Archief

Posts Tagged ‘Generale Synode’

GKV waarheen? (2)

30 juni 2019 1 reactie

In het eerste deel van deze serie blogs onder de titel ‘GKV waarheen’ analyseerde ik de situatie waarin de GKV zich bevinden. Ik sprak m’n vermoeden uit dat de komende Generale Synode de door de GS-Meppel ingeslagen weg zal vervolgen. En dan komen die leden van de GKV die hiertegen overwegende bezwaren hebben, voor de vraag te staan: wat nu? Die wil ik in deze blog onder ogen zien en daarbij neem ik de verschillende ‘alternatieven’ onder de loep. Daarbij kan de positie van de bezwaarden zelf niet buiten schot blijven. Want wie zich afvraagt: waarheen?, moet zich ook de vraag stellen wat hem of haar uit de GKV drijft en wat hij of zij elders zoekt.

Ter voorkoming van misverstanden een paar opmerkingen vooraf.

In de eerste plaats: wie verwacht hier het definitieve antwoord te vinden op de vraag ‘wat nu?’, zal teleurgesteld worden. Ik heb geen pasklaar antwoord. De eerste reden daarvan is dat ik me zelf nog midden in een proces van overwegen en afwegen bevind. De tweede is dat het antwoord op die vraag van allerlei factoren afhangt, waarvan ik er enkele in het verloop van het volgende verhaal naar voren zal halen.

In de tweede plaats: ik schrijf niemand voor wat hem of haar te doen staat. Ik ben niet in die positie en, zoals gezegd, er zijn allerlei factoren in het spel die van persoon tot persoon kunnen verschillen. Dat betekent dat bezwaarde leden van de GKV tot verschillende keuzes kunnen komen. Het is te hopen dat ze daarover in openheid en eerlijkheid met elkaar van gedachten kunnen wisselen zonder elkaar de maat te nemen.

Dat wil ik hier dan ook niet doen. Ik zal me over diverse zaken duidelijk uitspreken en positie kiezen. Maar de lezer dient dit niet op te vatten als een veroordeling van de keuze die hij eventueel maakt. Met mijn positiekeuze draag ik hopelijk bij tot de gedachtenvorming.

Dan nu dus de vraag: wat kunnen bezwaarde leden van de GKV doen, wanneer ze tot de conclusie komen dat ze niet langer lid van de GKV kunnen blijven?

In vroeger tijden hebben leden van de GKV, die bezwaren hadden tegen de koers van hun kerk, hun heil gezocht in de CGK. Dat is logisch, want sinds hun ontstaan hebben de GKV naar kerkelijke eenheid met de CGK gestreefd, die ze als een echte gereformeerde kerkgemeenschap beschouwden. Daarbij werd vooral gekeken naar de koers zoals die door achtereenvolgende Generale Synodes werd uitgezet, en niet zozeer naar wat zich op plaatselijk niveau afspeelde. Het feit dat de CGK in elk geval drie stromingen kent, werd niet als een overwegend bezwaar beschouwd. Inmiddels zijn de twee kerken officieel in staat van vereniging. Maar de laatste jaren is dat proces van vereniging in het slop geraakt.

Een duidelijk teken daarvan was dat het voornemen te komen tot een Gereformeerde Theologische Universiteit door de laatste Generale Synode van de CGK werd afgewezen. Daarin zouden de theologische universiteiten van GKV en CGK opgaan, samen met de predikantenopleiding van de NGK, en in samenwerking met de Gereformeerde Bond in de PKN. Officieel werden organisatorische kwesties als reden voor het besluit aangevoerd, maar het lijdt weinig twijfel dat de recente ontwikkelingen in de GKV daarbij een rol gespeeld hebben. Verzet tegen kerkelijke eenwording was er altijd al. Die kwam van de kant van de bevindelijke vleugel, verenigd rond het tijdschrift Bewaar het Pand. Ook de ‘linkervleugel’ had reserves en zocht liever toenadering tot de NGK en de PKN. Het synodebesluit laat zien dat nu ook het ‘klassiek-gereformeerde’ midden twijfels heeft over het proces van eenwording met de GKV.

Dat heeft niet alleen te maken met bijvoorbeeld de besluiten van de laatste Generale Synode van de GKV als zodanig, maar ook – en wellicht vooral – met de vrees dat een vereniging van de beide kerken ertoe zal leiden dat vergelijkbare ontwikkelingen in de CGK zelf worden versterkt. Want ook binnen dat kerkverband zijn er gemeenten die zich aan de besluiten van achtereenvolgende generale synodes niet al te veel gelegen laten liggen. Een extra probleem vormen de zogenaamde ‘samenwerkingsgemeenten’. De CGK plukken de vruchten van ongelukkige besluiten in het verleden die groen licht gaven aan gemeenten die met één been in de CGK en met het andere been in de GKV of de NGK staan. Praktisch gezien is zoiets al problematisch, want zulke gemeenten hebben met verschillende kerkverbanden en daar geldende, soms heel verschillende, regels te maken. Maar dat probleem wordt nog groter wanneer de respectievelijke kerkverbanden zich van elkaar verwijderen, zoals nu het geval is.

Inmiddels zijn ook de CGK een kerkverband in verwarring. Daarmee is hun aantrekkelijkheid voor bezwaarde leden van de GKV aanzienlijk verminderd. Want de kans is reëel dat zij, wanneer ze zich bij een CGK zouden aansluiten, op kortere of langere termijn met precies dezelfde problemen geconfronteerd zullen worden als die ze met het verlaten van de GKV achter zich dachten te hebben gelaten. Ze komen dus, nu of later, van de regen in de drup.

Er zijn leden van de GKV die zich hebben aangesloten bij een Gereformeerde-Bondsgemeente. Daar vinden ze veelal de prediking die ze gewend waren binnen de GKV te horen (zij het wellicht met wat andere accenten). Ik vermoed echter dat van degenen die vanwege de recente besluiten rond de ambten overwegen de GKV te verlaten, weinigen die stap zullen maken. Het ligt ook niet voor de hand. Eén van de bezwaren is immers dat de GKV het karakter van een plurale kerk beginnen aan te nemen. In mijn vorige blog wees ik al op het ontwerp van een kerkorde voor de kerk die uit de vereniging van GKV en NGK zal ontstaan. Die laat de plaatselijke kerken veel vrijheid, wat ongetwijfeld tot grotere, ook inhoudelijke, verschillen zal leiden. Het feit dat de GS-Meppel gemeenten de vrijheid gaf, de besluiten betreffende de ambten al dan niet uit te voeren en ook geen beperkingen oplegde met betrekking tot de principiële motivatie daarvan, bevestigt de ontwikkeling naar meer pluraliteit.

In dat licht is de keus voor een Gereformeerde-Bondsgemeente nogal merkwaardig. Want daarmee maakt men deel uit van de Protestantse Kerk in Nederland, waarin de pluraliteit betreffende de geloofsleer nog vele malen groter is dan binnen de GKV of zelfs binnen de voorgenomen verenigde kerk. Wie van mening is dat je bij de vraag of je nog langer lid kunt zijn van de GKV, niet alleen naar de eigen gemeente moet kijken, maar naar het kerkverband als geheel, zou dit ook bij de PKN moeten doen. Het lijkt me, kortom, voor bezwaarde leden van de GKV geen begaanbare weg.

Sinds de eeuwwisseling heeft een aantal bezwaarde leden de GKV verlaten, daaronder ook een aantal (emeritus-)predikanten. Daaruit zijn twee verschillende kerkverbanden ontstaan. Het oudste van de twee is De Gereformeerde Kerk (hersteld) (DGK), die op dit moment uit tien gemeenten bestaat. Van recentere datum is de vorming van De Gereformeerde Kerken in Nederland (GKN), die uit twaalf gemeenten bestaat. Het ligt voor de hand dat veel bezwaarden, die nu nog lid zijn van de GKV, vooral naar deze kerkverbanden kijken bij hun inventarisatie van de alternatieven. Qua karakter lijken ze op de GKV, waarin men is opgegroeid en zoals die nog tot de eeuwwisseling bestond. Die vertrouwdheid is een belangrijke factor.

Daar staat wel wat tegenover. Allereerst is er het praktische bezwaar van de regionale spreiding, of, beter gezegd, het gebrek daaraan. Bij zo’n klein aantal gemeenten is te verwachten dat de afstand voor een aantal GKV-leden bezwaarlijk is. Dat maakt het elke zondag deelnemen aan de erediensten problematisch, en zeker de betrokkenheid bij het kerkelijk leven door de week. Denk hier ook aan zaken als bijbelstudievereniging en catechisatie. Dat laatste is uiteraard een factor die zwaar weegt voor bezwaarden met kinderen in de catechisatieleeftijd.

Dan is er het probleem van de gescheidenheid van de twee kerkverbanden. Er zijn al diverse pogingen ondernomen om tot eenheid te komen, maar die hebben tot nu toe geen resultaat opgeleverd. Of een recente hernieuwde poging wel tot eenwording zal leiden, moet worden afgewacht. Er zijn redenen daar sceptisch over te zijn, want de beide kerkverbanden zijn toch wel redelijk verschillend in wat ik maar ‘ligging’ zal noemen. De DGK heeft al een aantal interne conflicten achter de rug, die over andere dan echt substantiële zaken gingen. Dat men dat in de DGK waarschijnlijk anders ziet, laat zien wat het probleem is. Wat uit de DGK naar buiten komt, ook via publicaties in hun tijdschrift De Bazuin (dat ik overigens alleen uit citaten in de pers ken), wekt de indruk dat dit kerkverband vooral gedreven wordt door nostalgie naar oude tijden. Men probeert de GKV van zo’n 40, 50 jaar geleden opnieuw tot leven te wekken. Daar hoort ook een rigiditeit bij, waarvan destijds de GKV bepaald niet vrij waren. Nostalgie mag een begrijpelijke emotie zijn, het kan niet dienen als basis voor een kerkverband anno nu.

De GKN staan hier wat anders in, maar ook dat kerkverband is niet van nostalgische smetten vrij. Dat blijkt bijvoorbeeld uit de terugkeer naar de bijbelvertaling van 1951. Het zal best waar zijn dat er de nodige kritiek uit te oefenen valt op de Nieuwe Bijbelvertaling – maar op welke eigenlijk niet? – maar dat moet geen reden zijn dan terug te keren tot een vertaling die ook bepaald niet smetteloos is en alleen al qua taalgebruik nauwelijks meer bruikbaar is. Wie de Nieuwe Bijbelvertaling niet wil gebruiken, kan dan beter z’n toevlucht nemen tot de Herziene Statenvertaling.

Wat betekent dit voor degenen die nog lid zijn van de GKV en overwegen over te stappen naar een ander kerkverband?

