Archief

Posts Tagged ‘Geert Wilders’

Minder emotie

Nauwelijks waren de golven van emotie over de huisvesting van Benno L. in Leiden tot bedaren gekomen of een nieuwe golf overspoelde de samenleving. Geert Wilders zweepte zijn aanhang op om luidkeels te roepen om vermindering van het aantal Marokkanen in Nederland. Het zal wel niet lang duren voordat een andere gebeurtenis deze overschaduwt en weer een nieuwe emotionele oprisping veroorzaakt.

We zijn er inmiddels al wat aan gewend geraakt. Nederlanders stonden altijd bekend als nogal nuchter en niet snel van hun stuk te brengen. Daarin onderscheidden ze zich van de volken uit meer zuidelijke regionen: Italianen en Spanjaarden golden als nogal heetgebakerd. Er hoefde daar maar iets te gebeuren of de vlam sloeg in de pan. Inmiddels zijn die verschillen tot minieme proporties teruggebracht. Aangenomen dat die verschillen ooit bestaan hebben. Want het is maar helemaal de vraag of emotie zo’n paar decennia geleden en vele eeuwen daarvoor echt zo’n geringe rol speelden. Als gereformeerden herinneren we ons ongetwijfeld – zij het uit de geschiedenisboekjes – de beeldenstorm. Die was niet bepaald een uiting van nuchtere bezonnenheid. En om bij de kerkgeschiedenis te blijven: in de tijd van de Contrareformatie en eeuwen later rond de Afscheiding hebben zich taferelen afgespeeld die in emotionele intensiteit niet onderdoen voor wat tegenwoordig op ons televisiescherm aan ons voorbijtrekt.

Het is ook geen typisch Nederlands verschijnsel dat we meemaken. Toen in 1997 de Britse prinses Diana verongelukte leidde dat in Groot-Brittannië tot emotionele ontladingen die velen voor onmogelijk hadden gehouden. Waar was de beroemde Britse stiff upper lip gebleven? Maar ook dat was gedeeltelijk gezichtsbedrog. De ouderen herinneren zich ongetwijfeld het verzet tegen het bewind van de Conservatieve minister-president Margaret Thatcher: het felle optreden van de Engelse vakbonden onder leiding van de beruchte Arthur Scargill. Het verschil was dat het daarbij vooral om emotionele uitbarstingen ging van wat de Engelsen als de lower classes beschouwden.

In noordelijke landen geldt emotionaliteit in de publieke ruimte als een kenmerk van lager-opgeleiden en minder-verdienenden. Tegenwoordig worden die geassocieerd met partijen als de SP en de PVV. Emotionaliteit is daarmee een kenmerk geworden van het populisme. Dat klopt ten dele wel: argumenten die gebaseerd zijn op feiten en een rationele analyse daarvan vinden in die kringen meestal geen gunstig onthaal. De internetfora van de kranten bewijzen het: een auteur komt op grond van feiten en langs logische weg tot een conclusie die een deel van de lezers niet zint, en de fiolen van toorn worden over hem of haar uitgegoten. Daarbij wordt geheel afgezien van enige inhoudelijke weerlegging van de aangevoerde feiten of de gevolgde redenering.

Maar het verschijnsel is breder. Op alle niveaus is sprake van een emotionalisering van de samenleving en de manier waarop meningsverschillen worden uitgedragen. De oproep om vermindering van het aantal Marokkanen werd gevolgd door een regen aan aanklachten tegen Wilders – vaak geregisseerd – waarbij weinigen zich afvroegen in welke mate dit ertoe zou bijdragen dat hij daadwerkelijk vervolgd zou worden. Die aanklachten functioneerden vooral als uitlaatklep voor de emoties die Wilders met zijn actie had opgeroepen.

Het is gemakkelijk hierover de staf te breken. Maar waar sterke emoties leven is het nuttig dat daaraan uiting kan worden gegeven. In vroeger tijden waren het – in elk geval in Nederland – vaak politieke of maatschappelijke leidslieden die zulke emoties in de achterban van hun ‘zuil’ kanaliseerden en probeerden die concreet te maken in politiek handelen. Maar de zuilen zijn teloor gegaan en hooguit in de links- of rechts-populistische hoek bevinden zich politici die zich de rol van spreekbuis toeëigenen. Alleen de omzetting in een concreet politiek programma dat een kans van slagen heeft wil wat minder lukken.

