Archief

Posts Tagged ‘gereformeerd’

Onderzoek alles

15 juli 2012 1 reactie

Mocht de wetenschap ooit op een voetstuk hebben gestaan, die tijd is wel voorbij. Dat is niet alleen toe te schrijven aan het populisme, ze heeft het ook aan zichzelf te danken. De laatste jaren zijn diverse wetenschappers door de mand gevallen, toen werd vastgesteld dat ze gegevens hadden gemanipuleerd of zelfs uit hun duim gezogen. Dat geldt in de wetenschap als een doodzonde. De gevolgen waren onvermijdelijk: ze namen ontslag of werden ontslagen.

Hoewel de betrokken wetenschappers meestal bekenden schuldig te zijn en lieten blijken hun handelen te betreuren, konden ze het niet nalaten te wijzen op de omstandigheden waarin ze hun werk deden. Daarbij werd o.a. gerefereerd aan de druk die op wetenschappers wordt uitgeoefend om regelmatig te publiceren. Ook al was dat misschien niet de bedoeling, zoiets wordt wel geïnterpreteerd als een soort verontschuldiging, althans als een factor die hun schuld zou kunnen verzachten.

Daar kan uiteraard geen sprake van zijn. Uiteindelijk is ieder verantwoordelijk voor zijn eigen handelen. Maar daarmee is de kous niet af. Niemand opereert in het luchtledige, wetenschappers die aan een universiteit werkzaam zijn al helemaal niet. De universitaire wereld kan zich er daarom niet toe beperken de rotte appels uit de mand te verwijderen. Men moet de hand in eigen boezem steken. Worden wetenschappers onder een zodanige druk gezet te publiceren dat de kwaliteit van hun werk eronder lijdt? Zo ja, wat is daarvan de oorzaak? Laten de universiteiten hun oren hangen naar hun geldschieters, of dat nu de overheid of het bedrijfsleven is? Wetenschappelijke instellingen moeten hun onafhankelijkheid bewaren. Dat is een voorwaarde om de kwaliteit van wetenschappelijk werk te kunnen bewaken.

De kwaal van de manipulatie beperkt zich uiteraard niet tot de wetenschap. Ook elders wordt gesjoemeld. Dat komt niet altijd aan de oppervlakte. Wanneer dat wel gebeurt, staan er ook altijd wel mensen klaar die daarvoor een als excuus klinkende verklaring hebben. De evangelische wereld werd opgeschrikt door een onderzoek waaruit blijkt dat Frank Ouweneel, die als ‘bijbelleraar’ het land doortrekt, gebruik maakt van gegevens die soms aan zijn eigen fantasie lijken te zijn ontsproten dan wel ontleend zijn aan bronnen die niet bestaan of in elk geval voor anderen niet vindbaar zijn. Het Nederlands Dagblad berichtte daarover op 11 juli j.l. Terwijl de wetenschappers erkenden dat ze fouten gemaakt hadden, is dat inzicht bij Ouweneel niet doorgedrongen. Hij zette de tegenaanval in en verweet zijn critici onzorgvuldig te werk te zijn gegaan. De onderzoekers deden een deel van hun werk nog eens dunnetjes over; de resultaten waren hetzelfde. Daarop wilde Ouweneel niet meer reageren. Vervolgens tapte hij uit het vaatje dat in zijn kringen klaar lijkt te staan voor gevallen waarin kritiek wordt geleverd. De toezegging van een gesprek met het ND werd ingetrokken. “Ons enige commentaar: datgene waar u naar verwijst zien wij als een aanval van de satan.”

Uiteraard is dit geval niet één op één vergelijkbaar met de gevallen van manipulatie in de wetenschap. Daar bestaan algemeen aanvaarde en objectieve maatstaven om de betrouwbaarheid van onderzoek te meten. Die worden bijvoorbeeld door de redacties van wetenschappelijke tijdschriften gehanteerd om aangeboden artikelen te toetsen. Verder kunnen ook collega’s uit hetzelfde vakgebied worden ingeschakeld om zulke publicaties aan een kritisch onderzoek te onderwerpen (peer review). Dat heeft in het geval van de Nederlandse wetenschappers blijkbaar niet gewerkt en dat moet de wetenschappelijke wereld zich aantrekken.

In de wereld waarin Ouweneel opereert, bestaan zulke objectieve criteria niet. Iedereen kan zich ‘bijbelleraar’ noemen. Je hoeft daarvoor geen examen af te leggen of aan bepaalde eisen te voldoen. Uit een artikel over ‘Het fenomeen Bijbelleraar’ (ND, 14.7.12) wordt duidelijk dat de meesten die zich als zodanig afficheren geen enkele theologische opleiding hebben gevolgd. Dat geldt eerder als voordeel dan als nadeel. Ongehinderd door theologische ‘ballast’ worden de meest ‘originele’ verklaringen van Schriftgedeelten ten beste gegeven. In de kringen waarin ‘bijbelleraren’ zich bewegen “wordt vindingrijkheid zeer op prijs gesteld. Jezelf weten te onderscheiden draagt zeer bij aan je succes als Bijbelleraar”, zegt Henk Bakker, universitair docent geschiedenis en theologie van het baptisme aan de VU. De legitimatie ligt in de appreciatie van de toehoorders. “Als je een podium krijgt om je boodschap uit te dragen, geldt dat als bevestiging van je roeping”. Dat verklaart ook waarom zulke ‘bijbelleraren’ niet open staan voor kritiek. Als een ‘bijbelleraar’ dan ook nog meent dat zijn ‘bediening’ gebaseerd is op een directe goddelijke aanwijzing is het maar een kleine stap naar de etikettering van critici als werktuigen van de duivel. Dat er in de kringen waarin ‘bijbelleraren’ zich bewegen, sprake is van een bepaalde vorm van persoonscultus, kan geen verwondering wekken. Dat blijkt ook uit de reacties op de onthullingen betreffende Ouweneel. Hij blijkt een schare van bewonderaars te hebben die geen enkele kritiek accepteren en hun held zonder voorbehoud verdedigen.

