Archief

Posts Tagged ‘Gereformeerde Bond’

GKV waarheen? (2)

30 juni 2019 1 reactie

In het eerste deel van deze serie blogs onder de titel ‘GKV waarheen’ analyseerde ik de situatie waarin de GKV zich bevinden. Ik sprak m’n vermoeden uit dat de komende Generale Synode de door de GS-Meppel ingeslagen weg zal vervolgen. En dan komen die leden van de GKV die hiertegen overwegende bezwaren hebben, voor de vraag te staan: wat nu? Die wil ik in deze blog onder ogen zien en daarbij neem ik de verschillende ‘alternatieven’ onder de loep. Daarbij kan de positie van de bezwaarden zelf niet buiten schot blijven. Want wie zich afvraagt: waarheen?, moet zich ook de vraag stellen wat hem of haar uit de GKV drijft en wat hij of zij elders zoekt.

Ter voorkoming van misverstanden een paar opmerkingen vooraf.

In de eerste plaats: wie verwacht hier het definitieve antwoord te vinden op de vraag ‘wat nu?’, zal teleurgesteld worden. Ik heb geen pasklaar antwoord. De eerste reden daarvan is dat ik me zelf nog midden in een proces van overwegen en afwegen bevind. De tweede is dat het antwoord op die vraag van allerlei factoren afhangt, waarvan ik er enkele in het verloop van het volgende verhaal naar voren zal halen.

In de tweede plaats: ik schrijf niemand voor wat hem of haar te doen staat. Ik ben niet in die positie en, zoals gezegd, er zijn allerlei factoren in het spel die van persoon tot persoon kunnen verschillen. Dat betekent dat bezwaarde leden van de GKV tot verschillende keuzes kunnen komen. Het is te hopen dat ze daarover in openheid en eerlijkheid met elkaar van gedachten kunnen wisselen zonder elkaar de maat te nemen.

Dat wil ik hier dan ook niet doen. Ik zal me over diverse zaken duidelijk uitspreken en positie kiezen. Maar de lezer dient dit niet op te vatten als een veroordeling van de keuze die hij eventueel maakt. Met mijn positiekeuze draag ik hopelijk bij tot de gedachtenvorming.

Dan nu dus de vraag: wat kunnen bezwaarde leden van de GKV doen, wanneer ze tot de conclusie komen dat ze niet langer lid van de GKV kunnen blijven?

In vroeger tijden hebben leden van de GKV, die bezwaren hadden tegen de koers van hun kerk, hun heil gezocht in de CGK. Dat is logisch, want sinds hun ontstaan hebben de GKV naar kerkelijke eenheid met de CGK gestreefd, die ze als een echte gereformeerde kerkgemeenschap beschouwden. Daarbij werd vooral gekeken naar de koers zoals die door achtereenvolgende Generale Synodes werd uitgezet, en niet zozeer naar wat zich op plaatselijk niveau afspeelde. Het feit dat de CGK in elk geval drie stromingen kent, werd niet als een overwegend bezwaar beschouwd. Inmiddels zijn de twee kerken officieel in staat van vereniging. Maar de laatste jaren is dat proces van vereniging in het slop geraakt.

Een duidelijk teken daarvan was dat het voornemen te komen tot een Gereformeerde Theologische Universiteit door de laatste Generale Synode van de CGK werd afgewezen. Daarin zouden de theologische universiteiten van GKV en CGK opgaan, samen met de predikantenopleiding van de NGK, en in samenwerking met de Gereformeerde Bond in de PKN. Officieel werden organisatorische kwesties als reden voor het besluit aangevoerd, maar het lijdt weinig twijfel dat de recente ontwikkelingen in de GKV daarbij een rol gespeeld hebben. Verzet tegen kerkelijke eenwording was er altijd al. Die kwam van de kant van de bevindelijke vleugel, verenigd rond het tijdschrift Bewaar het Pand. Ook de ‘linkervleugel’ had reserves en zocht liever toenadering tot de NGK en de PKN. Het synodebesluit laat zien dat nu ook het ‘klassiek-gereformeerde’ midden twijfels heeft over het proces van eenwording met de GKV.

Dat heeft niet alleen te maken met bijvoorbeeld de besluiten van de laatste Generale Synode van de GKV als zodanig, maar ook – en wellicht vooral – met de vrees dat een vereniging van de beide kerken ertoe zal leiden dat vergelijkbare ontwikkelingen in de CGK zelf worden versterkt. Want ook binnen dat kerkverband zijn er gemeenten die zich aan de besluiten van achtereenvolgende generale synodes niet al te veel gelegen laten liggen. Een extra probleem vormen de zogenaamde ‘samenwerkingsgemeenten’. De CGK plukken de vruchten van ongelukkige besluiten in het verleden die groen licht gaven aan gemeenten die met één been in de CGK en met het andere been in de GKV of de NGK staan. Praktisch gezien is zoiets al problematisch, want zulke gemeenten hebben met verschillende kerkverbanden en daar geldende, soms heel verschillende, regels te maken. Maar dat probleem wordt nog groter wanneer de respectievelijke kerkverbanden zich van elkaar verwijderen, zoals nu het geval is.

Inmiddels zijn ook de CGK een kerkverband in verwarring. Daarmee is hun aantrekkelijkheid voor bezwaarde leden van de GKV aanzienlijk verminderd. Want de kans is reëel dat zij, wanneer ze zich bij een CGK zouden aansluiten, op kortere of langere termijn met precies dezelfde problemen geconfronteerd zullen worden als die ze met het verlaten van de GKV achter zich dachten te hebben gelaten. Ze komen dus, nu of later, van de regen in de drup.

Er zijn leden van de GKV die zich hebben aangesloten bij een Gereformeerde-Bondsgemeente. Daar vinden ze veelal de prediking die ze gewend waren binnen de GKV te horen (zij het wellicht met wat andere accenten). Ik vermoed echter dat van degenen die vanwege de recente besluiten rond de ambten overwegen de GKV te verlaten, weinigen die stap zullen maken. Het ligt ook niet voor de hand. Eén van de bezwaren is immers dat de GKV het karakter van een plurale kerk beginnen aan te nemen. In mijn vorige blog wees ik al op het ontwerp van een kerkorde voor de kerk die uit de vereniging van GKV en NGK zal ontstaan. Die laat de plaatselijke kerken veel vrijheid, wat ongetwijfeld tot grotere, ook inhoudelijke, verschillen zal leiden. Het feit dat de GS-Meppel gemeenten de vrijheid gaf, de besluiten betreffende de ambten al dan niet uit te voeren en ook geen beperkingen oplegde met betrekking tot de principiële motivatie daarvan, bevestigt de ontwikkeling naar meer pluraliteit.

In dat licht is de keus voor een Gereformeerde-Bondsgemeente nogal merkwaardig. Want daarmee maakt men deel uit van de Protestantse Kerk in Nederland, waarin de pluraliteit betreffende de geloofsleer nog vele malen groter is dan binnen de GKV of zelfs binnen de voorgenomen verenigde kerk. Wie van mening is dat je bij de vraag of je nog langer lid kunt zijn van de GKV, niet alleen naar de eigen gemeente moet kijken, maar naar het kerkverband als geheel, zou dit ook bij de PKN moeten doen. Het lijkt me, kortom, voor bezwaarde leden van de GKV geen begaanbare weg.

Sinds de eeuwwisseling heeft een aantal bezwaarde leden de GKV verlaten, daaronder ook een aantal (emeritus-)predikanten. Daaruit zijn twee verschillende kerkverbanden ontstaan. Het oudste van de twee is De Gereformeerde Kerk (hersteld) (DGK), die op dit moment uit tien gemeenten bestaat. Van recentere datum is de vorming van De Gereformeerde Kerken in Nederland (GKN), die uit twaalf gemeenten bestaat. Het ligt voor de hand dat veel bezwaarden, die nu nog lid zijn van de GKV, vooral naar deze kerkverbanden kijken bij hun inventarisatie van de alternatieven. Qua karakter lijken ze op de GKV, waarin men is opgegroeid en zoals die nog tot de eeuwwisseling bestond. Die vertrouwdheid is een belangrijke factor.

Daar staat wel wat tegenover. Allereerst is er het praktische bezwaar van de regionale spreiding, of, beter gezegd, het gebrek daaraan. Bij zo’n klein aantal gemeenten is te verwachten dat de afstand voor een aantal GKV-leden bezwaarlijk is. Dat maakt het elke zondag deelnemen aan de erediensten problematisch, en zeker de betrokkenheid bij het kerkelijk leven door de week. Denk hier ook aan zaken als bijbelstudievereniging en catechisatie. Dat laatste is uiteraard een factor die zwaar weegt voor bezwaarden met kinderen in de catechisatieleeftijd.

Dan is er het probleem van de gescheidenheid van de twee kerkverbanden. Er zijn al diverse pogingen ondernomen om tot eenheid te komen, maar die hebben tot nu toe geen resultaat opgeleverd. Of een recente hernieuwde poging wel tot eenwording zal leiden, moet worden afgewacht. Er zijn redenen daar sceptisch over te zijn, want de beide kerkverbanden zijn toch wel redelijk verschillend in wat ik maar ‘ligging’ zal noemen. De DGK heeft al een aantal interne conflicten achter de rug, die over andere dan echt substantiële zaken gingen. Dat men dat in de DGK waarschijnlijk anders ziet, laat zien wat het probleem is. Wat uit de DGK naar buiten komt, ook via publicaties in hun tijdschrift De Bazuin (dat ik overigens alleen uit citaten in de pers ken), wekt de indruk dat dit kerkverband vooral gedreven wordt door nostalgie naar oude tijden. Men probeert de GKV van zo’n 40, 50 jaar geleden opnieuw tot leven te wekken. Daar hoort ook een rigiditeit bij, waarvan destijds de GKV bepaald niet vrij waren. Nostalgie mag een begrijpelijke emotie zijn, het kan niet dienen als basis voor een kerkverband anno nu.

De GKN staan hier wat anders in, maar ook dat kerkverband is niet van nostalgische smetten vrij. Dat blijkt bijvoorbeeld uit de terugkeer naar de bijbelvertaling van 1951. Het zal best waar zijn dat er de nodige kritiek uit te oefenen valt op de Nieuwe Bijbelvertaling – maar op welke eigenlijk niet? – maar dat moet geen reden zijn dan terug te keren tot een vertaling die ook bepaald niet smetteloos is en alleen al qua taalgebruik nauwelijks meer bruikbaar is. Wie de Nieuwe Bijbelvertaling niet wil gebruiken, kan dan beter z’n toevlucht nemen tot de Herziene Statenvertaling.

