Archief

Posts Tagged ‘Farizeeën’

In ons kloffie naar de Koning

Op 9 mei j.l. stond er op de site van het Christelijk Informatie Platform een artikel van Tim van Dijl. Hij is verbonden aan de Stichting De Hoop in Dordrecht en via presentaties van het werk van deze stichting preekt hij in allerlei evangelische gemeenten. In het artikel vertelt hij dat hij na afloop van een dienst werd aangesproken door een dame van 92 jaar. “Op vriendelijke toon vroeg ze mij: ‘Beste jongeman, zou je die kleren ook aandoen als je bij de koningin op visite ging?’. Ik had een casual spijkerbroek aan met daarboven een gekleurd overhemd. Naar mijn mening prima kleding om in te preken. Deze keurige oude dame vond het blijkbaar niet netjes genoeg. Wat moest ik haar antwoorden?”

Van Dijl trad op als voorganger en werd ook als zodanig aangesproken. Je zou kunnen zeggen dat het punt van discussie was welke kleding een ambtsdrager in een kerkdienst zou moeten dragen. Maar terwijl in reformatorische kerken het ambt een belangrijk onderwerp is, speelt dat in evangelische kringen nauwelijks een rol. Iedereen die zich geroepen voelt kan het spreekgestoelte bestijgen en zich de mantel van voorganger omhangen. Dat is reden het onderwerp wat breder te bezien en de kleding van kerkgangers anno nu aan een nadere beschouwing te onderwerpen. Ook in de manier waarop Van Dijl zijn kledingkeuze verdedigt, maakt hij geen onderscheid tussen voorganger en toehoorder.

Enkele decennia geleden werd het steeds gebruikelijker bij allerlei ‘officiële’ gelegenheden minder formele kleding aan te trekken. Ook in een werkomgeving, waar vroeger formele kleding gangbaar was, is het tegenwoordig niet meer ongewoon werknemers in kleding aan te treffen die men in vroeger tijden in het geheel niet droeg of hooguit in de vrije tijd. Het duurde niet lang of deze manier van kleden drong ook tot de kerkdiensten door. Het zijn hooguit nog vertegenwoordigers van de oudere generatie die zich speciaal voor een kerkdienst kleden.

Ooit werd over dit onderwerp gediscussieerd en geschreven, bijvoorbeeld in kerkbladen. Maar, zoals het zo vaak gaat, de honden blaffen, maar de karavaan trekt verder. Het gesputter van diegenen, die van mening waren dat het bijwonen van een kerkdienst toch wel iets bijzonders is en dat dit in de kleding tot uiting moet komen, heeft geen effect gehad. Dat ligt waarschijnlijk niet alleen daaraan dat jongere generaties meestal niet geneigd zijn zich van de kritiek van ouderen iets aan te trekken. Eén van de oorzaken is wellicht ook dat de gebruikte argumenten niet zo sterk waren.

Tegenwoordig vormt het nog maar zelden een onderwerp van discussie. Wie het aan de orde stelt, ontmoet hooguit meewarig hoofdschudden. Maar de ironie is dat juist informele kleding vaak heel goed bij het karakter van de kerkdienst past. Die is namelijk in de loop van enkele decennia grondig veranderd. Kerkdiensten zijn tegenwoordig in veel gevallen even informeel als de kleding van de kerkgangers. De informaliteit van kerkdiensten beperkt zich allang niet meer tot de evangelische wereld, maar is ook in reformatorische kringen doorgedrongen. Alleen in kerkdiensten van bevindelijke kerkgenootschappen vindt men nog de kleding, die zo’n vijftig jaar geleden ook in ‘lichtere’ kerken nog gangbaar was.

Dat informele karakter van kerkdiensten momt bijvoorbeeld tot uitdrukking in de liedcultuur: het evangelische lied, dat meestal een nogal informele toon aanslaat en een geest van vrijmoedigheid – en soms zelfs van vrijpostigheid – ademt, heeft z’n intocht gedaan in kerken van reformatorische snit en is hard op weg de psalmen en de daarmee verwante liederen uit het Liedboek te verdringen.