‘Bijbelleraren’ fungeren meestal los van enig kerkverband. Het zijn kleine zelfstandigen. In hetzelfde artikel wordt één van hen geciteerd: “Ik ben niet gebonden aan een kerkelijke of gemeentelijke visie. Het enige waar ik mij aan heb gebonden, is Christus Jezus.” Daardoor ontbreekt elk mechanisme om valse leringen of ongefundeerde beweringen te weerleggen. In een artikel in dezelfde krant (13.7.12) schreef Jan Martijn Abrahamse, wetenschappelijk medewerker van het Baptistenseminarie aan de VU, dat de misstappen van Ouweneel verklaarbaar zijn vanuit de context waarin hij functioneert. Er bestaat een publiek dat concrete toepassingen van de Schrift ten aanzien van de eindtijd wenst en daarin voorziet Ouweneel met zijn lezingen. “De Schrift functioneert als routekaart naar de hemel. Ten diepste is het sensatie. De sensatie dat de Bijbel zienderogen in vervulling gaat. De autoriteit van de Schrift bewijst zich in de wereldgeschiedenis. Mensen willen zien én dan geloven. En zoals met zo veel zaken, creëert vraag aanbod.”

De hier geschetste achtergronden kunnen niet als verontschuldiging dienen. Ze zouden wel de evangelische wereld ertoe moeten aanzetten kritisch naar het verschijnsel ‘bijbelleraar’ te kijken en daaruit conclusies te trekken. Maar niet alleen daar is bezinning gewenst. Het is waar dat een kerkverband, zoals in de gereformeerde wereld, een middel is om onschriftuurlijke of ongefundeerde opvattingen te weerleggen. Maar Rien van den Berg wijst er in zijn commentaar (ND, 14.7.12) op dat christenen zich steeds minder aan het kerkverband gelegen laten liggen. “En ondertussen roepen ze om spannende verkondiging, klagen ze steen en been over de saaie degelijkheid van preken. En de voorganger die het wel kan brengen? Wordt die omringd door een publiek met een gedegen kennis van de Schrift? Vrees het ergste maar. Wordt die dan omringd door een kerkverband dat hem opvangt als hij zich dreigt te vergalopperen? Maar daarvoor is een gemeente nodig die hem niet laat wegkomen met gelikt (en intelligent) verkondigde onzin.”

Ook in gereformeerde kring is de kritische zin ten aanzien van bepaalde voorgangers soms ver te zoeken. Wanneer een daartoe bevoegde kerkelijke vergadering een theoloog zijn preekconsent ontneemt, is toorn haar deel: hoe durft men die maatregel te nemen tegen iemand die door sommigen als een moderne profeet op het schild wordt geheven? Regels gelden voor iedereen, maar niet voor onze profeet. Tijdens een beroepingsvergadering in een gereformeerde kerk kan het gebeuren dat sommigen de indruk wekken dat de ter beroeping voorgestelde predikant weinig minder dan de vijfde evangelist is.

Men is wellicht geneigd deze verschijnselen in verband te brengen met het individualisme en de ik-cultuur of de opkomst van de massacommunicatiemiddelen. Het gaat hier echter bepaald niet om moderne verschijnselen. Ik hoef alleen maar te herinneren aan Abraham Kuyper. Hij werd – terecht – bewonderd om zijn werkkracht en organisatietalent en zijn rol in de emancipatie van het gereformeerde volksdeel. Maar de bewondering sloeg al te vaak om in kritiekloze verheerlijking die in de gereformeerde kerken van de 20e eeuw veel schade heeft aangericht. Zulke adoratie leidt in de regel tot partijschappen. De apostel Paulus wist daar al alles van, toen hij zijn eerste brief aan de gemeente van Korinthe schreef.

De manier waarop Paulus daarop reageert is veelzeggend. Sommigen zeiden: “Ik ben van Paulus”. Dat laat hij zich niet aanleunen, integendeel. Hij wijst van zichzelf af, omdat Christus en zijn evangelie in het middelpunt moeten staan. Daar zouden moderne ‘bijbelleraars’, maar evenzeer predikanten, hoogleraren en wie al niet de verkondiging van het evangelie tot zijn taak rekent, een voorbeeld aan moeten nemen. De predikant hoeft zich niet achter de boodschap te verschuilen. Hij kan dat ook niet: de persoonlijkheid van de prediker zal altijd op een bepaalde manier doorklinken in de manier waarop de boodschap wordt gebracht. Maar hij zal ervoor moeten waken – en dat geldt vooral voor wie “het wel kan brengen” – dat hij met zijn persoonlijkheid niet tussen de boodschap en de gemeente in gaat staan. Het is best mogelijk dat de boodschap door een bepaalde persoonlijkheid gemakkelijker ingang vindt. Maar wordt die boodschap dan om de goede reden aanvaard? Een te grote rol van de persoon van de boodschapper maakt de boodschap ook kwetsbaar. Wanneer de boodschapper van zijn voetstuk valt en het “Hosanna” verandert in “Kruisig hem”, kan de boodschap door de val van de boodschapper verpletterd worden.

Een kerkverband is geen garantie tegen misstanden zoals hierboven beschreven. Dat kerkverband moet wel functioneren. Ik wees er al op dat in het geval van de frauderende wetenschappers het systeem van de peer review – de beoordeling door vakgenoten – heeft gefaald. Misschien moet dat aan slordigheid worden toegeschreven. Maar wellicht houden wetenschappers elkaar ook – bewust of onbewust – de hand boven het hoofd. Dat kan ook in de kerk gebeuren, wanneer personen op het schild worden geheven en in het middelpunt komen te staan. Kerkelijke vergaderingen moeten er niet voor terugschrikken voorgangers aan te spreken en desnoods maatregelen tegen hen te nemen wanneer hun visies niet in overeenstemming zijn met de Schrift en de belijdenis van de kerk. Voorgangers moeten ook te allen tijde bereid zijn tot verantwoording van wat zij te berde brengen. De Schrift is niet aan hen, maar aan de kerk toevertrouwd.

Dat betekent dat ook de toehoorders een verantwoordelijkheid hebben. Er is inderdaad, zoals Rien van den Berg schrijft, een gemeente nodig die een voorganger “niet laat wegkomen met gelikt (en intelligent) verkondigde onzin.” Dat is een gemeente die niet gekenmerkt wordt door luiheid en oppervlakkigheid, maar een gemeenschap waar mensen de Schriften bestuderen “om te zien of het inderdaad waar was wat er werd gezegd” (Hand. 17,11). Zeker ten aanzien van de verkondiging van het evangelie dient de gemeente zich te laten leiden door de aansporing van Paulus: “Onderzoek alles en behoud het goede” (1 Thess. 5,21).

