Archief

Posts Tagged ‘Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt)’

Het gaat om jou

De gemeenteraadsverkiezingen liggen weer achter ons. In de voorbereiding daarop zond AVROTROS een serie televisieprogramma’s uit, die de lokale politiek belichtten. Dat gebeurde onder de titel ‘Ons Belang’. Die was wel passend, want in dorpen en steden lijkt het steeds vaker om de belangen van de burgers te gaan. In steeds meer gemeenten wordt de politiek door lokale partijen beheerst. Die onderscheiden zich niet in ideologie of levensbeschouwing: ze concentreren zich helemaal op de belangen van de inwoners of van een bepaald segment van de lokale bevolking.

Op een aanplakbord in mijn woonplaats Utrecht kwam ik de slogan tegen “Het gaat om jou”. Beter kan het maatschappelijke klimaat van onze dagen niet getypeerd worden. De belangen en het levensgeluk van de kiezer staan centraal. Levensbeschouwing en ideologie zijn heus niet verdwenen, maar zijn in de regel geen onderwerp van politiek debat.

“Het gaat om jou” – dat gaat de christelijke wereld niet voorbij. Ook daar wordt de individuele mens steeds belangrijker. Dat komt wellicht het meest pregnant naar voren in de evangelische beweging. Die heeft vanouds een sterke evangeliserende drive en neigt er daarom toe zich zoveel mogelijk bij moderne maatschappelijke trends aan te sluiten. Het vrijwel onvermijdelijke gevolg is dat ze ook zelf de invloed van die trends ondergaat.

In de politiek zijn de lijsttrekkers in toenemende mate de uithangborden van hun partij. Hun conterfeitsels staan levensgroot op de verkiezingsaffiches afgebeeld. De positie van voorgangers in de evangelische wereld is daarmee vergelijkbaar. Gemeenten lijken soms wel het persoonlijke project van zulke voorgangers, die hun optreden baseren op een persoonlijke roeping – die verder niemand kan of mag controleren, laat staan bekritiseren – en menen een bepaalde ‘bediening’ te hebben. Persoonlijke conflicten zijn dan bijna voorgeprogrammeerd en het uiteenvallen van gemeenten is dan ook een vaak voorkomend verschijnsel, vergelijkbaar met de vermenigvuldiging van fracties in gemeenteraden.

Het is dan niet zo verbazingwekkend dat ook de boodschap vaak nogal persoonlijk van aard is. Recent zei een predikant in een preek dat je de idealen van de moderne mens kunt samenvatten in drie woorden: geluk, gemak en genot. Die vinden hun weerslag in de boodschap van evangelische voorgangers. Het meest frappante voorbeeld daarvan is het welvaartsevangelie dat vooral in Afrika en de Verenigde Staten weerklank vindt. De boodschap is simpel: het geloof legt je geen windeieren. Wie gelooft, mag (materiële) voorspoed verwachten.

Dat welvaartsevangelie is niet typerend voor de evangelische beweging als geheel. De nadruk op gebedsgenezing is dat wel. Het is één van haar raisons d’être. Door genezing op het gebed laat God zijn macht zien en wordt de mens in zijn geloof bevestigd. Matthijs Vlaardingerbroek, een bekend spreker in evangelische kring, schrijft: “Als Nederlandse christenen lijken wij onbewust te smachten naar keiharde bewijzen van Gods bestaan en zijn kracht. Doen wij dit wellicht om onszelf houvast te geven?” Hij reageert daarmee op een verhaal dat blootlegt hoezeer die concentratie op gebedsgenezing tot theologische schreefgroei kan leiden.

Het gaat allemaal om een ‘wonderbaarlijke genezing’ tijdens Opwekking 2014. “Christenen op het festivalterrein baden voor Simon Ekkelboom, die met spierdystrofie in een rolstoel zat. Er gebeurde een wonder. Na het gebed kon hij namelijk opeens lopen. De pijn was weg. Z’n kleinzoon was zichtbaar aangeslagen. Toen Simon geen christen bleek te zijn werd hij bovendien terstond gedoopt.” Maar inmiddels is van die genezing nog maar weinig te merken. Ook in de kerk laat Ekkelboom zich inmiddels niet meer zien. Dat kerkbezoek viel hem altijd al zwaar. Jan Barendse, de voorganger van zijn gemeente, suggereert dat er wellicht verband bestaat tussen het feit dat Ekkelboom niet meer in de kerk komt en de terugkeer van de spierdystrofie. “Jan benadrukt dat Simon wellicht niet echt Jezus is gaan volgen en dat hij daardoor weer ziek is geworden. Of dat hij niet in “z’n genezing is gaan staan”. In pinksterkringen is dat een theologie die wel vaker wordt gepropageerd.”