De emotionalisering van de samenleving heeft veel schaduwkanten. Generalisaties – zoals het over één kam scheren van alle Nederlanders met Marokkaanse wortels – en gemakzuchtige conclusies over oorzaak en gevolg – criminaliteit van Marokkaanse jongeren is een direct uitvloeisel van hun cultuur – worden gretig verspreid en vinden even gretig aftrek. Daardoor wordt de bestrijding van de gesignaleerde – werkelijke of vermeende – problemen niet bevorderd.

Ook in de kerkelijke samenleving spelen emoties een grote rol. Ik wees al op de beeldenstorm. Zover hoeven we niet terug te gaan. Wanneer zich in kerken meningsverschillen voordoen, komen emoties al gauw bovendrijven. Een recent voorbeeld is het proces waaruit de Hersteld Hervormde Kerk is voortgekomen. Medestrijders, vooral binnen de Gereformeerde Bond in de Nederlands Hervormde Kerk, werden verbitterde tegenstanders en bij de discussies over de toekomst van de kerk is menig hard woord gevallen. Oudere leden van de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) zal dat niet onbekend voorkomen, want in de jaren ’60, toen de kerkelijke conflicten uiteindelijk leidden tot een splitsing die resulteerde in het ontstaan van de Nederlands Gereformeerde Kerken, stonden broeders vaak lijnrecht tegenover elkaar en werden de meningsverschillen bepaald niet alleen met zakelijke argumenten uitgevochten.

Nu zou men kunnen beweren dat emoties een uiting zijn van een sterke betrokkenheid. Daar zit wat in. Wanneer het om zaken gaat waaraan mensen groot belang hechten, is het niet te verwachten dat men daarmee op een afstandelijke manier omgaat. In die zin is het geen slechte zaak wanneer emotie een rol speelt. Maar het is wel te betreuren dat dit vaak een echte inhoudelijke uitwisseling van meningen, waarbij de deelnemers ook elkaar recht doen en geen karikaturen scheppen, ernstig bemoeilijkt, zo niet onmogelijk maakt. De manier waarop in de politiek en de samenleving wordt omgegaan met wat ik maar kortheidshalve de ‘Marokkanenproblematiek’ noem, is daar een treffend voorbeeld van. De tegenstellingen zijn aangescherpt en de opponenten hebben zich zo diep ingegraven dat elke dialoog onmogelijk is dan wel niet verder komt dan een dialoog tussen doven. Dat kan ook bij kerkelijke conflicten gebeuren.

De ontwikkelingen binnen de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) zijn daar bepaald niet vrij van. Critici van de richting die deze kerken lijken te zijn ingeslagen, geven op soms emotionele wijze uiting aan hun bezorgdheid. De buitenlandse kerken die voortgekomen zijn uit emigratie naar met name Canada en Australië zijn daarvan een welsprekend voorbeeld. Zij laten er weinig twijfel over bestaan dat een eventueel besluit van de Generale Synode van de GKV, de ambten van predikant en ouderling open te stellen voor vrouwen, een breekpunt is en tot het einde van de zusterkerkrelatie zal leiden. Vertegenwoordigers van de GKV ervaren dat als “oecumene met het mes op tafel”, zoals ds. J.M. van Leeuwen, één van de Deputaten Buitenlandse Kerken, het formuleert (Nederlands Dagblad, 8.4.14). Wanneer betrokkenen de dialoog als zodanig ervaren, wordt een zakelijke – dat wil zeggen: op feiten gebaseerde – analyse van de meningsverschillen niet gemakkelijker.

Vergelijkbare processen spelen zich op het niveau van plaatselijke gemeenten af. Gemeenteleden wenden zich tot hun kerkenraad met brieven waarin zij hun bezwaren tot uitdrukking brengen. Daar wordt in hun beleving op een manier mee omgegaan waaruit onbegrip ten aanzien van de ernst van de bezwaren spreekt of zelfs onwil om die bezwaren serieus te nemen. Het resultaat is soms dat de bezwaarden gefrusteerd afhaken en zich van het gemeentelijk leven isoleren of zelfs de kerk de rug toekeren.