Advertenties

Missiedrang kent grenzen

15 april 2012 1 reactie

Het heeft heel wat stof doen opwaaien, De Grote Jezus Quiz, die de EO op Tweede Paasdag uitzond. Er kwam een storm van kritiek, waarvan de teneur was dat het programma inhoudsloos, te lollig en zelfs godslasterlijk was. Arjan Lock, één van de directeuren van de EO, heeft inmiddels zijn verontschuldigingen aangeboden. Hij voelt zich persoonlijk verantwoordelijk, vooral omdat hij de uitzending van tevoren had gezien en die niet heeft tegengehouden. Volgens hem heeft de omroep zich vergaloppeerd in zijn verlangen de doelgroep van Nederland 3 met het evangelie te bereiken. In het Nederlands Dagblad van 11 april j.l. zegt hij als reactie op de opmerking dat sommige kijkers het programma godslasterlijk vonden dat, als hij hun mening had gedeeld, het programma uiteraard niet was uitgezonden. Daarmee maakt hij zich er wat erg gemakkelijk vanaf.

Vooropgesteld, ik heb het programma niet gezien. De titel alleen al stuit me tegen de borst. Het is in bepaalde christelijke kringen – en helaas vormen reformatorische kerken daarop geen uitzondering meer – gebruikelijk frequent over Jezus te spreken. Dat gebeurt meestal met de beste bedoelingen. Maar enige bezinning is hier wel op haar plaats. Sommigen spreken over Jezus alsof hij hun vriendje is. Vrijmoedigheid slaat niet zelden om in vrijpostigheid. Maar ook zonder dat kan het herhaaldelijk spreken over Jezus grenzen aan het ijdel gebruik van zijn naam. Dat is zeker ook het geval in de liedbundel Opwekking. Zowel in de liturgie als in de prediking zou iets meer ingetogenheid en eerbied op dit punt gewenst zijn. Dat geldt nog te meer bij het gebruik van de naam Jezus in de publieke samenleving.

Omdat ik de uitzending niet gezien heb, matig ik me er geen oordeel over aan. De citaten die hier en daar te lezen waren maken het wel begrijpelijk dat sommige EO-leden de uitzending als godslasterlijk betitelden. Maar laten we niet gemakkelijk denken over de taak die de EO zich stelt: het evangelie uitdragen onder een groeiende groep van kijkers die geen enkele kennis van het christelijk geloof heeft en misschien niet eens gewend is bij andere dan materiële dingen stil te staan. Dat de EO zich die taak stelt verdient waardering en het is beter mee te denken met programmamakers dan hen vanaf de zijlijn te bekritiseren. Dat wil niet zeggen dat er geen kritische vragen gesteld mogen of zelfs moeten worden. De belangrijkste vraag is niet welke aanpak wel of niet door de beugel kan of hoever je kunt en mag gaan om het evangelie aan de man te brengen. Daarachter ligt een belangrijker en fundamenteler vraag: waar komt het geloof vandaan?

Daarmee zijn we bij één van de kernen van het christelijk geloof. Juist hier scheiden zich de wegen binnen de christelijke wereld. Aan de ene kant staan de evangelischen, die een sterk remonstrants gekleurde opvatting hebben over de manier waarop mensen tot geloof komen. Aan de mens wordt een grote rol toebedeeld. Dat komt bijvoorbeeld tot uiting in het spreken over ‘kiezen voor God’, of – in evangelische kring gebruikelijker – ‘kiezen voor Jezus’. Dat heeft z’n weerslag in de ijver waarmee het evangelie wordt uitgedragen. Ook daarin speelt de mens een grote rol. Het hangt in hoge mate van hem af of ongelovigen met het evangelie worden geconfronteerd. Dat leidt niet zelden tot een nogal dwingende, bijna zelotische manier van evangeliseren. Het wordt de mensen bijna door de strot geduwd. De uitspraak van Jezus zoals weergegeven in Lukas 14,23 – “Dwingt ze om in te gaan” (vertaling NBG, 1951) – wordt weliswaar niet zo letterlijk genomen als door de rooms-katholieke kerk in het verleden, maar van een zeer sterke drang kan toch wel gesproken worden.

Aan de andere kant staan de kerken van de Reformatie. De gereformeerde belijdenis laat een heel ander geluid horen. Hier ligt alle nadruk op het geloof als een werking van de heilige Geest. In zijn soevereiniteit schenkt God het geloof aan wie hij wil en hij onthoudt het ook aan wie hij wil. De heilige Geest voert de wil van de Vader uit. Wanneer hij iemand tot geloof wil brengen, schakelt hij in de regel mensen in. Maar hij is van hen niet afhankelijk. Ook buiten hun activiteiten om kan hij het geloof in mensen werken. Het hangt uiteindelijk niet van mensen af of iemand tot geloof komt. Het hangt evenmin van menselijke inspanningen af of iemand met het evangelie geconfronteerd wordt.

Dat geeft ontspanning en rust. We hoeven ons niet in allerlei mogelijke en onmogelijke bochten te wringen om mensen te bereiken die door een bijna onoverbrugbare kloof van het christelijk geloof gescheiden worden. Menselijke mogelijkheden mogen tekortschieten, de heilige Geest heeft een onbeperkt aantal pijlen op zijn boog. Geen kloof is te wijd om door hem overwonnen te worden. Dat besef geeft de vrijmoedigheid om halt te houden, wanneer een methode van evangelisatie een reëel risico meebrengt dat Gods naam eerder gelasterd dan geëerd wordt. Daarmee wordt niet alleen zijn naam hooggehouden, op deze manier wordt ook zijn soevereiniteit gerespecteerd. Wie weet of het niet zijn wil is dat bepaalde mensen niet bereikt worden?

Missiedrang moet grenzen kennen. Dat is geen gemakzucht, maar eerbied voor het werk van de heilige Geest.