Het liedrepertoire en, niet te vergeten, de daarbij passende begeleidingsvormen hebben er zonder twijfel toe bijgedragen dat kerkdiensten informeler, ‘huiselijker’ zijn geworden. Dat komt ook naar voren in de manier waarop de toehoorders worden aangesproken. De aanspraak ‘gemeente’ of ‘broeders en zusters’ maakt steeds meer plaats voor minder ‘formele’ alternatieven. En waar vroeger de toehoorders nog collectief met ‘u’ werden aangesproken, is het tegenwoordig bijna algemeen gebruik hen – jong of oud – te tutoyeren. Zelfs de inrichting van kerkzalen weerspiegelt de tendens naar informaliteit. Nieuwe kerken of kerkzalen worden ingericht als huiskamers, bestaande ruimten aangepast aan wat als het nieuwe ideaal geldt: het moet wel een beetje gezellig zijn.

We moeten nog een spade dieper steken. De manier waarop de kerkdiensten worden vormgegeven en verlopen en de manier waarop kerkzalen zijn ingericht, zeggen iets over ons Godsbeeld. Het beeld van God in die christelijke kringen, waar men pretendeert ‘schriftuurlijk’ te zijn, dreigt steeds meer nogal eenzijdig te worden. God is er vooral om ons over de bol te aaien, ons te troosten en ons uit de put te halen en ons te voorzien van wat we nodig hebben. Dat is allemaal waar, maar tegelijk niet meer dan één kant van het verhaal. Oude en Nieuwe Testament laten ons God als een God van liefde zien, maar ook als een God, die het kwaad en de zonde serieus neemt en zich daarover kwaad maakt. En de Schrift maakt – in Oude èn Nieuwe Testament – glashelder dat er een grote afstand tussen God en mens bestaat: God blijft God en de mens blijft altijd slechts een mens.

Hoe reëel het gevaar van een eenzijdig Godsbeeld is, blijkt ook uit de antwoorden die Van Dijl op de vraag van de oude zuster geeft.

Welke kleren zou hij aandoen als hij bij de koningin op bezoek ging, vraagt ze hem. (Ik weet niet of hij haar correct citeert; in het vervolg heeft hij het steeds over de koning, wat voor de argumentatie verder geen verschil maakt.) “Ten eerste is God niet alleen mijn Koning, Hij is ook mijn Vader. Als ik bij mijn vader op bezoek ga trek ik niet speciaal een pak aan. (…) Enerzijds is het waar dat we, door naar de kerk te gaan, op bezoek gaat bij de Grote Koning, maar tegelijk is die Koning ook onze Vader. En Hij wil graag dat we bij Hem komen zoals we zijn.”

Het is goed dat Van Dijl hiermee begint. Want dat is het kenmerkende verschil tussen het beeld van God dat de bijbel geeft en de godsbeelden in andere religies, zoals de islam. Daardoor komt ook Christus in het centrum te staan, want alleen dankzij Hem mogen we God onze Vader noemen. Maar de invulling die Van Dijl vervolgens aan het begrip ‘vader’ geeft, is wel heel erg Nederlands en 21e-eeuws. De informaliteit die de relatie tussen ouders en kinderen tegenwoordig vaak kenmerkt, is in de bijbel niet terug te vinden. De vader, zoals die in het Oude Testament wordt getekend, is toch echt een andere figuur. Het is degene die het gezag in het gezin heeft, leiding geeft en verantwoordelijkheid draagt. Er bestond zonder twijfel een substantiële afstand tussen een vader en zijn kinderen en eveneens tussen man en vrouw. Dat laatste onderstreept Petrus, wanneer hij er in zijn eerste brief op wijst dat Sara haar man Abraham ‘heer’ noemde (3,6).

Dit betekent niet dat de relatie tussen ouders en kinderen, zoals die tegenwoordig gangbaar is en door velen – ouders èn kinderen – als ideaal wordt gezien, verwerpelijk is. Maar ze mag niet ons beeld van God gaan bepalen. Jezus leert ons bidden: “Onze Vader, die in de hemelen zijt”. Volgens Zondag 46 van de Heidelbergse Catechismus is de zin van die verwijzing naar de hemel dat we over “de hemelse majesteit van God” niet “aards” gaan denken. Dat is geen overbodige waarschuwing.