Om te beginnen: de verdeeldheid tussen DGK en GKN is niet bepaald een goede reclame voor elk van beide. Het maakt ze niet aantrekkelijker. Van een vereniging van deze twee zou een signaal kunnen uitgaan dat leden van de GKV ertoe kan overhalen dan toch naar deze ‘verenigde herstelde GKV’ over te stappen. Of toch niet? Ik wil hier niet nalaten ook kritisch naar de bezwaarden te kijken (en daarbij sluit ik mezelf in). Zij moeten bij zichzelf nagaan, wat hun motieven zijn. Waarom willen ze weg uit de GKV en wat zoeken ze dan als alternatief?

Ik heb er in mijn vorige blog al op gewezen dat de uitslag van de stemmingen op de GS-Meppel laat zien dat er verschillen zijn tussen bezwaarden. Er waren kennelijk afgevaardigden die bezwaar hadden tegen het voorstel betreffende de ambten, maar positief stonden tegenover de voorgenomen fusie met de NGK. Wie kijkt naar de samenstelling van de redactie van Nader Bekeken, een tijdschrift dat men wellicht kan beschouwen als spreekbuis van de bezwaarden binnen de GKV, ziet daar lieden van verschillende pluimage als het om de opvattingen over de ter discussie staande zaken betreft. Verschillende auteurs, die in de loop van de jaren hun bezwaren hebben geuit tegen bepaalde ontwikkelingen binnen de GKV, onderschrijven de besluiten van de GS-Meppel ten aanzien van de ambten. Eén van de redactieleden liet zelfs een boekje verschijnen, waarin hij – zij het met enige reserve – de synodebesluiten verdedigt. Dat dit geschrift in eerste instantie verscheen in de serie boekjes die nauw gelieerd is aan Nader Bekeken maar de herdruk elders werd ondergebracht, laat al zien dat het in het kamp van de bezwaarden bepaald geen koekoek één zang is. Een zekere mate van wrijving is onmiskenbaar.

Wie wat rondkijkt en volgt wat er binnen de kerken gebeurt, ziet voortdurend de bevestiging van het gebrek aan eenheid. Er is geen sprake van twee ‘kampen’, die duidelijk van elkaar te onderscheiden zijn. De grenzen lopen kriskras door elkaar. Dat blijkt bijvoorbeeld ook uit de manier waarop met de liturgie wordt omgegaan. Sommige predikanten uit het bezwaarde kamp maken ruimhartig gebruik van Opwekking en andere liedbundels, die geen officiële status binnen de GKV hebben, terwijl andere daarin veel terughoudender zijn. Sommige predikanten, die je in een aantal opzichten als ‘behoudend’ kunt aanmerken, hechten aan het gebruik van kerkelijk vastgestelde formulieren bij de bediening van de sacramenten en ook van de vastgestelde teksten bij het voorlezen van de wet. Anderen gaan daar veel vrijer mee om. Ik noemde al het voorbeeld van de bijbelvertaling. Ik heb tot nu toe geen structureel verzet tegen de Nieuwe Bijbelvertaling opgemerkt. Er zijn er zelfs die zich voor de introductie daarvan hebben ingezet. Ook over de manier waarop de toelating van gasten tot het avondmaal moet worden geregeld, bestaat geen uniformiteit. Deze verschillen doen zich ook voor onder ‘ambteloze’ kerkleden, die zich tot de ‘bezwaarden’ rekenen.

Nu zou men kunnen zeggen dat het hier niet om zaken gaat die de geloofsleer raken en dat ze dus van relatief minder belang zijn. Dat is ten dele waar, maar verschillende van die zaken hebben toch wel op de één of andere manier te maken met de wijze waarop je als kerken wilt samenleven. En het gebruik van Opwekking roept allerlei vragen ten aanzien van het karakter van de liturgie op, waarover je best een stevige discussie kunt hebben. Bovendien wekken deze zaken, die vrijwel iedereen raken, nogal eens sterke emoties op, waaraan een kerkelijke gemeenschap niet zonder meer voorbij kan gaan. Het lijkt me eerlijk gezegd een illusie dat alle bezwaarden die zich nu nog binnen de GKV ophouden – inclusief een aantal predikanten – zich moeiteloos laten invoegen in de DGK of de GKN dan wel een combinatie van die twee.

Er is nog een kwestie die hier aan de orde moet komen. Die betreft de betrokkenheid van de kerk op de samenleving. Ook op dat vlak hebben de GKV een ommezwaai gemaakt. Vroeger was het uitgangspunt dat de kerk zich niet mengde in maatschappelijke en politieke aangelegenheden. (In de praktijk gebeurde dit wel degelijk, zoals ik noteerde in een eerdere blog.) Daartoe aangezet door de prediking in de kerk, zouden haar leden in politiek en maatschappij actief moeten worden en daar hun geloof in praktijk moeten brengen. Inmiddels is dat uitgangspunt verlaten (mede doordat allerlei organisaties hun exclusieve band met de GKV hebben losgelaten). Kerken houden zich nu als kerk bezig met maatschappelijke vraagstukken, zoals eenzaamheid, armoede en integratie van allochtonen. Hulp aan vluchtelingen en asielzoekers is niet meer een activiteit van individuele kerkleden, maar wordt gestimuleerd vanuit de kerk, via de diaconie en door middel van preken en voorbeden. Ook uit de bestemming van collecten blijkt die betrokkenheid bij maatschappelijke en politieke kwesties; denk aan de voedselbank of Schuldhulpmaatje.

Er valt genoeg te bekritiseren aan de ontwikkelingen in de GKV, maar dit beschouw ik als een positieve ontwikkeling. Maar ik denk dat niet iedere ‘bezwaarde’ dat zo ziet. De vraag is dus hoe een ‘nieuwe’ kerkgemeenschap – of een uitbreiding van GKN en/of DGK – zich op dat vlak zal gedragen. Gezien het feit dat sommige bezwaarden hun stem aan de SGP geven, die een uitgesproken conservatief geluid laat horen, doet me vermoeden dat ook hier een bron van spanningen ligt.

Als ik de ontwikkelingen binnen de GKV en de ‘tegenbeweging’ analyseer, kan ik onmogelijk erg optimistisch zijn. Veel bezwaarde GKV-leden wachten op de eerstvolgende Generale Synode. Mij lijkt dit formeel correct, maar ook niet meer dan dat. Er is wel veel fantasie voor nodig om te geloven dat deze synode de gesignaleerde problemen zodanig zal aanpakken dat de GKV met recht de naam ‘gereformeerd’ mogen blijven dragen. De ontwerp-kerkorde van de gefuseerde GKV/NGK bevestigt deze ontwikkelingen en laat zien dat de gefuseerde kerk vooral op de NGK zal gaan lijken en nog maar weinig gemeen zal hebben met de GKV, zoals die tot het begin van deze eeuw was.

Op grond daarvan lijkt een breuk onafwendbaar. Maar zal dat leiden tot het ontstaan van één nieuwe gereformeerde kerk? Ik heb daarover grote twijfels. De conflictstof ligt voor het oprapen. Bij een kerkelijke breuk hebben niet alle ‘afgescheidenen’ per definitie dezelfde motieven. Bij sommigen bestaat er ook een algemene weerzin tegen modernisering. Naast alle terechte kritiek op ontwikkelingen binnen de GKV, valt een zekere verwantschap met het maatschappelijk en politiek populisme niet te ontkennen. Diegenen die worden gedreven door een – romantisch – verlangen naar de veiligheid en de duidelijkheid van de kerk van het verleden, zullen na een eventuele breuk in een nieuwe kerk – of die nu helemaal nieuw is of aansluiting vindt bij DGK en/of GKN – na korte of langere tijd teleurgesteld raken. Want het verleden komt niet weerom.

Conservatisme of zelfs reactie zijn geen goede recepten voor een ‘herstelde’ gereformeerde kerk. Het gaat er niet om te herstellen wat er eens was. Het gaat er om gereformeerde kerk te zijn in de samenleving van nu. Die stelt andere vragen en kent andere problemen. De uitdaging van de kerk is vanuit het blijvende Woord en de belijdenis die haar samenvat, daarop de antwoorden te vinden.

Het was mijn bedoeling het bij twee blogs over dit onderwerp te laten. Maar nu ik aan het slot van de tweede aflevering aangekomen ben, dringt zich de vraag op of een derde aflevering niet noodzakelijk is. De ontwikkelingen in de CGK staan niet stil. Er zijn geluiden die er op wijzen dat ook binnen de CGK de mogelijkheid van een kerkelijke breuk serieus wordt overwogen. Dat is nieuw, want alleen de gedachte al was binnen de CGK altijd zoiets als vloeken in de kerk. Het is belangrijk genoeg om daaraan apart aandacht te besteden. Wellicht kan de CGK een sleutelpositie gaan innemen in wat een kerkelijke herverkaveling zou kunnen worden. Ik verbind dit dan met de vraag die ik tot nu toe heb laten liggen: is een breuk inderdaad onvermijdelijk en zelfs gewenst? Of zijn er wellicht toch argumenten om gewoon lid te blijven van een kerk waartegen je zwaarwegende bezwaren hebt?

Advertenties

GKV waarheen? (1)

De Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) (GKV) zijn een kerkverband in verwarring. Sinds de perikelen van de jaren ’70 van de vorige eeuw, die tot het ontstaan van de Nederlandse Gereformeerde Kerken (NGK) leidden, bevond het kerkverband zich in relatief rustig vaarwater. Natuurlijk kwamen op kerkelijke vergaderingen, zoals Generale Synodes, wel zaken aan de orde die aanleiding gaven tot verschil in opvatting, maar die waren zelden van fundamentele aard. Sinds de eeuwwisseling is het vaarwater nogal troebel geworden. Er begon van alles te schuiven, vaak eerst in plaatselijke kerken en daardoor van een beperkte reikwijdte. Eén van de kenmerken van de veranderingen was dat ze vaak stilzwijgend plaatsvonden. Men confronteerde zich niet met de gangbare opvattingen en praktijken en voelde zich daarom ook niet geroepen nieuwe opvattingen en vormen te beargumenteren.

Die fase hebben de GKV achter zich gelaten. De meningsverschillen zijn de laatste jaren aan de oppervlakte gekomen en niemand kan meer doen alsof ze er niet zijn. Dat heeft drie oorzaken. De eerste is het besluit van de laatste Generale Synode (aan te duiden als GS-Meppel) de ambten van predikant, ouderling en diaken open te stellen voor vrouwen. De tweede is het besluit te streven naar een fusie op afzienbare termijn met de NGK. De derde is het besluit van de GS-Meppel een studie te laten verrichten naar de positie van homoseksuelen – en dan met name diegenen die een relatie aangaan – binnen de kerk. Terwijl dat laatste onderwerp op de eerstvolgende GS (GS-Goes, 2020), die in november a.s. wordt geopend, waarschijnlijk nog niet aan de orde zal komen, zullen de eerstgenoemde twee kwesties daar een centrale rol spelen. Dat heeft, voor wat de openstelling van de ambten betreft, vooral te maken met de bezwaren die door diverse kerken zijn ingebracht tegen het besluit van de GS-Meppel.