Kan het anders? Vooropgesteld moet worden dat alle ‘partijen’ de oprechte wil moeten hebben elkaar te vinden. Daarmee bedoel ik niet een soort waterig compromis in het midden of aanvaarding van het feit dat we over bepaalde zaken nu eenmaal verschillend denken (Nederlands Dagblad, 9.4.14). Daarmee wordt geen enkel probleem opgelost. Het gaat erom dat alle betrokkenen duidelijk uitspreken dat ze ervan overtuigd zijn dat ze bij elkaar horen en dat ze elkaar niet kwijt willen. Daarmee wordt voorkomen dat de betrokken ‘partijen’ het gevoel krijgen door de andere te worden afgeschreven als ‘nieuwlichters’ die de weg kwijt zijn dan wel als eeuwige criticasters die ‘niet van deze tijd’ zijn.

Het is best te begrijpen dat leden van een kerk emotioneel reageren op (onderdelen van) het beleid van hun kerkenraad of de opvattingen die vanaf de kansel worden verkondigd. Maar het is zelden effectief wanneer die emoties schriftelijk op die kerkenraad of op voorgangers worden afgereageerd. Brieven aan de kerkenraad zouden geen vergaarbak van frustraties moeten zijn. Het is veel nuttiger en uiteindelijk voor de geadresseerde veel onaangenamer en lastiger, wanneer de scribent zich beperkt tot het opsommen van voor iedereen natrekbare feiten en een logisch samenhangende presentatie daarvan.

Het probleem met emoties is dat ze elke discussie doodslaan. Een gevoel kan immers wel goed of fout zijn, maar nooit waar of onwaar. Wat ‘goed’ of ‘fout’ is, hangt uiteindelijk af van het vertrekpunt dat men kiest. Een gevoel kun je niet weerleggen. Juist in de kerk is nuchterheid gevraagd en een zorgvuldige omgang met feiten en argumenten. Alleen op die manier kan de communicatie tussen opponenten openblijven en daarmee de mogelijkheid tot toenadering. En wanneer het daar niet van komt, kunnen alle betrokkenen in elk geval een goed geweten hebben dat ze zich daarvoor hebben ingespannen en dat ze elkaar recht gedaan hebben.

Minder emotie – dat zou een zegen zijn, niet alleen voor de samenleving, maar ook voor de kerk.

Advertenties

Godsdienstvrijheid: ruimte voor de Geest

Vrijheid van godsdienst als onderwerp van politieke en maatschappelijke discussie is terug van weggeweest. Een paar decennia geleden werd er nauwelijks over gesproken. Het was één van de burgerlijke vrijheden die in de grondwet waren vastgelegd. Het kwam hoogstens ter sprake als zich ergens een incident voordeed dat de vraag deed rijzen of dit nog wel binnen de grenzen van de godsdienstvrijheid viel. Dat het geen aandacht kreeg weerspiegelde vooral de verminderde rol van de godsdienst in het openbare leven.

In christelijke kring is het altijd een belangrijk onderwerp geweest. Daarbij ging het dan vooral over de vraag hoeveel vrijheid andere godsdiensten dan de christelijke mocht worden toegestaan. In die discussie speelde artikel 36 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis een cruciale rol. Daarin wordt omschreven wat de taak van de overheid is. Die strekt zich ook uit tot het terrein van de godsdienst. Dat de overheid de christelijke religie moet bevorderen stond niet ter discussie, wel hoever ze daarbij moest of mocht gaan. In 1905 schrapte de Generale Synode van de Gereformeerde Kerken een zinsnede in dit artikel, waarin de overheid wordt opgedragen “alle afgoderij en valse godsdienst” “te weren en uit te roeien”. Dit besluit is door kerken van bevindelijk-gereformeerde snit niet gevolgd. Politiek gezien behoort het “onverkorte artikel 36”, zoals het in de wandeling genoemd wordt, nog steeds tot de grondslag van de SGP.
In de praktijk lijkt het nauwelijks te functioneren. Althans, dat was de indruk van de laatste decennia. Het feit dat de SGP op grond van dit artikel godsdienstvrijheid afwijst was voor de Christenunie geen belemmering voor nauwe samenwerking op allerlei niveaus, tot en met gemeenschappelijke kandidatenlijsten. Onder jongeren binnen de SGP neemt de steun voor dit standpunt ook af. Meer dan oudere generaties zien zij in dat dit het politiek functioneren van de partij belemmert en ook weinig realistisch is.