Opvallend is ook het element dat God graag wil “dat we bij Hem komen zoals we zijn”. Ook dat is een gangbare opvatting: je mag zijn wie je bent, je bent welkom zoals je bent. Dat heeft zeker een waarheidselement: niemand is te vuil om bij God welkom te zijn. We komen juist bij Hem om schoon gemaakt te worden. Maar daaruit kan niet zomaar de conclusie getrokken worden dat het niet uitmaakt, hoe je komt. De bijbel laat ook de andere kant van het verhaal zien. In het Oude Testament wordt herhaaldelijk van het volk gevraagd zich te reinigen, voordat het tot God mag naderen. Dat geldt nog nadrukkelijker voor de priesters die in de tempel dienst doen. En als het in het Nieuwe Testament over het bruiloftsmaal gaat, wordt van de gasten verlangd dat ze zich passend kleden. Dat mag niet één-op-één vertaald worden naar de kleding die tijdens kerkdiensten gedragen wordt. Maar het laat wel zien dat de uitspraak dat we bij God mogen komen, zoals we zijn, op z’n minst enige nuancering behoeft.

Zo’n één-op-één vertaling zou een vorm van biblicisme zijn. Dat wordt vaak gedefinieerd als de letterlijke interpretatie van bijbelteksten. Maar het kan ruimer worden opgevat: alles wat we als waarheid naar voren brengen, moet door bijbelcitaten gesteund worden. Van Dijl ontkomt niet aan dat gevaar. Over de idee dat een kerkdienst speciale kleding vereist, schrijft hij dat “het neigt naar een ‘menselijk gebod’. Jezus gaat in Mattheüs 15 tekeer tegen de Schriftgeleerden en Farizeeën die (vers 9) ‘geboden van mensen’ aan andere mensen onderwijzen. Het gebod “je moet nette kleding dragen in de kerk” zie ik niet direct terug in de bijbel. Het lijkt daarom mijns inziens een ‘gebod van mensen’.”

Hier zien we een voorbeeld van biblicisme in optima forma. In het Nieuwe Testament, dat in de regel als de belangrijkste bron van informatie over en inspiratie voor onze kerkdiensten wordt gehanteerd, treffen we inderdaad geen specifieke kledingvoorschriften aan. Maar er zijn wel meer zaken waarvoor in de Schrift geen voorschriften te vinden zijn. In reformatorische kring is het gebruikelijk in de morgendiensten regelmatig de Tien Geboden voor te lezen – hoewel die gewoonte steeds meer onder druk komt te staan – terwijl daarvoor geen enkel voorschrift te vinden is. Hetzelfde geldt voor de vaste plaats van de geloofsbelijdenis in middagdiensten; ook voor de viering van christelijke feestdagen kan men zich niet op de bijbel beroepen. Concrete teksten die verplichten tot de kinderdoop zul je in de bijbel niet vinden. Toch belijdt de kerk van de Reformatie met overtuiging het recht en de plicht van de kinderdoop, o.a. in de Heidelbergse Catechismus. Het gaat er dan ook niet om voor elk dogma of elke gewoonte een bijbeltekst te vinden. Het gaat om de grote lijnen in de Schrift en, ook al zijn er geen concrete voorschriften m.b.t. de vereiste kleding voor bijeenkomsten van de gemeente, er zijn wel degelijk allerlei elementen waar te nemen die wijzen in de richting van het belang van het op een gepaste manier verschijnen voor God.

Het derde argument dat Van Dijl gebruikt, laat zien dat, als het om kerkdiensten gaat, het brandpunt verschoven is. Was vroeger de aandacht bij de inrichting van kerken en de vormgeving van erediensten vooral verticaal gericht, tegenwoordig is die in horizontale richting verschoven. “Een kerk vol net geklede mensen krijgt (…) automatisch een bepaalde sfeer. Een elitaire sfeer van stijfheid.” Ongelovigen kunnen zich ongemakkelijk voelen “als ze in een kerk komen vol verplicht net-geklede mensen. De sfeer echter die wél willen overdragen (Gods liefde, blijdschap en vrede) worden hierdoor minder goed zichtbaar.”

Het gaat hier helemaal om de manier waarop mensen – en dan vooral ‘buitenstaanders’ – kerkdiensten ervaren. Deze benadering is ongetwijfeld beïnvloed door de grotere aandacht voor de missionaire taak van de kerk, die weer het gevolg is van de toegenomen secularisatie. Dat is op zichzelf een goede zaak, maar het is de vraag of kerkdiensten nu de meest geschikte middelen zijn om die mensen te bereiken, die van het christelijk geloof zijn vervreemd of daarmee nog nooit in aanraking zijn geweest.