Wat betekent dit voor degenen die nog lid zijn van de GKV en overwegen over te stappen naar een ander kerkverband?

Om te beginnen: de verdeeldheid tussen DGK en GKN is niet bepaald een goede reclame voor elk van beide. Het maakt ze niet aantrekkelijker. Van een vereniging van deze twee zou een signaal kunnen uitgaan dat leden van de GKV ertoe kan overhalen dan toch naar deze ‘verenigde herstelde GKV’ over te stappen. Of toch niet? Ik wil hier niet nalaten ook kritisch naar de bezwaarden te kijken (en daarbij sluit ik mezelf in). Zij moeten bij zichzelf nagaan, wat hun motieven zijn. Waarom willen ze weg uit de GKV en wat zoeken ze dan als alternatief?

Ik heb er in mijn vorige blog al op gewezen dat de uitslag van de stemmingen op de GS-Meppel laat zien dat er verschillen zijn tussen bezwaarden. Er waren kennelijk afgevaardigden die bezwaar hadden tegen het voorstel betreffende de ambten, maar positief stonden tegenover de voorgenomen fusie met de NGK. Wie kijkt naar de samenstelling van de redactie van Nader Bekeken, een tijdschrift dat men wellicht kan beschouwen als spreekbuis van de bezwaarden binnen de GKV, ziet daar lieden van verschillende pluimage als het om de opvattingen over de ter discussie staande zaken betreft. Verschillende auteurs, die in de loop van de jaren hun bezwaren hebben geuit tegen bepaalde ontwikkelingen binnen de GKV, onderschrijven de besluiten van de GS-Meppel ten aanzien van de ambten. Eén van de redactieleden liet zelfs een boekje verschijnen, waarin hij – zij het met enige reserve – de synodebesluiten verdedigt. Dat dit geschrift in eerste instantie verscheen in de serie boekjes die nauw gelieerd is aan Nader Bekeken maar de herdruk elders werd ondergebracht, laat al zien dat het in het kamp van de bezwaarden bepaald geen koekoek één zang is. Een zekere mate van wrijving is onmiskenbaar.

Wie wat rondkijkt en volgt wat er binnen de kerken gebeurt, ziet voortdurend de bevestiging van het gebrek aan eenheid. Er is geen sprake van twee ‘kampen’, die duidelijk van elkaar te onderscheiden zijn. De grenzen lopen kriskras door elkaar. Dat blijkt bijvoorbeeld ook uit de manier waarop met de liturgie wordt omgegaan. Sommige predikanten uit het bezwaarde kamp maken ruimhartig gebruik van Opwekking en andere liedbundels, die geen officiële status binnen de GKV hebben, terwijl andere daarin veel terughoudender zijn. Sommige predikanten, die je in een aantal opzichten als ‘behoudend’ kunt aanmerken, hechten aan het gebruik van kerkelijk vastgestelde formulieren bij de bediening van de sacramenten en ook van de vastgestelde teksten bij het voorlezen van de wet. Anderen gaan daar veel vrijer mee om. Ik noemde al het voorbeeld van de bijbelvertaling. Ik heb tot nu toe geen structureel verzet tegen de Nieuwe Bijbelvertaling opgemerkt. Er zijn er zelfs die zich voor de introductie daarvan hebben ingezet. Ook over de manier waarop de toelating van gasten tot het avondmaal moet worden geregeld, bestaat geen uniformiteit. Deze verschillen doen zich ook voor onder ‘ambteloze’ kerkleden, die zich tot de ‘bezwaarden’ rekenen.

Nu zou men kunnen zeggen dat het hier niet om zaken gaat die de geloofsleer raken en dat ze dus van relatief minder belang zijn. Dat is ten dele waar, maar verschillende van die zaken hebben toch wel op de één of andere manier te maken met de wijze waarop je als kerken wilt samenleven. En het gebruik van Opwekking roept allerlei vragen ten aanzien van het karakter van de liturgie op, waarover je best een stevige discussie kunt hebben. Bovendien wekken deze zaken, die vrijwel iedereen raken, nogal eens sterke emoties op, waaraan een kerkelijke gemeenschap niet zonder meer voorbij kan gaan. Het lijkt me eerlijk gezegd een illusie dat alle bezwaarden die zich nu nog binnen de GKV ophouden – inclusief een aantal predikanten – zich moeiteloos laten invoegen in de DGK of de GKN dan wel een combinatie van die twee.

Er is nog een kwestie die hier aan de orde moet komen. Die betreft de betrokkenheid van de kerk op de samenleving. Ook op dat vlak hebben de GKV een ommezwaai gemaakt. Vroeger was het uitgangspunt dat de kerk zich niet mengde in maatschappelijke en politieke aangelegenheden. (In de praktijk gebeurde dit wel degelijk, zoals ik noteerde in een eerdere blog.) Daartoe aangezet door de prediking in de kerk, zouden haar leden in politiek en maatschappij actief moeten worden en daar hun geloof in praktijk moeten brengen. Inmiddels is dat uitgangspunt verlaten (mede doordat allerlei organisaties hun exclusieve band met de GKV hebben losgelaten). Kerken houden zich nu als kerk bezig met maatschappelijke vraagstukken, zoals eenzaamheid, armoede en integratie van allochtonen. Hulp aan vluchtelingen en asielzoekers is niet meer een activiteit van individuele kerkleden, maar wordt gestimuleerd vanuit de kerk, via de diaconie en door middel van preken en voorbeden. Ook uit de bestemming van collecten blijkt die betrokkenheid bij maatschappelijke en politieke kwesties; denk aan de voedselbank of Schuldhulpmaatje.

Er valt genoeg te bekritiseren aan de ontwikkelingen in de GKV, maar dit beschouw ik als een positieve ontwikkeling. Maar ik denk dat niet iedere ‘bezwaarde’ dat zo ziet. De vraag is dus hoe een ‘nieuwe’ kerkgemeenschap – of een uitbreiding van GKN en/of DGK – zich op dat vlak zal gedragen. Gezien het feit dat sommige bezwaarden hun stem aan de SGP geven, die een uitgesproken conservatief geluid laat horen, doet me vermoeden dat ook hier een bron van spanningen ligt.

Als ik de ontwikkelingen binnen de GKV en de ‘tegenbeweging’ analyseer, kan ik onmogelijk erg optimistisch zijn. Veel bezwaarde GKV-leden wachten op de eerstvolgende Generale Synode. Mij lijkt dit formeel correct, maar ook niet meer dan dat. Er is wel veel fantasie voor nodig om te geloven dat deze synode de gesignaleerde problemen zodanig zal aanpakken dat de GKV met recht de naam ‘gereformeerd’ mogen blijven dragen. De ontwerp-kerkorde van de gefuseerde GKV/NGK bevestigt deze ontwikkelingen en laat zien dat de gefuseerde kerk vooral op de NGK zal gaan lijken en nog maar weinig gemeen zal hebben met de GKV, zoals die tot het begin van deze eeuw was.

Op grond daarvan lijkt een breuk onafwendbaar. Maar zal dat leiden tot het ontstaan van één nieuwe gereformeerde kerk? Ik heb daarover grote twijfels. De conflictstof ligt voor het oprapen. Bij een kerkelijke breuk hebben niet alle ‘afgescheidenen’ per definitie dezelfde motieven. Bij sommigen bestaat er ook een algemene weerzin tegen modernisering. Naast alle terechte kritiek op ontwikkelingen binnen de GKV, valt een zekere verwantschap met het maatschappelijk en politiek populisme niet te ontkennen. Diegenen die worden gedreven door een – romantisch – verlangen naar de veiligheid en de duidelijkheid van de kerk van het verleden, zullen na een eventuele breuk in een nieuwe kerk – of die nu helemaal nieuw is of aansluiting vindt bij DGK en/of GKN – na korte of langere tijd teleurgesteld raken. Want het verleden komt niet weerom.

Conservatisme of zelfs reactie zijn geen goede recepten voor een ‘herstelde’ gereformeerde kerk. Het gaat er niet om te herstellen wat er eens was. Het gaat er om gereformeerde kerk te zijn in de samenleving van nu. Die stelt andere vragen en kent andere problemen. De uitdaging van de kerk is vanuit het blijvende Woord en de belijdenis die haar samenvat, daarop de antwoorden te vinden.

Het was mijn bedoeling het bij twee blogs over dit onderwerp te laten. Maar nu ik aan het slot van de tweede aflevering aangekomen ben, dringt zich de vraag op of een derde aflevering niet noodzakelijk is. De ontwikkelingen in de CGK staan niet stil. Er zijn geluiden die er op wijzen dat ook binnen de CGK de mogelijkheid van een kerkelijke breuk serieus wordt overwogen. Dat is nieuw, want alleen de gedachte al was binnen de CGK altijd zoiets als vloeken in de kerk. Het is belangrijk genoeg om daaraan apart aandacht te besteden. Wellicht kan de CGK een sleutelpositie gaan innemen in wat een kerkelijke herverkaveling zou kunnen worden. Ik verbind dit dan met de vraag die ik tot nu toe heb laten liggen: is een breuk inderdaad onvermijdelijk en zelfs gewenst? Of zijn er wellicht toch argumenten om gewoon lid te blijven van een kerk waartegen je zwaarwegende bezwaren hebt?

Advertenties

GKV waarheen? (1)

De Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) (GKV) zijn een kerkverband in verwarring. Sinds de perikelen van de jaren ’70 van de vorige eeuw, die tot het ontstaan van de Nederlandse Gereformeerde Kerken (NGK) leidden, bevond het kerkverband zich in relatief rustig vaarwater. Natuurlijk kwamen op kerkelijke vergaderingen, zoals Generale Synodes, wel zaken aan de orde die aanleiding gaven tot verschil in opvatting, maar die waren zelden van fundamentele aard. Sinds de eeuwwisseling is het vaarwater nogal troebel geworden. Er begon van alles te schuiven, vaak eerst in plaatselijke kerken en daardoor van een beperkte reikwijdte. Eén van de kenmerken van de veranderingen was dat ze vaak stilzwijgend plaatsvonden. Men confronteerde zich niet met de gangbare opvattingen en praktijken en voelde zich daarom ook niet geroepen nieuwe opvattingen en vormen te beargumenteren.

