordt uitgedragen. Ook daarin speelt de mens een grote rol. Het hangt in hoge mate van hem af of ongelovigen met het evangelie worden geconfronteerd. Dat leidt niet zelden tot een nogal dwingende, bijna zelotische manier van evangeliseren. Het wordt de mensen bijna door de strot geduwd. De uitspraak van Jezus zoals weergegeven in Lukas 14,23 – “Dwingt ze om in te gaan” (vertaling NBG, 1951) – wordt weliswaar niet zo letterlijk genomen als door de rooms-katholieke kerk in het verleden, maar van een zeer sterke drang kan toch wel gesproken worden.

Aan de andere kant staan de kerken van de Reformatie. De gereformeerde belijdenis laat een heel ander geluid horen. Hier ligt alle nadruk op het geloof als een werking van de heilige Geest. In zijn soevereiniteit schenkt God het geloof aan wie hij wil en hij onthoudt het ook aan wie hij wil. De heilige Geest voert de wil van de Vader uit. Wanneer hij iemand tot geloof wil brengen, schakelt hij in de regel mensen in. Maar hij is van hen niet afhankelijk. Ook buiten hun activiteiten om kan hij het geloof in mensen werken. Het hangt uiteindelijk niet van mensen af of iemand tot geloof komt. Het hangt evenmin van menselijke inspanningen af of iemand met het evangelie geconfronteerd wordt.

Dat geeft ontspanning en rust. We hoeven ons niet in allerlei mogelijke en onmogelijke bochten te wringen om mensen te bereiken die door een bijna onoverbrugbare kloof van het christelijk geloof gescheiden worden. Menselijke mogelijkheden mogen tekortschieten, de heilige Geest heeft een onbeperkt aantal pijlen op zijn boog. Geen kloof is te wijd om door hem overwonnen te worden. Dat besef geeft de vrijmoedigheid om halt te houden, wanneer een methode van evangelisatie een reëel risico meebrengt dat Gods naam eerder gelasterd dan geëerd wordt. Daarmee wordt niet alleen zijn naam hooggehouden, op deze manier wordt ook zijn soevereiniteit gerespecteerd. Wie weet of het niet zijn wil is dat bepaalde mensen niet bereikt worden?

Missiedrang moet grenzen kennen. Dat is geen gemakzucht, maar eerbied voor het werk van de heilige Geest.

Wegen naar Rome

30 oktober 2011 1 reactie

Alle wegen leiden naar Rome, zegt het spreekwoord. Dat betekent dat er verschillende methoden zijn om een bepaald doel te bereiken. Het lijkt erop dat we in de christelijke wereld dat spreekwoord letterlijk moeten nemen. De laatste decennia zijn nogal wat protestanten naar de Rooms-Katholieke Kerk overgestapt. In Nederland is het aantal overgangen nog beperkt, maar vooral in de Angelsaksische wereld komt het herhaaldelijk voor. Zelfs mensen die een leidende positie in hun kerken of gemeenschappen innamen, hebben de overstap gemaakt. Waarom deden ze dat?

Voor een belangrijk deel lijkt de overgang naar de Rooms-Katholieke Kerk gemotiveerd te worden door onvrede. Er zijn er die grote moeite hebben met de ontwikkelingen in hun eigen kerkelijke gemeenschap. Men kan hier bijvoorbeeld denken aan leden van de Anglicaanse Kerk waarbij de bezwaarden vooral verwijzen naar de toelating van de vrouw in het ambt en de visie op homosexuele relaties. Er zijn er ook die in de Rooms-Katholieke Kerk vinden wat ze in hun eigen gemeenschap missen. Ze noemen dan zaken als de liturgie, de plaats van de sacramenten en de mystiek. Het zijn vooral evangelicalen die zich daartoe aangetrokken voelen. Dat is niet zo verwonderlijk, want als ergens de liturgie down to earth is, soms op het banale af, en gevoel voor stijl ontbreekt, is het daar.

