Archief

Posts Tagged ‘Gerard ter Horst’

Spiritueel tekort

Zoals elk jaar kwamen tijdens de Pinksterdagen duizenden christenen bij elkaar in Biddinghuizen, tijdens de conferentie die simpel ‘Opwekking’ heet. Juist die regelmaat, niet alleen wat het tijdstip betreft, maar ook in karakter en inhoud, behoort tot de aantrekkingskracht van deze manifestatie, zoals Gerard ter Horst in het Nederlands Dagblad schreef. Dat is opmerkelijk, want regelmaat en voorspelbaarheid worden vaak, vooral door jongeren, als bezwaar tegen kerkdiensten in reformatorische kerken ingebracht. De conferentie lijdt er echter allerminst onder, want terwijl kerkdiensten steeds minder bezocht worden, trok Opwekking dit jaar zo’n 75.000 bezoekers.

Of die er allemaal komen om geestelijk opgeladen te worden, is de vraag. Ook gezelligheid zal een rol spelen. “Verder telt mee dat juist de grootschaligheid extra mensen trekt: zoveel christenen bij elkaar wordt als bemoedigend ervaren, in een land waar ze een minderheid geworden zijn. Voor wie het gevoel heeft er in het werk, de buurt of zelfs in de kerk alleen voor te staan, is Opwekking als balsem voor de ziel”, schrijft Ter Horst. Desondanks lijdt het geen twijfel dat veel bezoekers komen om ‘bij te tanken’, zoals dat wel genoemd wordt. Dat geldt vooral voor die bezoekers die niet behoren tot een evangelische gemeente, maar eerder uit de ‘traditionele’ gereformeerde hoek komen. Kennelijk missen ze in hun eigen kerk of gemeente iets. Maar wat precies?

In de verschillende analyses die ik recent gelezen heb, wordt dat niet echt duidelijk. Ter Horst schrijft: “De theologische ligging van Opwekking, met haar sterke en expliciete nadruk op het (bijzondere) werk van de Heilige Geest verschilt nogal met die van een doorsnee protestantse kerk. Nu Opwekking doorgroeit, geeft dat te denken. Zeker, in veel kerken bestaat – op papier – een uitgebalanceerde visie op het werk van de Geest. Maar het lijkt wel of veel dominees die visie niet goed over het voetlicht krijgen, of te veel in het theoretische blijven steken. Dat steekt dan schril af bij de geloof-in-actie-aanpak van Opwekking.” De analyse van het verschil tussen Opwekking en ‘doorsnee’ protestantse kerken is correct, maar wat dan in die laatstgenoemde kerken precies ontbreekt, komt niet uit de verf.

Onderweg, een kerkelijk magazine dat in de GKV en de NGK verschijnt, heeft er een themanummer aan gewijd. Twee bijdragen zijn ook voor niet-abonnees digitaal beschikbaar. Eén ervan is een interview met het predikantenechtpaar Dick en Jeannette Westerkamp (NGK, Houten). Ze brachten de charismatische beweging New Wine naar Nederland en zitten dus qua ligging dicht tegen Opwekking aan. Hun wordt gevraagd: “Wat brengt dit soort buitenkerkelijke spirituele evenementen christenen wat ze in hun eigen kerk kennelijk niet vinden?” Jeannette zegt daarop: “Mensen komen om er een weekje tussenuit te zijn, om spiritueel bij te tanken, om seminars te bezoeken, om te aanbidden. Veel mensen zien we elk jaar weer, omdat hun kinderen zo genoten hebben in de kinderprogramma’s.” Daarmee zegt ze niets nieuws. Het is geen inhoudelijk antwoord en dat krijgen we ook in de rest van het interview eigenlijk niet. Ze ventileren wel hun eigen ideeën, maar of die datgene vertegenwoordigen waarnaar de bezoekers op zoek zijn, is de vraag.