Die fase hebben de GKV achter zich gelaten. De meningsverschillen zijn de laatste jaren aan de oppervlakte gekomen en niemand kan meer doen alsof ze er niet zijn. Dat heeft drie oorzaken. De eerste is het besluit van de laatste Generale Synode (aan te duiden als GS-Meppel) de ambten van predikant, ouderling en diaken open te stellen voor vrouwen. De tweede is het besluit te streven naar een fusie op afzienbare termijn met de NGK. De derde is het besluit van de GS-Meppel een studie te laten verrichten naar de positie van homoseksuelen – en dan met name diegenen die een relatie aangaan – binnen de kerk. Terwijl dat laatste onderwerp op de eerstvolgende GS (GS-Goes, 2020), die in november a.s. wordt geopend, waarschijnlijk nog niet aan de orde zal komen, zullen de eerstgenoemde twee kwesties daar een centrale rol spelen. Dat heeft, voor wat de openstelling van de ambten betreft, vooral te maken met de bezwaren die door diverse kerken zijn ingebracht tegen het besluit van de GS-Meppel.

Inmiddels wordt er op allerlei niveaus gediscussieerd over dat besluit. Dat gebeurt niet alleen op landelijk niveau, via publicaties in allerlei vorm, maar ook in gemeenten, dankzij het feit dat de GS de gemeenten de vrijheid gaf de genomen besluiten al dan niet uit te voeren. Het heeft in veel gemeenten voor wrijving en verwijdering gezorgd. Niet alleen ‘bezwaarden’ vragen zich af: wat nu? Waar gaan we als kerken heen? Kunnen we de eenheid nog bewaren of bestaat die in feite al niet meer? En als er een breuk optreedt, wat dan? Een alternatief dient zich niet altijd direct aan. Niet weinige bezwaarden kunnen het de Gereformeerde Bond nazeggen, toen die met de aanstaande vorming van de PKN werd geconfronteerd: we kunnen niet mee en we kunnen niet weg.

Ik wil hier een poging doen de stand van zaken op te nemen en m’n gedachten laten gaan over de te verwachten ontwikkelingen. Wat kunnen we van de komende Generale Synode verwachten en wat zullen de consequenties van eventuele besluiten zijn?

Allereerst de kwestie betreffende de openstelling van de ambten. Voor de goede orde: het gaat daarbij vooral om de ambten van predikant en ouderling. Over de openstelling van het ambt van diaken bestaat een vrij grote overeenstemming.

Ik zie hier vier opties.

De eerste is dat de GS tot de conclusie komt dat het besluit van de GS-Meppel principieel onjuist was en dat op grond van de Schrift de ambten van predikant en ouderling aan mannen voorbehouden zijn. Dat zal vèrgaande consequenties hebben. Het betekent dat er geen basis is voor de ambtsuitoefening van die vrouwen die al als ouderling functioneren. Zij zullen hun ambt per direct moeten neerleggen. Dat is uiteraard een pijnlijke zaak. Maar nog pijnlijker is de principiële kant. Want toen zij bevestigd werden, hebben zij “ja” gezegd, toen hun gevraagd werd of ze ervan overtuigd waren dat God hun tot die taak geroepen had. Dat moet dan achteraf als een vergissing worden aangemerkt. Daarbij blijft het niet. Want zo’n besluit impliceert dat de opvattingen van de voorstanders van de openstelling van de ambten voor vrouwen als onschriftuurlijk moeten gelden. Wat betekent dit voor het functioneren van predikanten en hoogleraren die zulke opvattingen publiek hebben uitgedragen? Er is niet veel fantasie voor nodig om te beseffen dat een zodanig besluit als een splijtzwam zal gaan werken. Alleen al om die reden kunnen we er gevoeglijk van uitgaan dat zo’n besluit niet genomen zal worden.

De tweede optie is dat wordt uitgesproken dat uit de discussies blijkt dat er veel onzekerheid bestaat over de correcte uitleg van teksten die met het onderwerp te maken hebben. De synode zou, vanuit de overweging dat een grote mate van consensus in deze kwestie gewenst is, kunnen besluiten een studie-deputaatschap te benoemen dat zich nog eens over de exegese van relevante Schriftplaatsen gaat buigen en met name over die, welke aanleiding geven tot fundamentele verschillen van inzicht. Je zou dit de veilige optie kunnen noemen. Definitieve besluiten worden niet genomen, noch in de ene noch in de andere richting. De discussie op allerlei niveaus kan worden voortgezet zonder consequenties voor de deelnemers. Het ligt voor de hand dat, zolang geen nieuw besluit wordt genomen, geen vrouwen in de ambten worden bevestigd. Die vrouwen die al een ambt bekleden, zouden hun termijn kunnen volmaken.

De derde optie is dat de synode uitspreekt dat het besluit weliswaar juist is maar dat de argumentatie te wensen overlaat. Ze zou uit haar midden een aantal afgevaardigden aan het werk kunnen zetten om een deugdelijker onderbouwing van de genomen besluiten te formuleren. Dit is de meest problematische optie. Het komt er in feite op neer dat de synode zegt: vrouwen mogen wel in de ambten benoemd worden, maar we weten eigenlijk niet zo goed waarom. Je zou dit ook de meest gênante optie kunnen noemen. Hiermee deelt de synode zichzelf en haar voorgangster een brevet van onvermogen uit.

De vierde optie heeft met de eerste gemeen dat ze de helderste is. De synode bevestigt het besluit van de GS-Meppel en meent dat de onderbouwing toereikend is en recht doet aan de Schrift. Maar daarmee is de kous niet af. De vraag die ze daarbij niet kan ontlopen, is of ze het kan volhouden dat alle meningen gelijke rechten hebben binnen de kerken. Want als de discussie sinds de laatste GS iets laat zien is het dat dit leidt tot ongemak, wrijving en gewetensconflicten. De synode ontkomt er niet aan zich af te vragen of deze verdeeldheid nog past binnen de bandbreedte van wat we als kerken onder ‘gemeenschap van de heiligen’ verstaan. Een bevestiging van de besluiten zal onvermijdelijk – en ook hier ligt een parallel met de eerste optie – tot verdere verdeeldheid leiden en wellicht tot een formele breuk binnen het kerkverband.

Welke optie is de meest waarschijnlijke? Ik zou het niet weten. De eerste is, zoals ik al suggereerde, de minst waarschijnlijke. De consequenties daarvan zullen zo ingrijpend zijn dat men het niet zal aandurven, zo’n besluit te nemen. Uiteraard hangt de uitkomst af van de vraag hoe de synode is samengesteld. Het lijkt echter onwaarschijnlijk dat er voldoende draagvlak zal zijn voor een zo vèrgaand besluit. Het feit dat tenminste twee vrouwelijke ouderlingen zijn afgevaardigd naar de GS-Goes maakt dat nog onwaarschijnlijker. Het zal dus wel één van de andere drie worden. Vooralsnog geef ik de laatste de meeste kans.

Er is nog een tweede kwestie die de gemoederen bezighoudt, al neemt die in de discussies in de pers en op vergaderingen een minder prominente plaats in. Dat laatste zou wel eens z’n oorzaak daarin kunnen vinden dat de fusie met de NGK minder verzet oproept dan de openstelling van de ambten voor vrouwen. Het is opvallend dat tijdens de GS-Meppel de stemverhoudingen bij deze twee onderwerpen verschilde. Het aantal stemmen tegen de fusie tussen GKV en NGK was kleiner dan dat tegen het voorstel betreffende de ambten. Daaruit moet de conclusie getrokken worden dat er afgevaardigden waren, die bezwaar hadden tegen de toelating van vrouwen tot de ambten, maar niet tegen de fusie met de NGK. En dat is vreemd. Want binnen de NGK is de uitoefening van de ambten van predikant en ouderling door vrouwen geen onderwerp van discussie meer. Het is inmiddels ingeburgerd en de kans dat het na een fusie met de GKV nog weer ter discussie zal worden gesteld, lijkt me vrij klein. Degenen die verschillend stemden, zullen zich toch wel gerealiseerd hebben dat met een fusie precies datgene de kerk binnenkomt, wat ze door hun tegenstem bij het voorstel over ‘vrouw en ambt’ buiten de deur wilden houden?

Maar daarbij blijft het niet. Zoals ik in eerdere weblogs heb betoogd, komen met de fusie ook andere zaken de kerk binnen die je juist zou moeten weren. Dat betreft de te zwakke binding aan de belijdenis en – daarmee annex – een te grote vrijheid van plaatselijke kerken op het gebied van de geloofsleer en de ethiek, alsmede de vrijheid de leer van ds. B. Telder uit te dragen en, niet te vergeten, het gedachtegoed van New Wine, dat op een aantal punten niet verenigbaar is met de gereformeerde geloofsleer en de gereformeerde manier van kerk-zijn. Het voorstel voor een kerkorde van de verenigde kerk onderstreept dat die kerk meer op de huidige NGK zal gaan lijken dan op de GKV, zoals die tot aan het begin van deze eeuw was.

Het feit dat tegen deze fusie zo weinig weerstand wordt geboden, is bepaald verontrustend. Kennelijk zien verreweg de meeste voorgangers en kerkenraden hier geen problemen. En van degenen bij wie dat wel het geval is, is lang niet iedereen bereid daaraan de consequentie te verbinden dat die fusie dan maar niet door moet gaan. Ik weet op dit moment niet of tegen het principebesluit tot een fusie door gemeenten bezwaren zijn ingebracht en ook niet wat de synode op dit punt eventueel nog zou moeten besluiten. Vooralsnog lijken de kansen dat er nog zand in de machine wordt gestrooid, niet erg groot. De trein zal dus wel voortrazen tot een stadium is bereikt dat er in feite geen weg terug meer is.

Wanneer inderdaad zal gebeuren wat ik hierboven als het meest waarschijnlijke heb aangemerkt, zullen leden van de GKV die zich met deze ontwikkelingen niet kunnen verenigen, des te nadrukkelijker voor de vraag komen te staan: wat nu? Daarover gaat de tweede aflevering van deze serie.

Kerkelijke eenheid – kiezen of delen

Op 1 april zag ik tweets van verschillende christelijke media voorbijkomen. Daarin werd gemeld dat vijf kerken die hun wortels in de Reformatie hebben, op weg zouden zijn naar een nauwere band. De PKN, de Gereformeerde Kerken vrijgemaakt, de Nederlandse Gereformeerde Kerken, de Christelijke Gereformeerde Kerken en de voortgezette Gereformeerde Kerken in Nederland zouden elkaars attestaties aanvaarden en elkaars leden als gastlid toelaten. Bovendien zouden ze hun kansels voor elkaars predikanten openstellen.

Aanvankelijk dacht ik aan een eenaprilgrap, hoewel ik daar niet zeker van was. Het leek me in elk geval geen geslaagde grap, want over bepaalde dingen moet je geen grappen maken. Maar al snel bleek dat van een grap geen sprake was. De volgende dag werd dat door een bericht in het Nederlands Dagblad bevestigd en toen was het geen 1 april meer. Maar misschien moeten we dit voorstel bij nadere beschouwing toch wel als een grap beschouwen, maar dan inderdaad wel als een hele slechte.