Het is niet moeilijk hier een patroon te ontwaren dat de sporen van onze tijd vertoont. Stijl, mystiek, sacrament – het zijn allemaal zaken die de menselijke zintuigen aanspreken. De moderne mens wil zien en ervaren. Daaraan komt de roomse kerkelijke praktijk tegemoet. Het sacrament – dat gezien en ervaren wordt – speelt de centrale rol in de rooms-katholieke eredienst. Vanuit dit gezichtspunt is het wellicht niet eens zo vreemd dat nogal wat evangelicalen zich tot het rooms-katholicisme voelen aangetrokken. Juist in die kringen staat het gevoel hoog aangeschreven. Velen zijn voortdurend op zoek naar ervaring en willen de aanwezigheid van God en de realiteit van zijn almacht merken. Dat laatste eventueel aan den lijve, doordat ze op het gebed genezen worden van hun kwalen. Ook de recente commotie rond al dan niet werkelijke genezingen wijst op het voortdurend zoeken naar ervaring. En is het verschil tussen zaken als ‘stille tijd’ en kringgebed, die vooral in evangelicale kring worden gepropageerd, en de rooms-katholieke mystiek wel zo groot?

Maar er is meer. Ik heb in mijn tweede artikel over Kerk en politieke partij al gewezen op de overeenkomsten tussen rooms-katholieken en evangelischen ten aanzien van de omgang met de Schrift. Beide hebben de neiging het Oude Testament tegen het Nieuwe uit te spelen. Ik herinner me nog goed de uitspraken van kardinaal Simonis bij Pauw & Witteman, dat de mozaïsche wetgeving een ‘primitief godsbeeld’ weerspiegelt, waarmee impliciet werd ontkend dat die wetgeving van God zelf afkomstig was. Bij rooms-katholieken en evangelicalen is de Schrift niet de enige bron van kennis over God en zijn wil. Op z’n minst in sommige evangelische kringen wordt aan persoonlijke ingevingen en openbaringen – naast en als aanvulling op de Schrift – een legitieme plaats toegekend, terwijl in de Rooms-Katholieke Kerk de leeruitspraken van de paus en van concilies niet toetsbaar zijn aan de Schrift.

Ik heb in het bovenstaande vooral de blik gericht op de aantrekkingskracht van de Rooms-Katholieke Kerk voor evangelicalen. Maar ook in reformatorische kring zijn er die de overstap gemaakt hebben, terwijl anderen die dat nog niet hebben gedaan, zich zouden kunnen voorstellen dat ooit wel te doen. Ook hier speelt het verlangen naar ervaring een rol. Maar daar komt nog een ander motief bij. In reformatorische kring wordt grote waarde gehecht aan de eenheid van de gelovigen, ook al wordt daar in de praktijk vaak weinig mee gedaan. Maar het is wel een motief dat sommigen ertoe brengt op z’n minst te filosoferen over een ‘terugkeer naar Rome’. De Rooms-Katholieke Kerk lijkt de eenheid te demonstreren die in de protestantse wereld ontbreekt.

De grote vraag is dan welke rol de leer eigenlijk nog speelt. Bij iemand als prof. Bram van de Beek, die in het Nederlands Dagblad van 29 oktober j.l. aan het woord komt, is dat wel degelijk een kwestie die ertoe doet. Maar hij relativeert de verschillen. “Er zijn veel gebreken aan de Rooms-Katholieke Kerk, in leer en leven. Protestanten kunnen ze makkelijk aanwijzen. Maar als de Rooms-Katholieke Kerk in de zestiende eeuw zo geweest zou zijn als nu, zou de Reformatie er nooit zijn gekomen.” Hij noemt met name de positie van de paus als een punt van discussie. Maar ook dat is overkomelijk. “Laat de bijzondere positie die de bisschop van Rome vanaf het eind van de eerste eeuw gehad heeft, rustig blijven en laten alle christenen hem steunen om herder van het kerkvolk te zijn. Protestanten hebben ook hun feilen en naar mijn oordeel groter dan Rome. Als ik moet kiezen waar de trouw aan het christelijk erfgoed het meest is bewaard, dan komt Rome er beter af dan de protestantse kerken.”