De tweede voor niet-abonnees toegankelijke bijdrage is van de hand van ds. Maarten van Loon (GKV Dalfsen-Oost). Boven zijn artikel staat als titel: “Er is binnen onze traditie een spiritueel tekort ontstaan.” Wie nu een beschrijving verwacht van dat tekort, komt bedrogen uit. “Ik merk dat ik nog niet helemaal kan aanwijzen wat het spirituele tekort precies is, laat staan dat ik een oplossing kan geven.” Hij duidt wel van alles aan, maar heel concreet wordt het niet. Dat is natuurlijk wel een probleem, wanneer je van mening bent dat één van de redenen waarom Opwekking gereformeerden aanspreekt, een tekort van hun eigen kerk is. Als dat zo is, moet de kerk ernstig bij zichzelf te rade gaan. Maar dan moet eerst duidelijk worden wat er precies ontbreekt. En vervolgens moet dan de vraag aan de orde komen of de kerk wel kan en mag ‘leveren’ wat verlangd wordt. ‘U vraagt en wij draaien’ kan immers nooit het uitgangspunt van de kerk zijn.

Als ik Van Loon goed begrijp gaat het vooral om een gebrek aan beleving. Hij wijst erop dat gereformeerden – en daarbij doelt hij ongetwijfeld in de eerste plaats op leden van zijn eigen kerkverband en wellicht ook die van de NGK – niet alleen compensatie zoeken bij Opwekking, maar ook in de Christelijke Gereformeerde Kerken, die op z’n minst voor een deel in de traditie van de bevindelijkheid staan. Of het daarbij om dezelfde mensen gaat, is overigens nog maar de vraag, want wie positief staat tegenover gebedsgenezing heeft in de CGK niet veel te zoeken, terwijl dat nu juist tot de kern van de evangelische theologie behoort.

Van Loon stelt verstand tegenover gevoel. “Het objectieve van het heil wordt echter niet subjectief beleefd. Hart en ziel blijven er te veel buiten. De op zich begrijpelijke angst voor het subjectivisme leidde er binnen de vrijgemaakte traditie toe dat geloven synoniem werd aan het aanvaarden van een set waarheden en het innemen van de juiste standpunten. We redeneren veel, praten veel en gebruiken veel woorden. Zelfs als er iets bijzonders te vieren valt, gebruiken we eerst ellenlange formulieren. Geloof zat en zit te veel in ons hoofd. Met alle gevolgen van dien.”

Hier passen twee kanttekeningen. De eerste is dat dit nog steeds weinig concreet is. Bovendien moet de vraag gesteld worden of je beleving eigenlijk wel kunt ‘organiseren’. Of het geloof iets van ‘hart en ziel’ wordt, ligt uiteindelijk aan de gelovigen zelf. Maar daarnaast wordt hier een hele kerk op een bepaalde manier getypeerd, die haar geen recht doet. Het zal best waar zijn dat er gereformeerden zijn of waren voor wie geloven vooral bestaat (bestond) uit het aanvaarden van waarheden. Maar dit kan niet de gereformeerden worden aangewreven: daarmee wordt heel veel mensen onrecht aangedaan. Net als in de samenleving als geheel zijn er ook onder gereformeerden meer rationeel en meer emotioneel ingestelde mensen. Dat is geen gebrek, maar een heel normaal verschijnsel: geen twee karakters zijn gelijk. Het feit dat mensen weinig of geen uiting geven aan hun gevoel, wil niet zeggen dat ze dat niet hebben. Er bestaat ook geen plicht tot geestelijke extravertie. En het gebruik van formulieren sluit de beleving helemaal niet uit. Ook in bevindelijke kerkgenootschappen worden formulieren gebruikt.

We zouden hier een punt kunnen zetten. Eerst moet maar eens duidelijk worden wat voor leden van reformatorische kerken nu precies de meerwaarde van Opwekking is, voordat we gaan nadenken over de vraag wat de kerken hier mee zouden moeten of kunnen doen. Maar dat is een beetje gemakzuchtig. Wellicht kunnen we toch wel wat motieven distilleren uit wat in over dit onderwerp gezegd en geschreven is, waarbij in rekening gebracht moet worden dat de motieven van bezoekers heel verschillend kunnen zijn.

In zijn al eerder aangehaalde analyse geeft Gerard ter Horst een paar motieven. Ik noemde al het element van het getal: het met zovelen samen zijn is bemoedigend, zeker als je zelf kleine groepen gewend bent. Hij wijst er ook op dat muziek een belangrijk element op de conferentie is – trouwens, sowieso in de evangelische wereld. Het gaat dan vooral om een specifiek genre, bekend als ‘aanbiddingsmuziek’. Daarnaast noemt hij het feit dat de conferentie interkerkelijk is: “kerkmuren doen er nauwelijks toe”.

