Archief

Posts Tagged ‘Franciscus’

De leer is pastoraal

Met meer dan gewone belangstelling is uitgekeken naar de besluiten van de bisschoppensynode die kort geleden in Rome werd gehouden. Gezien de uitspraken van paus Franciscus over een aantal aspecten van de leer van de rooms-katholieke kerk die in de huidige samenleving – in elk geval die van het ‘Westen’ – op grote weerstand stuiten, hoopten sommigen dat die op een aantal punten echt gewijzigd zou worden. De meer realistische waarnemers verwachtten dat niet: het wijzigen van de leer is een proces van vele jaren. Daarover wordt niet op een achternamiddag een besluit genomen. Ze kregen gelijk: de toon ten aanzien van hen die zich niet in overeenstemming met de kerkelijke leer gedragen mag enigszins veranderd zijn, die leer zelf blijft onveranderd.

De houding van seculiere media ten opzichte van de paus is nogal tegenstrijdig. Wanneer hij de toenemende kloof tussen rijk en arm aan de kaak stelt en zijn eigen kerk oproept soberder te leven, krijgt hij vele handen op elkaar. Wanneer hij kritiek levert op de behandeling van asielzoekers en immigranten en de landen van de Europese Unie verwijt niet adequaat te reageren op de toevloed van Afrikaanse bootvluchtelingen, is de bijval al heel wat minder. Die blijft vrijwel uit wanneer hij de opvattingen van de kerk ten aanzien van de seksuele moraal naar voren brengt. Kennelijk is dat een onderwerp dat tot een scheiding van de geesten leidt.

In de verslaggeving van de bisschoppensynode ging het vooral om de positie van homoseksuelen en van diegenen die na een scheiding een nieuw huwelijk zijn aangegaan. Dat de toon waarop over de betrokkenen werd gesproken anders is dan men van de rooms-katholieke kerk en haar geestelijken gewend is, kan moeilijk worden ontkend. Maar worden daarmee de scherpe kanten van de leer van de kerk afgeslepen? Krijgt het pastoraat meer gewicht ten koste van de leer?

Het lijkt erop dat in onze tijd leer en pastoraat een tegenstelling vormen. ‘Leer’ staat voor een stelsel van onwrikbare waarheden waaraan mensen worden geacht zich zonder mitsen en maren te onderwerpen. Dat zou hun levensgeluk verstoren en hen zelfs psychisch kunnen beschadigen. Daartegenover staat een kerk die vooral pastoraal is. Daarmee wordt dan in de regel bedoeld dat de wensen en verlangens van mensen op de eerste plaats komen. “Wellicht zijn mensen in deze tijd niet zozeer op zoek naar een heldere uitleg van de christelijke leer, maar vooral naar de troost dat in alle eenzaamheid Iemand onvoorwaardelijk van je houdt”, zo wordt deze mentaliteit in het commentaar van het Nederlands Dagblad (15.10.14) treffend getypeerd.

De praktijk ziet er vaak anders uit. Het zijn bepaald niet alleen christelijke kerken die er een aantal leerstelligheden op na houden. Seculieren mogen met nog zoveel aplomb beweren dat er geen absolute zekerheden zijn – een uitspraak overigens die zichzelf tegenspreekt -, er zijn maar weinig politici uit die hoek die durven te zeggen dat ze er ook maar een slag naar slaan en dat de kiezer even zo goed op de concurrentie kan stemmen. Elke partij of maatschappelijke organisatie met een duidelijk levensbeschouwelijk of ideologisch profiel wijst mensen de deur die zich daaraan niet conformeren. Waarom zou dat bij een kerk dan anders moeten zijn?

De opvatting dat mensen belangrijker zijn dan de leer wint overigens ook binnen de kerk terrein. Dat heeft tot gevolg dat de verkondiging van de leer in kerkdiensten bepaald niet op algemene bijval kan rekenen. Diensten waarin de Heidelbergse Catechismus wordt behandeld, trekken niet het meeste volk. Die behandeling vindt meestal plaats tijdens de middagdiensten en naarmate die slechter bezocht worden blijven steeds meer kerkleden van dit onderwijs verstoken. Dat heeft op langere termijn ongetwijfeld gevolgen, niet alleen ten aanzien van de inhoud van de leer, maar ook voor wat betreft het belang dat aan de leer van de kerk als zodanig gehecht wordt.