Overigens is het bericht veel te stellig. “Vijf protestantse kerken zijn van plan ‘bijzondere betrekkingen’ met elkaar aan te gaan: aanvaarding van elkaars (gast)leden en openstelling van elkaars preekstoelen.” Dat is nog maar de vraag: het gaat om voorstellen van deputaten. Vooralsnog zijn hun kerken helemaal niets van plan. De respectievelijke synodes moeten ermee akkoord gaan. Je mag aannemen dat de afgevaardigden hier nog wel iets over willen zeggen. Ik heb nog wel zoveel vertrouwen in het gezond verstand en het kritisch vermogen van op z’n minst een aantal afgevaardigden van vooral GKV en CGK dat ik me niet kan voorstellen dat deze voorstellen enthousiast omarmd zullen worden.

Laten we eens naar die voorstellen kijken.

Het eerste voorstel behelst het aanvaarden van attestaties uit de andere betrokken kerken. In christelijke kerken wordt met attestaties niet op dezelfde manier omgegaan. Als houder van het Kerkelijk Bureau van mijn gemeente krijg ik ook wel eens attestaties uit andere kerken onder ogen, bijvoorbeeld de PKN maar ook een Gereformeerde Gemeente. Daar staat soms helemaal niets op over de ‘geestelijke staat’ van de betrokken persoon. Dat is te begrijpen wanneer het in de desbetreffende gemeente niet de gewoonte is dat ambtsdragers bij hun gemeenteleden op huisbezoek gaan. Hoe kunnen ze dan weten of een broeder of zuster “gezond is in de leer en onbesproken in de wandel”, zoals het op door mijn kerkenraad afgegeven attestaties wordt geformuleerd? Daar staat dan wel altijd bij “voor zover de kerkenraad bekend is”. Maar wanneer nooit een huisbezoek plaatsvindt, reikt die kennis niet ver. Daarmee is een attestatie niet veel meer dan een bewijs van lidmaatschap. Dat maakt het des te onbegrijpelijker dat de notitie van de deputaten van de vijf genoemde kerken zegt: “Er vindt niet eerst nog een apart ‘examen’ naar leer en leven plaats”.

Maar ook al staat op de attestatie dat iemand “gezond is in de leer en onbesproken in de wandel”, dan is direct de vraag wat daaronder verstaan moet worden. Het is voor een kerkenraad van wezenlijk belang dat hij er vanuit kan gaan dat de kerkenraad die de attestatie heeft afgegeven, dezelfde normen hanteert als hij zelf aanlegt. In de kleinere reformatorische kerken is dat meestal wel het geval, hoewel zeker in de NGK duidelijke verschillen tussen gemeenten bestaan, mede als gevolg van het feit dat daar veel aan de plaatselijke gemeenten wordt overgelaten. Bij de PKN zijn de verschillen nog vele malen groter.

Het probleem betreft niet alleen de aanvaarding van attestaties uit andere kerken. Het gaat evenzeer om het afgeven van een attestatie naar een andere kerk. In de attestaties die mijn kerkenraad verstrekt beveelt hij de broeder of zuster die een attestatie meekrijgt aan in de herderlijke zorgen van de “broeders opzieners” – oftewel de ambtsdragers – van de ‘ontvangende’ gemeente. Het begrip ‘herderlijke zorg’ moet hier niet te eng worden opgevat. Dat betreft uiteraard de persoonlijke zorg, met name in de vorm van ambtelijk bezoek. Ik merkte al op dat het niet in alle gemeenten van de betrokken kerken de gewoonte is regelmatig huisbezoek af te leggen. Maar herderlijke zorg betreft in de eerste plaats de prediking en – als het om een gezin met kinderen gaat – het catechetisch onderwijs. De kerkenraad kan iemand alleen met een gerust hart in de zorg van een andere kerkenraad aanbevelen wanneer hij ervan uit kan gaan dat die op dezelfde grondslag staat.

Dat lijkt me in dit geval niet onproblematisch. Want wanneer iemand attestatie aanvraagt naar een PKN-gemeente, welke kleur heeft die gemeente dan? Wordt de Schrift daar als richtsnoer voor leer en leven gehanteerd? Heeft de wil van God, zoals die in de Schrift wordt geopenbaard, daar het eerste en het laatste woord? Daar komt nog bij dat de gemeenschap van de kerk zich niet tot de plaatselijke gemeente beperkt. Wie lid wordt van een Gereformeerde-Bondsgemeente, krijgt de vrijzinnige vleugel – ook al vergadert die aan het andere eind van het land – er gratis bij. Maar de vraag is vervolgens ook of de ambtsdragers in de nieuwe gemeente zich strikt binden aan de gereformeerde belijdenis. En dan komt ook de NGK in beeld want daar wordt met de belijdenis wat ‘lichtzinniger’ omgegaan dan in de GKV – althans officieel – het geval is. Kerkenraden van de GKV kunnen, bij wijze van spreken, met de ogen dicht een attestatie naar een andere GKV tekenen.

Er komt hier nog een andere kwestie om de hoek kijken. Wie een attestatie uit een ander kerkverband zonder meer aanvaardt of zonder nader onderzoek een attestatie naar een ander kerkverband afgeeft, erkent daarmee de facto dat het een ieder vrij staat het kerkverband te verlaten, als dat hem of haar goed uitkomt. Maar dat gaat rechtstreeks in tegen wat kerken van de Reformatie altijd over de kerk hebben beleden. De Nederlandse Geloofsbelijdenis laat zich helder uit over de vraag hoe met het kerklidmaatschap moet worden omgegaan. Beslissend is of men de kerk waarin men – bijvoorbeeld door geboorte – een plaats heeft gekregen, kerk van Christus durft te noemen. Kort geformuleerd komt het hierop neer: wie deze vraag bevestigend beantwoordt, heeft niet het recht zijn kerk te verlaten. Wie daarentegen tot de conclusie komt dat zijn kerk dat etiket niet verdient, heeft de plicht die kerk te verlaten en zich bij die kerk aan te sluiten die wel kerk van Christus mag heten. Uit wat de kerk over zichzelf belijdt kan geen andere conclusie worden getrokken dan dat het wisselen van kerk(verband) om een andere dan een door Schrift of belijdenis gemotiveerde reden niet legitiem is. Het voorgestelde beleid ten aanzien van attestaties is daarmee duidelijk in tegenspraak. Wanneer zulk beleid werkelijkheid wordt, zou het van eerlijkheid getuigen de desbetreffende artikelen uit de Nederlandse Geloofsbelijdenis te schrappen.

Dit brengt dan direct bij het tweede voorstel: de aanvaarding van elkaars leden als gastlid. Het is op zichzelf al merkwaardig dat iemand van twee gemeenten lid wil zijn. Wat zou daarvan de reden kunnen zijn? Het is lichtelijk inconsequent dat in dit geval volgens de deputaten wèl een gesprek nodig is “over de plaats van het belijden in het persoonlijk leven van de betrokkene”, zoals PKN-scriba Arjan Plaisier het formuleert. Dat is op zich te begrijpen, maar waarom hier wel en bij een definitieve overgang door middel van een attestatie niet? Kennelijk moet hier gedacht worden aan een gastlidmaatschap dat niet de consequentie is van een tijdelijk verblijf elders, bijvoorbeeld in een plaats waar in de directe omgeving geen gemeente van het eigen kerkverband te vinden is.

Wanneer iemand gastlid van een andere gemeente wordt, zal dat in vrijwel alle gevallen een gemeente zijn van een andere snit dan de eigen gemeente. Waarom zou men er anders gastlid willen worden? Hier hebben we van doen met een ander verschijnsel dat zich in gereformeerd Nederland steeds duidelijker manifesteert: de visie op de gemeente en het gemeentelijk leven. Ik krijg de indruk dat er sprake is van een toenemende ‘onthechting’, als ik dat zo mag uitdrukken. Men bezoekt heel gemakkelijk diensten in een ander kerkverband. Men spreekt dan over ‘bijwonen’. Maar een kerkdienst woon je niet bij. De gemeenschap van de heiligen wordt te vaak vooral verbonden aan de viering van het avondmaal. Bij het proces van kerkelijke toenadering of eenwording wordt het samen vieren van het avondmaal beschouwd als het sluitstuk en een stap verder dan het houden van gezamenlijke erediensten. Dat is een vergissing. Het avondmaal is door Christus ingesteld en dus van groot gewicht, maar het is vooral een zichtbare ondersteuning van de ‘bediening van de verzoening’, de verkondiging van het evangelie die in elke eredienst centraal staat. De gemeenschap van de heiligen begint in de eredienst. Een eredienst woon je niet bij, daaraan neem je deel. Wie zich schaart onder de verkondiging van het evangelie wordt daarmee het subject van de bediening van de sleutels van het hemelrijk. Dat is dus een serieuze zaak. Kerkelijk shoppen is strijdig met de ernst van de deelname aan de eredienst. Een gastlidmaatschap gaat nog een stap verder. In het licht van het bovenstaande kan er geen plaats zijn voor gastlidmaatschap van een gemeente van een ander kerkverband.

Het derde voorstel van de deputaten van de genoemde kerken is dat zij hun kansels voor predikanten uit de deelnemende kerken openstellen. Hieraan hoef ik eigenlijk niet al te veel woorden vuil te maken. Voor een belangrijk deel is de argumentatie tegen het voorgestelde attestatiebeleid mutatis mutandis ook hier van toepassing. Want ook hier is wederzijds vertrouwen essentieel. Kan een kerkenraad er zonder meer van uitgaan dat een gastpredikant zich op dezelfde grondslag stelt als predikanten van het eigen kerkverband? Gaat hij met de Schrift op dezelfde manier om? Is de desbetreffende predikant aanspreekbaar op de gereformeerde belijdenis? Ik wees al op het grote gewicht van de prediking. Hier worden de sleutels van het hemelrijk bediend. Dan moeten die wel op de juiste manier worden gehanteerd. Er staat immers wel wat op het spel.

Wanneer we de voorstellen van de deputaten overzien moeten we tot de conclusie komen dat zij er blijkbaar van uitgaan dat de vijf kerken elkaar zo dicht genaderd zijn dat de verschillen van ongeschikt belang zijn. Maar als dat zo is, waarom stellen ze dan niet voor dat deze vijf kerken zich formeel tot één kerkverband aaneensluiten? Doorredenerend vanuit hun eigen uitgangspunten zou men kunnen zeggen dat ze halverwege blijven staan. Wanneer de verschillen niet van wezenlijk belang zijn, is gescheidenheid een zonde. Ook dat is de consequentie van wat we over de kerk belijden in de Nederlandse Geloofsbelijdenis.