Daarmee noemt hij enkele factoren waarin de conferentie – en in het algemeen de evangelische beweging – zich onderscheidt van de ‘traditionele’ kerken. Die factoren maken ook direct duidelijk dat het veel te simpel is te zeggen, zoals de kop boven het interview met het echtpaar Westerkamp luidt, “Als de kerk deed wat ze moest doen, was New Wine niet nodig”. Voor wat het onderwerp van deze weblog betreft, zou men dat zo kunnen vertalen: als gereformeerde kerken deden wat ze moesten doen, hoefden de leden van die kerken niet naar Opwekking te gaan.

De muziek was traditioneel een punt van verschil, maar is dat inmiddels in veel mindere mate. In veel kerken heeft het evangelische liedrepertoire zijn intrede gedaan en in kerkdiensten van gereformeerde kerken worden soms meer Opwekkingsliederen dan psalmen gezongen. De rol van de muziek en de inbedding in de diensten zal nog wel verschillen, maar het is de vraag of dat essentieel is. Het is uiteraard mogelijk dat op Opwekking ook liederen gezongen worden, die in een gereformeerde kerkdienst niet of niet zo gauw zullen worden aangeheven. Dat kan heel goed een inhoudelijke reden hebben. Maar juist dan komen we een principieel verschil tussen Opwekking en gereformeerde kerken op het spoor. In de gereformeerde traditie wordt de inhoud van liederen getoetst aan de leer van de kerk. Bij de invoering van het Liedboek voor de Kerken in de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) bijvoorbeeld, is de inhoud van de bundel getoetst op Schriftgetrouwheid en verenigbaarheid met de belijdenis van de kerk.

Daar ligt de verbinding met een ander punt dat Ter Horst noemt: interkerkelijkheid. Die term is als zodanig onnauwkeurig, want ze suggereert dat bij Opwekking sprake is van een activiteit van verschillende kerken. Dat is niet het geval. Je zou beter kunnen zeggen dat Opwekking los staat van elke kerkelijke binding. Dat brengt mee dat ze ook los staat van elke kerkelijke inbedding en dus van elke geloofstraditie. “Kerkmuren doen er nauwelijks toe”, schrijft Ter Horst. Dat impliceert dat wat kerken scheidt – verschillen in geloofsleer, die voor een belangrijk deel het gevolg zijn van een verschillende manier van lezen van en omgang met de bijbel – ook geen rol speelt.

Voor beide hier genoemde aspecten geldt dat een gereformeerde kerk niet kan doen en niet mag doen wat Opwekking aanbiedt. Wanneer ze haar grondslag – de Schrift en de daarop gefundeerde belijdenis – serieus neemt, kan ze niet die elementen van Opwekking overnemen, die daarmee niet te verenigen zijn.

Die kritische instelling ontbreekt in het interview met het echtpaar Westerkamp. Daarbij vallen twee dingen op. Ze redeneren vrijwel geheel vanuit de behoeften van jongeren. Natuurlijk zijn die voor de kerk belangrijk, maar de gemeenschap van de heiligen bestaat uit mensen van allerlei leeftijden. Op Opwekking zullen de meeste bezoekers inderdaad behoren tot wat we ‘jongeren’ noemen, maar er zijn daar ook ouderen. Die komen nauwelijks in beeld. Het tweede opvallende aspect van het interview is dat de cultuur van onze tijd als uitgangspunt wordt genomen, zonder dat die aan fundamentele kritiek wordt onderworpen. “We hebben zelf meegemaakt dat jongeren van onze gereformeerde kerk gedoopt werden op een festival, terwijl ze als kind al bij ons gedoopt waren. Ze hadden een geweldige ervaring met God gehad en lieten zich daar ter plekke dopen. Wij vonden dat lastig.” Het woord ‘lastig’ is in dit verband meer dan een understatement; hier is alle reden voor een principiële stellingname ten aanzien van de visie op de doop in evangelische kring en op het verschijnsel van ‘overdopen’ en de relatie tussen dit verschijnsel en het kerklidmaatschap. Maar die blijft achterwege.