Tucht op de tocht

De tucht staat op de tocht, zo lijkt het. Dat was in bepaalde christelijke kerken al heel lang het geval. Wanneer er geen eenstemmigheid is over leer en leven vervalt elke grond voor tuchtoefening. Maar ook in kerken van orthodoxe snit lijkt de tucht heel sporadisch te worden toegepast. Dat valt tenminste op te maken uit wat daarover in de pers de laatste jaren is geschreven.

Enige voorzichtigheid is hier uiteraard wel geboden. Er zijn geen harde gegevens over het aantal gevallen van tuchtoefening in reformatorische kerken. Dat is logisch, want de tuchtoefening voltrekt zich voor een groot deel buiten de openbaarheid. Pas bij een bepaalde fase van tuchtoefening wordt hierover aan de gemeente mededeling gedaan. Zover komt het in de regel niet. Meestal geven de betrokkenen er de voorkeur aan zich voor die tijd aan de gemeenschap van de kerk te onttrekken. In reformatorische kerken zijn onttrekkingen een frequent voorkomend verschijnsel. Hoevaak die een uitvloeisel zijn van tuchtoefening valt onmogelijk te zeggen.

De tucht is een wezenlijk onderdeel van de gereformeerde religie. Dat blijkt uit het feit dat twee van de drie Formulieren van Eenheid hieraan specifiek aandacht besteden. De Heidelbergse Catechismus spreekt over de kerkelijke tucht in Zondag 31, waarin de sleutels van het koninkrijk der hemelen aan de orde komen. Artikel 29 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis noemt de tuchtoefening als één van de kenmerken van de kerk van Christus. Het is dus bepaald niet van ondergeschikt belang of en zo ja, hoe de tucht wordt gehanteerd. Dat komt ook naar voren bij de bevestiging van ambtsdragers. Aan de te bevestigen broeders wordt gevraagd of ze beloven zich aan de “kerkelijke vermaning en tucht” te onderwerpen wanneer ze zich in leer of leven misgaan. Hetzelfde gebeurt bij de openbare geloofsbelijdenis, wanneer gevraagd wordt: “Belooft u (…) u aan de kerkelijke terechtwijzing te onderwerpen, indien u zich – waarvoor God u genadig beware – in leer of leven misgaat?”
Wanneer de kerk van Christus vooral verlegen met de tucht blijkt te zijn – en uitlatingen van ambtsdragers wijzen daarop – is er alle reden voor bezinning.

Er worden allerlei argumenten tegen tuchtoefening aangevoerd. Er wordt op gewezen dat het gevaar van misbruik op de loer ligt. Een kerkenraad zou in de verleiding kunnen komen een lastig gemeentelid door de kerkelijke tucht buiten gevecht te stellen.
Wie belijdt dat de mens van nature slecht is zal dit bezwaar niet zomaar van tafel vegen. Wie de waarde van de kerkelijke tucht wil hooghouden, zal zich van de gevaren goed rekenschap moeten geven. Het gevaar van misbruik, hoe reëel ook, heft het goede gebruik echter niet op. Het is bepaald niet overbodig in dit verband het belang van het kerkverband nog eens te onderstrepen. Een kerkenraad mag wel besluiten een gemeentelid van het avondmaal af te houden, maar voor elke volgende stap in het proces van tuchtoefening dient het advies van het kerkverband te worden ingewonnen. En elk gemeentelid dat onder censuur is gezet, heeft het recht tegen de beslissing van zijn kerkenraad in beroep te gaan bij de meerdere vergadering. In dit licht is het kerkverband – waarover nogal eens in negatieve termen wordt gesproken – dringend aan herwaardering toe.

Een ander bezwaar is dat tuchtuitoefening nogal eenzijdig is. Het zijn vooral zonden tegen het zevende gebod die tot tuchtoefening aanleiding geven. Wie zich aan andere zonden schuldig maakt, die wellicht even ernstig zijn, blijft meestal onder de radar. Ook dit bezwaar kan niet zondermeer van de hand gewezen worden. Wanneer men er lucht van krijgt dat bijvoorbeeld een ambtsdrager onder de tucht is gezet – wat betekent dat hij voor een bepaalde tijd wordt geschorst en dat daarom per definitie niet verborgen kan blijven – wordt meestal zonder meer aangenomen dat het wel weer om een zonde tegen het zevende gebod zal gaan. Er bestaat dus ook een bepaald verwachtingspatroon. Dit zou inderdaad kunnen samenhangen met een eenzijdige aandacht voor dit soort zonden, terwijl andere gemakkelijk door de vingers worden gezien.
In dit verband moet er op gewezen worden dat alleen tucht geoefend kan worden over zonden die in de openbaarheid komen. Wanneer iemand zich schuldig maakt aan overspel is dat vrijwel altijd het geval. Het leidt meestal tot ontwrichting van een huwelijk en een gezin. Dat laat zich niet aan de openbaarheid onttrekken. Daartegenover staan vele zonden die slechts aan de dader bekend zijn. Wie zijn belastingformulier niet correct invult en probeert inkomsten aan de belasting te onttrekken, zondigt tegen het achtste gebod. Maar van kerkenraadsleden mag niet verlangd worden dat ze bij een huisbezoek inzage vragen in de financiën. Ook andere zonden vinden vaak buiten het zicht van de gemeente plaats, zoals familieruzies of roddel en achterklap. De kerkenraad heeft maar een beperkte kennis van de gemeente die aan zijn zorgen is toevertrouwd. Dat wordt ook erkend in de formulering op belijdenisattestaties. Daarin meldt de kerkenraad dat de desbetreffende broeder of zuster “voorzover hem bekend” gezond is in leer en leven.
Dat is maar niet alleen onvermogen, de kerkenraad mag bepaalde grenzen ook niet overschrijden. Ook ten aanzien van de toelating tot de viering van het avondmaal – waarmee oorspronkelijk het huisbezoek verbonden was – heeft hij beperkte mogelijkheden en beperkte bevoegdheden. Het toezicht op de deelname aan de avondmaalsviering die aan de kerkenraad is opgedragen kan en mag de eigen verantwoordelijkheid van de avondmaalsgangers zelf niet wegnemen.