Het is kiezen of delen. Òf de verschillen zijn verwaarloosbaar klein en dan kan blijvende gescheidenheid niet als legitiem worden beschouwd. Òf de verschillen zijn te substantieel om tot kerkverbandelijke eenheid te komen. Maar dan moet men die onder ogen zien, eerlijk benoemen en daaruit de consequentie trekken en de kerkgrenzen respecteren.

Minder emotie

Nauwelijks waren de golven van emotie over de huisvesting van Benno L. in Leiden tot bedaren gekomen of een nieuwe golf overspoelde de samenleving. Geert Wilders zweepte zijn aanhang op om luidkeels te roepen om vermindering van het aantal Marokkanen in Nederland. Het zal wel niet lang duren voordat een andere gebeurtenis deze overschaduwt en weer een nieuwe emotionele oprisping veroorzaakt.

We zijn er inmiddels al wat aan gewend geraakt. Nederlanders stonden altijd bekend als nogal nuchter en niet snel van hun stuk te brengen. Daarin onderscheidden ze zich van de volken uit meer zuidelijke regionen: Italianen en Spanjaarden golden als nogal heetgebakerd. Er hoefde daar maar iets te gebeuren of de vlam sloeg in de pan. Inmiddels zijn die verschillen tot minieme proporties teruggebracht. Aangenomen dat die verschillen ooit bestaan hebben. Want het is maar helemaal de vraag of emotie zo’n paar decennia geleden en vele eeuwen daarvoor echt zo’n geringe rol speelden. Als gereformeerden herinneren we ons ongetwijfeld – zij het uit de geschiedenisboekjes – de beeldenstorm. Die was niet bepaald een uiting van nuchtere bezonnenheid. En om bij de kerkgeschiedenis te blijven: in de tijd van de Contrareformatie en eeuwen later rond de Afscheiding hebben zich taferelen afgespeeld die in emotionele intensiteit niet onderdoen voor wat tegenwoordig op ons televisiescherm aan ons voorbijtrekt.

Het is ook geen typisch Nederlands verschijnsel dat we meemaken. Toen in 1997 de Britse prinses Diana verongelukte leidde dat in Groot-Brittannië tot emotionele ontladingen die velen voor onmogelijk hadden gehouden. Waar was de beroemde Britse stiff upper lip gebleven? Maar ook dat was gedeeltelijk gezichtsbedrog. De ouderen herinneren zich ongetwijfeld het verzet tegen het bewind van de Conservatieve minister-president Margaret Thatcher: het felle optreden van de Engelse vakbonden onder leiding van de beruchte Arthur Scargill. Het verschil was dat het daarbij vooral om emotionele uitbarstingen ging van wat de Engelsen als de lower classes beschouwden.

In noordelijke landen geldt emotionaliteit in de publieke ruimte als een kenmerk van lager-opgeleiden en minder-verdienenden. Tegenwoordig worden die geassocieerd met partijen als de SP en de PVV. Emotionaliteit is daarmee een kenmerk geworden van het populisme. Dat klopt ten dele wel: argumenten die gebaseerd zijn op feiten en een rationele analyse daarvan vinden in die kringen meestal geen gunstig onthaal. De internetfora van de kranten bewijzen het: een auteur komt op grond van feiten en langs logische weg tot een conclusie die een deel van de lezers niet zint, en de fiolen van toorn worden over hem of haar uitgegoten. Daarbij wordt geheel afgezien van enige inhoudelijke weerlegging van de aangevoerde feiten of de gevolgde redenering.

Maar het verschijnsel is breder. Op alle niveaus is sprake van een emotionalisering van de samenleving en de manier waarop meningsverschillen worden uitgedragen. De oproep om vermindering van het aantal Marokkanen werd gevolgd door een regen aan aanklachten tegen Wilders – vaak geregisseerd – waarbij weinigen zich afvroegen in welke mate dit ertoe zou bijdragen dat hij daadwerkelijk vervolgd zou worden. Die aanklachten functioneerden vooral als uitlaatklep voor de emoties die Wilders met zijn actie had opgeroepen.

Het is gemakkelijk hierover de staf te breken. Maar waar sterke emoties leven is het nuttig dat daaraan uiting kan worden gegeven. In vroeger tijden waren het – in elk geval in Nederland – vaak politieke of maatschappelijke leidslieden die zulke emoties in de achterban van hun ‘zuil’ kanaliseerden en probeerden die concreet te maken in politiek handelen. Maar de zuilen zijn teloor gegaan en hooguit in de links- of rechts-populistische hoek bevinden zich politici die zich de rol van spreekbuis toeëigenen. Alleen de omzetting in een concreet politiek programma dat een kans van slagen heeft wil wat minder lukken.

De emotionalisering van de samenleving heeft veel schaduwkanten. Generalisaties – zoals het over één kam scheren van alle Nederlanders met Marokkaanse wortels – en gemakzuchtige conclusies over oorzaak en gevolg – criminaliteit van Marokkaanse jongeren is een direct uitvloeisel van hun cultuur – worden gretig verspreid en vinden even gretig aftrek. Daardoor wordt de bestrijding van de gesignaleerde – werkelijke of vermeende – problemen niet bevorderd.

Ook in de kerkelijke samenleving spelen emoties een grote rol. Ik wees al op de beeldenstorm. Zover hoeven we niet terug te gaan. Wanneer zich in kerken meningsverschillen voordoen, komen emoties al gauw bovendrijven. Een recent voorbeeld is het proces waaruit de Hersteld Hervormde Kerk is voortgekomen. Medestrijders, vooral binnen de Gereformeerde Bond in de Nederlands Hervormde Kerk, werden verbitterde tegenstanders en bij de discussies over de toekomst van de kerk is menig hard woord gevallen. Oudere leden van de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) zal dat niet onbekend voorkomen, want in de jaren ’60, toen de kerkelijke conflicten uiteindelijk leidden tot een splitsing die resulteerde in het ontstaan van de Nederlands Gereformeerde Kerken, stonden broeders vaak lijnrecht tegenover elkaar en werden de meningsverschillen bepaald niet alleen met zakelijke argumenten uitgevochten.

Nu zou men kunnen beweren dat emoties een uiting zijn van een sterke betrokkenheid. Daar zit wat in. Wanneer het om zaken gaat waaraan mensen groot belang hechten, is het niet te verwachten dat men daarmee op een afstandelijke manier omgaat. In die zin is het geen slechte zaak wanneer emotie een rol speelt. Maar het is wel te betreuren dat dit vaak een echte inhoudelijke uitwisseling van meningen, waarbij de deelnemers ook elkaar recht doen en geen karikaturen scheppen, ernstig bemoeilijkt, zo niet onmogelijk maakt. De manier waarop in de politiek en de samenleving wordt omgegaan met wat ik maar kortheidshalve de ‘Marokkanenproblematiek’ noem, is daar een treffend voorbeeld van. De tegenstellingen zijn aangescherpt en de opponenten hebben zich zo diep ingegraven dat elke dialoog onmogelijk is dan wel niet verder komt dan een dialoog tussen doven. Dat kan ook bij kerkelijke conflicten gebeuren.

De ontwikkelingen binnen de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) zijn daar bepaald niet vrij van. Critici van de richting die deze kerken lijken te zijn ingeslagen, geven op soms emotionele wijze uiting aan hun bezorgdheid. De buitenlandse kerken die voortgekomen zijn uit emigratie naar met name Canada en Australië zijn daarvan een welsprekend voorbeeld. Zij laten er weinig twijfel over bestaan dat een eventueel besluit van de Generale Synode van de GKV, de ambten van predikant en ouderling open te stellen voor vrouwen, een breekpunt is en tot het einde van de zusterkerkrelatie zal leiden. Vertegenwoordigers van de GKV ervaren dat als “oecumene met het mes op tafel”, zoals ds. J.M. van Leeuwen, één van de Deputaten Buitenlandse Kerken, het formuleert (Nederlands Dagblad, 8.4.14). Wanneer betrokkenen de dialoog als zodanig ervaren, wordt een zakelijke – dat wil zeggen: op feiten gebaseerde – analyse van de meningsverschillen niet gemakkelijker.

Vergelijkbare processen spelen zich op het niveau van plaatselijke gemeenten af. Gemeenteleden wenden zich tot hun kerkenraad met brieven waarin zij hun bezwaren tot uitdrukking brengen. Daar wordt in hun beleving op een manier mee omgegaan waaruit onbegrip ten aanzien van de ernst van de bezwaren spreekt of zelfs onwil om die bezwaren serieus te nemen. Het resultaat is soms dat de bezwaarden gefrusteerd afhaken en zich van het gemeentelijk leven isoleren of zelfs de kerk de rug toekeren.

Kan het anders? Vooropgesteld moet worden dat alle ‘partijen’ de oprechte wil moeten hebben elkaar te vinden. Daarmee bedoel ik niet een soort waterig compromis in het midden of aanvaarding van het feit dat we over bepaalde zaken nu eenmaal verschillend denken (Nederlands Dagblad, 9.4.14). Daarmee wordt geen enkel probleem opgelost. Het gaat erom dat alle betrokkenen duidelijk uitspreken dat ze ervan overtuigd zijn dat ze bij elkaar horen en dat ze elkaar niet kwijt willen. Daarmee wordt voorkomen dat de betrokken ‘partijen’ het gevoel krijgen door de andere te worden afgeschreven als ‘nieuwlichters’ die de weg kwijt zijn dan wel als eeuwige criticasters die ‘niet van deze tijd’ zijn.

Het is best te begrijpen dat leden van een kerk emotioneel reageren op (onderdelen van) het beleid van hun kerkenraad of de opvattingen die vanaf de kansel worden verkondigd. Maar het is zelden effectief wanneer die emoties schriftelijk op die kerkenraad of op voorgangers worden afgereageerd. Brieven aan de kerkenraad zouden geen vergaarbak van frustraties moeten zijn. Het is veel nuttiger en uiteindelijk voor de geadresseerde veel onaangenamer en lastiger, wanneer de scribent zich beperkt tot het opsommen van voor iedereen natrekbare feiten en een logisch samenhangende presentatie daarvan.