Nog een veelzeggend voorbeeld. “Het zou wenselijk zijn dat communitygevoel van buitenkerkelijke evenementen te integreren in de eigen gemeente. Laatst las ik dat de kerken uit het Nieuwe Testament uit maximaal zeventig personen bestonden. Gemeenteleden zou daarom ook eens per maand samen naar de kerk kunnen gaan, zoals men in het Bijbelse Israël naar de tempel ging, en op de andere zondagen iets anders kunnen doen, in kleine groepen, met mensen die goed bij je passen.” Daarmee sluit Jeannette Westerkamp zich aan bij wat een dominante trek is van het moderne christendom: je kiest een kerk of de gelovigen die bij je passen. Wordt daarmee niet de eigen behoefte in het centrum geplaatst? Is dit iets anders dan een christelijk klinkende variant van wat een kenmerk is van onze cultuur: het gaat om jou en jij bent het middelpunt van je eigen universum?

Ik wees er al op dat gebedsgenezing één van de wezenskenmerken van de evangelische beweging is. Behoort dit tot wat leden van traditionele gereformeerde kerken bij Opwekking zoeken? Daar ben ik niet zeker van. Ik heb niet de indruk dat dit element van het evangelische denken onder gereformeerden veel weerklank vindt. Van Loon noemt het in zijn artikel helemaal niet. Ik wees er al op dat hij de ‘zoekers’ zowel naar Opwekking als naar de CGK ziet gaan. Wellicht nemen degenen die naar Opwekking gaan de praktijk van gebedsgenezing op de koop toe. Dat wil niet zeggen dat het geen aandacht verdient, want gebedsgenezing speelt op de conferentie een belangrijke rol en daardoor kan het toch weerklank vinden bij bezoekende gereformeerden. Hopelijk hebben die, mede vanuit hun eigen traditie, toch wel oog voor de voetangels en klemmen die hier liggen.

In zijn analyse wijst Ter Horst de gebedsgenezing zelfs als “open zenuw” aan. “Er zijn inmiddels grote groepen christenen die geloven dat God ook nu nog (grote) wonderen doet. Toch roept deze gang van zaken vragen op. Worden alleen succesvolle genezingen getoond? Mag je ook genezen van innerlijke pijn, en is dat dan ook meet- en zichtbaar? En als je rugklachten had, maar niet ging staan, is dat dan een vorm van ongeloof? Waar is het besef dat een wonder eerder een teken is dan een ‘eind goed, al goed’-oplossing? En wat als je wel ging staan, maar niet genas?” Hij wijst erop dat de praktijk van gebedsgenezing op Opwekking “met pastorale ongelukken is omgeven”. Het is terecht daarbij de vinger te leggen, maar we mogen niet over het hoofd zien dat we hier te maken hebben met een principieel verschil tussen de evangelische en de gereformeerde geloofsleer. In het kader van dit artikel ga ik daarop nu verder niet in.

Tussen de analyses van Van Loon en het echtpaar Westerkamp zitten belangrijke en principiële verschillen. Jeannette Westerkamp zegt in het interview: “Laatst sprak ik een vriend die zei: we leven in een beeldcultuur, waarin mensen iets moeten zien om het te kunnen geloven. Maar ook een cultuur waarin iets goed moet voelen om waar te zijn. Je hebt dus een andere manier van evangelieverkondiging nodig, eentje die hierbij past.” Dit laat opnieuw zien hoe de Westerkamps de huidige cultuur kritiekloos tegemoet treden. Want dit heeft belangrijke consequenties. Iets moeten zien om het te kunnen geloven – was dat niet het probleem dat Thomas had? In feite bevestigt dit de analyse van Matthijs Vlaardingerbroek, die ik in mijn vorige weblog aanhaalde, naar aanleiding van de nadruk op gebedsgenezing in evangelische kring, waartoe hij zelf behoort: “Als Nederlandse christenen lijken wij onbewust te smachten naar keiharde bewijzen van Gods bestaan en zijn kracht. Doen wij dit wellicht om onszelf houvast te geven?” Niet zien en toch geloven: dat is wat de geloofsgetuigen in Hebreeën 11 met elkaar verbindt. Het behoort tot de kern van het spreken van de Schrift.

Van Loon houdt staande dat er niets mis is met de gereformeerde geloofsleer. “Het spirituele tegoed in onze kerken bestaat vooral uit het sterke besef dat de zekerheid van het geloof iets buiten mijzelf is. Het is Gods initiatief en Hij is trouw. Daardoor word ik niet teruggeworpen op mezelf. Die sterke nadruk op de objectiviteit van het heil vind ik een prachtig tegoed. (…) Veel van wat ik bij mezelf en in mijn traditie mis, is niet te wijten aan een lacune in de gereformeerde leer, maar aan het gevolg van het niet te gelde maken van elementen die al lang en breed benoemd zijn.”