Dat tuchtoefening zich vaak beperkt tot zonden tegen het zevende gebod valt niet te ontkennen. Dat heeft nog een andere oorzaak. In veel gevallen is daarover weinig verschil van mening. Zeker wanneer het gaat om overspel of om sexueel misbruik bestaat er een grote mate van eensgezindheid dat dit in de gemeente van Christus niet getolereerd kan worden. Over andere zaken is er minder eenstemmigheid. Natuurlijk, wanneer bekend wordt dat een gemeentelid zich aan financiële malversaties of aan fraude heeft schuldig gemaakt, zal waarschijnlijk niemand bezwaar aantekenen tegen tuchtoefening. Maar hoeveel instemming mag nog verwacht worden wanneer iemand onder de tucht wordt gezet die de zondag als een gewone dag beschouwt en structureel en langdurig de zondagse erediensten verzuimt? Wordt dat nog als zonde tegen het vierde gebod gezien? En wanneer een gemeentelid weigert de ambtsdragers tot zijn huis toe te laten, geldt dat nog als zonde tegen het vijfde gebod? Overigens brokkelt de eensgezindheid ten aanzien van zonden tegen het zevende gebod ook behoorlijk af. Ik wijs hier op de discussies over ongehuwd samenwonen en over homosexuele relaties.
Ten aanzien van de tucht over de leer liggen de zaken nog veel ingewikkelder. De gereformeerde leer staat niet echt in het centrum van de aandacht. Het lijkt belangrijker dat iemand gelooft dan wat hij gelooft. Zelfs voor leertucht over ambtsdragers kalft het draagvlak af. De recente discussies over het kerkelijke conflict van de jaren ’70 van de vorige eeuw binnen de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) laten dat zien. De leringen die destijds mede aanleiding gaven tot het conflict worden nu als quantités négligeables afgedaan.

Eenzijdigheden in de tuchtoefening moeten we niet te lijf gaan door de laatste restjes van de tucht op te ruimen. Er moet niet minder maar juist meer tucht geoefend worden. Daarmee doel ik niet in de eerste plaats op censuurmaatregelen. Wanneer en in welke gevallen die aan de orde zijn behoort tot de bevoegdheid van kerkenraden. Daar begint de tuchtoefening ook niet mee. Tuchtoefening begint op de kansel. De Heidelbergse Catechismus noemt de verkondiging van het evangelie als eerste sleutel van het koninkrijk der hemelen. Dat moet dan ook in de prediking tot uiting komen. Die mag niet vrijblijvend zijn, noch ten aanzien van de leer noch met betrekking tot het leven van de gemeente.

De tucht staat op de tocht. Wie wil voorkomen dat ze wegwaait moet bij de prediking beginnen.

Gereformeerd blijven

Alvorens de serie “Geloven doe je samen” voort te zetten, wil ik eerst enige aandacht besteden aan twee recente initiatieven. Binnen de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) bestaat al jaren verontrusting over de koers die de kerken varen. Dat heeft geleid tot allerlei publicaties, zowel op papier als op internet. Daarbij gaat het soms om activiteiten van individuele kerkleden, met name weblogs en websites. Deze weblog is daar één van. Ook door theologen worden activiteiten op dit terrein ontplooid. Verschillende predikanten hebben een eigen website, waarop ze commentaren op actuele kerkelijke ontwikkelingen publiceren. En dan is er een site als http://www.gereformeerdblijven.nl, waarin een aantal predikanten samenwerken. En laten we tenslotte niet de papieren werkelijkheid vergeten: het tijdschrift Nader Bekeken, weliswaar niet in de eerste plaats opgericht om kerkelijke ontwikkelingen van kritisch commentaar te voorzien, maar door de stand van zaken gedwongen zich daarmee bezig te houden.

De initiatieven van de twee laatstgenoemden verdienen de aandacht. In de eerste plaats wijs ik op het feit dat enige tijd geleden Nader Bekeken (*) op een aantal adressen van leden van de GKV werd bezorgd. Namens het bestuur van de Stichting Woord en Wereld, die het blad uitgeeft, schrijft ds. J. Wesseling bij de extra oplage dat er van alles in beweging is en dat het blad daarop wil inspelen door “positief en blijmoedig te blijven schrijven over wat gereformeerd is, vanuit een hartelijke binding aan de formulieren van eenheid en de gereformeerde kerkorde”. Het bestuur wil graag meer mensen – en in het bijzonder jongere generaties – “bereiken en enthousiasmeren met ons verlangen om opgewekt, eigentijds en met bezieling gereformeerd te zijn”.

Het blad is breed van opzet en in zekere zin met De Reformatie te vergelijken. We treffen Schriftstudies en boekbesprekingen aan, maar ook verdiepende artikelen, terwijl in enkele bijdragen kritische noten gekraakt worden over actuele ontwikkelingen op het kerkelijk erf. Bij de scribenten vinden we verschillende namen die ook aan websites verbonden zijn, die de ontwikkelingen in de GKV kritisch volgen. Daaruit mag geconcludeerd worden dat er inhoudelijke overeenkomsten bestaan tussen de redactie van Nader Bekeken en bijvoorbeeld de website gereformeerdblijven. Dat sluit niet uit dat er nuanceverschillen tussen de scribenten bestaan.

Dat is ook het geval bij degenen die bijdragen zullen leveren aan een vorige week gelanceerde website: gereformeerdekerkblijven. De website gereformeerdblijven is hierin opgegaan, en twee theologen die hun kritische commentaren op hun eigen website publiceerden, dr. H.J.C.C.J. Wilschut en prof. dr. J. Douma, hebben zich hierbij aangesloten. Op de homepage staat te lezen: “Ondanks reliëf delen deze drie sites dezelfde intentie. De Gereformeerde Kerken in Nederland zijn ons lief. Helaas signaleren wij tekenen van verval, die het gereformeerd karakter van de kerken onder druk zetten. Ook die zorg delen wij met elkaar. Vanwege die gezamenlijke liefde en zorg hebben wij de handen in elkaar geslagen en onze krachten gebundeld in een nieuwe site.”