Inmiddels wordt er op allerlei niveaus gediscussieerd over dat besluit. Dat gebeurt niet alleen op landelijk niveau, via publicaties in allerlei vorm, maar ook in gemeenten, dankzij het feit dat de GS de gemeenten de vrijheid gaf de genomen besluiten al dan niet uit te voeren. Het heeft in veel gemeenten voor wrijving en verwijdering gezorgd. Niet alleen ‘bezwaarden’ vragen zich af: wat nu? Waar gaan we als kerken heen? Kunnen we de eenheid nog bewaren of bestaat die in feite al niet meer? En als er een breuk optreedt, wat dan? Een alternatief dient zich niet altijd direct aan. Niet weinige bezwaarden kunnen het de Gereformeerde Bond nazeggen, toen die met de aanstaande vorming van de PKN werd geconfronteerd: we kunnen niet mee en we kunnen niet weg.

Ik wil hier een poging doen de stand van zaken op te nemen en m’n gedachten laten gaan over de te verwachten ontwikkelingen. Wat kunnen we van de komende Generale Synode verwachten en wat zullen de consequenties van eventuele besluiten zijn?

Allereerst de kwestie betreffende de openstelling van de ambten. Voor de goede orde: het gaat daarbij vooral om de ambten van predikant en ouderling. Over de openstelling van het ambt van diaken bestaat een vrij grote overeenstemming.

Ik zie hier vier opties.

De eerste is dat de GS tot de conclusie komt dat het besluit van de GS-Meppel principieel onjuist was en dat op grond van de Schrift de ambten van predikant en ouderling aan mannen voorbehouden zijn. Dat zal vèrgaande consequenties hebben. Het betekent dat er geen basis is voor de ambtsuitoefening van die vrouwen die al als ouderling functioneren. Zij zullen hun ambt per direct moeten neerleggen. Dat is uiteraard een pijnlijke zaak. Maar nog pijnlijker is de principiële kant. Want toen zij bevestigd werden, hebben zij “ja” gezegd, toen hun gevraagd werd of ze ervan overtuigd waren dat God hun tot die taak geroepen had. Dat moet dan achteraf als een vergissing worden aangemerkt. Daarbij blijft het niet. Want zo’n besluit impliceert dat de opvattingen van de voorstanders van de openstelling van de ambten voor vrouwen als onschriftuurlijk moeten gelden. Wat betekent dit voor het functioneren van predikanten en hoogleraren die zulke opvattingen publiek hebben uitgedragen? Er is niet veel fantasie voor nodig om te beseffen dat een zodanig besluit als een splijtzwam zal gaan werken. Alleen al om die reden kunnen we er gevoeglijk van uitgaan dat zo’n besluit niet genomen zal worden.

De tweede optie is dat wordt uitgesproken dat uit de discussies blijkt dat er veel onzekerheid bestaat over de correcte uitleg van teksten die met het onderwerp te maken hebben. De synode zou, vanuit de overweging dat een grote mate van consensus in deze kwestie gewenst is, kunnen besluiten een studie-deputaatschap te benoemen dat zich nog eens over de exegese van relevante Schriftplaatsen gaat buigen en met name over die, welke aanleiding geven tot fundamentele verschillen van inzicht. Je zou dit de veilige optie kunnen noemen. Definitieve besluiten worden niet genomen, noch in de ene noch in de andere richting. De discussie op allerlei niveaus kan worden voortgezet zonder consequenties voor de deelnemers. Het ligt voor de hand dat, zolang geen nieuw besluit wordt genomen, geen vrouwen in de ambten worden bevestigd. Die vrouwen die al een ambt bekleden, zouden hun termijn kunnen volmaken.

De derde optie is dat de synode uitspreekt dat het besluit weliswaar juist is maar dat de argumentatie te wensen overlaat. Ze zou uit haar midden een aantal afgevaardigden aan het werk kunnen zetten om een deugdelijker onderbouwing van de genomen besluiten te formuleren. Dit is de meest problematische optie. Het komt er in feite op neer dat de synode zegt: vrouwen mogen wel in de ambten benoemd worden, maar we weten eigenlijk niet zo goed waarom. Je zou dit ook de meest gênante optie kunnen noemen. Hiermee deelt de synode zichzelf en haar voorgangster een brevet van onvermogen uit.

De vierde optie heeft met de eerste gemeen dat ze de helderste is. De synode bevestigt het besluit van de GS-Meppel en meent dat de onderbouwing toereikend is en recht doet aan de Schrift. Maar daarmee is de kous niet af. De vraag die ze daarbij niet kan ontlopen, is of ze het kan volhouden dat alle meningen gelijke rechten hebben binnen de kerken. Want als de discussie sinds de laatste GS iets laat zien is het dat dit leidt tot ongemak, wrijving en gewetensconflicten. De synode ontkomt er niet aan zich af te vragen of deze verdeeldheid nog past binnen de bandbreedte van wat we als kerken onder ‘gemeenschap van de heiligen’ verstaan. Een bevestiging van de besluiten zal onvermijdelijk – en ook hier ligt een parallel met de eerste optie – tot verdere verdeeldheid leiden en wellicht tot een formele breuk binnen het kerkverband.

Welke optie is de meest waarschijnlijke? Ik zou het niet weten. De eerste is, zoals ik al suggereerde, de minst waarschijnlijke. De consequenties daarvan zullen zo ingrijpend zijn dat men het niet zal aandurven, zo’n besluit te nemen. Uiteraard hangt de uitkomst af van de vraag hoe de synode is samengesteld. Het lijkt echter onwaarschijnlijk dat er voldoende draagvlak zal zijn voor een zo vèrgaand besluit. Het feit dat tenminste twee vrouwelijke ouderlingen zijn afgevaardigd naar de GS-Goes maakt dat nog onwaarschijnlijker. Het zal dus wel één van de andere drie worden. Vooralsnog geef ik de laatste de meeste kans.

Er is nog een tweede kwestie die de gemoederen bezighoudt, al neemt die in de discussies in de pers en op vergaderingen een minder prominente plaats in. Dat laatste zou wel eens z’n oorzaak daarin kunnen vinden dat de fusie met de NGK minder verzet oproept dan de openstelling van de ambten voor vrouwen. Het is opvallend dat tijdens de GS-Meppel de stemverhoudingen bij deze twee onderwerpen verschilde. Het aantal stemmen tegen de fusie tussen GKV en NGK was kleiner dan dat tegen het voorstel betreffende de ambten. Daaruit moet de conclusie getrokken worden dat er afgevaardigden waren, die bezwaar hadden tegen de toelating van vrouwen tot de ambten, maar niet tegen de fusie met de NGK. En dat is vreemd. Want binnen de NGK is de uitoefening van de ambten van predikant en ouderling door vrouwen geen onderwerp van discussie meer. Het is inmiddels ingeburgerd en de kans dat het na een fusie met de GKV nog weer ter discussie zal worden gesteld, lijkt me vrij klein. Degenen die verschillend stemden, zullen zich toch wel gerealiseerd hebben dat met een fusie precies datgene de kerk binnenkomt, wat ze door hun tegenstem bij het voorstel over ‘vrouw en ambt’ buiten de deur wilden houden?

Maar daarbij blijft het niet. Zoals ik in eerdere weblogs heb betoogd, komen met de fusie ook andere zaken de kerk binnen die je juist zou moeten weren. Dat betreft de te zwakke binding aan de belijdenis en – daarmee annex – een te grote vrijheid van plaatselijke kerken op het gebied van de geloofsleer en de ethiek, alsmede de vrijheid de leer van ds. B. Telder uit te dragen en, niet te vergeten, het gedachtegoed van New Wine, dat op een aantal punten niet verenigbaar is met de gereformeerde geloofsleer en de gereformeerde manier van kerk-zijn. Het voorstel voor een kerkorde van de verenigde kerk onderstreept dat die kerk meer op de huidige NGK zal gaan lijken dan op de GKV, zoals die tot aan het begin van deze eeuw was.

Het feit dat tegen deze fusie zo weinig weerstand wordt geboden, is bepaald verontrustend. Kennelijk zien verreweg de meeste voorgangers en kerkenraden hier geen problemen. En van degenen bij wie dat wel het geval is, is lang niet iedereen bereid daaraan de consequentie te verbinden dat die fusie dan maar niet door moet gaan. Ik weet op dit moment niet of tegen het principebesluit tot een fusie door gemeenten bezwaren zijn ingebracht en ook niet wat de synode op dit punt eventueel nog zou moeten besluiten. Vooralsnog lijken de kansen dat er nog zand in de machine wordt gestrooid, niet erg groot. De trein zal dus wel voortrazen tot een stadium is bereikt dat er in feite geen weg terug meer is.

Wanneer inderdaad zal gebeuren wat ik hierboven als het meest waarschijnlijke heb aangemerkt, zullen leden van de GKV die zich met deze ontwikkelingen niet kunnen verenigen, des te nadrukkelijker voor de vraag komen te staan: wat nu? Daarover gaat de tweede aflevering van deze serie.

Een kerk op dwaalwegen

Van 15 tot 17 juni j.l. heeft de Generale Synode van de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) (GKV) een aantal besluiten genomen die diepe sporen trekken binnen de kerkelijke gemeenschap. Besloten werd de ambten van diaken, ouderling en predikant open te stellen voor vrouwen. Terwijl het eerstgenoemde besluit vrijwel unaniem werd genomen, liet de stemverhouding ten aanzien van de twee andere zaken zien dat de kerken over deze kwesties diep verdeeld zijn. De reacties op de besluiten van voor- en tegenstanders bevestigden dat beeld. De komende maanden – en vooral na de zomervakantie, wanneer kerkenraden zich over de synodebesluiten zullen gaan buigen – zal menige discussie gevoerd worden, niet alleen binnen kerkenraden maar ook in de gemeenten. Volgens het Reformatorisch Dagblad hebben de GKV een wissel omgezet. Is dat een juiste analyse?