In Zondag 23 vraagt de Heidelbergse Catechismus, nadat de Twaalf Artikelen zijn uitgelegd: “Wat hebt u er nu aan dat u dit alles gelooft?” De aanhanger van het welvaartsevangelie antwoordt daarop: “Dat we al tijdens ons leven van welvaart en voorspoed kunnen genieten”. Het antwoord van aanhangers van gebedsgenezing is niet principieel anders: “Dat we al tijdens ons leven van een goede gezondheid kunnen genieten”. Uiteraard wijzen ze op Jezus’ genezingen en zelfs opwekkingen van doden. Maar die hadden niet in de eerste plaats als doel mensen gelukkig te maken, maar de godheid en het daaruit voortvloeiende gezag van Jezus te onderstrepen. Er is alle reden kritisch te zijn over de nadruk op gebedsgenezing. Wil men in feite niet naar zich toe halen wat de gelovigen voor later in het vooruitzicht is gesteld?

Wie zichzelf tot het reformatorische christendom rekent, zoals de schrijver van deze weblog, heeft de neiging met een meewarig hoofdschudden van zulke verschijnselen kennis te nemen. Maar laten we die neiging onderdrukken. We kunnen beter de hand in eigen boezem steken en ons afvragen in hoeverre de trend om de mens en zijn geluk in het middelpunt te plaatsen, ook het gereformeerd kerkelijk leven beïnvloedt. Mijns inziens zijn er goede gronden deze vraag bevestigend te beantwoorden.

Dat blijkt soms uit heel simpele dingen, die op het eerste gezicht van ondergeschikt belang zijn. Neem nu de omgang met liturgie. Niet lang geleden vond in mijn gemeente een bezinning plaats over de liturgie en vooral de rol van de muziek daarin. Eerst werd geïnventariseerd welk muzikaal talent beschikbaar was. Dat leidde dan tot conclusies ten aanzien van de muziek die in kerkdiensten tot klinken zou moeten komen. Daarbij werd dan nog wel rekening gehouden met verschillende smaken van de kerkgangers, zodat naast ‘modern’ ook ‘traditioneel’ aan bod moet komen. Hier komt dus de wens van mensen om een aandeel in de liturgie te leveren, in feite centraal te staan. Die wens valt positief te waarderen, maar mag niet leidend worden in het beleid ten aanzien van de liturgie. Men is in deze bezinning aan de verkeerde kant begonnen. Eerst had aan de orde moeten komen wat de bijbel over de kerk zegt en wat dit voor het karakter van de kerkdienst betekent. Daaruit volgen dan consequenties voor de inrichting van de liturgie en daaruit weer de keuze van het te zingen liedrepertoire.

Ik schreef dat dit op het eerste gezicht van ondergeschikt belang is. Op het eerste gezicht, inderdaad, want in feite is de liturgie een wezenlijk onderdeel van het kerkelijk leven. Dat geldt ook voor andere verschijnselen die hier genoemd moeten worden. In de kerken van de Reformatie geldt formeel nog steeds dat het lidmaatschap van de gemeente door geografische grenzen wordt bepaald. Maar in de praktijk wordt daarmee in toenemende mate de hand gelicht. Steeds meer gemeentegrenzen zijn geperforeerd, wat betekent dat kerkleden kunnen kiezen bij welke gemeente ze willen horen, afhankelijk van haar ‘ligging’. Dat was vroeger iets van de Nederlands Hervormde Kerk en de Gereformeerde Kerken (synodaal), maar dit verschijnsel rukt ook op in de Christelijke Gereformeerde Kerken en de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt). Hoezeer het persoonlijke doorslaggevend is geworden, komt ook daarin naar voren dat nog maar weinigen de wenkbrauwen fronsen als gemeenteleden die gaan verhuizen, aankondigen dat ze in hun nieuwe woonplaats op zoek gaan naar een kerk die “bij hen past”.