Het is een goede zaak wanneer mensen die in principe hetzelfde nastreven, hun krachten bundelen. Dat kan de werfkracht alleen maar ten goede komen en zal hopelijk het gesprek over de aan de orde gestelde zaken bevorderen. Dat tussen redacteuren en medewerkers (nuance)verschillen bestaan – of “reliëf”, zoals gereformeerdekerkblijven het uitdrukt – is eerder een voordeel dan een nadeel. “Gereformeerd” is niet koekoek éénzang en “gereformeerd blijven” betekent niet het einde van elke discussie. Zoals ds. Wesseling schrijft: “Ten diepste wil ‘gereformeerd’ voor niets anders staan dan voor gezond en evenwichtig bijbels. Het licht van het evangelie schijnt over de volle breedte van het leven. En zo blijkt de inhoud van de gezonde, bijbelse leer maar al te vaak verrassend actueel”.

In dat kader past dat de website gereformeerdekerkblijven ook studiemateriaal wil bieden waarin thema’s worden behandeld die voor het gereformeerde leven van belang zijn. ‘Gereformeerd zijn’ betekent: in beweging blijven om steeds opnieuw te ontdekken wat de Schrift over het leven – ook het kerkelijk leven – te zeggen heeft en hoe de belijdenis daarbij behulpzaam kan zijn.

Beide publicaties hebben als intentie “positief” te schrijven over gereformeerd zijn en gereformeerd blijven. Het is te hopen dat het de scribenten lukt die intentie te laten doorklinken, ook als er kritische noten gekraakt moeten worden. Om die op hun positieve waarde te kunnen schatten zijn er welwillende lezers nodig. Maar aan welwillendheid begint het in kerkelijke kring steeds meer te ontbreken. Net zoals in politiek en maatschappij laat de tolerantie van de ‘toleranten’ steeds vaker te wensen over.

Wanneer de dialoog op kerkverbandelijk niveau niet op gang komt, kunnen in elk geval diegenen die het gereformeerd karakter van de kerk aan het hart gaat, hun eigen kerkenraad aanspreken. Het materiaal dat gereformeerdekerkblijven en Nader Bekeken aanbieden, kan daarbij ongetwijfeld van pas komen. Alle reden dus beide nauwlettend te volgen.

(*) Op Nader Bekeken kan men zich via de site van Woord en Wereld abonneren.

Daar wordt de rust geschonken

Het was een opvallend artikeltje op de site Habakuk. Ronald Koops, hoofdredacteur van het evangelische nieuwsblad Uitdaging, beklaagt zich over de hoeveelheid herrie in de samenleving. Daar is niets opmerkelijks aan: dat zal iedereen herkennen. Op straat, in winkels, als je door een helpdesk in de wacht gezet wordt – overal wordt je letterlijk om de oren geslagen met muziek. En zelfs mensen die zich in gezelschap bevinden, kun je nog met een oordopje in elk geval in één oor zien, want zonder muziek – of in elk geval geluid – kan men blijkbaar niet.

Het opvallende is dat Koops signaleert dat deze lawine van geluid ook kerken en gemeenten overspoelen en dat hij pleit voor het in ere herstellen van de stilte. Dat is om twee redenen opvallend. Hij is zelf ook actief in de muziek, en gezien zijn evangelische achtergrond zal hij wel de nodige decibellen produceren. Want – en dat is de tweede reden – juist in de evangelische wereld wordt doorgaans muziek gemaakt op een aanzienlijk hoger geluidsniveau dan gereformeerden in meer traditionele kerkdiensten gewend zijn. Het zijn vooral evangelische gemeenten die als eerste de uit de populaire muziek afkomstige band een plaats hebben gegeven in hun samenkomsten. Van daaruit heeft het verschijnsel zich verder verspreid en heeft het inmiddels ook in menige gemeente van reformatorische snit zijn intrede gedaan.
Juist dit verschijnsel is er voor een belangrijk deel verantwoordelijk voor dat het aantal decibellen in kerkdiensten flink wordt opgeschroefd, want ik moet de eerste band nog horen die niet vooral veel lawaai produceert. Alleen al de door zulke bands gebruikte instrumenten nodigen daartoe uit. En het karakter van de ten gehore gebrachte muziek past daarbij. Subtiliteit en introvertie zijn niet de meest in het oor springende kenmerken van ‘evangelische muziek’.

“Het wordt hoog tijd dat de gemeente de helende werking van de stilte en de rust van God herontdekt. Dat kerken en gemeenten oases van rust worden. Dat men zich stil weet in de liefdevolle en ontzagwekkende aanwezigheid van God. De waarheid van Psalm 62 wordt alleen ontdekt, als je het probeert: stil zijn, onze gedachten richtend op Hem. ‘Alleen bij God vindt mijn ziel haar rust, van Hem komt mijn redding.'” Het valt niet moeilijk zo’n pleidooi voor het eerherstel van rust en stilte bij te vallen. Het is te hopen dat deze visie veld wint in de kringen waarin Koops verkeert. En met een beetje geluk zullen reformatorische gemeenten die ontwikkeling ook dan volgen.

Maar er zijn wel een paar kanttekeningen bij deze hartekreet te maken.
Is stilte het enige alternatief voor lawaai? Is het echt nodig van het ene uiterste in het andere te vallen? Is er geen tussenweg?

In dit verband is het goed eraan te herinneren dat ‘stilte’ binnen evangelische kring geen onbekend verschijnsel is. In de bijeenkomsten mag het er dan meestal nogal luidruchtig aan toe gaan, voor het persoonlijk leven wordt juist de stilte gepropageerd. Weliswaar is de ‘stille tijd’ inmiddels een algemeen begrip geworden in de christelijke wereld, het idee is van evangelische oorsprong en vindt binnen de evangelische wereld nog altijd de vurigste pleitbezorgers.

Er doet zich dus het merkwaardige verschijnsel voor dat zowel excessief lawaai als volledige stilte kenmerken van de evangelische geloofsbeleving lijken te zijn. Je bent bijna geneigd te denken dat het tweede een soort compensatie vormt voor het eerste. Maar wellicht moeten we deze twee verschijnselen als twee kanten van dezelfde medaille beschouwen. In de evangelische muziek staat de lofprijzing centraal, in de stille tijd het contact met God. Tegen beide is in principe niets in te brengen. God verwacht van de gelovigen dat ze zijn lof zingen. En Hij wil ook contact met zijn kinderen. Maar zowel lofprijzing als het zoeken van contact met God kunnen gemakkelijk ontsporen.