Ja en nee. Om met het laatste te beginnen, de besluiten van de Generale Synode passen in een proces dat al jaren gaande is. Stukje bij beetje hebben de GKV hun koers verlegd. De veranderingen zijn vrijwel altijd op lokaal niveau begonnen. Gemeenten en kerkenraden hebben zich een steeds grotere mate van vrijheid toegeëigend om hun koers te bepalen in zaken, waarover tevoren altijd op het niveau van meerdere vergaderingen, en speciaal dat van generale synoden, werd gediscussieerd en besloten. Die betreffen niet alleen ontwikkelingen op liturgisch gebied – die wellicht het meest in het oog springen – maar ook zaken als de contacten met andere kerken en samenwerking op het gebied van evangelisatie, de pastorale omgang met ongehuwd samenwonenden en homosexuele relaties en de toelating van gasten aan het avondmaal. Hoewel er duidelijke kerkverbandelijke afspraken bestaan dat in de regel ’s zondags twee kerkdiensten plaatsvinden, dat in de morgendienst de wet gelezen wordt, dat alleen kerkverbandelijk toegelaten liturgische formulieren gebruikt worden en dat gemeenten alleen diegenen als lid aanvaarden die op hun grondgebied wonen, gaan ook daarin gemeenten hun eigen gang. Die grotere plaatselijke eigenzinnigheid heeft de vorige Generale Synode in feite van een stempel van goedkeuring voorzien door de aanvaarding van een nieuwe kerkorde, waarin veel minder is vastgelegd. Eerder werd de grotere diversiteit al gestimuleerd door bijvoorbeeld af te zien van duidelijke regels met betrekking tot het liedrepertoire.

Het feit dat de hierboven geschetste ontwikkelingen geleidelijk plaatsvonden en zich vaak op plaatselijk niveau voltrokken, verklaart ook, zoals ik op dit weblog al eens heb gesignaleerd, dat een expliciete verantwoording van gewijzigde standpunten en handelwijzen meestal ontbreekt. Dat is vooral dan een ernstige omissie, wanneer het gaat om zaken waarover nog maar enkele decennia geleden ferme tegenovergestelde standpunten werden gehuldigd en uitgedragen.

In dat licht is het winst dat de Generale Synode nu duidelijke uitspraken heeft gedaan. Daarmee hebben de GKV een bepaalde positie gemarkeerd die je, met de commentator van het Reformatorisch Dagblad, als het omzetten van een wissel mag beschouwen. Want met deze besluiten is in ieder geval ten aanzien van de toelating van vrouwen tot de ambten vastgelegd wat nu als het standpunt van de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) mag gelden. Dat moet inderdaad zo geformuleerd worden, allerlei uitlatingen ten spijt die ten doel hebben de pil voor de tegenstanders wat te vergulden en hun vertrek uit de kerkelijke gemeenschap te voorkomen. In zijn interview met het Nederlands Dagblad trekt de preses van de GS, dr. M.H. Oosterhuis, een rookgordijn op.

Ten aanzien van de genomen besluiten over de toelating van de vrouw tot de ambten zegt hij: “We hebben heel lang geleefd bij de schijnzekerheid dat de Bijbel klip en klaar was over dit thema. De synode doet niets anders dan een stap terug zetten en erkennen dat het ingewikkelder ligt. Je mag elkaar niet binden aan iets waarover geen nadrukkelijke zekerheid bestaat. Je mag de ander niet binden aan jouw Bijbeluitleg.” Op deze weergave van wat zich heeft afgespeeld, valt wel wat aan te merken. Als de synode inderdaad van mening was de de bijbel geen helderheid over dit onderwerp geeft – wat op zichzelf ook een vorm van exegese is – had ze moeten uitspreken dat er meer tijd van studie en meningsvorming nodig was. Maar ze heeft duidelijk stelling genomen en dat is wat anders dan een stap terug zetten. Het is een stap vooruit, naar mijn overtuiging in de verkeerde richting.

En of de synode de kerken niet heeft gebonden aan een bepaalde uitleg van de bijbel is nog maar de vraag (*). Ze heeft uitgesproken “dat er Schriftuurlijke gronden zijn om naast mannen ook vrouwen te roepen tot de dienst in het opzicht, het pastoraat en het onderwijs en daardoor tot het ambt van ouderling” (Besluit 5) en “dat er Schriftuurlijke gronden zijn om naast mannen ook vrouwen te roepen tot de dienst van verkondiging en onderwijs en daarmee tot het ambt van predikant” (Besluit 6). Nee, daarmee legt de synode niet een bepaalde exegese van specifieke bijbelteksten aan de kerken op. Maar haar besluiten zijn wel gebaseerd op een bepaalde lezing van de Schrift en een bepaalde weging van Schriftgedeelten en specifieke teksten. Hoeveel vrijheid is er binnen de kerken dan nog om uit te dragen dat de besluiten van de synode in strijd zijn met de Schrift en berusten op een principieel onjuiste lezing daarvan?

De synode besloot ook “ruimte te geven aan de plaatselijke kerken om zelf te bepalen of en zo ja op welke wijze en wanneer ze in de lijn van deze besluiten willen handelen” (Besluit 7). Dit besluit schept onvoldoende duidelijkheid. Het gebruik van het woord of suggereert dat kerkenraden mogen besluiten geen vrouwen tot de ambten toe te laten – niet maar tijdelijk, maar voor altijd. Hebben ze ook de vrijheid daarvoor principiële gronden aan te voeren en uit te spreken dat de openstelling van de ambten van ouderling en predikant voor vrouwen in strijd is met de Schrift? Of worden ze dan – op grond van de synodebesluiten – tot de orde geroepen, bijvoorbeeld wanneer leden van de gemeente in beroep gaan tegen het beleid van hun kerkenraad?

Laten we aannemen dat kerkenraden inderdaad die vrijheid hebben. Het is de vraag of dat de vrede in de gemeente dient. De vrede in het kerkverband dient het in elk geval niet. Want een gemeente is geen eiland. Gemeenten zijn op allerlei manieren met elkaar verbonden, via attestaties, meerdere vergaderingen en kanselruil. Wat zijn de consequenties van de synodebesluiten voor het samenleven als kerkverband? Wie het spreken van de belijdenis over de kerk en de gemeenschap van de heiligen serieus neemt, kan zich uiteindelijk niet neerleggen bij allerlei ‘pragmatische’ oplossingen, die in andere kerkverbanden, zoals de PKN, worden gehanteerd. Het zou ook ongeloofwaardig zijn, gezien de kritiek op deze ‘oplossingen’ die in het nog niet zo verre verleden vanuit de GKV klonk. Ook hier lijkt een principiële verantwoording van een eventuele koerswijziging geen overbodige luxe.

Zo’n koerswijziging kan weinig anders inhouden dan de keuze voor het model van de plurale kerk. Dat betekent dat in de ene gemeente vanaf de kansel en in het pastoraat als Schriftuurlijk mag worden uitgedragen wat in een andere gemeente als in strijd met de Schrift wordt bestempeld. Het vereist nogal wat geestelijke rek- en strekoefeningen om dat in te passen in wat de gereformeerde belijdenissen over de kerk zeggen.

Gezien de hier geschetste ontwikkelingen is het begrijpelijk dat leden van de GKV zich afvragen: wat nu?

Voor een definitief antwoord op die vraag lijkt de tijd me nog niet rijp. Dat geldt in elk geval voor mij. Als lid van een GKV zit ik nog midden in het proces van overweging en overdenking. De komende maanden is het vakantietijd en gebeurt er weinig op kerkelijk terrein. Dat geeft gelegenheid in alle rust de ontwikkelingen te overwegen. Pas na de vakantie zullen kerkenraden met de genomen besluiten aan de slag gaan en zullen ze wellicht daarover met de gemeente in gesprek gaan. Ik zet hieronder een paar elementen op een rijtje die in elk geval in mijn overwegingen een rol spelen.

Het is begrijpelijk dat de synodebesluiten over de ambten nu alle aandacht krijgen, want daarover heeft de Generale Synode uitspraken gedaan die nu als de officiële standpunten van de Gereformeerde Kerken mogen worden beschouwd. Maar er is meer aan de hand. Zoals hierboven al geschetst, maken deze besluiten deel uit van een proces. Het is dus nodig ze in een breder kader aan de orde te stellen. In dit verband wil ik wijzen op de besluiten die genomen zijn ten aanzien van de contacten met andere kerken. Er wordt nu gestreefd naar een fusie met de Nederlandse Gereformeerde Kerken (NGK). Door een minderheid van de Deputaten Kerkelijke Eenheid is er terecht op gewezen dat de binding van ambtsdragers aan de belijdenis binnen de NGK de nodige vragen oproept. Ik voeg daaraan toe dat een fusie tussen GKV en NGK de ontwikkelingen waarover GKV’ers zich zorgen maken en waarvan ik er aan het begin van dit stuk een aantal heb opgesomd, niet zal afremmen maar eerder versnellen. Ik herinner ook aan de plannen om de contacten met de PKN te intensiveren (zie daarover mijn blog ‘Kerkelijke eenheid – kiezen of delen’).

Formeel is de enige manier om de genomen besluiten van tafel te krijgen een verzoek om revisie bij de eerstvolgende Generale Synode. Die weg moet inderdaad gevolgd worden, maar het is de vraag of die enig soelaas biedt. Een revisieverzoek heeft geen opschortende werking, dus de hiervoor geschetste problemen worden daarmee niet opgelost. Bovendien moeten er nieuwe argumenten aangedragen worden, maar veel argumenten voor en tegen zijn al onderwerp van discussie geweest, ook ter synode. Verschillende scribenten hebben er op gewezen dat achter de meningsverschillen over de toelating van de vrouw tot de ambten een hermeneutisch verschil van mening zit. Volgens hen is er geen eenstemmigheid over de vraag hoe de bijbel gelezen moet worden en welke rol onze cultuur in de exegese moet of mag spelen. Het lijkt me daarom van groot belang vooral dat onderwerp op de eerstkomende synode aan de orde te stellen. Daar moet dan de vraag aan gekoppeld worden op welke manier de Schrift normatief is op ethisch terrein. Want ook op dat vlak zijn verschuivingen waarneembaar.

Juist omdat de besluiten betreffende de ambten in een breder verband staan, moeten ze niet als een soort sjibbolet gaan fungeren. Of je er voor of tegen bent, is niet een soort lakmoesproef om te bepalen of iemand wel of niet ‘Schriftgetrouw’, ‘confessioneel betrouwbaar’ of ‘goed gereformeerd’ is. Er zijn nogal wat kerkleden die bezwaren hebben tegen een aantal ontwikkelingen in de GKV, maar over dit onderwerp (nog) geen afgeronde eigen visie hebben. Er zijn er ook die de toelating van de vrouw tot het ambt positief waarderen, maar problemen hebben met de daarvoor aangevoerde gronden en daarin bedenkelijke tendenzen waarnemen. Kortom, er is alle reden de communicatie gaande te houden.