Dat leidt ertoe dat kerkdiensten soms verregaand worden aangepast om ‘buitenstaanders’ tegemoet te komen. Daarbij laat men zich niet zelden leiden door wat men denkt dat buitenstaanders zien of horen. Zien ‘buitenstaanders’ een kerk vol ‘verplicht’ net-geklede mensen? Of zijn het vooral kerkmensen die er zo tegenaan kijken? Zou het misschien ook zo kunnen zijn dat buitenstaanders eerder mensen zien die kerkdiensten blijkbaar zo belangrijk vinden dat ze bereid zijn zich ervoor in nette kleding te steken?

De aanleiding voor dit stuk was een vraag betreffende de kleding tijdens een kerkdienst. Maar dat is slechts de oppervlakte. Wat we aantrekken zegt vooral iets over de manier waarop we naar de kerkdienst kijken. En onze kerkdiensten zeggen iets over ons beeld van God.

Als we in ons kloffie bij de Koning op bezoek gaan, wie is Hij dan eigenlijk voor ons?

We zijn allemaal zondaars

We zijn allemaal zondaars. Dat is voor veel christenen een open deur. Wie mocht denken dat het met hem of haar nog wel meevalt, wordt door de Schrift en de Heidelbergse Catechismus uit de droom geholpen. De laatste windt er geen doekjes om: ieder mens is geneigd God en zijn naaste te haten. Het gaat hier om een centraal leerstuk in het christelijk geloof: wie geen zondaar is heeft ook geen verlossing nodig.

Wanneer het besef van zonde wegvalt, valt de bodem uit het christelijk geloof. Toch kan dat besef ook een valkuil zijn.

Stel dat iemand persoonlijk wordt aangesproken vanwege een bepaalde zonde. De verleiding is dan groot om te zeggen: we zijn allemaal zondaars. Dat kan fungeren als een manier om het eigen straatje schoon te vegen. Als iedereen zondig is, waarom moet ik er dan speciaal uitgepikt worden en waarom zou mijn zonde dan speciaal benoemd moeten worden? Het kan zelfs gebruikt worden als ‘jij-bak’: jij bent net zo zondig als ik, dus wie geeft jou het recht mij op een zonde aan te spreken? Jezus zelf lijkt zo iemand gelijk te geven, toen Hij zei: “Laat wie zonder zonde is de eerste steen werpen”. Zijn de aanklagers daarmee niet uitgepraat en buiten gevecht gesteld?

In de Amerikaanse verkiezingsstrijd kwamen we verschillende varianten van deze ‘verdediging’ tegen. Wat over het persoonlijk leven van Donald Trump en zijn behandeling van en spreken over bepaalde mensen of groepen van mensen naar buiten is gekomen, is weinig verheffend, om het heel voorzichtig uit te drukken. Nogal wat christelijke leidslieden en opiniemakers hadden zich voor Trump uitgesproken. Die kwamen door de onthullingen over zijn gedrag en uitlatingen in een lastig parket. Sommigen vergoelijkten zijn gedrag door te beweren dat dit nu eenmaal in bepaalde kringen gebruikelijk is en dat daaraan niet al te veel gewicht moet worden toegekend. Anderen erkenden dat op Trumps gedrag veel aan te merken valt maar dat we nu eenmaal allemaal zondig zijn en dat Trump daarop dus geen uitzondering is. Sommigen verwezen naar de Israelische koning David, van wie de bijbel verschillende grove overtredingen van Gods wet noteert. We kiezen niet iemand die ethisch perfect is, maar iemand die het goede programma voor het land heeft, zo was de redenering. Of Trump zo’n programma heeft is nog maar de vraag, maar daarover gaat het hier nu niet. De manier waarop Trump in bepaalde evangelische kringen in de VS verdedigd werd en wordt, roept nogal wat vragen op.

Je hoeft geen christen te zijn om in te zien dat de fouten van anderen niet gebruikt kunnen worden om de eigen fouten te bedekken. In onze (geseculariseerde) samenleving werkt dat niet en door elke rechtbank zal dit ‘argument’ van de tafel worden geveegd. Wie een bekeuring krijgt omdat hij door rood licht heeft gereden, komt er niet mee weg wanneer hij erop wijst dat anderen zich aan hetzelfde vergrijp schuldig maken. De fouten van de één wassen die van de ander niet weg.

