Archief

Posts Tagged ‘Formulieren van Eenheid’

Voor elk wat wils

Met veel fanfare en tromgeroffel is het nieuwe Liedboek – niet maar alleen voor de kerken maar ook voor thuis, zoals de titelpagina vermeldt – ingehaald. Dat in de weken voorafgaande aan de officiële presentatie nogal wat kritische noten over deze bundel zijn gekraakt, nota bene zelfs door mensen die bij de samenstelling betrokken waren, mocht de pret niet drukken. Het Liedboek is bedoeld voor alles wat zich – terecht of ten onrechte – “christelijk” noemt en biedt daarom voor elk wat wils. Dat levert vooral voor kerken van gereformeerde snit enige problemen op. Zij zien zich voor de vraag gesteld of men de bundel in z’n geheel zal vrijgeven voor gebruik in de eredienst of dat men een commissie aan het werk zal zetten om een selectie te maken van liederen die voor kerkelijk gebruik geschikt zijn.

Wanneer voor de tweede optie gekozen wordt is dat een breuk met de tendens die zich de laatste jaren manifesteert. Die houdt in dat allerlei zaken die vroeger op generaal-synodaal niveau werden geregeld, steeds vaker aan de plaatselijke kerk worden overgelaten. De liturgie en het kerklied blijven daarbij niet buiten schot. Gemeenten hebben inmiddels een grote vrijheid om ook die liederen in de erediensten te zingen die in geen enkele kerkelijk vastgestelde bundel voorkomen. Vanuit het kerkverband wordt die vrijheid dan soms verbonden met “bijzondere gelegenheden”, maar daarmee wordt nauwelijks een dam tegen wildgroei opgeworpen. Van de gemeentelijke overheid hebben kerken de kunst afgekeken regels naar hun hand te zetten. Zoals die hun gemeente tot toeristisch gebied uitroepen om de winkelsluitingswet aan hun laars te kunnen lappen, zo grijpen kerken de opening die kerkelijke vergaderingen hun bieden aan om elke dienst tot “bijzondere dienst” te verheffen waarin men graag liederen zingt die kerkelijke goedkeuring ontberen.

Nu lijkt het heel gereformeerd plaatselijke kerken veel vrijheid te laten. Tenslotte klopt het hart van de kerk in de gemeente. Niet voor niets staan de namen van gereformeerde kerken in het meervoud. Maar zo eenvoudig is het toch niet. Gereformeerde kerken sluiten zich – vrijwillig – tot een kerkverband aaneen op grond van een gemeenschappelijke identiteit. Die ligt in de eerste plaats in de Schrift en de manier waarop die gelezen en gehanteerd wordt. Dat komt met name tot uiting in de belijdenissen, die een uitdrukking zijn van het gemeenschappelijk geloof. Dat is de reden dat ze als “formulieren van eenheid” worden aangeduid. Maar daartoe blijft die gemeenschappelijkheid niet beperkt. Een kerkverband kan alleen al om praktische redenen niet zonder een kerkorde of in elk geval een document waarin wordt vastgelegd hoe deelnemende kerken met elkaar omgaan. Die regels kunnen heel praktisch van aard zijn – ze zouden er soms best anders uit kunnen zien – maar zijn soms wel degelijk gerelateerd aan wat de gedeelde identiteit van de deelnemende kerken is. Daarbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan wat is bepaald over de ambten of de sacramenten.

Het lijkt erop dat de overtuiging veld wint dat het er eigenlijk weinig toe doet welke liederen gezongen worden. Nu zal men in een gereformeerde kerk niet zo snel liederen zingen waarin bijvoorbeeld God met “jij” wordt aangesproken – zoals die in het nieuwe Liedboek voorkomen – maar voor het overige lijkt het vaak aan kritische zin te ontbreken. Niettemin zegt het soort liederen dat gezongen wordt wel degelijk iets over het soort kerk dat men wil zijn. Het is echt niet maar alleen een kwestie van smaak welke liederen in de liturgie worden gebruikt. Het raakt de identiteit van de kerk. Daarom mag men zich met recht afvragen waarom zaken die de eredienst en de liturgie betreffen zich aan kerkverbandelijke regelingen zouden moeten onttrekken. Er zijn goede gronden om ook op dat vlak te streven naar een bepaalde mate van gemeenschappelijkheid. Dat kan bijvoorbeeld door op generaal-synodaal niveau in elk geval een lijst van liederen vast te stellen die niet toelaatbaar zijn in een gereformeerde eredienst.