Dat brengt me bij een belangrijk element in de overwegingen over wat ‘bezwaarde’ leden van de GKV te doen staat. We zijn als leden van de kerk voor elkaar verantwoordelijk. Die verantwoordelijkheid betreft in de eerste plaats onze eigen gemeente. Maar ze beperkt zich daar niet toe. Als kerken zijn we niet alleen formeel met elkaar verbonden, maar in de eerste plaats geestelijk. Kerken hebben zich vrijwillig tot een kerkverband aaneengesloten, omdat ze op hetzelfde geestelijke fundament staan. Dat komt bijvoorbeeld tot uiting in de drie formulieren van eenheid – die uitdrukking is veelzeggend. Van die verantwoordelijkheid mogen we ons niet gemakkelijk afmaken, bijvoorbeeld door nu direct maar de uitgang van de kerk op te zoeken.

Maar verantwoordelijkheid heeft ook een andere kant, die je misschien voor de duidelijkheid aansprakelijkheid zou kunnen noemen. Gereformeerde kerken zijn niet van bovenaf, maar van onderop georganiseerd. Leden van gemeenten hebben daarmee de mogelijkheid de leer en de manier waarop de Schrift in prediking en pastoraat gehanteerd wordt, langs de kerkelijke weg aan de orde te stellen. De logische consequentie is dat ze daarmee ook aangesproken kunnen worden op wat de kerk leert en welke besluiten kerkelijke vergaderingen nemen. En daar wringt de schoen. Want als kerklid moet ik me de vraag stellen of, en zo ja, hoe lang en op welke punten ik op de kerkelijke leer en praktijk aangesproken wil worden. Beslissend is daarbij niet, of ik er zelf gelukkig mee ben, maar of ze in het licht van de Schrift en de belijdenis te verantwoorden zijn. Er kan een moment komen dat de last van die aansprakelijkheid te zwaar wordt.

De spanning tussen verantwoordelijkheid en aansprakelijkheid zal vooral gevoeld worden door diegenen die vanwege hun ambt – predikant of ouderling – geroepen zijn geestelijk leiding te geven aan de gemeente. Maar ook wie geen ambt bekleedt, zal die spanning ervaren. Bovendien: de eerste verantwoordelijkheid van iedere gelovige is die voor zijn eigen geestelijk welbevinden. Dat kan ernstig geschaad worden wanneer men te lang meeloopt met een kerkelijke gemeenschap die zich op dwaalwegen begeeft.

(*) De besluiten van de GS betreffende “m/v en ambt” zijn hier te downloaden.

Falend leiderschap

De Generale Synode van de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) (GKV) heeft haar werkzaamheden beëindigd. Ze zal later dit jaar nog een keer bijeenkomen, maar de belangrijkste zaken zijn afgehandeld. De meeste aandacht is, zoals te verwachten was, uitgegaan naar de behandeling van wat als het meest controversiële onderwerp werd beschouwd: de vraag of de ambten van predikant, ouderling en diaken voor vrouwen kunnen worden opengesteld.

Na langdurige discussies die zich over meerdere dagen uitstrekten heeft de synode deze hete aardappel doorgeslikt – of moeten we eerder zeggen: uitgespuwd? Want een definitief besluit is niet genomen en welke richting de GKV op dit punt de komende jaren zullen inslaan is nog allerminst duidelijk. De besluitvorming is daarvoor te diffuus en in zekere zin ook te tegenstrijdig. Het rapport van de meerderheid van de deputaten dat pleitte voor de openstelling van de ambten voor vrouwen, is unaniem afgewezen. Daaruit mag niet geconcludeerd worden dat de synode deze opvatting als zodanig heeft verworpen. De unanimiteit van de afwijzing wijst daar al op. Het was vooral de argumentatie onder de uitgedragen visie die als ontoereikend en deels ook onjuist werd beoordeeld. Bovendien sprak de synode uit dat in de kerk ruimte blijft voor pleidooien voor openstelling van de ambten voor vrouwen, zolang er vanuit de Schrift geargumenteerd wordt.

Er komt een studie naar de ambten, omdat uit de discussies ter synode en daarbuiten gebleken is dat daarover geen eenstemmigheid bestaat. De ambtsstructuur zoals die in de GKV functioneert, kan niet rechtstreeks aan de Schrift worden ontleend en dus is er ruimte voor bezinning die eventueel tot aanpassingen zou kunnen leiden. Er is op zichzelf niets op tegen het ambt kritisch tegen het licht te houden. Maar het is wel de vraag of dat nu echt iets fundamenteel nieuws zal opleveren. We moeten niet de suggestie wekken dat de kerken van de Reformatie in het verleden alles volledig uit hun duim hebben gezogen toen ze de huidige ambtsstructuur vormgaven.

Men kan zich ook afvragen waarom uitgerekend nu een bezinning op het ambt plaatsvindt. Was daar niet al eerder aanleiding toe? In veel gemeenten is de voorziening in de ambten al jaren problematisch en er zijn allerlei initiatieven genomen om de daardoor ontstane tekorten in het ambtelijk werk op te vangen. De figuur van de pastoraal werker is daar een voorbeeld van. Ook het fenomeen van de huiskring moet in dit kader gezien worden. Dat roept vragen op over de verdeling van taken en verantwoordelijkheden over ambtsdragers en ‘ambteloze’ gemeenteleden, maar dat is kennelijk geen reden geweest het ambt als zodanig op de agenda te zetten. Dat dit nu wel gebeurt, geeft wel enige reden tot wantrouwen. Is het de bedoeling het ambt zodanig te kneden en bij te schaven dat de bezwaren tegen de openstelling voor vrouwen kunnen worden weggenomen? Het is overigens de vraag of dit vraagstuk wordt opgelost, wanneer er bijvoorbeeld een splitsing wordt gemaakt tussen ambtsdragers aan wie de taak van ‘opzicht en tucht’ wordt toevertrouwd en hen die pastorale en diaconale werkzaamheden verrichten. Zullen (radicale) voorstanders van de openstelling van de ambten daarmee tevreden zijn? Er zou immers dan nog steeds een verschil tussen mannen en vrouwen bestaan en daarvan willen zij niets weten.

De vraag of het ambt van predikant ook voor vrouwen opengesteld moet worden wordt daarmee in elk geval niet beantwoord. Zijn belangrijkste taak is de bediening van het evangelie, vooral door middel van de prediking. Die is volgens de Heidelbergse Catechismus één van de sleutels van het hemelrijk en daarmee een middel tot tuchtoefening en dus uitoefening van ambtelijk gezag. Het ontnemen van het gezag aan de predikant reduceert de prediking tot een bijdrage aan de discussie. Moet men daarvoor elke zondag naar de kerk?

Zoals gezegd heeft de synode uitgesproken dat binnen de kerk weliswaar gepleit mag worden voor de openstelling van de ambten voor vrouwen, maar onder de voorwaarde dat de argumenten aan de Schrift ontleend zijn. In sommige reacties werd opgemerkt dat dit – zeker voor de synode van een gereformeerde kerk – een open deur is. Daar ben ik niet zo zeker van. De tijd dat discussies in gereformeerde kring werden gevoerd op basis van de Schrift en de gereformeerde belijdenis ligt al een tijd achter ons. Afgaande op de weblog die de redacteur van het Nederlands Dagblad ter synode bijhield, moet men wel constateren dat er nogal eens argumenten werden aangevoerd die naadloos in de huidige door gevoelens gedomineerde populistische cultuur passen. Wie eens een kijkje neemt op allerlei internetfora komt veel reacties van voorstanders tegen die zich zelden op de Schrift beroepen en als ze dat al doen, vaak op een nogal willekeurige en onzorgvuldige manier. In de discussies gaat het vooral veel over de ‘belangen’ van vrouwen en in het bijzonder van hen die zich geroepen voelen hun capaciteiten in het ambt in te zetten. Ook de tegenstanders zullen niet ontkennen dat er vrouwen zijn die de capaciteiten hebben voor de vervulling van de verschillende ambten. Vanuit de Schrift is dat echter niet doorslaggevend. Het gaat niet om de vraag wie zich geroepen voelt, maar wie naar de normen van de Schrift geroepen wordt. Dat geldt overigens voor mannen evenzeer als voor vrouwen. Gezien de aard van de discussies is het goed dat de synode hier een piketpaaltje heeft geslagen.

Sommigen zullen ook een andere uitspraak van de synode als zodanig beschouwen. Daarin wordt vastgesteld dat in de Schrift twee lijnen zichtbaar zijn: enerzijds de gelijkwaardigheid van man en vrouw en anderzijds een onderscheid in verantwoordelijkheid. Voorstanders zien dit als een obstakel op de weg naar openstelling en wellicht zullen de tegenstanders met enige opluchting van deze uitspraak kennis genomen hebben. Het is maar de vraag of dat terecht is. Echt richtinggevend in de bezinning lijkt me die uitspraak niet. Want welke lijn weegt uiteindelijk het zwaarste en moet de doorslag geven? Ook wanneer beide lijnen onderkend worden, kan de meningsvorming nog verschillende kanten uitgaan. Dit is niet maar alleen een kwestie van exegese, maar ook van hermeneutiek, de manier waarop de bijbel gelezen en geïnterpreteerd moet worden. Dat laatste heeft tijdens de beraadslagingen wel een rol gespeeld, maar heeft uiteindelijk niet geleid tot een besluit een deputaatschap aan het werk te zetten om daarover meer duidelijkheid te scheppen. Dat is wellicht daaruit te verklaren dat de meerderheid van de deputaten – en waarschijnlijk ook de voorstanders van de openstelling van de ambten ter synode – ontkennen dat hun manier van het lezen van de Schrift afwijkt van wat in gereformeerde kring altijd gebruikelijk geweest is. Als er al geen overstemming is over het bestaan van een probleem kun je geen besluit verwachten om dat probleem op te lossen.

Het besluit een studie naar het ambt te laten verrichten kan – hoezeer op zichzelf ook positief te waarderen – moeilijk anders worden geïnterpreteerd dan als een verlegenheidsoplossing, waarmee in elk geval weer tijd wordt gewonnen. Men kan zich niet aan de indruk onttrekken dat hier ook angst meespeelt. De verdeeldheid tussen de synodeafgevaardigden is een weerspiegeling van de verdeeldheid onder kerkleden. Wanneer de synode een definitief besluit ten gunste van de openstelling van de ambten zou hebben genomen, zou dit vèrstrekkende gevolgen kunnen hebben. Het zou kunnen leiden tot het vertrek van degenen die zich daarin beslist niet kunnen vinden, en daaronder ook een aantal predikanten. Maar ook een tegenovergesteld besluit zou zo’n effect kunnen hebben. Men zou kunnen zeggen dat een definitief besluit hoe dan ook tot verlies zou leiden. Te winnen viel er weinig.