Om een antwoord te zoeken op de vraag of, en zo ja, in welke zin er sprake is van een ‘spiritueel tekort’ op het gereformeerde erf, lijkt me dit een gezond uitgangspunt.

Advertenties

Dominee ZZP

De arbeidsmarkt is al jaren flink in beweging. Eén van de meest opvallende verschijnselen is dat vooral degenen die voor het eerst de arbeidsmarkt betreden, nauwelijks nog kans hebben op een vaste aanstelling. Ook al wat oudere werknemers die – na ontslag bij hun werkgever – een nieuwe baan zoeken kunnen er vaak niet vanuit gaan dat ze een vast contract krijgen aangeboden. Er zit soms niets anders op dan als ZZP’er aan de slag te gaan. Als je tegenwoordig zeker wilt zijn van een vast contract kun je het beste dominee worden.

Maar ook dat moet veranderen, in elk geval als het aan ds. Gert Zomer (GKV Houten) ligt. In een artikel in het Nederlands Dagblad pleit hij ervoor dat predikanten niet meer vast aan één gemeente verbonden zijn maar flexibel op verschillende plaatsen, met hun specifieke kwaliteiten, ingezet worden. De aanleiding voor zijn pleidooi was een column van redacteur Gerard ter Horst onder de titel ‘Dominees met een vlekje’. Die schreef hij onder de indruk van een discussie op de Generale Synode van de Christelijke Gereformeerde Kerken over predikanten die in hun gemeente zijn vastgelopen en daarvan zijn losgemaakt. Eerder waren in het Nederlands Dagblad trouwens al artikelen verschenen waarin gewezen werd op de pijn die zo’n proces bij alle betrokkenen – predikant, kerkenraad en gemeente – veroorzaakt. De tragiek van een losmaking wordt nog versterkt door het feit dat de losgemaakte predikant vaak nergens meer ‘aan de bak’ komt. Ook al ligt de oorzaak van de losmaking niet – of niet uitsluitend – aan hem, hij wordt toch gezien als iemand ‘met een vlekje’ en er zijn niet veel kerkenraden die het aandurven zo iemand ter beroeping aan hun gemeente voor te stellen.

Zomers motivatie is dat de discussie zich meestal concentreert op wat hij “de achterkant van het probleem” noemt: de gevolgen wanneer het mis gaat tussen predikant en gemeente. Hij wil graag “aan de voorkant van het probleem iets bijdragen. Voorkomen is immers beter dan genezen. Ik pleit ervoor om alle predikanten los te maken van hun gemeente.”

Waarom eigenlijk?

Een predikant, zegt Zomer, is voor inkomen en huisvesting meestal geheel afhankelijk van zijn gemeente. Mij ontgaat wat daarbij het probleem zou zijn. Voor wat de huisvesting betreft mogen predikanten hun handjes stijf dichtknijpen. Ze betalen geen huur en zaken als behangen en schilderen worden door de gemeente of in haar opdracht door anderen verricht. Dat zouden veel huurders ook wel willen maar die moeten zelf de handen uit de mouwen steken.

Als de predikant een huis koopt, wordt van hem verwacht dat hij dat op het grondgebied van de gemeente doet. Dat laatste lijkt me logisch en is niet in de eerste plaats de consequentie van zijn verbintenis als predikant, maar van zijn lidmaatschap van de gemeente. In de Gereformeerde Kerken is het nog altijd gebruik dat het lidmaatschap door geografische grenzen wordt bepaald, ook al wordt daarmee inmiddels op ruime schaal de hand gelicht. Het is overigens maar de vraag of het zo verstandig en gewenst is dat een predikant een huis koopt, en niet maar alleen om financiële redenen.