Het probleem met emoties is dat ze elke discussie doodslaan. Een gevoel kan immers wel goed of fout zijn, maar nooit waar of onwaar. Wat ‘goed’ of ‘fout’ is, hangt uiteindelijk af van het vertrekpunt dat men kiest. Een gevoel kun je niet weerleggen. Juist in de kerk is nuchterheid gevraagd en een zorgvuldige omgang met feiten en argumenten. Alleen op die manier kan de communicatie tussen opponenten openblijven en daarmee de mogelijkheid tot toenadering. En wanneer het daar niet van komt, kunnen alle betrokkenen in elk geval een goed geweten hebben dat ze zich daarvoor hebben ingespannen en dat ze elkaar recht gedaan hebben.

Minder emotie – dat zou een zegen zijn, niet alleen voor de samenleving, maar ook voor de kerk.

Kerkverband op de tocht

Binnen de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) is de afgelopen jaren gewerkt aan een “werkorde”, die de bestaande kerkorde moet vervangen. De voorgestelde werkorde heeft de nodige discussie veroorzaakt, die de groeiende verdeeldheid binnen dit kerkverband blootlegt. Wat nog fundamenteler is dan de inhoud van de werkorde is de verdeeldheid over het kerkverband als zodanig. Een kerkorde en op generaal-synodaal niveau gemaakte afspraken worden steeds vaker als klemmend en beperkend ervaren. Het is dan ook niet verwonderlijk dat die op plaatselijk niveau her en der genegeerd worden of naar eigen smaak worden aangepast.

Binnen de GKV bestaat een Deputaatschap voor Kerkelijke Eenheid. Volgens besluit van de Generale Synode van Harderwijk (2011) heeft die als taak “vanuit het oogpunt van zowel kerkelijke eenheid als kerkelijk contact landelijke ontwikkelingen in andere kerkgemeenschappen en groeperingen bij te houden, zo nodig nader te verkennen en daarop actief te reageren.” Concreet betekent dit bijvoorbeeld “plaatselijke kerken te stimuleren om aan het proces van kerkelijke eenheid actief bij te dragen” en ook “na te gaan hoe de door de synode vastgestelde regelingen voor plaatselijk contact en samenwerking functioneren in de praktijk en indien daarvoor reden is voorstellen tot wijziging ervan in te dienen bij de eerstkomende generale synode”. Uit deze formuleringen mag worden afgeleid dat het proces van toenadering tussen en eventueel eenwording van kerken die tot verschillende kerkgenootschappen behoren geen zuiver plaatselijke aangelegenheid is. Gemeenten en kerkenraden zijn gebonden aan afspraken die op generaal-synodaal niveau gemaakt zijn. In de praktijk wordt dit principe ondergraven, zoals uit recente persberichten blijkt.

Het Nederlands Dagblad van 19 december 2012 meldde dat de GKV van Stadskanaal “op termijn” tot kanselruil met de plaatselijke PKN wil komen, een gemeente die zich volgens haar predikant “op het snijvlak van de Gereformeerde Bond en de Confessionele Vereniging” bevindt. De GKV onderhoudt al enige tijd nauwe contacten met de CGK. Er vinden gemeenschappelijke kerkdiensten plaats en er wordt samen avondmaal gevierd. De CGK deelt de opvatting van de GKV dat er ruimte is voor kanselruil met de PKN. De classis-Groningen van de CGK heeft daarvoor ook toestemming gegeven. Op de classisvergadering van de GKV is het kort aan de orde geweest. “Er werden geen bezwaren naar voren gebracht”, weet het ND veelbetekenend te melden.

In het nummer van 20 december wordt bericht dat wat zich in Stadskanaal nog in het stadium van overwegingen bevindt, in Amsterdam al realiteit is. Daar gaan predikanten van een Gereformeerde-Bondsgemeente, de CGK en de GKV in elkaars diensten voor. Ds. Van der Graaf (PKN) deelt onomwonden mee dat kerkgrenzen en formele afspraken geen rol spelen. Ds. Vreugdenhil (GKV) valt hem bij. Volgens hem ligt de verantwoordelijkheid voor wie in een dienst voorgaat primair bij de plaatselijke kerkenraad. “Landelijke regelingen hebben wel zin, maar volgen plaatselijke ontwikkelingen. Je ziet vaak dat ze wijzigen door druk van onderaf”, zo wordt hij door het ND geciteerd.

Het is niet voor het eerst dat de verantwoordelijkheid van de plaatselijke kerk(enraad) tegenover landelijke afspraken worden gesteld. Dat heeft enige logica. Het gereformeerde kerkmodel gaat uit van de zelfstandigheid van de kerken. De Generale Synode is geen hoogste vergadering, maar een meeste vergadering, waar alle kerken die tot het kerkverband behoren, vertegenwoordigd zijn. Dat betekent echter niet dat iedere kerk kan doen wat goed is in eigen ogen. Plaatselijke kerken behoren op vrijwillige basis tot een kerkverband. Het staat hun vrij zich daarvan los te maken. Zolang ze tot het kerkverband behoren dienen ze wel de consequenties te aanvaarden. Regelingen die op generaal-synodaal niveau zijn genomen, zijn voor plaatselijke kerken(raden) bindend. Wanneer ze die naast zich neerleggen, heeft het kerkverband het recht en de plicht hen daarop aan te spreken en desnoods daaruit de consequenties te trekken.

Dat is ook het geval ten aanzien van het streven naar kerkelijke eenheid. Van enige correctie lijkt hier niet veel terecht te komen. Ds. Messelink, de voorzitter van het deputaatschap voor kerkelijke eenheid, deelt het ND mee dat hij op de hoogte is van de praktijk in Amsterdam, maar dat die “geheel buiten ons om gaat”. Kennelijk is dat voor hem en het deputaatschap geen reden in actie te komen. Ten aanzien van de plannen in Stadskanaal wijst hij erop dat officieel “kanselruil niet mogelijk (is) met de Protestantse Kerk. Als Stadskanaal dat wil, zullen ze zich eerst tot ons of tot de volgende synode moeten wenden.” Dat is nogal inconsequent. Waarom zou Stadskanaal de Generale Synode om toestemming moeten vragen, terwijl de kerken in Amsterdam hun gang kunnen gaan zonder dat er een haan naar kraait?

De oorzaak zou wel eens kunnen zijn dat het deputaatschap zelf op twee gedachten hinkt. Ds. Messelink verzekert de redacteur van het ND dat de gesprekken met christelijke-gereformeerden en Nederlands-gereformeerden “absolute prioriteit hebben”. Het deputaatschap gaat geen voorstel indienen officiële gesprekken aan te knopen met de PKN. Het is beter dat een kerk als die van Stadskanaal een voorstel bij de synode indient. Anderzijds opent hij de mogelijkheid van een andere manier van omgaan met deze materie. “Hij schat dat zijn kerkverband op langere termijn landelijke afspraken anders moet inkleden. De idee van bovenaf regels vast te stellen stamt uit de vorige eeuw en ‘werkt nu al niet meer. We moeten in gesprek over de vraag of we alles wel van bovenaf willen regelen.'”

Daarmee wordt de deur opengezet voor een nog verdergaande desintegratie van het kerkverband. Kerkelijke eenheid is bij uitstek een onderwerp dat het hele kerkverband raakt. Op de officiële site van de GKV wordt het kerkelijk samenleven van de Gereformeerde Kerken als volgt getypeerd. “Zij weten zich met elkaar verbonden door het geloof in God. Hij geeft zich aan ons in Jezus Christus en bezielt ons door zijn heilige Geest. Omdat we samen bij God en Jezus Christus horen, willen we ook bij elkaar horen. Die verbondenheid in geloof hebben we uitgesproken in onze belijdenissen. Verder hebben we deze verbondenheid vorm gegeven in kerkordelijke afspraken. Zij functioneert in tal van onderlinge contacten en gezamenlijke activiteiten.”

Kenmerkend voor het kerkverband is dus allereerst de verbondenheid in Christus. Die gaat hand in hand met en komt tot uiting in confessionele eensgezindheid, zoals de verwijzing naar de belijdenissen laat zien. Dat heeft belangrijke consequenties. Kerkenraden kunnen leden van hun gemeente bij verhuizing een attestatie verstrekken die geadresseerd is aan een zusterkerk, omdat ze ervan uit kunnen gaan dat deze de desbetreffende broeder of zuster op dezelfde confessionele basis ambtelijke zorg zal verlenen. En alle predikanten die binnen het kerkverband toegelaten zijn tot de dienst van het Woord hebben toegang tot alle kansels. Omgekeerd impliceert dit dat kerkenraden geen attestatie kunnen afgeven naar kerken dan wel predikanten tot de kansel kunnen toelaten die behoren tot een kerkverband waarmee zij niet één zijn in het geloof.

Voor de kwestie die hier onze aandacht heeft, is dat laatste speciaal van belang. Het kerkverband is een uiting is van verbondenheid in Christus. Daarom kan kanselruil pas dan plaatsvinden wanneer kerken na samensprekingen tot de conclusie zijn gekomen dat ze elkaar kunnen – en dus moeten – erkennen als “kerk van Christus”. Maar daar zit nu precies het probleem van een kanselruil met predikanten van PKN-gemeenten. Binnen dat kerkverband is van geloofsverbondenheid immers geen sprake. Er gaapt een kloof tussen bijvoorbeeld gemeenten die zich tot de Gereformeerde Bond rekenen en gemeenten die zich in de vrijzinnige hoek bevinden. Desondanks kunnen en willen de eersten zich niet van de laatstgenoemden losmaken. Daaruit komt een visie op de kerk naar voren, die zich niet verdraagt met wat de Nederlandse Geloofsbelijdenis daarover uitspreekt. Zou dat geen belemmering voor kanselruil moeten zijn?

We moeten nog een stap verder gaan. Kerken binnen een kerkverband zijn hoe dan ook met elkaar verbonden en voor elkaar verantwoordelijk. Zolang ze zich binnen één kerkverband bevinden kunnen ze zich niet van elkaar distantiëren. Zoals ik al heb vastgesteld ligt ook aan kanselruil geestelijke verbondenheid ten grondslag. Wanneer dus een GKV een predikant uit een ander kerkverband op haar kansel toelaat, spreekt ze daarmee uit verbonden te zijn met zijn gemeente en daarmee ook logischerwijze met het kerkverband waartoe die gemeente behoort. En dat is maar niet een plaatselijke aangelegenheid. Door haar verbondenheid met kerken binnen haar eigen kerkverband raakt ook dat – tegen wil en dank – verbonden met die kerkgemeenschap. Toegepast op het onderhavige geval: wanneer een GKV in Amsterdam door een Gereformeerde-Bondspredikant op haar kansel toe te laten haar verbondenheid met diens PKN-gemeente tot uitdrukking brengt, geldt die verbondenheid indirect voor het hele GKV-kerkverband. Dat zou voldoende reden moeten zijn deze ontwikkeling niet op haar beloop te laten.