Het zijn merkwaardige en discutabele uitspraken. Wat is de Rooms-Katholieke Kerk van nu precies? Verschilt die fundamenteel van die van de 16e eeuw? Wellicht zijn een aantal van de meest opvallende misstanden verdwenen. Maar zijn de verschillen op dogmatisch vlak uit de weg geruimd?
Het is wel ironisch dat in hetzelfde nummer van het Nederlands Dagblad twee andere artikelen staan die een bepaald licht op de relatie tussen Rome en Reformatie werpen.
In een interview komt Mariska Orbán aan het woord. Ze is hoofdredacteur van het Katholiek Nieuwsblad. Onbekommerd spreekt ze over de ‘vrije wil’ van de mens. Enkele pagina’s verder laten enkele vertegenwoordigers van de Reformatie weten dat zij met de Nederlandse Geloofsbelijdenis nog prima uit te voeten kunnen. En laat nu uitgerekend daar in artikel 14 de opvatting dat de mens een vrije wil heeft, expliciet worden verworpen. Dat heeft alles te maken met de unieke plaats en rol van Christus. Dat behoort dus bepaald niet tot de marginalia. Tussen haken: hier ligt ook een duidelijke verwantschap tussen roomsen en evangelicalen. De verwerping van de kinderdoop heeft alles te maken met de waardering van de mens en de taxatie van zijn zondige natuur.

De uniciteit van Christus wordt niet alleen ondermijnd door de ontkenning van de volledige verdorvenheid van de menselijke natuur. Dat gebeurt ook door de status die aan heiligen wordt toegekend. Rooms-katholieken ontkennen dat ze heiligen vereren. Afgezien van de vraag of ze daarin gelijk hebben, ze richten zich wel in hun gebeden tot de heiligen. Van hen verwachten ze hulp of in ieder geval dat ze voor hen bemiddelen bij God. Nergens in de bijbel lezen we dat aan mensen zo’n rol wordt toebedeeld. Alleen Christus heeft de bevoegdheid als advocaat voor mensen op te treden. Hij heeft sterke papieren, in tegenstelling tot heiligen. Volgens de Heidelbergse Catechismus hebben zelfs de allerheiligsten nog maar een begin van de gehoorzaamheid die van mensen verwacht mag worden.

Dan is er nog de kwestie van de sacramenten. Deze hebben in de Rooms-Katholieke Kerk nog altijd prioriteit over de verkondiging van het Evangelie. In Het kerklied en de kerkliedjes heb ik er al op gewezen dat een bekend lied in protestantse kring voor echte rooms-katholieken niet aanvaardbaar is vanwege deze regel: “Here Jezus, om uw woord / zijn wij hier bijeengekomen”. Eén van de kernpunten van de Reformatie was nu juist dat het Woord de status terugkreeg die het volgens de Schrift zelf heeft. Ik ben daarop enige tijd geleden ingegaan toen ik schreef over avondmaal resp. doop en kerklidmaatschap. In de rooms-katholieke eredienst speelt de Schrift nog steeds een ondergeschikte rol. Ik wees er al op dat de paus en concilies uitspraken kunnen doen die hetzelfde gezag hebben als de Schrift.

Er zouden nog meer dingen te noemen zijn, zoals het denken over de positie van overledenen en de leer van het vagevuur, de magische kracht die aan allerlei zaken wordt toegekend, zoals wijwater, en het denken en spreken over de ‘geestelijkheid’ en haar positie in de kerk. En natuurlijk ook de positie van de paus, die zich het hoofd van de kerk noemt en zelfs meent zich als ‘heilige Vader’ te mogen laten aanspreken. Prof. Van de Beek schuift dat ten onrechte onder het tapijt.

Protestanten die naar de Rooms-Katholieke Kerk overstappen doen dat vaak uit ontevredenheid met hun eigen kerk. Maar komen ze dan niet van de regen in de drup? De kerkelijke verdeeldheid in protestantse kring mag frustrerend zijn, maar hoe eensgezind is de Rooms-Katholieke Kerk eigenlijk? Er is leergezag, maar op plaatselijk niveau is de invloed daarvan beperkt. In de praktijk doen pastores nogal eens wat goed is in hun eigen ogen. En dat strookt niet altijd met de officiële leer van de kerk. En is de Rooms-Katholieke Kerk een gemeenschap van de heiligen? Formeel wellicht wel, maar op parochiaal niveau kennen de gemeenteleden elkaar soms helemaal niet. De eenheid loopt kennelijk vooral via Rome.

In het Nederlands Dagblad wordt prof. Van de Beek geciteerd met de woorden: “Als ik moet kiezen waar de trouw aan het christelijk erfgoed het meest is bewaard, dan komt Rome er beter af dan de protestantse kerken.” In het licht van wat hiervoor is gereleveerd betreffende de leer en de kerkelijke praktijk van de Rooms-Katholieke Kerk lijkt me deze uitspraak volstrekt onhoudbaar. Het zijn eerder de drie Formulieren van Eenheid als vruchten van de Reformatie die de trouw aan het christelijk erfgoed belichamen.