Ook het bezoeken van kerkdiensten is een persoonlijke zaak geworden. Of men een kerkdienst bijwoont of niet, hangt voor een groeiend aantal kerkleden ervan af of men er behoefte aan heeft. Vooral de middagdiensten zijn daarvan het slachtoffer geworden. Het is in dit verband wel merkwaardig dat niet zelden ook diegenen, die beklemtonen hoe belangrijk de kerk als gemeenschap is en zich sterk maken voor bijvoorbeeld huiskringen, er geen probleem mee hebben de middagdiensten te verzuimen, terwijl de gemeenschap van de heiligen toch juist in de zondagse samenkomsten begint.

Het probleem met voorgangers, zoals de evangelische wereld die kent, hebben gereformeerde kerken niet. Daar werpt niemand zich als zodanig op, maar worden predikanten door een gemeente geroepen. Ook de binding aan de belijdenis voorkomt dat gemeenten ten prooi vallen aan de persoonlijke inzichten en ambities van voorgangers. Maar hoe lang blijft dat zo? Want in de gereformeerde wereld is de binding aan de belijdenis niet meer zo vanzelfsprekend als die ooit was en in elk geval heel wat minder strikt dan vooral in de Christelijke Gereformeerde Kerken en de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) het geval was. In de Nederlands Gereformeerde Kerken is men op dat punt altijd wat coulanter geweest en dat virus tast ook met haar verwante kerken aan. Het valt te verwachten dat de voorgenomen fusie tussen NGK en GKV dat proces zal versterken. Daarmee krijgen voorgangers grotere vrijheid hun persoonlijke inzichten uit te venten.

De GKV zijn op dit moment verwikkeld in een proces van bezinning over de vraag of de ambten van predikant en ouderling voor vrouwen opengesteld moeten worden. Die bezinning is het gevolg van een besluit van de laatste Generale Synode, die deze vraag bevestigend beantwoordde. In de discussie is ook de vraag aan de orde gesteld, of en in hoeverre opvattingen in de seculiere samenleving mede ten grondslag liggen aan de verschuiving in de meningen over dit onderwerp. Daarbij wordt vaak gewezen op de veranderde opvattingen over de rol van de vrouw. Dat valt niet uit te sluiten, maar er zijn redenen voor scepsis. Want theoretisch staan in de samenleving vrijwel alle functies open voor vrouwen, van een strikt gelijke behandeling is nog altijd geen sprake. Mannen en vrouwen worden nog niet altijd gelijk beloond voor gelijk werk. En er wordt niet voor niets gesproken over het ‘glazen plafond’, waardoor vrouwen moeilijk tot de hoogste echelons van bijvoorbeeld het bedrijfsleven doordringen.

Bovendien wordt daarmee het onderwerp van ‘man, vrouw en ambt’ geïsoleerd van andere verschijnselen. Veranderde opvattingen over de rol van de vrouw kunnen niet verklaren, waarom ook op andere gebieden de opvattingen die decennia lang met verve werden verdedigd, nu steeds meer aan erosie onderhevig zijn. Dat betreft de visie op ethische zaken, zoals homoseksualiteit, samenwonen versus trouwen en echtscheiding, maar ook de manier waarop de bijbel gelezen en uitgelegd moet worden (hermeneutiek) en de opvattingen over de historiciteit van wat in de eerste hoofdstukken over de oorsprong van de aarde en de schepping van de mens wordt meegedeeld.

Verschuivingen op hermeneutisch vlak spelen ongetwijfeld een sleutelrol. Daarin wordt aan de mens – de lezer en uitlegger van de bijbel – een grotere rol toegekend dan tevoren het geval was. Dat past in een trend, die zich ook op ethisch vlak manifesteert. Moet je mensen als norm voorhouden dat ze bij elkaar moeten blijven, ook als de liefde is verkild? En wanneer mensen van hetzelfde geslacht van elkaar houden, moeten we dan echt aannemen dat God bezwaar heeft tegen hun verbintenis? Wanneer je je in de gemeente, waarvan je lid bent, niet thuis voelt, vraagt God dan echt van je dat je daarvan toch lid blijft? En wanneer je als vrouw de gaven hebt om de gemeente te dienen in het ambt van predikant of ouderling, is het dan echt de wil van God dat je daarvan afziet, omdat Hij het ambt voor mannen heeft gereserveerd?