Van een krant als het Nederlands Dagblad mag men niet verwachten dat ze pleit voor een onderschikking van de leer aan het levensgeluk van mensen. De auteur van het eerder aangehaalde commentaar doet dat dan ook niet. Hij besluit als volgt: “Hoe je ook aankijkt tegen de rooms-katholieke huwelijksmoraal: een kerk die zó liefdevol is voor mensen dat ze iedere dwarse boodschap wegstopt en vergeet op te roepen tot bekering, heeft zichzelf overbodig gemaakt. Andersom: als de Rooms-Katholieke Kerk onder paus Franciscus – maar dit geldt evenzeer voor alle andere kerken – christelijke liefde weet te paren aan evangelische duidelijkheid, is er pas echt een wereld gewonnen.”

Hoezeer men het daarmee op zichzelf eens kan zijn, het probleem van de verhouding tussen leer en pastoraat wordt daarmee niet opgelost. Hier wordt gepleit voor een gezond evenwicht tussen beide. Maar dat stelt de kerk voor een bijna onoplosbaar probleem, want daar bestaat geen recept voor. Wat de één als gezond evenwicht zal ervaren, wordt door de ander als een overwicht van het één of het ander gezien. En wie problemen heeft met (aspecten van) de leer van de kerk wordt door een andere toon niet misleid. De kerk kan de leer nog zo voorzichtig naar voren brengen, de scherpe kanten waaraan mensen zich snijden, worden er daardoor niet afgeslepen.

Een evenwichtsconstructie zal de spanning tussen leer en pastoraat niet kunnen opheffen. Dat is ook niet nodig, want leer en pastoraat staan niet tegenover elkaar. De kerk moet duidelijk maken dat ze geen concurrenten zijn, maar een eenheid vormen. De leer is naar haar aard pastoraal. De leer van de kerk is immers niets anders dan de leer van Christus. In Johannes 10 presenteert Hij zichzelf als de goede herder; Hij loopt voor de schapen uit die hem volgen omdat ze zijn stem kennen. Van het Latijnse woord voor herder – pastor – zijn de begrippen pastoraat en pastoraal afgeleid. Een kerk die de leer van Christus verkondigt, is bij uitstek pastoraal: ze roept mensen op in het spoor van de goede herder te gaan en zijn stem te volgen, dat is: te blijven bij wat Hij zelf hen geleerd heeft.

Paulus onderstreept de eenheid van leer en pastoraat door de begrippen herder en leraar aan elkaar te verbinden (Ef. 4,11). En Petrus maakt duidelijk waar het in het pastoraat uiteindelijk om gaat. Na gesproken te hebben over de rechtvaardiging door Christus’ kruisdood schrijft hij: “Eens dwaalde u als schapen, nu bent u teruggekeerd naar hem die de herder is, naar hem die uw ziel behoedt”. Pastoraat is niet gericht op wat mensen hier en nu als hun levensgeluk beschouwen, maar op hun eeuwig geluk, het behoud van hun ziel.

Kan dan in de verkondiging van de leer niets misgaan? Natuurlijk wel. Die verkondiging is altijd mensenwerk en dus gebrekkig. Mensen kunnen de leer op allerlei manieren misbruiken, bijvoorbeeld als machtsmiddel. Dat gebeurt vooral dan wanneer de leer wordt gereduceerd tot een aantal fundamentele waarheden. Het is geen wonder dat juist voorgangers in fundamentalistische kring nogal eens ophef veroorzaken door uitspraken waarin wel waarheden worden gedebiteerd maar waaruit de Waarheid is verdwenen. Zonder de liefde van Christus verwordt de leer tot een levenloos dogmatisch stelsel. Het is veelzeggend dat God zelf de afkondiging van zijn Tien Woorden met een liefdesverklaring aan zijn volk begint. Dat stempelt de geboden die Hij aan zijn volk oplegt.

Dat hebben de opstellers van de Heidelbergse Catechismus zich gerealiseerd. Dit belijdenisgeschrift spreekt harde woorden over de mens en zijn aard en over zijn onvermogen zichzelf te redden. Maar het begint daar niet mee. Het begint met de troostvolle boodschap van de verbondenheid van God met zijn kinderen. Van daaruit moet dan het vervolg gelezen worden.

In hun uiteenzetting van de leer grijpen de Catechismus en ook de Nederlandse Geloofsbelijdenis en de Dordtse Leerregels voortdurend terug op de Schrift. En daar zit nu het probleem van de rooms-katholieke kerk. Haar leer is te vaak gebaseerd op uitspraken van pausen en concilies en is lang niet altijd terug te voeren op de leer van de Schrift. Wanneer dat wel het geval is, klinkt dat te weinig door. De leer kan alleen pastoraal zijn en als zodanig worden herkend wanneer die geworteld is in en beargumenteerd wordt vanuit de Schrift. Daarin laat God weten dat Hij het behoud van mensen op het oog heeft: wie de stem van de herder volgt gaat niet verloren, maar heeft eeuwig leven.