Met de huidige besluiten zal een uittocht naar de ene of naar de andere kant wellicht uitblijven. Maar is dat winst? Je kunt niet maar blijven pappen en nathouden. Ooit zullen de GKV kleur moeten bekennen. En dan volgt een uittocht – groot of klein – alsnog. Met leidinggeven heeft dit allemaal weinig te maken. Juist van kerkelijke vergaderingen – de verzamelde ‘wijsheid’ van het kerkverband – mag geestelijk leiderschap gevraagd worden. De synode heeft op dit punt in elk geval gefaald. Dat lijkt trouwens een algemeen verschijnsel binnen het kerkverband te zijn. Te vaak worden zaken op hun beloop gelaten, waardoor het bevoegd gezag zijn greep op de ontwikkelingen verliest. Men kan bezwaren hebben tegen de opvattingen van de meerderheid van de deputaten, maar ze was in elk geval niet bang zich duidelijk uit te spreken. Dat is op zichzelf een verademing, want al te vaak vinden binnen plaatselijke kerken en het kerkverband als geheel soms vèrgaande veranderingen plaats, die op geen enkele manier worden verantwoord. De deputaten – meerderheid en minderheid – hadden hun visie in elk geval onderbouwd, wat de mogelijkheid bood de argumenten te toetsen en daarover een oordeel uit te spreken. Maar waar argumentatie achterwege blijft, wordt elke poging tot gedachtenwisseling in de kiem gesmoord. Juist dat is één van de grote frustraties van degenen die zich zorgen maken over de manier waarop de GKV zich ontwikkelen.

Het streven “de boel bij elkaar te houden” is op zichzelf lovenswaardig. Maar dat wordt niet bereikt door besluiteloosheid en wankelmoedigheid. Ook tijdens de beraadslagingen van de synode speelde het motief van het ‘draagvlak’ mee. Dat is echter geen statisch gegeven. Een draagvlak kun je ook creëren. De synode had een voorbeeld kunnen nemen aan burgemeester John Berends van Apeldoorn. Hem was gevraagd in zijn gemeente Volkert van der Graaf, de moordenaar van Pim Fortuyn, te huisvesten. Hij besloot daaraan gevolg te geven en informeerde vervolgens eerst de gemeenteraad en daarna de bewoners van het gebied waar Van der Graaf zich zou vestigen.

Een burgemeester vertegenwoordigt de bevolking van zijn stad of dorp. Maar dat betekent niet dat hij zijn oren naar de burgers moet laten hangen. Dat deed Berends dan ook niet. Hij nam het verzoek dat hem gedaan werd in overweging en nam vervolgens een besluit op grond van een aantal principiële overwegingen. In zijn informatie tegenover de gemeenteraad en vervolgens de inwoners van zijn stad was hij daarin heel duidelijk. Van der Graaf heeft zijn straf uitgezeten en heeft daarmee het recht zich ergens te vestigen om zijn leven weer op de rails te zetten. Het optreden van Berends blonk uit door een principiële positiekeuze, heldere argumentatie en de beslistheid waarmee hij zijn keuze verdedigde. Zou het daarmee te maken hebben dat de inwoners van Apeldoorn zo begripvol reageerden?

Zulke beslistheid is tijdens deze Generale Synode node gemist. Wie de kool en de geit wil sparen loopt een goede kans beide te verliezen. Van een synode mag geestelijke leiding en koersvastheid verwacht worden. Maar wat we gezien hebben is een voorbeeld van falend leiderschap. Daar is de kerk nog nooit beter van geworden.

Doop en kerklidmaatschap

In mijn vorige artikel ging het over de consequenties van het ‘overdopen’ voor het kerklidmaatschap. Volgens de Generale Synode van de Gereformeerde Kerken vrijgemaakt (GKV) is het enkele feit dat iemand zich in een andere gemeente laat ‘overdopen’ nog geen reden te concluderen dat hij zich ‘metterdaad’ aan de gemeenschap van de kerk heeft onttrokken. Ik stelde de vraag of hiermee recht gedaan wordt aan de relatie tussen doop en kerklidmaatschap. Omdat ook de toegang tot het avondmaal een onderwerp van discussie is, nam ik me voor nader in te gaan op de verbinding tussen de sacramenten en het kerklidmaatschap. Na enkele algemene opmerkingen over de sacramenten ga ik in dit artikel in op de doop. In een volgende bijdrage gaat het dan over het avondmaal.

Uitgangspunt is het gegeven dat God geen individuele mensen verzamelt, maar een volk, een gemeenschap. Dat deed hij in het Oude Testament door zich aan Israel te verbinden. Dat doet hij in de nieuwtestamentische tijd door zijn kinderen bijeen te brengen in de kerk. Op zijn zendingsreizen sticht Paulus gemeenten; aan een aantal daarvan schrijft hij brieven, waarin vooral het gemeentelijk samenleven uitvoerig aan de orde komt. In de Openbaring moet Johannes op Patmos brieven schrijven aan een aantal gemeenten in Klein-Azië. Ook in brieven aan individuele personen, zoals Timotheus, gaat het vooral over de gemeente. In de gemeenten stelt Paulus oudsten aan. Deze hebben als opdracht ervoor te zorgen dat het Evangelie wordt verkondigd en dat de gemeente bij de leer van Christus wordt bewaard (zie bv. Hand. 20,28).

Het Woord is genoeg voor ons behoud. Om dit te laten zien haalt Paulus in zijn brief aan de Romeinen Mozes aan. “Maar vervolgens zegt Mozes: ‘Het woord is dichtbij u, in uw mond en in uw hart’ – en dat betekent: de boodschap van het geloof die wij verkondigen, is dichtbij u. Als uw mond belijdt dat Jezus de Heer is en uw hart gelooft dat God hem uit de dood heeft opgewekt, zult u worden gered” (Rom. 10,8-9). Het gepredikte Woord zou dus voldoende moeten zijn. Maar door de geschiedenis heen blijkt dat mensen een zichtbare bevestiging van het gesproken woord verlangen. Daaraan is God tegemoet gekomen: herhaaldelijk geeft hij tekenen aan mensen dat zijn woorden echt waar zijn. Toen Abraham bereid bleek zijn zoon aan God af te staan, werd dat hem tot gerechtigheid gerekend. Toen was hij nog niet besneden. “De besnijdenis ontving hij later als een bezegeling en teken dat hij als onbesnedene rechtvaardig was omdat hij op God vertrouwde.” (Rom. 4,11).
Het Pascha, ingesteld bij de uittocht uit Egypte, is de zichtbare uitdrukking van de verbondenheid tussen Jahweh en zijn volk. Dat de sacramenten uiterlijke tekenen zijn van wat in het innerlijk heeft plaatsgevonden, onderstreept Paulus in zijn brief aan de Romeinen. Het gaat om een innerlijke besnijdenis, die het werk is van de Geest (Rom. 2,28-29). De Geest werkt in de eerste plaats door de verkondiging van het Evangelie. Maar God heeft besloten van die innerlijke besnijdenis een uiterlijk teken te geven.

De Heidelbergse Catechismus zegt dan ook terecht in het antwoord op vraag 66 (HC, Zondag 25): “Sacramenten zijn heilige zichtbare tekenen en zegels, die God ingesteld heeft om ons door het gebruik daarvan de belofte van het evangelie nog beter te doen verstaan en te verzegelen.” De Nederlandse Geloofsbelijdenis (art. 33) brengt dit expliciet in verband met de zwakheid van ons geloof: “Wij geloven dat onze goede God, omdat Hij met ons onverstand en de zwakheid van ons geloof rekening houdt, voor ons de sacramenten heeft ingesteld. Zo wil Hij ons zijn beloften verzegelen en ons onderpanden van zijn goedgunstigheid en genade jegens ons in handen geven.” Omdat de sacramenten het werk zijn van de Heilige Geest, mag de gelovige die niet ongebruikt laten.

Uit het bovenstaande kan een tweezijdige conclusie getrokken worden: Woord en sacrament zijn niet los verkrijgbaar. Ze horen bij elkaar, want door beide middelen wil God ons geloof voeden en onderhouden (NGB, art. 33). Wie zich door de verkondiging van het Woord wil laten voeden, kan zich niet aan de bediening van de sacramenten onttrekken. Daarom zijn het laten dopen van kinderen en de viering van het avondmaal niet facultatief; verzuim is reden tot ambtelijk vermaan. Het omgekeerde is ook waar: wanneer men de diensten waarin het Woord verkondigd wordt zonder wettige reden verzuimt, staat het recht op het gebruik van de sacramenten op het spel.

Hiermee komen we tot het eigenlijke onderwerp van dit verhaal. Als de Woordverkondiging en de sacramenten bijeen horen, hoe kan men dan in de ene gemeente deelnemen aan de verkondiging van het evangelie en voor de sacramenten zich bij een andere gemeente vervoegen? Op deze wijze wordt de eenheid tussen beide verbroken. Dat geldt des te meer wanneer de inhoud van de Woordverkondiging en de visie op de sacramenten in deze gemeenten principieel van elkaar verschillen. We hebben gezien dat de Geest zowel in de Woordverkondiging als in de bediening van de sacramenten werkzaam is. Kan Hij zichzelf tegenspreken door in de ene kerk via de prediking iets anders te verkondigen dan door middel van de sacramenten in de andere kerk?

Daar komt nog een belangrijk aspect bij: in beide gevallen is sprake van gemeenschap oftewel geestelijke eenheid. Wanneer in een kerkdienst een doop bediend wordt, is de gemeente maar niet een neutrale waarnemer, maar deelnemer. En het avondmaal is maar niet alleen een teken van eenheid met Christus, maar ook van de eenheid met elkaar. Dat wordt onderstreept doordat de gemeente, voorafgaand aan de avondmaalsviering, samen haar geloof belijdt.

Ik spits het bovenstaande nu toe op de doop.

Geconstateerd werd dat de sacramenten een toegevoegde waarde hebben. Ze staan niet los van de Woordverkondiging, ze staan er ook niet onder, maar ze staan er naast, als illustratie en bevestiging van dat Woord. Dat geldt zowel voor de doop als voor het avondmaal. In het zogenaamde ‘zendingsbevel’ in Matteus 28 draagt Jezus zijn leerlingen op de volken tot zijn leerlingen te maken en hen te dopen. Duidelijk is dat het tweede volgt op het eerste: de doop is de bevestiging van de verandering van mensen tot leerlingen van Christus. Door de apostelen wordt dit in praktijk gebracht. Op de Pinksterdag verkondigt Petrus het evangelie. Pas wanneer toehoorders vragen wat ze moeten doen, wekt hij hen op zich te laten dopen. Filippus legt eerst de Schrift uit aan de Ethiopiër; pas daarna wordt deze op zijn verzoek gedoopt (Hand. 8). Paulus schrijft in zijn eerste brief aan de Korintiërs dat hij door Christus niet is uitgezonden om te dopen, maar om te verkondigen (1 Kor. 1). Zelfs al voordat Christus zijn werk begint heeft Johannes eerst de komst van het koninkrijk van de hemel aangekondigd alvorens mensen te dopen.