Zomer noemt de sociale component: de sociale contacten en activiteiten als ‘gewoon gemeentelid’. Daar ligt natuurlijk wel een probleem. Kan een predikant binnen de gemeente speciale vrienden hebben? Dat hangt ervan af hoe alle betrokkenen daarmee omgaan. Dat kan inderdaad gevoelig liggen. Maar in deze tijd van mobiliteit hoeft een predikant niet te vereenzamen wanneer hij binnen de gemeente geen vrienden heeft. Die kan hij ook elders zoeken. Moet een predikant lid worden van een ‘gemeentekring’? In mijn gemeente zijn er zulke kringen (huiskringen), maar ik heb nooit gemerkt dat er vanuit de kerkenraad of de gemeente enige druk werd uitgeoefend op de predikant om zich bij zo’n huiskring aan te sluiten. Als er gemeenten zijn waar dat wel gebeurt, zijn er goede redenen daaraan niet te voldoen. Een predikant is nu eenmaal nooit een ‘gewoon gemeentelid’. Predikant van je gemeente ben je zeven dagen per week en 24 uur per dag. (Wat uiteraard niet betekent dat hij al die tijd op afroep beschikbaar moet zijn.)

De predikant “heeft met zijn vrouw en kinderen, indien aanwezig, een voorbeeldfunctie, die hem overlevert aan de verwachtingen en denkpatronen van de gemeente.” Heeft de predikant een voorbeeldfunctie? Dat was ooit ongetwijfeld zo. Mijns inziens staat de predikant vrijwel nergens meer op een zodanig voetstuk dat hij overal zijn gezicht moet laten zien of overal het goede voorbeeld zou moeten geven. De meeste gemeenteleden zijn tegenwoordig realist genoeg om te beseffen dat een predikant ook maar een gewoon (zondig) mens is.

Zomer is van mening dat de geschetste nadelen te ondervangen zijn wanneer predikanten niet meer vast aan een gemeente verbonden zijn. Hij beroept zich daarbij op de apostel Paulus. “Van de apostel Paulus heb ik geleerd dat het voor een brenger van het goede nieuws een voorwaarde is dat hij vrij is. Paulus koos ervoor niet afhankelijk te zijn van de gemeente (1 Korintiërs 9). Hij verkondigt omdat hij niet anders kan, niet omdat hij ervoor betaald wordt. Hij doet het ook niet uit vrije wil; dan zou hij zijn hoorders afhankelijk maken van zijn grillen en grollen. De opdracht is hem toevertrouwd door Jezus zelf. Dat maakt dat hij zich volledig vrij voelt om zich aan te passen aan zijn gehoor (‘voor de Joden een Jood, voor de zwakken zwak’). Niet om dat gehoor naar de mond te praten, maar om hen te bereiken met het evangelie dat van Boven komt. Hij hoeft niet aan verwachtingen van mensen te voldoen, hij is niet van de gemeente, hij is van Jezus en wordt door Hem gestuurd.”

Dit beroep op Paulus lijkt me nogal problematisch. De predikant in onze dagen is Paulus niet. De apostel was uniek: door God hoogstpersoonlijk en direct – niet, zoals de predikanten van nu, via een gemeente – geroepen tot zijn taak. Die taak was ‘apostel van de heidenen’ te zijn. Het was niet zijn roeping aan één gemeente verbonden te zijn. Maar daarmee is niet gezegd dat zo’n verbintenis vreemd zou zijn aan de Schrift. Verschillende apostelen bleven zolang bij één bepaalde gemeente dat je zeker van een soort ‘vaste verbintenis’ kunt spreken. Wanneer Paulus naar Macedonië reist, laat hij Timotheus in Efeze achter. Als je kijkt naar de aanwijzingen die hij in 1 Timotheus geeft, is er alle reden Timotheus als ‘herder en leraar’ van die gemeente te beschouwen. Het boek Openbaringen bevat brieven aan een aantal gemeenten, die geadresseerd zijn aan de ‘engel’ van die gemeenten. Daarmee wordt naar algemene opvatting de voorganger bedoeld. Ook in dat geval hebben we dus wel degelijk te maken met een vaste verbintenis aan één specifieke gemeente.

Zomer pleit voor wat hij “een soort freelance predikant” noemt. Dat is dan iemand die met zijn specifieke kwaliteiten ingezet kan worden waar die nodig zijn, of dat nu op het gebied van de prediking, de catechisatie of het pastoraat is. Dat heeft ontegenzeglijk iets aantrekkelijks. Niemand kan overal even goed in zijn. Binnen een gemeente leven verschillende wensen als een predikant beroepen moet worden. Sommigen willen graag vooral goede en aansprekende preken. Jongeren stellen prijs op iemand die voor hen aanspreekbaar is, die open staat voor hun leefwereld. Ouderen hechten veel waarde aan pastorale zorg, zeker diegenen die niet meer regelmatig aan het gemeentelijke leven kunnen deelnemen. Het is voor een predikant onmogelijk aan alle wensen in gelijke mate te voldoen. Een specialist kan dan uitkomst bieden.