Dat de vrijheid van godsdienst weer onderwerp van publiek debat is vindt zijn oorzaak vooral in de opkomst van de islam. De toename van het aantal moslims in Nederland en de onvrede met bepaalde uitingsvormen van de islam hebben ertoe geleid dat sommige opiniemakers en politici het beginsel dat de overheid alle godsdiensten gelijk moet behandelen, verwerpen. Volgens hen moet de overheid de ‘joods-christelijke cultuur’ verdedigen en dat impliceert het inperken van de toestroom van moslims en het beperken van hun rechten. Anderen verdedigen de gelijke behandeling van alle godsdiensten. Sommigen gaan zover dat ze ervoor pleiten dat wanneer moslims bepaalde rechten worden ontzegd, deze ook aan aanhangers van andere religies moeten worden ontnomen.

Dit maakt al direct duidelijk dat de discussie over godsdienstvrijheid een andere dimensie heeft gekregen. Vroeger ging de discussie in christelijke kring vooral over de vraag hoeveel vrijheid aan niet-christenen kan worden toegestaan. Toen de maatschappelijke discussie over dit onderwerp zich aanvankelijk vooral op de islam concentreerde, leek er nog geen vuiltje aan de lucht. Het hoeft dan ook geen verbazing te wekken dat de kritische geluiden ten aanzien van de islam in kringen van de SGP een positief onthaal vonden. De daar heersende opvattingen over de taak van de overheid de valse godsdienst te weren passen heel goed bij het streven de vrijheden van moslims te beperken. Maar inmiddels is wel duidelijk geworden dat de groeiende afkeer van de islam en van moslims in de publieke opinie ook zijn weerslag heeft op de houding tegenover andere godsdiensten, zoals het christendom.

Een aantal recente politieke ontwikkelingen laat zien dat er sprake is van een groeiende afkeer van alles dat naar godsdienst riekt. Daartoe kunnen gerekend worden de door de Tweede Kamer aangenomen wet tegen het onverdoofd slachten, de pogingen de vrijheid van onderwijs te beperken – zowel ten aanzien van de toelating van leerlingen als het personeelsbeleid – en de uitspraak van de Tweede Kamer dat er voor (bijzondere) ambtenaren van de burgerlijke stand die om geloofsredenen geen huwelijken van partners van hetzelfde geslacht willen sluiten – zogenaamde ‘weigerambtenaren’-, geen ruimte meer mag zijn. De vraag waarvoor christenen zich gesteld zien is dus niet meer alleen: hoeveel vrijheid is er voor anderen dan wij, maar: hoeveel vrijheid hebben wij zelf nog?

Christenen moeten zich niet alleen vanuit hun eigen belang op dit onderwerp bezinnen. Als ze aan de publieke discussie willen deelnemen, zullen ze ook een duidelijk standpunt moeten bepalen ten aanzien van de vrijheden van andere godsdiensten. Voor de Christenunie is dit niet echt een probleem. Zij heeft altijd op het standpunt gestaan dat godsdienstvrijheid voor iedereen geldt. Wanneer christenen voor zichzelf het recht claimen scholen op te richten en in stand te houden waar onderwijs wordt gegeven in overeenstemming met hun eigen overtuiging, kan dat recht aan anderen – bijvoorbeeld moslims – niet worden ontzegd. Voor de SGP ligt dat anders. Ze zal haar overtuiging dat godsdienstvrijheid alleen voor christenen geldt officieel niet zomaar opgeven. Maar ze ontkomt er niet aan zich te bezinnen op de vraag of ze door steun te geven aan beperkende maatregelen tegen de islam niet bezig is zich in eigen vlees te snijden. Daarop gerichte wetgeving kan als een boemerang op het hoofd van haar eigen achterban terugkeren.

Angst is, zoals bekend, een slechte raadgever. Dat geldt ook hier. Een wijziging van opvattingen ten aanzien van de godsdienstvrijheid die uitsluitend gebaseerd is op de verdediging van de eigen belangen mist elke overtuigingskracht. Terecht zei ds. Marten de Vries op een enige tijd geleden gehouden bijeenkomst dat christenen de godsdienstvrijheid niet moeten verdedigen vanuit angst voor hun eigen positie, maar met principiële argumenten.

Welke zou men daarvoor kunnen gebruiken? Biedt de gereformeerde belijdenis daarvoor aanknopingspunten?

Laten we eens kijken naar het al genoemde artikel 36. Daar wordt uitvoerig gesproken over de taak van de overheid. De geschrapte zinsnede gaat erg ver in de formulering van die taak. Voor godsdienstvrijheid lijkt ze geen enkele ruimte te laten. Maar ook na schrapping van die formulering blijft er nog genoeg over dat op z’n minst een ongemakkelijk gevoel veroorzaakt. De taak van de overheid “is niet alleen zorg te dragen voor de openbare orde en daarover te waken, maar ook de heilige dienst van de kerk te beschermen, en te bevorderen dat het koninkrijk van Jezus Christus komt en het Woord van het evangelie overal gepredikt wordt, zodat God door ieder geëerd en gediend wordt, zoals Hij in zijn Woord gebiedt”. Kunnen degenen die van mening zijn dat de overheid de christelijke religie een voorkeursbehandeling moet geven, zich op dit artikel beroepen?