Ieder die dat erfgoed ter harte gaat, doet er goed aan die belijdenissen in ere te houden. En de Reformatie mag op Hervormingsdag nog altijd met dankbaarheid herdacht worden.

Geloven doe je samen (2)

In het vorige artikel werd het belang van een gezamenlijke bezinning op actuele vragen binnen de gemeenschap van de kerk beklemtoond. Maar dat betekent nog niet dat er dan eensluidende antwoorden komen. Afgezien daarvan of op elke vraag wel een eenduidig antwoord mogelijk is, de uitkomst van de bezinning hangt in hoge mate af van de manier waarop die plaatsvindt.

Voor een zinvolle discussie die ook tot concrete resultaten leidt, is het van belang bepaalde regels te stellen. In de politiek en de maatschappij bestaan zulke regels niet. Wie zou die moeten vaststellen en hoe zouden ze gehandhaafd kunnen worden? In het maatschappelijk debat speelt het internet een cruciale rol. En dat is letterlijk een vrijplaats: iedereen kan er alles vrijwel ongestraft kwijt, en niemand is verplicht zijn opvattingen te verantwoorden. In combinatie met het individualisme leidt dit ertoe dat alle meningen evenveel gewicht krijgen. Overheidscampagnes kunnen met nog zoveel wetenschappelijke argumenten worden gevoerd, tegen ongefundeerde en op gevoel gebaseerde meningen, niet zelden gevoed door samenzweringstheorieën, staat de overheid uiteindelijk machteloos, zoals bijvoorbeeld recente inentingscampagnes hebben laten zien.

Volgens Efeze 2,20 is de kerk gebouwd op het fundament van apostelen en profeten. Daarmee wordt de gehele Schrift bedoeld. Wanneer het fundament wordt weggetrokken, stort de kerk ineen. De Schrift moet dus altijd het uitgangspunt van elke bezinning zijn en zij bepaalt ook haar grenzen. Maar daarmee zijn we er nog niet. Want ook tussen hen, die zich op de Schrift beroepen, doen zich over belangrijke kwesties meningsverschillen voor. Om aan te knopen bij een in het eerste artikel genoemd voorbeeld: voor- en tegenstanders van de aanvaarding van homosexuele relaties beroepen zich op dezelfde Schrift. Kennelijk lezen ze daarin verschillende dingen. Het is dan zaak kritisch te kijken naar de manier waarop de Schrift gelezen wordt.

In de al genoemde passage uit Efeze 2 reikt Paulus één belangrijke regel voor het lezen van de Schrift aan. Door “apostelen en profeten” naast elkaar te zetten maakt hij duidelijk dat er geen tegenstelling bestaat tussen het Oude en het Nieuwe Testament. Daarin volgt hij overigens Jezus zelf, die met nadruk liet weten dat Hij niet gekomen was om de wet (het Oude Testament) te ontbinden, maar om die te vervullen. De eenheid van Oude en Nieuwe Testament is bepaald niet van ondergeschikt belang. Vooral in evangelische kring komt het Oude Testament er nogal eens bekaaid vanaf. Niet zelden worden Oude en Nieuwe Testament tegen elkaar uitgespeeld. Daar staan evangelischen trouwens niet alleen in. Ook onder rooms-katholieken bestaat de neiging het Oude Testament op het tweede plan te zetten. Geconfronteerd met geweldsteksten uit het Oude Testament merkte emeritus-kardinaal Simonis op dat deze een “primitief godsbeeld van primitieve mensen” weerspiegelt. Daaruit blijkt dat behoudende rooms-katholieken geen bondgenoten zijn wanneer het gezag en de eenheid van de Schrift moeten worden verdedigd. Ook hier gaapt een kloof tussen Rome en Reformatie.

De gereformeerde belijdenisgeschriften kunnen ons helpen te Schrift naar haar bedoeling te lezen. De Nederlandse Geloofsbelijdenis doet enkele duidelijke uitspraken over de Schrift en haar gezag. Maar de Drie Formulieren van Eenheid wijzen de kerk ook de weg bij het lezen van de Schrift door de manier waarop ze haar hanteren bij het formuleren van de leer van de kerk. Deze zijn maatgevend bij het trekken van de grenzen binnen welke elke bezinning zich zal moeten bewegen. Het zijn immers de grenzen die de belijdenis in de Schrift zelf heeft ontdekt.