In het Oude Testament was de besnijdenis de manier waarop God zijn kinderen apart zette van de wereld. Dat zat hem niet in de besnijdenis zelf, want die kwam ook onder andere volken voor. De besnijdenis was een uiterlijk teken, een bevestiging van het feit dat God beslag op het leven van de besnedene had gelegd. Abraham werd pas op hoge leeftijd besneden. Hij werd niet toen pas een kind van God; dat was hij al. De besnijdenis was alleen het zichtbare teken dat het verbond dat God met hem had gesloten, bevestigde. Zo is het ook met de doop. Kinderen van de gelovigen zijn vanaf hun geboorte in het verbond opgenomen. De doop maakt dat voor de ouders en voor de gemeente zichtbaar. “De dienaren van hun kant geven ons alleen het sacrament, dat zichtbaar is, maar onze Here geeft wat door het sacrament wordt aangeduid, namelijk de onzichtbare genadegaven” (NGB, art. 34). Door de bediening van de doop in het midden van de gemeente te laten plaatsvinden, wordt de eenheid tussen Woord en sacrament onderstreept.

De doop is ook het middel waardoor Christus de kinderen van de gelovigen in zijn gemeente opneemt. “Daarom moeten zij door de doop, als teken van het verbond, bij de christelijke kerk ingelijfd en van de kinderen van de ongelovigen onderscheiden worden” (HC, Zondag 27, antw. 74). Dat krijgt een formele vertaling in het feit dat een kind pas in het kerkelijk register wordt ingeschreven en als lid van de gemeente geldt, wanneer de doopsbediening heeft plaatsgevonden.

De relatie tussen doop en kerklidmaatschap wordt door de doopformulieren onderstreept.
Aan de doopouders wordt gevraagd of ze belijden dat “de leer van het Oude en Nieuwe Testament, die in de Apostolische Geloofsbelijdenis is samengevat en hier in de christelijke kerk geleerd wordt, de ware en volkomen leer van de verlossing is”. Door die vraag bevestigend te beantwoorden, geven de ouders te kennen dat ze deel willen zijn de gemeente waar ze hun kind ten doop houden. Wie zijn kind laat dopen, vormt een geestelijke eenheid met de gemeente. Die wordt in het derde doopformulier dat in de GKV in gebruik is, onderstreept door de geloofsbelijdenis, voorafgaand aan de vragen aan de ouders.

In de doopsbediening in het midden van de gemeente komt ook tot uitdrukking dat de gemeente de gedoopte in haar midden opneemt en haar verantwoordelijkheid voor hem op zich neemt. Ze bidt dat God de gedoopte mag regeren zodat hij “in de Here Jezus Christus zal opgroeien en toenemen” en “uw vaderlijke goedheid en barmhartigheid, die U aan dit kind en aan ons allen bewezen hebt, zal erkennen en belijden” (GKV, formulier I). In het tweede formulier wordt de verbinding tussen de dopeling en de gemeente explicieter gemaakt. In het gebed voor de doop wordt gezegd: “Laat de bediening van de heilige doop voor de hele gemeente tot zegen zijn. Wij zijn in uw naam gedoopt en U hebt ons allen zoveel beloofd. Geef dat wij dit bij deze doop opnieuw mogen zien, en des te meer bidden om de vervulling van uw beloften.” In het derde formulier wordt de gemeente na de bediening van de doop apart aangesproken. “Weet u geroepen door uw voorbede en voorbeeld deze ouders te steunen. Wees ook daadwerkelijk bereid om, waar nodig en mogelijk, eraan mee te helpen, dat dit kind groeit in het geloof, in de genade en de kennis van onze Heer Jezus Christus.”

Daarmee komt ook de formele kant van de doopsbediening in beeld. De gemeente heeft immers geen ondersteunende taak ten aanzien van elke gedoopte; alleen wie tot de gemeente behoort en daar zijn kind heeft laten dopen mag daarop aanspraak maken. De gemeente heeft ook – direct of via de kerkenraad – de plicht de ouders te vermanen wanneer ze hun bij de doop gegeven beloften niet nakomen. Maar dat geldt alleen ten aanzien van ouders die lid zijn van de gemeente en onder opzicht en tucht van de kerkenraad staan. Daarom worden ook alleen de kinderen van zulke ouders gedoopt.
Wie geen lid van de gemeente is, kan er geen aanspraak op maken dat zijn kind de doop ontvangt. Ook wanneer ouders te kennen geven zich aan de gemeente te willen onttrekken, kunnen ze niet meer verlangen dat hun kind in het midden van die gemeente de doop ontvangt. Zolang hun onttrekking niet formeel is aanvaard behoren ze weliswaar nog tot de gemeente, maar materieel staan ze er al buiten. Hoeveel betekenis kan aan hun antwoorden op de gestelde vragen worden gehecht? Wat betekent het, wanneer ze uitspreken dat de leer van die gemeente de “ware en volkomen leer van de verlossing” is, en beloven hun kind in die leer te laten onderwijzen, wanneer ze bijvoorbeeld van plan zijn zich te voegen bij een kerkgemeenschap waar deze leer ongestraft kan worden geloochend?

Doop en kerklidmaatschap horen bijeen. Dat heeft ook consequenties voor leden van de gemeente die zich elders laten ‘overdopen’. Maar daarbij doet zich wel de bijzonderheid voor dat het hier om volwassenen gaat, in veel gevallen zelfs om broeders of zusters die al belijdenis van hun geloof hebben afgelegd. En daarmee zijn ze gerechtigd het avondmaal te vieren. Daarom bewaar ik dit onderwerp tot de volgende keer. Dan gaat het over het tweede sacrament, het Heilig Avondmaal. Dan komt ook de vraag aan de orde wie tot de viering van het avondmaal kunnen worden toegelaten. Ook de positie van ‘overgedoopten’ komt dan ter sprake.

Feitelijke onttrekking

19 juni 2011 1 reactie

Het komt in vrijwel elke gemeente voor: broeders of zusters die te kennen geven zich aan de gemeenschap van de kerk te willen onttrekken. Aan zulke onttrekkingen ligt gewoonlijk een formele kennisgeving ten grondslag: een kerklid deelt schriftelijk aan de kerkenraad zijn besluit mee. Maar er zijn ook gevallen waarin iemand zich op een bepaalde manier van de gemeente verwijdert zonder dat hij zich formeel onttrekt.

Soms verhuist een gemeentelid naar een plaats die tot het grondgebied van een andere gemeente in hetzelfde kerkverband behoort. Het is dan de bedoeling dat hij zijn attestatie opvraagt bij het kerkelijk bureau van zijn gemeente en die, na ontvangst, bij de kerkenraad of het kerkelijk bureau van zijn nieuwe gemeente inlevert. Maar soms neemt een kerklid een verhuizing te baat om zich stilletjes aan de kerkelijke gemeenschap te onttrekken. Hij neemt dan niet de moeite de kerkenraad daarvan formeel op de hoogte te stellen. Het is in gereformeerde kerken niet gebruikelijk iemand ongevraagd een attestatie toe te sturen. De kerkenraad van de ‘oude’ gemeente heeft hier dus een probleem. Nu zou men kunnen overwegen de kerkenraad van de gemeente, op welks grondgebied de desbetreffende broeder of zuster woont, hiervan in kennis te stellen. Die zou dan de betrokkene kunnen benaderen en kunnen proberen hem of haar ertoe te bewegen zich bij de gemeente in de nieuwe woonplaats aan te sluiten. De vraag is of dat altijd verstandig is; dat zou best eens tot grotere verwijdering kunnen leiden. En het is ook de vraag of de ene kerkenraad de andere met zijn eigen probleem mag opzadelen. Het komt overigens ook voor dat niet eens bekend is waar een gemeentelid zich ophoudt. In beide gevallen draait het er meestal op uit dat de kerkenraad constateert dat het gemeentelid zich ‘metterdaad’ aan de gemeenschap van de kerk heeft onttrokken.

Maar deze praktijk komt binnen de Gereformeerde Kerken vrijgemaakt (GKV) op losse schroeven te staan door een uitspraak van de Generale Synode van Harderwijk. Ze sprak kortgeleden uit dat een ‘feitelijke onttrekking’ – een moderne formulering van een onttrekking ‘metterdaad’ – in de Kerkorde en in bestaande regelingen nergens voorkomt. Van een onttrekking kan volgens de synode alleen sprake zijn wanneer iemand bewust overgaat naar een andere kerk. Die constatering mag feitelijk correct zijn, daarmee worden kerkenraden in feite met een onoplosbaar probleem opgezadeld. Wanneer een kerklid om welke reden dan ook zich niet formeel onttrekt en kerkenraden hem niet op grond van een ‘feitelijke onttrekking’ kunnen uitschrijven, blijft hij lid. Dat is – zeker wanneer het niet tot één geval beperkt blijft – een financiële last, want zulke ‘papieren leden’ blijven meetellen bij de bepaling van de landelijke quota, die gerelateerd zijn aan het aantal gemeenteleden. Ernstiger nog is het probleem van zulke ‘papieren leden’ vanuit ambtelijk oogpunt. Amtsdragers zijn verplicht aan de hun vertrouwde gemeenteleden ambtelijke zorg te verlenen, maar dat wordt bij verhuizing uit het grondgebied van de gemeente in veel gevallen praktisch onmogelijk.

Voor de uitspraak van de Generale Synode bestond een concrete aanleiding. Door kerken uit twee provincies werd aan de synode de vraag voorgelegd hoe om te gaan met gemeenteleden die zich hebben laten ‘overdopen’ in een evangelische gemeente, maar toch lid willen blijven van hun eigen gemeente. Sommige kerkenraden interpreteren dit als een ‘feitelijke onttrekking’. Door de uitspraak dat voor zo’n onttrekking elke formele basis ontbreekt, gaat de vraag klemmen hoe in zulke gevallen gehandeld moet worden. De synode komt met het volgende antwoord: in zulke gevallen is “Bijbels onderwijs, zo nodig gevolgd door vermaan, nodig” (citaat uit het Nederlands Dagblad, 6.6.11).