Maar daar staan niet geringe nadelen tegenover. Natuurlijk is het fijn wanneer de predikant op pastoraal gebied zijn mannetje staat en met bijvoorbeeld ouderen een goed geestelijk gesprek kan voeren. Maar zitten die ouderen op een ‘pastoraal specialist’ te wachten? Of willen ze toch vooral hun herder zien? Het is fijn voor jongeren wanneer een predikant oog en oor heeft voor hun leef- en denkwereld. Maar dan staat er iemand op de kansel die zij helemaal niet persoonlijk kennen. Zouden ze niet liever iemand op de preekstoel zien die in zijn preek ook nu en dan terugkomt op wat hij eerder – op catechisatie of in informele gesprekken – met hen heeft besproken?

Natuurlijk staat in de prediking de uitleg van de Schrift op de eerste plaats. Maar de boodschap van de Schrift moet ook worden toegepast. Ze moet concreet worden gemaakt, niet maar in algemene zin voor mensen van nu – want wie zijn dat precies? – maar voor een specifieke gemeente. Het kan nodig zijn een bepaald gedeelte van de bijbelse boodschap te belichten, omdat deze gemeente die boodschap nodig heeft. Wanneer er persoonlijke conflicten zijn, een gebrek aan aandacht voor elkaar, een gebrek aan openheid naar de samenleving of wanneer er sprake is van specifieke zonden, dan kan daaraan in de verkondiging niet voorbijgegaan worden. Daarbij komt het er op aan de juiste insteek te vinden en de juiste toon aan te slaan. Daarvoor moet de voorganger de gemeente kennen. Is dat niet het geval, dan kunnen er gemakkelijk ongelukken gebeuren. De predikant is een herder van zijn gemeente. Die term impliceert dat hij zorg aan zijn gemeente besteedt. Die zorg is zijn verantwoordelijkheid. Zonder een vaste verbintenis aan één bepaalde gemeente lossen beide in lucht op.

“Laat er landelijk of regionaal een maatschap van predikanten komen, waarin materiële zaken als inkomen, emeritaat, arbeidsomstandigheden en mobiliteit geborgd zijn. Ik daag de deskundigen op dat gebied uit hierover door te denken. Evenals over de geestelijke kant van opzicht en tucht over de predikant.” Ik laat de financiële en arbeidsrechtelijke kant van deze passage rusten; daar heb ik geen verstand van. Maar deze suggestie is in elk geval niet bruikbaar als het om opzicht en tucht gaat. Zonder vaste verbintenis lijkt me dit nogal problematisch. Alleen een kerkenraad is bevoegd tot het uitoefenen van de tucht. Dat betekent dat een predikant in actieve dienst toch op de één of andere manier aan een gemeente verbonden moet zijn. Maar dat opzicht wordt wel erg lastig wanneer het grootste deel van zijn werkzaamheden zich elders afspeelt.

Een model zoals Zomer dat in overweging geeft heeft positieve en negatieve kanten. Ik heb een aantal daarvan op een rijtje gezet. Maar het belangrijkste is nog niet genoemd. Dit model sluit in feite – ook al bedoelt Zomer dat ongetwijfeld niet zo – aan op de tegenwoordig dominante mentaliteit: we gaan met elkaar in zee voor zover en voor zolang het ons bevalt en iemand levert waaraan we behoefte hebben. Hij suggereert “een aanstelling als ‘hoofdprediker’ voor bijvoorbeeld twee jaar, die verlengd kan worden als het goed bevalt.” Is dat een criterium? Het wezen van een verbintenis tussen een predikant en een gemeente is vergelijkbaar met die tussen man en vrouw in het huwelijk: for better or for worse, in goede en slechte tijden. Het is een oefening in christelijk leven: genieten van elkaars gaven, geduld hebben met elkaars tekortkomingen.

In het economisch leven komt men er langzamerhand achter dat het werken met tijdelijke contracten en het inhuren van ZZP’ers wellicht niet zo’n goed idee is. Er is geen binding tussen werkgever en werknemer. Beide investeren niet in goede relaties, want die kunnen zomaar weer verbroken worden. Daar worden beide niet beter van. Daar zou de kerk van moeten leren. De problemen zijn reëel, maar dominee ZZP is geen panacee.