Dan zijn binnen de kerk dus niet alle meningen gelijkwaardig. Of een opvatting legitiem is hangt uiteindelijk af van de vraag of ze recht doet aan de Schrift – de hele Schrift, niet een willekeurige selectie daaruit. Wanneer individuele kerkleden meningen uitdragen die niet aan dat criterium beantwoorden, zal de kerk die publiek moeten weerspreken. Ik geef twee voorbeelden. In het Nederlands Dagblad van 30 maart 2011 wordt een denkrichting onder christenen m.b.t. homosexuele relaties aldus getypeerd: “God wil dat ik gelukkig word. Dus als ik in een homoseksuele relatie tot mijn bestemming kom, kan dat niet anders dan Gods bedoeling zijn.” In een kerkblad gaf een kerkelijk gemengd bruidspaar aan na zijn huwelijk lid te willen worden van een kerk, die bij hen paste. Deze opvattingen doen geen recht aan de leer van de Schrift.

Zulke opvattingen mogen binnen de gemeente geen legitieme plaats krijgen. Maar de implicaties reiken verder. De kerk manifesteert zich wel in eerste instantie op het niveau van de plaatselijke gemeente, maar is daartoe niet beperkt. In ons land staan kerken met elkaar in relatie. Ze beschouwen elkaar als ‘zusterkerk’. Die relatie komt tot uitdrukking in een kerkverband, die regelmatig in vergaderingen op verschillend niveau samenkomen. De aard van hun relaties is in een kerkorde vastgelegd. Die mag dan op het eerste gezicht een zakelijk karakter dragen, ze is gegrond op en ontleent haar bestaansrecht aan het gemeenschappelijk fundament van de apostelen en de profeten. Aan de formele eenheid ligt een geestelijke eenheid ten grondslag. Dat impliceert dat een bezinning op principiële vragen waarvoor onze tijd de gelovigen stelt, niet tot de gemeente beperkt mag blijven. Zij mag zich niet van het kerkverband isoleren. En zoals niet elke mening van individuele gelovigen bestaansrecht heeft binnen de gemeente, zo heeft niet elke mening van plaatselijke kerken bestaansrecht binnen een kerkverband.

Het gereformeerd kerkrecht gaat uit van de zelfstandigheid van de plaatselijke gemeente. Maar dat is geen vrijbrief voor independentisme, waarbij elke gemeente geheel zelfstandig haar beleid kan bepalen, zonder rekening te houden, laat staan zonder enige vorm van ruggespraak met het kerkverband. Om dat concreet te maken: de manier waarop met ongehuwd samenwonen wordt omgegaan, is niet uitsluitend een zaak van gemeenten. Het gaat hier om een onderwerp dat het fundament van de kerk raakt en daarom een kerkverbandelijk antwoord vraagt. Individualisme en gemeentelijk independentisme zijn uiteindelijk loten van dezelfde stam, want beide distantiëren zich van de gemeenschap waarin God mensen plaatst.

In dit verband dienen de ontwikkelingen ten aanzien van de vaststelling van een nieuwe kerkorde binnen de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) kritisch gevolgd te worden. Van diverse kanten wordt aangedrongen op minder centraal vastgestelde regels. En sommige kerkenraden nemen hierop al een voorschot door zich van kerkverbandelijke afspraken niets aan te trekken, wanneer hun dat zo uitkomt. Graag wordt de suggestie gewekt dat er meer ruimte voor verscheidenheid in praktische aangelegenheden moet zijn. Maar wat precies ‘praktische aangelegenheden’ zijn, daarover lopen de meningen uiteen. Niet zelden hangen die met principiële vragen samen en zal grotere zelfstandigheid in praktische aangelegenheden ook tot grotere differentiatie op principieel vlak leiden. Hoe de kerkdienst wordt vormgegeven is voor sommigen een praktische aangelegenheid. Maar wanneer een kerkdienst een zodanige vorm aanneemt dat deze de betiteling eredienst niet meer verdient, is dat niet maar een ‘praktische aangelegenheid’ – dan is het gereformeerde karakter van die gemeente in geding.

In een derde en laatste artikel ga ik in op de relaties met andere kerken in binnen- en buitenland en welke consequenties die hebben voor de bezinning op actuele vragen.