Hieruit blijkt dat de synode het verschijnsel niet bagatelliseert. Dat wordt onderstreept door haar uitspraak dat een tweede doop “in strijd is met wat de Schrift leert en de kerken belijden” (citaat ND, 6.6.11). Daarmee heeft ze aangegeven dat hierin niet mag worden berust. Het gebruik van het woord ‘vermaan’ suggereert dat de kerkelijke tucht niet bij voorbaat buiten beeld moet blijven. Volgens het in de GKV fungerende Formulier voor de uitsluiting uit de gemeente van Christus ligt het vermaan ten grondslag aan de tuchtoefening die uiteindelijk tot uitsluiting uit de gemeente kan leiden. In het formulier wordt meegedeeld dat een gemeentelid “ondanks vele vermaningen” geen enkel teken van berouw toonde en dat hij of zij daarom van het heilig avondmaal werd afgehouden. Je zou hieruit mogen concluderen dat vermaan een voorstadium van de tuchtoefening is. Daarmee wordt de ernst van de aan de orde zijnde kwestie onderstreept.

Dat bijbels onderwijs noodzakelijk is wanneer een gemeentelid zich laat overdopen, is duidelijk. Maar is dat niet wat laat? Een ‘overdoop’ komt toch niet uit de lucht vallen? Daaraan is een proces voorafgegaan, en je mag hopen dat dit niet aan de aandacht van de kerkenraad is ontsnapt. Meestal heeft het betrokken gemeentelid regelmatig bijeenkomsten van een evangelische gemeente bezocht en dat zal vrijwel altijd gepaard gaan met het verzuimen van de eigen kerkdiensten. Van een kerkenraad mag worden verwacht dat hij de betrokkene hierop aanspreekt. En wanneer dan blijkt dat deze zijn heil in evangelische samenkomsten zoekt is dat al reden voor bijbels onderwijs. Te vrezen valt dat slordigheid of misplaatste tolerantie van kerkenraden er mede de oorzaak van is dat ze met de ‘overdoop’ als voldongen feit geconfronteerd worden. Bijbels onderwijs komt dan waarschijnlijk als mosterd na de maaltijd.

De uitspraak van de Generale Synode lijkt te zijn geïnspireerd door de ‘tolerantiebepaling’ die door de Generale Synode van de Gereformeerde Kerken in 1914 is aanvaard. Daarin wordt uitgesproken dat gemeenteleden die hun kind niet willen laten dopen, niet direct in aanmerking komen voor tuchtmaatregelen, maar onderwezen moeten worden, omdat zij “te goeder trouw dwalen”. Maar dan moet wel de vraag gesteld worden of het hier om vergelijkbare gevallen gaat. Ouders die hun kind niet willen laten dopen zijn en blijven immers gewoon lid van hun gemeente en sluiten zich niet aan bij een gemeenschap die de kinderdoop verwerpt. Een volwassen gemeentelid dat zich in een andere gemeente laat ‘overdopen’, geeft daarmee te kennen dat hij zich verbonden voelt met die gemeente. Maar: kan iemand zich verbonden voelen met twee gemeenten, die in hun geloofsleer in elk geval op een aantal punten diametraal tegenover elkaar staan? Er bestaat niet voor niets een nauwe relatie tussen de doop en het lidmaatschap van de kerk. Daarover laten de Heidelbergse Catechismus maar ook de formulieren voor de doop van kinderen en van volwassenen, die in de GKV gebruikt worden, geen misverstand bestaan.

Binnen de GKV is niet alleen ‘overdopen’ een onderwerp van discussie, de toegang tot de viering van het avondmaal is dat evenzeer. En ook dat laatste heeft alles met de belijdenis over de kerk te maken. Dat is een reden er speciaal aandacht aan te besteden. Dat komt in een volgende bijdrage in deze weblog aan de orde.

Geloven doe je samen (3)

In het tweede artikel in deze serie werd betoogd dat de kerk als gemeenschap van de heiligen zich in eerste instantie op plaatselijk vlak manifesteert maar daartoe niet beperkt blijft. De kerk is, zoals de Nederlandse Geloofsbelijdenis dat in artikel 27 formuleert, “niet gevestigd in, gebonden aan of beperkt tot een bepaalde plaats”. Daarmee komt dus in de eerste plaats het kerkverband in beeld: een verband van plaatselijke kerken die elkaar als kerk van Christus erkennen en zich daarom iets aan elkaar gelegen willen laten liggen. Ze willen elkaar steunen, van advies dienen en, waar nodig, corrigeren. Maar de kerk van Christus is niet alleen niet aan een plaats gebonden, ze beperkt zich ook niet tot een specifiek land. De kerk manifesteert zich wereldwijd. Dat betekent dat kerken die op hetzelfde fundament staan, ook over nationale grenzen op elkaar betrokken zijn.

Uiteraard heeft het contact tussen kerken in verschillende landen een ander karakter dan dat tussen kerken binnen één – nationaal – kerkverband. In de regel is van meerdere vergaderingen geen sprake. Er worden van tijd tot tijd weliswaar internationale conferenties gehouden, maar die hebben geen formele status en daardoor ook geen enkel gezag. Ze doen dan ook geen uitspraken waaraan nationale kerken gebonden zijn. De reden daarvan is niet zozeer een principiële – er is geen enkele reden waarom kerken zich volgens nationale grenzen zouden moeten organiseren – maar eerder een praktische. De afstanden zijn vaak te groot voor regelmatige bijeenkomsten, verschillen in taal en cultuur spelen een rol en ook de maatschappelijke context is verschillend. Dat betekent dat niet elke kerk zich voor precies dezelfde vragen gesteld ziet.

Desalniettemin zijn er allerlei onderwerpen waarover kerken uit verschillende landen en zelfs continenten heel goed van gedachten kunnen wisselen. Ook al resulteren contacten niet in bindende uitspraken, dat mag er niet toe leiden dat nationale kerken de uitkomsten van overleg zonder meer naast zich neerleggen. Tenslotte staan die kerken op hetzelfde fundament van apostelen en profeten en niet zelden delen ze ook dezelfde belijdenis. Het is daarom goed wanneer – bijvoorbeeld op generale synodes – de afgevaardigden van buitenlandse kerken aan het woord komen. Het is heel goed mogelijk dat ze die gelegenheid benutten enkele kritische noten te kraken over de kerk waarbij ze op bezoek zijn.

Zulke afgevaardigden doen er goed aan zich te realiseren dat ze vanaf een zekere afstand oordelen. Enige terughoudendheid mag dan wel gevraagd worden. Dat geldt dan natuurlijk wel naar twee kanten. Voor de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) – om me daartoe nu te beperken – mag het niet plezierig zijn wanneer buitenlandse afgevaardigden zich openlijk afvragen of deze kerken de naam gereformeerd nog wel verdienen, zij zouden ook hun eigen neiging buitenlandse kerken als star en conservatief te brandmerken moeten bedwingen. Juist hier bestaat de neiging kritiek van vertegenwoordigers van bijvoorbeeld de gereformeerde kerken uit Canada en Australië met een schouderophalen naast zich neer te leggen. Dat is onverstandig. Kritiek die op basis van het gemeenschappelijk fundament geleverd wordt, verdient het eerlijk gewogen te worden. Ook bij de besluitvorming op de Generale Synode zou de inbreng vanuit buitenlandse zusterkerken serieus genomen moeten worden.

Als de kerk zich niet tot één land beperkt, dan is het een bijbelse opdracht internationale contacten te onderhouden. Maar een kerk die internationaal zoekt naar kerken waarmee zij op hetzelfde fundament staat, zou haar plicht verzaken wanneer ze niet tegelijkertijd in eigen land zou streven naar contact met geestverwanten, met als doel dat één wordt wat bijeen hoort. Dat is een moeizaam en langdurig proces, zoals de ‘kleine oecumene’ laat zien. De weg naar eenheid ligt bezaaid met voetangels en klemmen. Daartoe behoren cultuurverschillen, klimaat en traditie en niet het minst ook de realiteit van verschillende stromingen binnen kerken van de Reformatie. Daarbij kan gedacht worden aan de Christelijke Gereformeerde Kerken binnen welke sommige kerken zich eerder tot bevindelijke kerkgenootschappen dan tot de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) aangetrokken voelen. En terwijl binnen de laatstgenoemde kerken niet weinigen van mening zijn dat ook eenheid met de Nederlands Gereformeerde Kerken mogelijk is, laten deze een dermate grote verscheidenheid aan opvattingen en kerkelijke praktijken zien dat die eenheid weleens een wensdroom zou kunnen blijven.

De eenheid tussen kerken van de Reformatie is er niet mee gediend wanneer ze alle hun eigen gang gaan zonder zich van de andere iets aan te trekken. In dit verband moet het betreurd worden dat de Generale Synode van de GKV niet bereid was onderzoek te doen naar de betrouwbaarheid en eventuele vrijgave voor kerkelijk gebruik van de Herziene Statenvertaling. Binnen de CGK is deze vrijgegeven voor kerkelijk gebruik en een grotere openheid van de GKV ten aanzien van het eventuele gebruik van deze vertaling in de eredienst zou het toenaderingsproces tussen beide kerken ten goede zijn gekomen. Het zou ook een middel kunnen zijn om de toenadering tot de Hersteld Hervormde Kerk te stimuleren. Eenheid met dat kerkverband zit er voorlopig niet in, maar contacten met de HHK zouden weleens meer perspectieven kunnen bieden dan die met de NGK.

Geloven doe je samen: dat betekent dat gelovigen zich samen bezinnen op actuele vragen waarvoor ze zich gesteld zien. Dat heeft alleen zin wanneer er een gemeenschappelijk fundament is. Dat geldt zowel voor individuele gelovigen als voor kerken en kerkverbanden. Er mag vanuit gereformeerd perspectief het één en ander aan te merken zijn op de Hersteld Hervormde Kerk – zaken die deze kerk uit haar ‘moederkerk’ heeft meegenomen – maar daarmee heeft ze zich niet gediskwalificeerd als een gesprekspartner bij de bezinning over actuele vragen. Gezien de daar te constateren trouw aan de Schrift en het streven die – ook in zaken van het dagelijks leven – het laatste woord te laten hebben, zouden vanuit deze kerk weleens zinvollere bijdragen aan die bezinning kunnen worden geleverd dan vanuit de Nederlands Gereformeerde Kerken. Net zoals vrijgemaakt-gereformeerden rekening zouden moeten houden met de opvattingen van hun christelijke gereformeerde broeders, zouden de broeders uit de Hersteld Hervormde Kerk eveneens nadrukkelijk in beeld moeten komen, ook in het proces van bezinning en besluitvorming op het niveau van kerkelijke vergaderingen.