Evangelische muziek is vaak nogal eenzijdig: de aandacht voor de schaduwzijden in het leven van de christen is nogal mager. En de lofprijzing neigt niet zelden tot extase, met een eindeloze herhaling van dezelfde tekstuele en muzikale frasen. Staat de eer van God dan nog wel centraal of de eigen emotie? Overdaad in de lofprijzing kan gemakkelijk een dwingend karakter krijgen.

Ook de stilte brengt dat gevaar mee. Door concentratie moet het contact met God tot stand komen. Maar God laat zich niet dwingen. In het Nederlands Dagblad van 17 december j.l. staat in de bijlage Gulliver een artikel over de broederschap van Taizé. Iemand zegt over zijn ervaring: “Mijn ziel werd stil voor God en opende zich voor de werking van Gods Geest”. Welke werking? De stilte als zodanig is geen werktuig van de Geest. Rust vinden bij God is iets anders dan God vinden door rust.

Stilte en lawaai zijn geen van beide specifieke werktuigen van de Geest. In het Oude Testament manifesteerde God zich op heel verschillende manieren. Soms door middel van storm en bliksem, dan weer door een zachte bries. Na de afsluiting van de canon laat Hij zich in de eerste plaats in zijn Woord vinden. Zowel in de publieke als in de persoonlijke eredienst moet dus alles erop gericht zijn dat Hij aan het Woord komt.

Dat wordt het meest bevorderd wanneer de eredienst gekenmerkt wordt door rust en regelmaat. Er hoeven geen stiltes gevallen te zijn om na afloop van de dienst te kunnen constateren: daar werd de rust geschonken.

Een profeet zonder boodschap

Profeten in het Oude Testament hadden een verantwoordelijke positie. Zij gaven de woorden van God door. De boodschappen die ze aan het volk verkondigden hadden ze direct van God ontvangen. Daaraan ontleenden ze hun gezag. God nam het juist hun bijzonder kwalijk wanneer ze hun positie misbruikten om hun eigen ideeën aan de man te brengen. Ze bekleedden die met goddelijk gezag, terwijl ze aan hun eigen brein ontsproten waren.

Na de afsluiting van de canon van de Schrift zijn zulke profeten er niet meer. Het valt niet uit te sluiten dat God mensen direct kan aanspreken. Het staat de heilige Geest tenslotte vrij zijn eigen middelen te kiezen om mensen op een bepaald spoor te zetten. Maar dat zijn dan wel boodschappen voor persoonlijk gebruik. De oorsprong ervan kennen alleen zij zelf. De buitenwereld moet zich van een oordeel daarover onthouden, tenzij de inhoud van die ‘openbaring’ strijdig is met het geopenbaarde Woord van God.

Daarom moeten we terughoudend zijn met te spreken over ‘moderne profeten’ en over ‘profetisch spreken’. Het is nogal wat wanneer van iemand gezegd wordt dat hij “een profeet (is) door God gezonden, maar niet geliefd omdat hij de waarheid spreekt.” Deze typering gebruikt een lezeres in een ingezonden in het Nederlands Dagblad van 4 december voor David Heek. De aanleiding is het vraaggesprek met deze aan de Theologische Universiteit van de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) afgestudeerde theoloog in het Nederlands Dagblad van 27 november.

Nu is het best mogelijk dat mensen in onze tijd profetisch spreken. Daarvan kan sprake zijn wanneer ze de boodschap van de Schrift grondig hebben bestudeerd, die zich eigen hebben gemaakt en in staat zijn die toe te passen op de tijd waarin we leven. Maar altijd zal ook hun boodschap moeten worden getoetst aan de Schrift. Alvorens iemand per ingezonden brief de profetenmantel om te hangen, is het raadzaam zich kritisch te bezinnen op de boodschap die hij brengt. En zolang iemand geen kerkelijk ambt bekleedt is er geen enkele grond hem als “door God gezonden” te beschouwen. In de kerk is alleen hij door God gezonden, die Hij via zijn gemeente tot het ambt roept.

Nu is niemand verantwoordelijk voor de etiketten die anderen hem opplakken. Maar Heek geeft wel aanleiding tot zulke etikettenplakkerij. Hij vergelijkt zich met Amos en zegt dat hij met het klimmen van de jaren “pastoraler en herderlijker” wil worden dan hij is, maar “dat profetische wil ik houden”. Daarmee trekt hij ook zelf de profetenmantel aan, en dat lijkt me voor iemand die nog geen roeping heeft ontvangen en geen verantwoordelijkheid voor een gemeente heeft gedragen, een vorm van overmoed.

Zou hij trouwens zelf de tegenspraak in zijn woorden beseffen? Hij erkent dat zijn spreken niet pastoraal is. Veroordeelt hij daarmee niet zichzelf? Want als er iets is dat het spreken van de profeten van het Oude Testament kenmerkte, was dat het pastoraal was. De bedoeling was immers de kudde van God terug te roepen tot de grote herder? Dat sloot harde woorden bepaald niet uit, maar daarin was steeds het warmkloppende hart van God hoorbaar. In het interview ontbreekt dat geheel.

Het volk van God in het Oude Testament was lastig, tegendraads en eigenwijs. Lees de toespraak van Mozes in Deuteronomium er maar op na. Daarin wordt het volk er nog eens met de neus op gedrukt hoe vaak het zich tegen Gods wil heeft verzet. Maar God geeft zijn volk niet op. Er worden waarschuwingen uitgedeeld en bedreigingen geuit, maar steeds met het perspectief van zegen bij bekering. Al die lastige Israelieten worden niet afgeschreven. Dat is nog eens wat anders dan de manier waarop Heek mensen wegzet die moeite hebben met zijn manier van preken of zich op een in zijn ogen ongewenste manier gedragen.

Mozes en de profeten van het Oude Testament waren ook concreet als ze het kwaad aanwezen. Ze kwamen niet met algemeenheden in de vorm van sweeping statements waarin hun toehoorders zich niet konden herkennen. Predikanten hebben volgens Heek te grote salarissen. In de kerk bepalen de regels het spel. Er is in de kerk een gebrek aan gemeenschap, “we houden niet van elkaar en we bidden niet voor elkaar”. In de meeste preken staat Christus niet centraal. Deze ongenuanceerde manier van oordelen waarbij persoonlijke ervaringen op een gehele gemeenschap worden geprojecteerd, hebben meer gemeen met de stijl van Wilders dan met de stijl van de profeten.