De kerk die de verkondiging van de leer verwaarloost, laadt een zware verantwoordelijkheid op zich.

Franciscus en Zondag 30

Het duurde niet lang voor de 115 kardinalen in de Sixtijnse kapel hun keus hadden bepaald. Een naam die op geen enkel lijstje dat in de media circuleerde voorkwam, werd gekozen tot opvolger van Benedictus XVI. Daaruit bleek weer eens hoe moeilijk het is de toekomst te voorspellen. Inmiddels heeft de nieuwe paus al een stempel op zijn pontificaat gedrukt. Dat kwam al direct tot uitdrukking in de naam die hij koos, Franciscus. Dat is een verwijzing naar Franciscus van Assisi, die eenvoud en soberheid als idealen predikte. Die keuze is ongetwijfeld geïnspireerd door de situatie in Latijns-Amerika waar de kloof tussen rijk en arm groot is en veel mensen in bittere armoede leven.

Die naamskeuze en ook het optreden van de paus – in zijn vorige leven als bisschop en later kardinaal in Argentinië en nu als paus – werden in de media in positieve zin genoteerd. Tegelijk konden sommige, zoals NRC Handelsblad, het niet nalaten de nieuwe paus langs hun libertijnse meetlat te leggen om daarna te constateren dat van hem niets nieuws te verwachten valt. Het is ironisch dat christelijke partijen soms verweten wordt dat ze ethische zaken als abortus, euthanasie of het homohuwelijk tot kern van hun politieke activiteiten maken, terwijl de libertijnse media precies hetzelfde doen in hun beoordeling van kerken en hun vertegenwoordigers. Wat de paus over die zaken zegt, is voor hen doorslaggevend voor hun oordeel.

Zou men echt hebben verwacht dat iemand tot paus zou worden gekozen die een standpunt zou innemen dat fundamenteel afwijkt van dat van zijn voorgangers en – sterker nog – de leer van de kerk? Verwacht men dat iemand die tot lijsttrekker van bijvoorbeeld de VVD wordt gekozen, zegt dat het liberalisme een vergissing was? Het minste wat je van een paus mag verwachten is dat hij de leer van zijn kerk voor de volle honderd procent uitdraagt en tegen kritiek verdedigt. Daar kunnen gereformeerde ambtsdragers nog een voorbeeld aan nemen.

Ook in protestantse kringen werd de verkiezing van de paus nauwlettend gevolgd. Te nauwlettend, volgens sommigen, vooral in bevindelijke kringen. De uitgebreide – en in hun ogen te ‘neutrale’ – berichtgeving in het Reformatorisch Dagblad kon hun goedkeuring niet wegdragen. Typerend was een artikel van vijf voorgangers waarin de staf wordt gebroken over die berichtgeving. Want “[wanneer] we de paus leggen langs de meetlat van de Reformatie en daarmee langs de meetlat van de Schrift, kunnen we alleen maar concluderen dat het bestaan van een paus een gruwel is en blijft”, schrijven de auteurs, die de paus als “antichrist” betitelen.

Wat beogen de auteurs met zulke formuleringen? Die doen het bij hun eigen achterban ongetwijfeld goed: de eigen positie wordt nog eens duidelijk gemarkeerd, niet alleen tegenover de rooms-katholieke kerk, maar ook tegenover die protestanten die de scherpe kantjes van het conflict tussen Rome en Reformatie willen afvijlen. Maar rooms-katholieken zullen door zulke uitlatingen vast niet tot nadenken worden gebracht. Wie de paus als de ‘antichrist’ typeert, kan niet verwachten dat leden van zijn kerk het verschijnsel van het pausschap kritisch tegen het licht zullen houden. Het is ook nog maar de vraag of zulke vertegenwoordigers van de Reformatie wel altijd een correct beeld van de leer van de rooms-katholieke kerk hebben. In dit verband kan gewezen worden op opmerkingen ten aanzien van de leer betreffende de mis door
ds. Paul Waterval
, predikant in de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) en zelf van rooms-katholieke afkomst. Stoere taal ten aanzien van de rooms-katholieke kerk en leer lijkt eerder het eigen gevoel te bevredigen dan een echte gedachtenwisseling tussen Rome en Reformatie te bevorderen.