Dat is zeer de vraag. Duidelijk is dat de overheid de uitoefening van de christelijke religie moet beschermen. Ook de zorg voor de openbare orde kan daarmee in verband gebracht worden. Daartoe behoort niet alleen dat kerken gevrijwaard blijven van aanvallen van anders- en ongelovigen, maar ook dat kerkdiensten ongestoord kunnen plaatsvinden. De overheid moet ook bevorderen “dat het koninkrijk van Jezus Christus komt en het Woord van het evangelie overal gepredikt wordt”. Er wordt niet concreet aangegeven hoe ze dat zou moeten doen. Het wordt duidelijker wanneer we deze zinsnede als één geheel nemen: de komst van het koninkrijk wordt vooral bevorderd door de prediking van het evangelie. Die kan ongehinderd plaatsvinden door de zorg voor de openbare orde – in de zin zoals hiervoor aangegeven – en de bescherming van de “heilige dienst van de kerk”. En dan noemt het artikel vervolgens wat het uiteindelijke doel is: “zodat God door ieder geëerd en gediend wordt, zoals Hij in zijn Woord gebiedt”.

En daarmee zijn we bij de kern van de zaak. De komst van Gods koninkrijk wordt vooral door de prediking bevorderd. Dat is het middel bij uitstek dat de heilige Geest gebruikt om mensen tot geloof te brengen. Hij is het die het Woord laat verkondigen en die mensen roept tot de verkondiging van het evangelie. Hij houdt ook de kerk in stand, waaraan het Woord is toevertrouwd. Wanneer de overheid de vrijheid van de kerk beschermt, maakt ze daarmee ruim baan voor het werk van de Geest. Wie de vrijheid van de kerk inperkt, staat het werk van de Geest tegen. Daarin ligt de belangrijkste motivatie voor christenen en in het bijzonder christelijke politici voor de strijd tegen elke poging de vrijheid van de uitoefening van de christelijke godsdienst te beperken.

Maar ook de beperking van de godsdienstvrijheid van andersgelovigen frustreert het werk van de Geest. In de hele geschiedenis is nog nooit een geloof van de aardbodem verdwenen door de onderdrukking van zijn aanhangers of de inperking van hun vrijheden. Gewoonlijk gebeurt het tegenovergestelde: hoe meer een religieuze gemeenschap in de verdrukking raakt, hoe meer ze zich afschermt van de buitenwereld en hoe minder ze openstaat voor andere inzichten. Bovendien leidt zulke repressie tot een grotere druk op elke individuele aanhanger zich aan de eigen geloofsgemeenschap te conformeren.

Het optreden van de apostel Paulus op de Areopagus is veelzeggend en maatgevend. Hij was verontwaardigd over de vele afgodsbeelden die hij in Athene aantrof. Hij ging de confrontatie aan door met de inwoners van de stad in gesprek te gaan. Hij greep de gelegenheid aan de Atheense intellectuele elite met het evangelie van de gekruisigde Christus te confronteren. Zijn verontwaardiging weerhield hem er niet van zijn gesprekspartners met respect tegemoet te treden. Zonder dat respect zouden sommigen van hen niet bereid zijn geweest hem nog eens aan te horen.

Dat moet ook de houding van christenen ten aanzien van andere godsdiensten en hun aanhangers bepalen. De groei van de islam wordt niet tegengewerkt door moslims in hun religieuze vrijheden te beperken. Het is waarschijnlijker dat daardoor de groei van de islam wordt bevorderd en moslims-op-wieltjes zich meer met hun religie verbonden gaan voelen. Door op te komen voor hun godsdienstvrijheid kunnen christenen een klimaat van respect scheppen waarin gesprekken tussen moslims en christenen kunnen plaatsvinden. Het geeft christenen de gelegenheid het evangelie te verkondigen. Daarmee geven ze de Geest de ruimte zijn werk te doen.