Voor zo’n kerkverbandelijke aanpak zijn ook praktische argumenten. Ervan uitgaande dat ook plaatselijke kerken van mening zijn dat niet zomaar alles klakkeloos gezongen kan worden wat het nieuwe Liedboek aanbiedt, stelt dat kerkenraden voor de taak zelf aan de slag te gaan. Maar dan doet zich direct de vraag voor: hebben kerkenraden, waarvan vele ook nog eens kampen met onderbezetting, niet iets beters te doen dan het nieuwe Liedboek door te spitten en de daarin opgenomen liederen aan een kritisch oordeel te onderwerpen? Natuurlijk kan men, naar goed Nederlands gebruik, een commissie van gemeenteleden aanstellen. Maar dat maakt geen wezenlijk verschil. Het is uiteindelijk toch de kerkenraad die verantwoordelijk is voor de liturgie en die een rapportage van zo’n commissie moet wegen. Dat kan niet zonder zich zelf ook met die liederen bezig te gaan houden.

Bovendien, kan er zonder meer van worden uitgegaan dat bij de beoordeling door kerkenraden of plaatselijke commissies de goede criteria worden gehanteerd? De vaak nogal onkritische manier waarop tegenwoordig liederen in de eredienst worden aangeheven, geeft reden daaraan te twijfelen. Gereformeerde kerken hebben er altijd grote waarde aan gehecht dat liederen die in de eredienst worden gezongen, niet in strijd zijn met de Schrift en de leer van de kerk, zoals die tot uitdrukking komt in de belijdenis. Maar de leer staat tegenwoordig niet bijzonder hoog aangeschreven. Het verval van de catechismusprediking spreekt wat dat betreft boekdelen. De vraag mag ook gesteld worden of kerkenraden of commissieleden altijd een juist zicht hebben op wat de leer van de kerk is.

Ik ga hier het nieuwe Liedboek niet inhoudelijk aan een kritische toets onderwerpen. Duidelijk is al wel dat niet alleen rijp en groen maar ook rijp en rot door elkaar heen staan. Of ieder kerklid en iedere kerkenraad weet te onderscheiden wat tot de ene en wat tot de andere categorie behoort is nog maar de vraag. Bovendien bestaat er de neiging de liedkeuze in hoge mate te laten bepalen door wat ‘men’ graag zingt. Dan is, zo leert de ervaring, het hek van de dam. Want dan geeft maar al te vaak het gevoel de doorslag, en dat gevoel wordt lang niet altijd gevoed en gestuurd door wat de kerk – in navolging van de Schrift – leert.

Er is alle reden voor kerkelijke vergaderingen regulerend op te treden. Het nieuwe Liedboek biedt voor elk wat wils. Maar de wil van elk kan in de kerk nooit het laatste woord hebben.

Advertenties

Doop, belijdenis en kerk

28 november 2010 5 reacties

Op mijn vorige artikel naar aanleiding van recente discussies over de (kinder)doop kwam een reactie, als ik het wel heb van iemand die ook aan het woord kwam in het artikel in het Nederlands Dagblad, dat de aanleiding vormde tot de discussie. Ik geef er de voorkeur aan daarop in een nieuw artikel te reageren in plaats van het onder de reacties op mijn vorige artikel te zetten.

De scribent vraagt mij om een bijbelse onderbouwing van de opvatting dat de doop in de plaats is gekomen van de besnijdenis. Om verschillende redenen zal ik op dit verzoek niet ingaan.

Uit de context blijkt dat een verwijzing naar de belijdenis taboe is. Dat is niet aanvaardbaar. Wie de belijdenis van de kerk ook als zijn persoonlijke belijdenis aanvaardt, mag zich niet het recht laten ontzeggen zich daarop te beroepen in discussies over de leer van de Schrift. Wie een gereformeerde gelovige het recht ontzegt zich op de belijdenis te beroepen gedraagt zich als een ongelovige die een christen het recht ontzegt in politieke en maatschappelijke discussies zich van religieuze argumenten te bedienen.