Volgens ds. Messelink is er “best veel rechtzinnigheid (…) in de Protestantse Kerk”. Dat is geen schokkende mededeling. Binnen de GKV is dat nooit ontkend. Maar het is ook nooit een argument geweest voor kanselruil of verregaande gemeenschappelijke activiteiten, zoals erediensten en avondmaalsvieringen. Niet alleen binnen de PKN bestaat rechtzinnigheid. Dat is ook het geval met andere kerken. De Nederlandse Geloofsbelijdenis maakt niet voor niets onderscheid tussen de kenmerken van de kerk en de kenmerken van de christen. Tot de kerk behoren niet alleen gelovigen en niet alle gelovigen behoren tot de kerk. Maar als het gaat om samensprekingen, gemeenschappelijke erediensten en avondmaalsviering of kanselruil is het niet de vraag of er in een kerk gelovigen zijn, maar of een kerk als “kerk van Christus” kan worden getypeerd. Tot de kenmerken daarvan behoort dat alles wordt geweerd wat in strijd is met de Schrift en de daarop gegronde belijdenis. Daarvan is in de PKN geen sprake.

Hoe kan een kerkgemeenschap die gekenmerkt wordt door verbondenheid in Christus gemeenschap onderhouden met gemeenten in een kerkverband waarin Christus het niet alleen voor het zeggen heeft? Daardoor komt niet maar het kerkverband op de tocht te staan, maar wordt de verbondenheid in Christus ondermijnd.

Het kerklied en de kerkliedjes (2)

Tot de top-drie van onderwerpen waarover onder kerkmensen de emoties hoog kunnen oplopen, behoort ongetwijfeld de liturgie, en dan vooral het muzikale aspect daarvan. Hoe zou dat komen? Blijkbaar maakt muziek iets in mensen los, niet maar eerst verstandelijk, maar vooral emotioneel. Toen ooit een predikant aan het begin van zijn preek vroeg wie er van zingen hield, gingen vrijwel alle handen omhoog. Kennelijk laat muziek maar weinig mensen onberoerd.

Dat heeft Maarten Luther in de 16e eeuw al begrepen. Afgezien van het feit dat hij zelf een muziekliefhebber was, geloofde hij ook dat goede muziek de duivel op een afstand houdt: “Muziek verdrijft de duivel”. Dat heeft hem ongetwijfeld ook geïnspireerd tot zijn streven de gemeente aan het zingen te krijgen. Het gevolg was een stroom van teksten die door componisten op muziek werden gezet. Dat Luther belang hechtte aan muziek als onderdeel van het christelijk leven had hij niet van zichzelf. Hij kon zich daarbij beroepen op de bijbel. Door de hele bijbel heen wordt bij allerlei gelegenheden gezongen. Denk maar aan het loflied na de doortocht door de Schelfzee, na de uittocht uit Egypte. En het meest indrukwekkende bewijs van het belang van de muziek is het boek van de Psalmen, dat Luther “een kleine bijbel” noemde – een soort samenvatting van alles wat in de bijbel geschreven staat.

Het is dus geen wonder dat het kerklied en de kerkmuziek steeds weer voor discussiestof zorgen. Al weer een tijd geleden schreef ik onder de titel Het kerklied en de kerkliedjes een artikel over een conflict over het kerklied in de rooms-katholieke kerk. Het leek me goed die titel opnieuw te gebruiken om iets te schrijven over verschillende berichten die de laatste maanden in het Reformatorisch Dagblad en het Nederlands Dagblad te lezen waren.

De achterban van de eerstgenoemde krant bestaat vooral uit leden van zogenaamde bevindelijke kerkgenootschappen. Tijdens kerkdiensten worden daar vrijwel uitsluitend psalmen gezongen. Maar binnen het psalmboek lijkt een soort van canon te zijn gevormd. In het RD is een discussie ontstaan over de oorzaak van het feit dat bepaalde psalmen vrijwel niet gezongen worden. Die zoeken sommigen in de aard van de melodieën van die psalmen. Die zouden voor een belangrijk deel van de gemeente te moeilijk zijn. Daarom pleiten sommigen ervoor die door eenvoudiger melodieën te vervangen.

Dit is niet de plaats om uit te wijden over de muzikale kant van de zaak. Maar ik verbaas me wel over het aangereikte medicijn. De keuze voor simpeler melodieën is wel erg gemakzuchtig. Deze suggestie geeft blijk van hetzelfde fatalisme dat ook op andere terreinen te signaleren is (ik kom daar in een ander verband nog op terug). En dat is merkwaardig, want de christelijke wereld staat bol van het activisme. We moeten van alles: evangeliseren, gemeenten stichten, diaconaal actief zijn, de liturgie vernieuwen en wat niet al. Maar het aanleren van een niet zo erg gemakkelijke melodie is blijkbaar te veel moeite. Misschien moeten we, voordat we besluiten bepaalde melodieën of zelfs het hele Geneefse psalter in de vuilnisemmer te kieperen en door meezingers te vervangen, eerst eens een poging doen de luiheid, de gemakzucht en de ongeïnteresseerdheid te bestrijden die uiteindelijk ten grondslag liggen aan de beperkte keuze uit de psalmen.

Luiheid en gemakzucht komen ook om de hoek kijken bij een andere kwestie, waarover het Nederlands Dagblad (7.3.12) schreef. “Als kerkenraden van Gereformeerde Bondsgemeenten besluiten naast de psalmen ook andere liederen te zingen, gebeurt dat vooral omdat de gemeente daarom vraagt, blijkt uit een steekproef van de Gereformeerde Bond”, zo meldde de krant. “De Gereformeerde Bond is er kritisch over dat er vaak nauwelijks inhoudelijke onderbouwing is voor de liedkeuze tijdens de kerkdienst, zowel van alleen psalmen als ook van andere liederen daarnaast, zo blijkt uit een artikel op de website van kerkblad De Waarheidsvriend.” Dat komt mij, als lid van de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt), erg bekend voor. “U vraagt en wij draaien”, dat lijkt de houding van veel kerkenraden te zijn. Waar een op argumenten gebaseerde visie op het kerklied – en, naar te vrezen valt, op liturgie in het algemeen – ontbreekt, gaan gemeenten naar het pijpen dansen van degenen die het hoogst van de toren blazen. Het is best voor te stellen dat kerkenraden, gezien de hoeveelheid werk die op hun bordje ligt en het chronisch gebrek aan ambtsdragers, er tegenop zien tijd te steken in het formuleren van een visie op liturgie. Maar ze hoeven echt niet allemaal het wiel uit te vinden. In de meeste kerkverbanden zijn organisaties van kerkmusici en/of organisten actief die daarbij een helpende hand kunnen bieden. Dan moeten kerkenraden wel bereid zijn naar argumenten te luisteren. De ervaringen van kerkmusici lijken erop te wijzen dat de bereidheid daartoe niet al te groot is. De oorzaak zou wel eens kunnen zijn dat die musici een visie hebben die haaks staat op wat de bovengenoemde pijpers graag willen horen. En dus winnen de kerkliedjes het regelmatig van de kerkliederen.

Tenslotte maak ik melding van een bericht in het Nederlands Dagblad van 1 maart 2012. De kop vat de inhoud treffend samen: “Meer loflied dan klaagzang in kerkdienst”. Theoloog en muzikant Theo van Setten signaleert dat het loflied veel ruimte krijgt in de kerk, maar dat dit niet geldt voor de klaagzang. Hij wijst erop dat “een substantieel deel van de psalmen en van de profeten doortrokken (is) van de klacht, maar op een of andere manier is de lofprijzing beter te verteren dan de klacht.” Volgens hem ontbreekt de klacht in evangelische kringen zelfs vrijwel geheel. Maar ook in meer traditionele kerken is de aandacht voor de nood in de wereld nogal plichtmatig. Van Setten gaat ook in op wat hij als de oorzaak ziet: succes en geluk zijn maakbaar geworden. “Je moet altijd positief en optimistisch zijn. Zelfs het ergste dat ons overkomt, vormt slechts een beloftevolle ‘uitdaging’, zo leren managementgoeroes ons. Klagen en zeuren zijn taboe. Ten diepste zijn we verlegen met de klacht, die komt misschien te dichtbij.”

Er zullen best gemeenten zijn waarvoor Van Settens observatie niet opgaat. Maar ik denk dat hij er gelijk in heeft dat de donkere kanten van het menselijk bestaan in de liturgie veel minder aan bod komen dan de lichtzijde. Ik kan me eigenlijk nauwelijks herinneren dat als openingslied van een kerkdienst een klaagzang werd aangeheven. Ook hier is dus sprake van een soort van canon, zij het niet op grond van de melodie maar vanwege de inhoud. En dat is uiteraard ernstiger.

Wat is de oorzaak van deze eenzijdigheid? Van Setten wijst op het tegenwoordig overheersende maakbaarheidsdenken. Dat komen we in de maatschappij tegen en ook in de door het liberalisme gedomineerde politiek. Maar zou dat ook in de kerk een rol spelen? Naar mijn ervaring komen in preken en met name in de voorbeden de moeiten van het leven zeker aan de orde, al was het alleen maar omdat in elke gemeente er wel mensen zijn die deze kant van het leven uit eigen ervaring kennen. Waarom vindt die aandacht dan zo weinig weerklank in de gezongen liederen?

Eén van de oorzaken is ongetwijfeld de groeiende populariteit van het evangelische kerklied. Ik verwees al naar Van Settens observatie dat in evangelische kring de klacht vrijwel geheel ontbreekt. Ook in diensten die ik bijwoon, wordt van tijd tot tijd een lied uit de bundel Opwekking gezongen. Een klaaglied heb ik nooit voorbij horen komen. Het is juist het boek van de Psalmen waarin de moeiten van het menselijk leven alle ruimte krijgen. Wanneer de psalmen meer en meer naar de marge gedrukt worden gaat ook de klacht verdampen.

Maar dat kan niet de enige oorzaak zijn. Want ook de keuze uit de psalmen is vaak zodanig dat de klacht niet al te veel nadruk krijgt. Als al een couplet gezongen wordt waarin daaraan uiting wordt gegeven, wordt toch vrijwel altijd afgesloten met een hoopvol getoonzet couplet. Op zaterdag 17 maart j.l. vond in Maarssen een studiedag over dit onderwerp plaats. Het Nederlands Dagblad van 19 maart deed er verslag van. Typerend is een opmerking van theoloog Evert Jonker. “Het is not done om lang in de modder te blijven zitten, ook in de kerk”. Uit de reacties van de deelnemers die in het verslag worden opgetekend blijkt dat hij gelijk heeft. De vraag is dan wel – en die werd ook gesteld door andere deelnemers – of daarmee het leed voldoende gepeild wordt. De vaak gehoorde opmerking dat na klachten altijd een positieve omslag volgt, kan weerlegd worden met een verwijzing naar Psalm 88.