Dat ik dit zo formuleer zal wel protest oproepen bij degenen die de boven beschreven opvattingen huldigen. Velen van hen zullen oprecht zijn in hun wens recht te doen aan de Schrift. Maar uiteindelijk is dat niet doorslaggevend. Het gaat er niet om of je de Schrift recht wilt doen, maar of je dat daadwerkelijk doet. De argumenten voor de hier gereleveerde opvattingen zijn meestal niet houdbaar bij een zorgvuldige lezing en uitleg van de Schrift, zowel van afzonderlijke bijbelteksten als van de doorgaande lijn in de Schrift. De wens de gaven van vrouwen voor de gemeente, ook in de ambten, te kunnen inzetten, heeft onmiskenbaar groot gewicht in de discussie over ‘man, vrouw en ambt’. Net als in het bovengenoemde geval van de liturgie begint de bezinning daarmee aan de verkeerde kant.

Hier ligt het gevaar van een ‘nieuwe hermeneutiek’: dat de wens de vader van de exegese wordt. Het gaat om jou, tenslotte.

In gemeenschap met de kerk van alle tijden en plaatsen

Er zijn nogal wat bijbels in omloop. Naast de bekende vertalingen, zoals de Nieuwe Bijbelvertaling en de Herziene Statenvertaling, zijn er ook allerlei zogenaamde ‘doelgroepenbijbels’: een bijbel in gewone taal, een vrouwenbijbel, een mannenbijbel, een startbijbel, een meidenbijbel. Het lijkt wel alsof iedereen z’n eigen bijbel heeft.

Maar zelfs al leest iedereen dezelfde bijbel(vertaling), je zou bijna de indruk krijgen dat ze allemaal een andere bijbel lezen. Er zijn nogal wat Schriftgedeelten en bijbelteksten die op heel verschillende manieren worden uitgelegd. Dat gebeurt door theologen, maar ook door ‘gewone’ bijbellezers. Want lezen en uitleggen zijn geen strikt gescheiden processen: iedereen is tijdens het lezen al bezig dat wat hij leest te interpreteren. Maar hoe doe je dat? Waarom legt de ene lezer een tekst heel anders uit dan de andere? Er zijn teksten die – althans voor de lezer van nu – niet zo duidelijk zijn dat er slechts één interpretatie mogelijk is. Niet altijd hoeven interpretaties elkaar uit te sluiten. Maar het komt ook voor dat twee interpretaties echt diametraal tegenover elkaar staan. Dat kan soms belangrijke consequenties hebben, bijvoorbeeld op het vlak van de ethiek of voor de organisatie van het kerkelijk leven.

Dat laatste is bijvoorbeeld het geval bij de uitleg van teksten over de plaats van de vrouw in de kerk. De discussies in de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) over de vraag of de ambten van predikant, ouderling en diaken voor vrouwen opengesteld moeten worden, hebben geleid tot onzekerheid en onenigheid over de manier waarop de bijbel gelezen wordt of moet worden. Eeuwenlang is de uitsluiting van vrouwen uit deze ambten met een beroep op de Schrift verdedigd. Nu levert diezelfde Schrift, als je de voorstanders moet geloven, de argumenten voor de openstelling van deze ambten voor vrouwen. Ook in het huidige debat over deze kwestie worden diametraal tegenovergestelde visies met een beroep op één en dezelfde bijbel verdedigd. Kunnen we uit de bijbel dan nog wel richtlijnen voor ons handelen vandaag afleiden? Of hangt het er maar helemaal vanaf wie die bijbel leest en met welke bril?