Dat is ook niet de strekking van het verhaal dat de Schrift ons vertelt over de ontmoeting tussen Jezus en de overspelige vrouw, zoals het algemeen bekend staat. Die wordt door de Farizeeën bij Hem gebracht omdat ze op heterdaad betrapt is op overspel. Daarop staat volgens de wet de doodstraf door steniging. Ze willen weleens uittesten of Jezus de wet wel respecteert. Hij reageert op een manier die ze niet voorzien hadden. “Laat wie zonder zonde is de eerste steen werpen”. Eén voor één druipen ze af, want ook al hebben ze het hoog in de bol, alleen al theologisch kunnen ze niet volhouden dat zij zonder zonde zijn. Betekent dit dat de zonde geen zonde genoemd mag worden? Zeker niet. Jezus richt zich tot de vrouw en vraagt of niemand haar heeft veroordeeld. Op haar ontkennende antwoord zegt Jezus dat ze naar huis moet gaan maar voegt daaraan toe: “Zondig niet meer”. Hij geeft daarmee te kennen dat Hij de zonde niet door de vingers ziet.

David is geen modelkoning. De profeet Samuel had het volk Israel al gewaarschuwd voor de schaduwkanten van het koningschap, toen het volk om een koning vroeg. Hij kreeg gelijk, eerst met Saul, maar daarna ook met David, hoewel de laatste een ‘man naar Gods hart’ was. Kan het voorbeeld van David als vergoelijking voor het gedrag van Donald Trump gebruikt worden? In de Schrift heeft David een bijzondere plaats, niet omdat het volk Israel hem op het schild heft maar omdat God zelf hem die bijzondere positie toekent. Het zal het huis van David nooit aan een man op de troon ontbreken – dat is de belofte die God aan hem geeft. Tegelijk wordt geen enkele zonde van David bedekt. Maar hij laat zich op zijn zonden aanspreken en hij toont berouw en komt tot inkeer. Het kernpunt is dat David – hoe zondig ook – in nauwe verbondenheid met God leefde. Hij maakte zich soms aan ernstige zonden schuldig maar de zonde was geen patroon, geen levenshouding.

Wat zegt dit over iemand als Trump? Over het hart komt geen enkel mens een oordeel toe. Maar wie in ogenschouw neemt wat tot nu toe bekend geworden is, moet wel tot de conclusie komen dat bij hem wel degelijk van een bepaald patroon, een bepaalde levenshouding sprake is. De manier waarop hij in het verleden over vrouwen heeft gesproken en vrouwen heeft behandeld is niet wezenlijk veranderd, getuige zijn houding ten aanzien van vrouwelijke journalisten tijdens de campagne. Zijn spreken over bepaalde bevolkingsgroepen in de Verenigde Staten laat in wezen hetzelfde beeld zien. Bij herhaling heeft Trump ook duidelijk gemaakt dat hij geen aanleiding ziet om vergeving te vragen. Schuldbesef lijkt bij hem volstrekt afwezig.

Natuurlijk kiest het Amerikaanse volk geen ethisch zuivere president. Niemand kan van zichzelf beweren ethisch zuiver te zijn. Maar een patroon van zonde kan wel een reden zijn om iemand als ongeschikt voor het hoogste ambt van het land te kwalificeren. Ook daarin kan de geschiedenis van David een leerschool zijn. God wil niet dat David voor Hem een huis bouwt. Dat moet zijn zoon doen, aan wiens handen minder bloed kleeft (zie 1 Kron. 22,8). De oorlogen van David waren echt niet allemaal ‘oorlogen des Heren’ en de manier waarop David met tegenstanders omging zal zeker niet altijd Gods goedkeuring hebben kunnen wegdragen. In de gemeente van Christus kunnen ambtsdragers soms in ernstige mate een scheve schaats rijden. Ook al is er altijd ruimte voor bekering en vergeving, daarmee ligt de weg naar het ambt niet direct weer open. Sommige zonden zijn zo ernstig dat iemand zich daarvoor voorgoed heeft gediskwalificeerd.