Zou een oorzaak kunnen liggen in het toenemende individualisme? Hoe worden kerkliederen eigenlijk gezongen? Zingt men die als gemeente of als individuele gelovige? Als het laatste het geval is wordt het zingen van klaagliederen problematisch, want gelukkig gaat het de meeste mensen relatief goed.
Ik herinner me een brief van een gemeentelid aan haar kerkenraad. Ze maakte bezwaar tegen het zingen van een loflied aan het begin van een kerkdienst, omdat ze zelf nogal in de lappenmand zat en haar hoofd niet naar het zingen van een loflied stond. Dat is begrijpelijk, maar daarmee kan een liturg geen rekening houden. Het omgekeerde is ook voorstelbaar: heeft iemand die met een blij gemoed de kerk binnenstapt er behoefte aan een klaagpsalm aan het begin van de dienst te zingen?

Als dat de maatstaf wordt is de gemeente uit het zicht verdwenen. Het zijn geen individuele gelovigen die in de kerk psalmen en andere liederen zingen. Hun persoonlijke gevoelens kunnen en mogen geen maatstaf zijn voor de keuze van de liederen. Het is de gemeente die een lofzang zingt of een klaaglied aanheft. De inhoud daarvan hoeft geen directe relatie te hebben met de gemoedsgesteldheid van de individuele gelovige, maar weerspiegelt het leven van de gemeente. Daar horen zowel het klaaglied als de lofzang bij.

Enige tijd geleden begon een voorganger zijn gebed, na een sterfgeval, met de zin: “Uw gemeente is verdrietig”. Ongetwijfeld waren er kerkgangers die de overledene niet persoonlijk kenden en geen persoonlijk verdriet voelden. Daarover hoeven ze zich niet schuldig te voelen. Maar dat doet niets af aan de waarheid van wat de voorganger zei. ‘Blij met de blijden’ wil niet zeggen dat iedereen zich persoonlijk blij hoeft te voelen, en ‘bedroefd met de bedroefden’ verlangt geen persoonlijk gevoelde droefheid. Het betekent dat zowel de vreugde als het verdriet in de gemeente een plaats krijgen in de eredienst en ook in de keuze van de liederen tot uitdrukking komt. Bij de vreugde lukt dat wel, maar bij het verdriet veel minder.
Dat vraagt om bezinning op het wezen van gemeente-zijn. Dat is geen overbodige luxe in een cultureel klimaat waarin veel mensen zichzelf erg belangrijk vinden en er voortdurend de nadruk op wordt gelegd dat je voor jezelf moet opkomen.

Maar er is ook actie nodig op liturgisch gebied. Het beste medicijn tegen een canon binnen het boek van de Psalmen is het consequent systematisch doorzingen van het psalmboek. Laat een gemeente gewoon de morgendienst eens beginnen met Psalm 1 en dan elke zondag doorgaan waar ze de vorige zondag gebleven was. Dat moet geen keurslijf worden: op eerste Paasdag hoef je geen klaagpsalmen te zingen. Maar ze moeten wel aan de orde komen. Door een in principe vast stramien kan worden voorkomen dat een wezenlijk onderdeel van het leven van de gemeente onderbelicht blijft. Het draagt er bovendien toe bij dat het psalmboek de status houdt die het toekomt. Want de psalmen zijn naar hun aard echte kerkliederen, die het hele leven weerspiegelen en die de generaties en “stammen, talen en naties” verbinden. Daar kan geen kerkliedje tegenop.

Gereformeerd Appèl

In 1992 werd een beweging opgericht die zich Gereformeerd Appèl noemde. Ze bestaat uit leden van drie kleine reformatorische kerken: de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) (GKV), de Christelijke Gereformeerde Kerken (CGK) en de Nederlands-Gereformeerde Kerken (NGK). Ze doet regelmatig van zich spreken, vooral aan het begin van een nieuw seizoen, in augustus/september, wanneer een openbare bijeenkomst plaatsvindt, waar leden van de diverse kerken het woord voeren. Daar wordt ook gebeden om eenheid, met name van de drie genoemde kerken.

Het streven naar kerkelijke eenheid is een nobel streven. Sterker nog, het is voluit bijbels. Want Christus wil dat allen die in Hem geloven één zijn. Dat komt nergens zo duidelijk en indringend tot uiting als in het zogenaamde ‘hogepriesterlijk gebed’, dat is opgetekend in Johannes 17. “Ik bid niet alleen voor hen [de leerlingen], maar voor allen die door hun verkondiging in mij geloven. Laat hen allen één zijn, Vader. Zoals u in mij bent en ik in u, laat hen zo ook in ons zijn, opdat de wereld gelooft dat u mij hebt gezonden”. Eenheid van allen die in Christus geloven is dus een belangrijk instrument voor evangelisatie. Dan moet die eenheid wel zichtbaar zijn. De ‘oecumene van het hart’ is dat niet. En evangelisatieactiviteiten waarbij de kerkelijke verdeeldheid onder het tapijt wordt geveegd zijn tot onvruchtbaarheid gedoemd.

Op het streven van het Gereformeerd Appèl is dus niets aan te merken. Integendeel, het verdient krachtige steun. Het is wel belangrijk dat daarbij de juiste toon wordt aangeslagen. Dat lijkt niet altijd het geval te zijn. Ik heb weleens de indruk gekregen dat het Gereformeerd Appèl zich soms gedroeg als een actiegroep die de kerken onder druk wilde zetten om toch vooral haast te maken.
Er is uiteraard niets op tegen wanneer leden van de desbetreffende kerken laten merken hoezeer de kerkelijke verdeeldheid hen aan het hart gaat. Maar daarbij moet vermeden worden dat men zich gaat afzetten tegen wat al gauw als ‘kerkelijke elite’ wordt aangeduid. De suggestie wordt gewekt dat die het proces van kerkelijke eenwording eerder vertraagt dan versnelt. De vergelijking met het politieke populisme, dat ‘het volk’ opzet tegen ‘de elite’, dringt zich bijna onvermijdelijk op.

Op 23 augustus meldde het Reformatorisch Dagblad dat het Gereformeerd Appèl zich wil verbreden. Ook leden van andere kerken zouden hierbij betrokken moeten worden. Klaas van Breugel, voorzitter van de werkgroep van het Gereformeerd Appèl, denkt aan “een brede gebedsbeweging, waarin broeders en zusters hun verdriet en pijn over de verdeeldheid delen, waar de schuld die wij tegenover elkaar en tegenover de Heere hebben belijden, waar wordt gebeden voor leiders, predikanten, deputaten en synodes die zoeken naar wegen om elkaar daadwerkelijk tot een hand en een voet te zijn.” Welke andere kerken hij op het oog heeft, wordt duidelijk uit een bericht in het Nederlands Dagblad van 24 augustus: gedacht wordt aan de Hersteld Hervormde Kerk, de Gereformeerde Gemeenten en de Gereformeerde Bond in de PKN.

Dat roept vragen op.

Van Breugel wil dat de leden van die kerken de pijn en het verdriet over de verdeeldheid delen. Wordt die ook altijd gevoeld? Daar ben ik niet zo zeker van. Er moet schuld beleden worden. Waarover dan? Kerkelijke verdeeldheid kan inderdaad zonde zijn en dan is schuldbelijdenis op haar plaats. Maar is àlle kerkelijke verdeeldheid zonde waarvoor schuld beleden moet worden?

Er is ook verdeeldheid die het gevolg is van principiële verschillen. In de NGK doen zich allerlei ontwikkelingen voor die bij de GKV en de CGK op ernstige bezwaren stuiten. Daarbij kan gedacht worden aan de toelating van de vrouw tot het bijzondere ambt, de visie op homosexualiteit, de hier en daar bestaande praktijk om kinderen tot het avondmaal toe te laten en de vrijheden ten aanzien van kerkverbandelijke regels en afspraken die sommige gemeenten zich permitteren.
Vrijgemaakt-gereformeerden en christelijke gereformeerden nemen daar terecht afstand van. Wanneer daardoor kerkelijke eenheid niet van de grond komt is dat bepaald geen reden voor schuldbelijdenis. Die zou eerder op haar plaats zijn wanneer zulke zaken terwille van de kerkelijke eenheid met de mantel van de liefde zouden worden bedekt.

Het is natuurlijk prachtig samen te bidden om kerkelijke eenheid. Maar daarbij moeten we de zin voor de realiteit niet verliezen. Als we samen met leden van de Gereformeerde Bond bidden om kerkelijke eenheid, waar bidden we dan om? Iedereen onder het dak van de PKN, waar in de praktijk volledige leervrijheid bestaat? Iets anders zit er niet in, aangezien de Gereformeerde Bond herhaaldelijk duidelijk heeft gemaakt dat afscheiding van de PKN geen optie is.
Er lijkt ook weinig reden aan te nemen dat leden van de Gereformeerde Gemeenten warmlopen voor kerkelijke eenheid met GKV, CGK en NGK. Hun geestverwanten binnen de CGK verzetten zich met kracht tegen de ‘kleine oecumene’. Van leden van de Gereformeerde Gemeenten kan nauwelijks een positievere houding verwacht worden. En dan laat ik hier nog de principiële verschillen tussen de Gereformeerde Gemeenten en de drie reformatorische kerken buiten beschouwing.

De verbreding van het Gereformeerd Appèl leidt onvermijdelijk tot verwatering. Dat blijkt ook uit de persberichten. Volgens Van Breugel moet gebeden worden voor “leiders, predikanten, deputaten en synodes die zoeken naar wegen om elkaar daadwerkelijk tot een hand en een voet te zijn.” Hoe waardevol dat op zich ook is, dat is toch iets anders dan kerkelijke eenheid. In het ND lezen we: “De verbreding is in deze tijd gemakkelijker omdat kerkelijke eenheid niet alleen draait om het samenvoegen van instituten. ‘Het voeren van het geloofsgesprek is belangrijk geworden. Daarom willen wij ons niet langer beperken tot bepaalde kerken.'”

Kerkelijke eenheid is een Schriftuurlijke eis, christelijke samenwerking over kerkgrenzen heen is dat niet. Door voor het laatste te kiezen beperkt het Gereformeerd Appèl zich tot pijnbestrijding, maar laat hij de kwaal onbehandeld. Met Christus’ bede “Laat hen allen één zijn” heeft dat niet veel te maken.