Het gebed van Cees Vork

Cees Vork is leider van de gebedsbeweging ‘Op de Bres voor Nederland‘. Naar aanleiding van het aantreden van het nieuwe kabinet schreef hij in het Nederlands Dagblad een artikel onder de titel “Met dit nieuwe kabinet zijn gebeden verhoord”. Daarin schrijft hij: “In Romeinen 13 vers 1 lezen we dat de overheid door God wordt bepaald. Vanuit deze gedachte kunnen we stellen dat de nieuwe regering onder leiding van minister-president Rutte door God is gewild en bepaald. Dit is belangrijk om te aanvaarden. In ons democratisch bestel gaan we ervan uit dat de meerderheid bepaalt welke overheid er komt. De Bijbel zegt echter dat God de bepaler is van overheden.”

Dat klinkt allemaal heel mooi. Toch heb ik het idee dat hij dit artikel niet geschreven zou hebben – of niet met deze inhoud – wanneer het kabinet een andere samenstelling had gehad, bijvoorbeeld met alleen ‘paarse’ partijen. De kop van het artikel wijst ook al in die richting. “De Bijbel roept gelovigen op te bidden voor de hooggeplaatsten en leert ons ook dat God gebeden hoort en verhoort.” Maar het maakt wel uit hoe je bidt en wat de inhoud van dat gebed is. Wanneer je Vorks artikel verder leest, is er alle reden kritisch te zijn over wat kennelijk de inhoud van zijn gebed is geweest.

“Een gebedspunt dat regelmatig naar voren kwam, was het gebed dat er vele christelijke politici plaats zouden nemen in de nieuwe regering. Als we nu kijken naar de samenstelling van dit nieuwe kabinet constateren we dat een groot gedeelte christelijke wortels heeft vanuit de protestantse en katholieke traditie. Ook minister-president Rutte is actief verbonden met de kerk. Kunnen we dit zien als een gebedsverhoring?” Die laatste vraag lijkt me een retorische, want uit de strekking van Vorks artikel blijkt dat zijn antwoord op die vraag “ja” is. Maar moet het daarom gaan, of er christelijke politici in het kabinet zitten?

Het past mensen niet over het geloof van andere mensen te oordelen. Je kunt alleen afgaan op wat er in de praktijk van blijkt. Laten we aannemen dat een substantieel deel van de leden van het kabinet “christelijke wortels” heeft. Heeft de samenleving daar iets aan? Veel ongelovigen, zelfs atheïsten, hebben “christelijke wortels”, maar daardoor laten ze zich hooguit inspireren om zich er tegen af te zetten. Van Mark Rutte wordt beweerd dat hij “actief verbonden” is met de kerk. Heeft de samenleving daar iets aan, wanneer dat op geen enkele manier zijn politieke denken of handelen beïnvloedt?

De aanwezigheid van christenen als zodanig heeft geen betekenis. Waar het om gaat is in hoeverre het regeringsbeleid beantwoordt aan de normen die de Schrift stelt. En daartoe behoort het bevorderen van recht en gerechtigheid. Dat wordt op de site van ‘Op de Bres voor Nederland’ zelfs expliciet als gebedspunt genoemd: “Bid om een eerlijke verdeling van de kosten in verband met de bezuinigingen.” Valt dat van dit kabinet te verwachten? Het regeerakkoord wijst in de omgekeerde richting. Wat heeft de samenleving aan een kabinet met christenen, wanneer de gevolgen van de financieel-economische crisis vooral bij de lagere inkomensgroepen gelegd worden?

Een tweede gebedspunt wordt genoemd: “Dank en bid dat het rijke Europa hulp blijft geven aan landen die hulp nodig hebben vanwege armoede en rampen.” Valt te verwachten dat met de komst van dit kabinet deze bede is verhoord? Voor wat Nederland betreft lijkt het er niet op. Eerder valt te verwachten dat de geldkraan wordt dichtgedraaid. Nederland zal onder dit kabinet steeds meer met de rug naar de buitenwereld gaan staan. Het kabinetsbeleid zal, zowel ten aanzien van het sociaal beleid in het binnenland als het ontwikkelingsbeleid in internationaal verband, uitgaan van het liberale principe dat iedereen z’n eigen broek moet ophouden.

“Er is gebeden dat de nieuwe regering een sterke band met Gods volk Israël zou hebben. Ook hierin zien we een tastbare gebedsverhoring. Ook Geert Wilders, die dit kabinet gedoogsteun geeft, heeft een duidelijke pro-Israëlvisie,” schrijft Vork. Is een kritiekloze bewondering voor de Israëlische politiek, zoals Geert Wilders die tentoonspreidt, in overeenstemming met de Schrift? Zouden recht en gerechtigheid die de regering behoort te bevorderen, ook in internationaal verband, niet vragen om een iets genuanceerder benadering?