Aan de andere kant van het spectrum staan opiniemakers en voorgangers binnen de protestantse wereld die een grote sympathie voor de paus ten toon spreiden en hoop op een ontwikkeling van de rooms-katholieke kerk ten goede koesteren. Die sympathie dateert niet van het moment dat Franciscus aantrad, maar vindt haar wortels in de waardering die zijn voorganger, Benedictus XVI, oogstte met zijn geschriften en de manier waarop hij het christelijk geloof en de christelijke ethiek tegen het secularisme verdedigde. Die waardering is terecht en raakt in de uitlatingen uit de bevindelijke hoek ondergesneeuwd. Te weinig klinkt daarin door dat de heilige Geest ook in een kerk kan werken die in veel opzichten niet voldoet aan wat volgens de Schrift kerk mag heten. Maar die waardering mag er niet toe leiden dat die dingen die de toets van de Schrift niet kunnen doorstaan, met de mantel van de liefde worden bedekt.

Het is heel goed mogelijk waardering te hebben voor wat een paus doet, schrijft en zegt en tegelijk het verschijnsel van het pausschap en de pretenties die daarmee verbonden zijn af te wijzen. Alleen al het feit dat de paus zich met “heilige Vader” laat aanspreken, zou elke protestant, die God als zijn Vader heeft leren belijden, tegen de haren moeten instrijken. De leer van de rooms-katholieke kerk mag dan niet meer precies dezelfde zijn als ten tijde van de Reformatie, die is door latere concilies of pausen nooit herroepen. Dat kan niet eens, zoals ds. Waterval in het bovengenoemde interview opmerkte. Dr. Bram van de Beek meent dat Luther zijn 95 stellingen nooit zou hebben opgesteld als in zijn tijd Benedictus XVI paus was geweest. Luther keerde zich in zijn tijd tegen misstanden in de kerk. Zijn die er dan nu niet? De kranten hebben er vol van gestaan en Benedictus mag veel kwaliteiten hebben bezeten, doortastendheid in het aanpakken van die misstanden behoorde daar niet toe.

Luther beperkte zich bovendien niet tot misstanden ten aanzien van de levensstijl van geestelijken en financiële wantoestanden, maar stelde fundamentele leerstukken van de kerk ter discussie. Eén van zijn grote verdiensten was de Schrift als enige norm voor het geloof te proclameren. De houding van de rooms-katholieke kerk ten aanzien van de Schrift mag veranderd zijn, het is nog altijd niet de enige – en zelfs niet de belangrijkste – bron van kennis over God en zijn wil. Ik heb er in een vorige bijdrage in dit weblog (“Het kerklied en de kerkliedjes”) al op gewezen dat Lied 328 uit het Liedboek voor de Kerken door de censor van het bisdom Utrecht werd afgewezen vanwege de zinsnede “Here Jezus, om uw woord zijn wij hier bijeengekomen”. Dat woord is ook in de rooms-katholieke kerk van vandaag niet de kern van de eredienst. Het is dan ook helemaal niet verbazingwekkend dat een rooms-katholiek publicist als Anthony Ruijtenbeek schrijft “dat ‘sola scriptura’, in welke variant ook beleden, welhaast moést leiden tot de huidige 30000 denominaties binnen de Protestantse minderheid in het Christendom (…)”. Wie dus de eenheid van de kerk boven alles stelt, zoals de rooms-katholieke kerk doet, kan met het sola scriptura niet uit de voeten.

“Niet de paus, maar Christus is centrum van de kerk”. Dat was de boodschap van Franciscus bij zijn ontmoeting met journalisten. Dat doet een gereformeerd mens goed, ook al komt het uit de mond van een paus. Maar dat geeft er tegelijk wel een bijsmaak aan. Want Christus en zijn woord zijn niet los verkrijgbaar. Wanneer Christus het centrum van de kerk is, moet zijn woord de enige norm van leer en leven zijn. We leren zijn wil immers door dat woord kennen. Sterker nog, Hij is het vleesgeworden woord. Wie dus de Schrift niet erkent als kern van de eredienst, verdringt het vleesgeworden woord van de plaats die Hem toekomt. Alle mooie woorden kunnen die werkelijkheid niet verdoezelen.

De harde taal van ‘antipapisten’ brengt de reformatie van de rooms-katholieke kerk geen stap dichterbij. Maar het ‘filo-katholicisme’ van sommige protestanten, die de reële verschillen tussen Rome en Reformatie onder het tapijt vegen, doet dat evenmin. Alleen wie in de rooms-katholieke kerk waardeert, wat waardering verdient, is in de positie datgene te bekritiseren wat bekritiseerd behoort te worden. Dan hoeft zowel in het catechetisch onderwijs als in het contact met rooms-katholieken over Zondag 30 van de Heidelbergse Catechismus niet gezwegen te worden.