De gereformeerde belijdenis – waarmee hier wordt gedoeld op de drie Formulieren van Eenheid – is niet op een achternamiddag door enkele theologen bedacht en daarna aan de kerk opgedrongen. De belijdenisgeschriften zijn door kerkelijke vergaderingen – en daarmee door de gemeenschap van de kerk – als een betrouwbare samenvatting van de leer van de Schrift aanvaard. Daarom hebben ze kerkelijk gezag. Bezwaren tegen de belijdenis zijn daarmee bezwaren tegen de leer van de kerk. En bezwaren tegen de leer van de kerk behoren aan de gemeenschap van de kerk worden voorgelegd. Dat betekent dus dat bezwaarschriften tegen de belijdenis – of een specifiek onderdeel daarvan – op de tafels van kerkelijke vergaderingen thuishoren. In de eerste plaats de kerkenraad en uiteindelijk de Generale Synode.

Omdat de belijdenis kerkelijk gezag heeft en als samenvatting van de leer van de Schrift is aanvaard, hoeft ze niet steeds weer opnieuw ‘bewezen’ te worden. Bij bezwaren tegen de belijdenis ligt de bewijslast bij de bezwaarden. Zij dienen, met Schriftuurlijke argumenten, aan te tonen dat de belijdenis in strijd is met de Schrift.

De scribent beroept zich bij zijn afwijzing van de kinderdoop op zijn eigen onderzoek van de Schrift. Hij schrijft: “Als er iets is wat ik tijdens mijn gereformeerde opvoeding heb meegekregen is het wel dat we een kerk zijn van de reformatie. We mogen zelf studeren in de bijbel, zelf vragen stellen en op zoek naar naar God’s weg in ons leven.” Dat zal ik niet tegenspreken. Toch passen hierbij enkele kanttekeningen.

Het is nogal vermetel te beweren dat men door Schriftstudie tot een standpunt is gekomen dat diametraal staat tegenover wat de belijdenis van de kerk zegt. Zoals al gezegd, die belijdenis is door de gemeenschap van de kerk als leer van de Schrift aanvaard. We hebben het in de belijdenis van doen met de gestolde wijsheid van de christelijke kerk van eeuwen. En hoewel de drie Formulieren van Eenheid uit de 16e en 17e eeuw dateren, is hun inhoud grotendeels van veel oudere datum. In de digitale editie van het Nederlands Dagblad reageerden enkele lezers op het in mijn vorige artikel aangehaalde ingezonden van ds. Adrian Verbree. Eén van de respondenten merkte terecht op dat de kinderdoop veel oudere papieren heeft dan de geloofsdoop. In alle grote christelijke kerken is de kinderdoop van vroege tijden tot op heden als vanzelfsprekend bijbels voorschrift aanvaard.

Het is daarom nogal onwaarschijnlijk dat één gelovige zo’n hele lange traditie zomaar onderuit kan halen. Maar: onmogelijk is het niet. Het is in principe voorstelbaar dat iemand bij zijn Schriftonderzoek op gegevens of verbanden stuit die christenen – zelfs theologen – gedurende eeuwen zijn ontgaan. Dan lijkt het me urgent de christelijke gemeenschap daarvan in kennis te stellen. Maar op dat gebied heb ik van de geachte scribent nog niets vernomen. Had hij een origineel inzicht dat het denken over de kinderdoop in gereformeerde kring op de kop zou zetten, zou dat het Nederlands Dagblad ongetwijfeld gehaald hebben. Dat zou mij, als trouw lezer van die krant, zeker niet zijn ontgaan.

De scribent schrijft: “Het is jammer dat vragen van jonge ouders zoals ik, worden gesmoord met ingezonden brieven van Verbree en weblogs zoals deze.” Voor wat deze weblog betreft lijkt me deze opmerking iets teveel ‘eer’. Ik vermag ook niet in te zien waarom een verwijzing naar de gereformeerde belijdenis vragen zou smoren. Een discussie binnen de christelijke kerk kan nooit grenzenloos zijn. Uitgangspunt is dat de Schrift het eerste en het laatste woord heeft. Wanneer we als kerkelijke gemeenschap ervan overtuigd zijn dat de gereformeerde belijdenis de Schrift naspreekt, dan vormt ook die een grens die niet overschreden mag worden.

Een verwijzing naar de belijdenis smoort geen vragen, maar helpt juist die te beantwoorden. Wie het beroep op de belijdenis verbiedt, gooit de deur voor een vruchtbare discussie in het slot.