Zou het met de eenzijdige, onschriftuurlijke gerichtheid op Israel te maken kunnen hebben dat op de site geen enkele oproep te vinden is te bidden voor een rechtvaardige behandeling van de islamitische minderheid in ons land? Juist onder dit kabinet is die in gevaar. Van het nieuwe kabinet gaat vooral de boodschap uit dat moslims hooguit worden getolereerd, maar niet geaccepteerd. Heeft dat iets met christelijke politiek te maken?

Over de opdracht zorgvuldig met de schepping om te gaan, zowel nationaal als wereldwijd, hebben we het dan nog niet eens gehad. Ook op dat punt valt van dit kabinet niet veel goeds te verwachten.

Tenslotte: christenen in de politiek dienen zich er niet alleen voor in te spannen dat het regeringsbeleid zoveel mogelijk beantwoordt aan wat volgens de Schrift van de overheid mag worden verwacht. Ze behoren ook in hun manier van politiek bedrijven als christenen herkenbaar te zijn. De laatste maanden is daar in elk geval van de kant van het CDA niet veel van gebleken. De manier waarop met de ‘dissidenten’ in en buiten de fractie is omgesprongen, was niet bepaald een getuigenis van christelijke politiek. En het feit dat deze partij bereid is gedoogsteun te aanvaarden van een beweging die gebrek aan wellevendheid en respect tot handelsmerk van haar manier van politiek bedrijven heeft gemaakt, is dat evenmin. Volgens Vork zitten er in de fractie van de PVV “diepgelovige mensen”. Heeft de samenleving daar iets aan, wanneer ze deel uitmaken van een politieke beweging die groepen in de samenleving tegen elkaar opzet en er geen enkele behoefte aan heeft tegenstellingen te overbruggen?

Is dit kabinet een verhoring van het gebed? Het hangt er maar vanaf waarom je gebeden hebt. Vooralsnog lijkt het vanuit christelijk perspectief eerder een straf dan een zegen.

Discriminatie of evangelisatie?

Naarmate de vorming van een ‘rechts’ kabinet waaraan ook de PVV op één of andere manier bijdraagt, dichterbij komt, lopen de emoties steeds hoger op. In kranten en tijdschriften en niet het minst op internetsites gaan voor- en tegenstanders van zo’n kabinet elkaar te lijf, niet zelden met grof geschut. Ook in christelijke kring is de verdeeldheid groot.

Dat bleek nog eens duidelijk na de verkiezingen. Al bij de eerste consultatieronde liet de SGP weten eventueel wel gedoogsteun te willen verlenen aan een zodanig kabinet. Ook in de reacties op de informatieronde van Ruud Lubbers viel de open houding van de SGP tegenover een ‘rechts’ kabinet op. Dat staat in schril contrast met de afkeer van de PVV en vooral van het meeregeren door de PVV, die de ChristenUnie ten toon spreidt. De verklaring van senator Egbert Schuurman op de site van de partij spreekt wat dat betreft duidelijke taal. Een krant vermeldde in dit verband dat de ChristenUnie geldt als de felste politieke tegenstander van de PVV.

Inmiddels heeft een Comité voor de Rechtsstaat een oproep doen uitgaan naar de leden van de Tweede-Kamerfracties van VVD en CDA, waarin hun wordt gevraagd een coalitie af te wijzen, waarbij de PVV op enigerlei wijze betrokken is, met een verwijzing naar standpunten van de PVV, die op gespannen voet staan met het wezen van de rechtsstaat. Op het discussieforum van het Nederlands Dagblad werd daarop overwegend zeer negatief gereageerd. Weliswaar kan men er niet zonder meer vanuit gaan dat iedereen die reageert christen is, uit de reacties kan toch worden opgemaakt dat dit voor de meesten wel geldt. En dan valt het op hoe negatief wordt gesproken over de islam, en hoever men bereid is te gaan om het vermeende gevaar van de ‘islamisering’ tegen te gaan. Daarbij worden opvattingen geventileerd die je ook in kringen van de PVV kunt horen.