Er is nog een ander aspect dat hier genoemd moet worden. Jezus gaat in zijn zogenaamde ‘Bergrede’ uitvoerig in op de wet van Mozes en hoe die moet worden gehanteerd. Hij maakt duidelijk – zoals Hij ook deed in de geschiedenis met de ‘overspelige vrouw’ – dat Hij niet gekomen is om de wet te ontbinden maar om die te vervullen. In de bergrede scherpt Hij de wet zelfs aan. Niet alleen wie echtbreuk pleegt zondigt, maar zelfs al wie een vrouw aankijkt om haar te begeren. Zonde is meer dan de daad; het is zelfs al de voorbereiding van die daad – meer nog, de geestelijke staat waaruit de begeerte en de plannen voortkomen. Dat lijkt te ondersteunen wat ik eerder al als ‘verdedigingslinie’ tegen de beschuldiging van zonde beschreef. Zegt Jezus hier eigenlijk ook niet dat we allemaal zondig zijn en dat we elkaar dus maar niet moeten vermanen?

“Oordeelt niet”, zegt Hij, maar dat weerhoudt Hem er niet van zijn leerlingen te instrueren hoe ze met zondaren in de gemeente moeten omgaan. Dat wordt later door de apostel Paulus onderstreept. Er kan een moment komen dat de zondaar uit de gemeenschap verwijderd moeten worden en dat men hem als de heidenen zal moeten behandelen. Jezus legt in de bergrede de wortel van de zonde bloot. Dat komt bijvoorbeeld tot uitdrukking in de manier waarop Hij reageert op de kritiek van Farizeeën en Schriftgeleerden ten aanzien van Zijn houding ten opzichte van de reinigingswetten. “Niet wat de mond ingaat maakt een mens onrein, maar wat de mond uitgaat, dat maakt een mens onrein” (Mt 15,11). Daarmee geeft Hij aan dat de bron van de zonde in het hart van de mens schuilt.

In die zin zijn alle mensen aan elkaar gelijk. Ze zijn in de grond van de zaak allemaal even slecht. Maar dat kan niet als een grote gelijkmaker worden gehanteerd. Wie een zonde overweegt en uitdenkt, is schuldig, maar wie zulke plannen daadwerkelijk tot uitvoering brengt, is schuldiger. Er is wel degelijk gradatie in schuld. Jezus maakt dat zelf duidelijk wanneer Hij zegt dat op de dag van het oordeel het lot van Sodom draaglijker zal zijn dan dat van Kafarnaüm. Beide werden geconfronteerd met de waarschuwing voor het naderende onheil. Maar in tegenstelling tot Sodom kende Kafarnaüm de Schriften en daardoor laadde deze stad groter schuld op zich door de prediking van Jezus af te wijzen.

De twee hierboven gegeven citaten van Jezus – “Wie zonder zonde is, werpe de eerste steen” en “Oordeelt niet” – hebben dezelfde strekking. In beide gevallen wordt de realiteit en de ernst van de zonde op geen enkele manier gerelativeerd of onder het kleed geveegd. Het gaat steeds om de manier waarop de zonde aan de orde gesteld wordt en de wijze waarop de zondaar tegemoet getreden wordt. De zonde moet benoemd worden en de zondaar moet vermaand worden. Dat is zelfs de dure plicht van elke gelovige, in het bijzonder van degenen die tot een ambt in de kerk geroepen zijn. Maar die vermaning moet altijd vanuit een houding van nederigheid gebeuren, in het besef dat ook wie vermaant, een zondaar is die vergeving en verzoening nodig heeft. Het was de grondfout van de Farizeeën dat ze op tollenaars en zondaars neerkeken, zoals Jezus dat beschrijft in de gelijkenis van de tollenaar en de Farizeeër.

De christelijke supporters van Donald Trump hebben de man een slechte dienst bewezen. Juist zij verkeerden in de positie om hem op zijn gedrag aan te spreken. Hun steun was van doorslaggevend belang voor zijn verkiezing en zij hadden hun morele gezag moeten gebruiken om hem op zijn fouten te wijzen en tijdig te corrigeren om zo het kwaad in te dammen. Juist wie beseft dat we allemaal zondige mensen zijn mag iemand die publiek zondigt niet aan zijn lot overlaten. Dat is ook de functie van de tucht in de kerk: niet om de zondaar aan de schandpaal te nagelen, maar om hem te behouden.