Wie zich opwerpt als profeet moet worden getoetst op het profetisch karakter van zijn spreken. Van dat profetisch karakter blijkt in het interview niets. Vooralsnog is Heek een profeet zonder boodschap. Er mag van alles mis zijn met de kerk, aan zo’n profeet heeft ze geen behoefte. En wie zelf erkent dat het hem aan herderlijkheid ontbreekt, kan de profetenmantel beter aan de kapstok laten hangen.

Doop, belijdenis en kerk

28 november 2010 5 reacties

Op mijn vorige artikel naar aanleiding van recente discussies over de (kinder)doop kwam een reactie, als ik het wel heb van iemand die ook aan het woord kwam in het artikel in het Nederlands Dagblad, dat de aanleiding vormde tot de discussie. Ik geef er de voorkeur aan daarop in een nieuw artikel te reageren in plaats van het onder de reacties op mijn vorige artikel te zetten.

De scribent vraagt mij om een bijbelse onderbouwing van de opvatting dat de doop in de plaats is gekomen van de besnijdenis. Om verschillende redenen zal ik op dit verzoek niet ingaan.

Uit de context blijkt dat een verwijzing naar de belijdenis taboe is. Dat is niet aanvaardbaar. Wie de belijdenis van de kerk ook als zijn persoonlijke belijdenis aanvaardt, mag zich niet het recht laten ontzeggen zich daarop te beroepen in discussies over de leer van de Schrift. Wie een gereformeerde gelovige het recht ontzegt zich op de belijdenis te beroepen gedraagt zich als een ongelovige die een christen het recht ontzegt in politieke en maatschappelijke discussies zich van religieuze argumenten te bedienen.

De gereformeerde belijdenis – waarmee hier wordt gedoeld op de drie Formulieren van Eenheid – is niet op een achternamiddag door enkele theologen bedacht en daarna aan de kerk opgedrongen. De belijdenisgeschriften zijn door kerkelijke vergaderingen – en daarmee door de gemeenschap van de kerk – als een betrouwbare samenvatting van de leer van de Schrift aanvaard. Daarom hebben ze kerkelijk gezag. Bezwaren tegen de belijdenis zijn daarmee bezwaren tegen de leer van de kerk. En bezwaren tegen de leer van de kerk behoren aan de gemeenschap van de kerk worden voorgelegd. Dat betekent dus dat bezwaarschriften tegen de belijdenis – of een specifiek onderdeel daarvan – op de tafels van kerkelijke vergaderingen thuishoren. In de eerste plaats de kerkenraad en uiteindelijk de Generale Synode.

Omdat de belijdenis kerkelijk gezag heeft en als samenvatting van de leer van de Schrift is aanvaard, hoeft ze niet steeds weer opnieuw ‘bewezen’ te worden. Bij bezwaren tegen de belijdenis ligt de bewijslast bij de bezwaarden. Zij dienen, met Schriftuurlijke argumenten, aan te tonen dat de belijdenis in strijd is met de Schrift.

De scribent beroept zich bij zijn afwijzing van de kinderdoop op zijn eigen onderzoek van de Schrift. Hij schrijft: “Als er iets is wat ik tijdens mijn gereformeerde opvoeding heb meegekregen is het wel dat we een kerk zijn van de reformatie. We mogen zelf studeren in de bijbel, zelf vragen stellen en op zoek naar naar God’s weg in ons leven.” Dat zal ik niet tegenspreken. Toch passen hierbij enkele kanttekeningen.

Het is nogal vermetel te beweren dat men door Schriftstudie tot een standpunt is gekomen dat diametraal staat tegenover wat de belijdenis van de kerk zegt. Zoals al gezegd, die belijdenis is door de gemeenschap van de kerk als leer van de Schrift aanvaard. We hebben het in de belijdenis van doen met de gestolde wijsheid van de christelijke kerk van eeuwen. En hoewel de drie Formulieren van Eenheid uit de 16e en 17e eeuw dateren, is hun inhoud grotendeels van veel oudere datum. In de digitale editie van het Nederlands Dagblad reageerden enkele lezers op het in mijn vorige artikel aangehaalde ingezonden van ds. Adrian Verbree. Eén van de respondenten merkte terecht op dat de kinderdoop veel oudere papieren heeft dan de geloofsdoop. In alle grote christelijke kerken is de kinderdoop van vroege tijden tot op heden als vanzelfsprekend bijbels voorschrift aanvaard.

Het is daarom nogal onwaarschijnlijk dat één gelovige zo’n hele lange traditie zomaar onderuit kan halen. Maar: onmogelijk is het niet. Het is in principe voorstelbaar dat iemand bij zijn Schriftonderzoek op gegevens of verbanden stuit die christenen – zelfs theologen – gedurende eeuwen zijn ontgaan. Dan lijkt het me urgent de christelijke gemeenschap daarvan in kennis te stellen. Maar op dat gebied heb ik van de geachte scribent nog niets vernomen. Had hij een origineel inzicht dat het denken over de kinderdoop in gereformeerde kring op de kop zou zetten, zou dat het Nederlands Dagblad ongetwijfeld gehaald hebben. Dat zou mij, als trouw lezer van die krant, zeker niet zijn ontgaan.

De scribent schrijft: “Het is jammer dat vragen van jonge ouders zoals ik, worden gesmoord met ingezonden brieven van Verbree en weblogs zoals deze.” Voor wat deze weblog betreft lijkt me deze opmerking iets teveel ‘eer’. Ik vermag ook niet in te zien waarom een verwijzing naar de gereformeerde belijdenis vragen zou smoren. Een discussie binnen de christelijke kerk kan nooit grenzenloos zijn. Uitgangspunt is dat de Schrift het eerste en het laatste woord heeft. Wanneer we als kerkelijke gemeenschap ervan overtuigd zijn dat de gereformeerde belijdenis de Schrift naspreekt, dan vormt ook die een grens die niet overschreden mag worden.

Een verwijzing naar de belijdenis smoort geen vragen, maar helpt juist die te beantwoorden. Wie het beroep op de belijdenis verbiedt, gooit de deur voor een vruchtbare discussie in het slot.