Nu is er voor christenen geen enkele reden positief te zijn over de islam. Wie ervan overtuigd is dat het christelijk geloof het enig ware geloof is en dat niemand tot de Vader kan komen dan door de Zoon, kan niet anders dan de islam als een valse godsdienst bestempelen. Maar wat betekent dat in de praktijk? Is dat een vrijbrief om de aanhangers van dat geloof te beledigen of hen als tweederangsburgers te behandelen? Geeft dat het recht hun vrijheden te ontzeggen die men voor zichzelf – als christenen – wel opeist? Laten we even aannemen dat Nederland inderdaad het gevaar loopt te ‘islamiseren’. Hoe ga je dat gevaar dan tegen?

Het merkwaardige is dat degenen die altijd roepen dat de scheiding van kerk en staat betekent dat de staat zich niet moet bemoeien met de kerk, in het geval van de islam ineens bepleiten dat de overheid zich wel bemoeit met de moskee. Er moet nauwkeurig voor gewaakt worden dat daar geen opvattingen worden uitgedragen die haaks staan op wat wij in Nederland aanvaardbaar vinden. Maar in de kringen van christenen die met de PVV sympathiseren blijft het meestal akelig stil, als het gaat om de geestelijke strijd tegen de islam. Binnen christelijke kerken zijn weliswaar mensen actief ten behoeve van de evangelieverkondiging onder moslims en er zijn gemeenten die speciaal iemand hebben aangesteld om zich hiermee bezig te houden, maar ik heb niet de indruk dat deze activiteiten op erg veel sympathie kunnen rekenen van degenen die in de PVV een bondgenoot zien in de strijd tegen de ‘islamisering’.

Voor een geestelijke strijd tegen de islam moet je natuurlijk niet bij de PVV zijn. Ondanks het feit dat ze er prat op gaat de ‘joods-christelijke cultuur’ van Nederland te verdedigen tegen de ‘aanvallen’ van de islam, moet deze beweging als volstrekt nihilistisch beschouwd worden. De PVV is niet gebaseerd op een levensbeschouwing en heeft moslims dus niets te bieden. Nu is het niet de taak van een politieke partij mensen tot een bepaald geloof te bekeren. Maar het is evenmin haar taak een bepaald geloof te bestrijden en de aanhangers daarvan het belijden van dat geloof onmogelijk te maken.

Wanneer dat geloof leidt tot maatschappelijke misstanden, dan moeten die aangepakt worden. Maar dat betekent niet dat dan aan het achterliggende geloof beperkingen opgelegd mogen worden. Er wordt beweerd dat de islam een politieke ideologie is. Dat is echter geen wetenschappelijk vaststelbaar feit maar een subjectieve interpretatie. Van de islam wordt misbruik gemaakt voor het bereiken van politieke doeleinden. Maar dat is in de loop van de geschiedenis met het christelijk geloof ook gebeurd. Daaruit trekt niemand de conclusie dat het christelijk geloof zelf een politieke ideologie is.

De geestelijke strijd tegen de islam is de taak van de kerk. En juist degenen die zich zoveel zorgen maken over een dreigende ‘islamisering’, zouden zich hiervoor actief moeten inzetten. Bekering tot het christelijk geloof is immers het meest effectieve wapen tegen de ‘islamisering’. Maar dan zitten we wel met een probleem. Want als je iemand wilt bekeren, zul je eerst contact moeten leggen en dat vervolgens moeten onderhouden en ontwikkelen. Iedereen begrijpt dat zo’n contact niet ontstaat en zeker geen stand houdt, wanneer wederzijds respect ontbreekt. En daar zit ‘m de kneep. PVV-sympathisanten hebben geen respect voor moslims, en hun wijze van optreden en hun uitlatingen roepen bij moslims begrijpelijkerwijs geen respect op.

Daaruit moet geconcludeerd worden dat degenen die in Wilders en zijn beweging een bondgenoot zien, in feite het meest effectieve wapen tegen de ‘islamisering’ buiten werking stellen. Naarmate de opvattingen van Wilders meer aanhang krijgen, wordt de evangelieverkondiging onder moslims moeilijker. En het is bepaald niet denkbeeldig dat degenen die moslims benaderen met het evangelie zich steeds vaker expliciet van de PVV en haar strijd tegen de islam zullen moeten distantiëren.

De politieke strijd tegen de islam en de evangelieverkondiging onder moslims laten zich niet verenigen. De uiteindelijke vraag voor christelijke PVV-sympathisanten is daarom wat het zwaarst weegt: het eigen tijdelijke welzijn of het eeuwige welzijn van de moslim.