Voorstanders van de openstelling van de ambten voor vrouwen leggen er vaak de nadruk op dat je in de interpretatie van de bijbel altijd je eigen cultuur meeneemt. Dat in vroeger tijden de ambten werden gereserveerd voor mannen, is het gevolg van de maatschappelijke context, waarin mannen de dienst uitmaakten. Maat als de cultuur waarin je leeft zo’n invloed heeft op de manier waarop je de bijbel leest, geldt dit uiteraard ook voor de voorstanders. Ook zij staan onder invloed van onze maatschappelijke context, waarin alle functies in principe open staan voor mannen en vrouwen. Dat wordt door hen ook niet ontkend. Sommigen zien dat als onvermijdelijk, maar er zijn er ook, die dat zelfs positief waarderen. Net zoals – in hun visie – de apostel Paulus, op wie tegenstanders zich vaak beroepen, zich door de maatschappelijke opvattingen liet leiden, zo moeten ook wij dat doen. Het was volgens hen Paulus’ streven niet onnodig aanstoot te geven en dus moest de gemeente zich zo veel mogelijk aan de toen geldende normen aanpassen. Daarin moeten wij hem navolgen en dat leidt dan in het onderhavige geval tot conclusies die haaks staan op de door de apostel geformuleerde voorschriften.

Ik ga in dit kader op deze denklijn niet verder in. Wat mij hier vooral zal bezighouden, is de vraag hoe we ons in onze interpretatie van de Schrift verhouden tot de cultuur waarin we leven.

Dat die cultuur invloed heeft op ons denken en voelen staat buiten kijf. Zeker gereformeerden zijn vatbaar voor invloeden uit de cultuur. Dat heeft alles te maken met de traditie waarin ze zijn opgegroeid. Die is in hoge mate gevormd door Abraham Kuyper. Zijn houding tegenover de cultuur wordt vaak samengevat met zijn kernachtige spreuk: “Geen duimbreed is er op deze wereld waarvan Christus niet zegt: Het is Mijn!” Het heeft geresulteerd in allerlei vormen van politieke en maatschappelijke actie. Het heeft de gereformeerden de reputatie van activisme opgeleverd, tot op de dag vandaag. Maar als je de cultuur wilt beïnvloeden, stel je je tegelijk bloot aan de invloed van die cultuur. En in de loop van de tijd zijn de getalsverhoudingen sterk gewijzigd. Terwijl het in de eerste helft van de 20e eeuw nog mogelijk was een stempel op de samenleving te drukken, is dat tegenwoordig veel minder het geval. Het christendom is in veel opzichten marginaal geworden en de seculiere cultuur breidt zich als een olievlek uit. De tot die cultuur behorende opvattingen, bijvoorbeeld op ethisch vlak, zijn steeds dominanter geworden en lijken door een overgrote meerderheid van de bevolking omarmd te worden. Dat laat christenen niet onberoerd. Het wordt steeds lastiger zich aan de in de maatschappij geldende normen te onttrekken en vast te houden aan opvattingen, die door de samenleving in meerderheid als achterhaald of zelfs als discriminerend worden beschouwd.

In hoeverre beïnvloedt dit de manier waarop christenen de bijbel lezen? Gaan ze die lezen met de bril, die hun door de samenleving wordt aangereikt?

Een antwoord is niet zo eenvoudig. Want in de huidige discussies over ‘vrouw en ambt’ blijkt dat mensen, die onderdeel zijn van dezelfde samenleving, ten aanzien van dit onderwerp tot heel verschillende conclusies komen, ook in de interpretaties van de bijbelteksten, die voor dit onderwerp van belang zijn. Dat maakt al duidelijk dat de relatie tussen de cultuur en de uitleg van de Schrift niet zo eenduidig is als soms wordt gesuggereerd.

Nu zou men kunnen tegenwerpen dat het nog maar de vraag is of alle deelnemers aan de discussies zich in dezelfde maatschappelijke context bevinden en dezelfde cultuur inademen. Er is alle reden voor enige reserve bij het spreken over de cultuur. Er is geen sprake van een eensgezind, monolithisch blok; ook op ethisch vlak staan de neuzen echt niet allemaal één kant op. We leven in een multiculturele samenleving. Dat begrip wordt meestal in verband gebracht met de immigratie van mensen uit andere delen van de wereld, die hun eigen cultuur meebrengen. Maar ook als zij er niet waren en Nederland slechts door ‘autochtonen’ werd bevolkt, zou de samenleving multicultureel zijn. Er wordt tegenwoordig terecht gewezen op de groeiende tegenstellingen tussen groepen in de samenleving, die – zo wordt gevreesd – weleens zouden kunnen uitgroeien tot bijna onoverbrugbare kloven. Daarbij wordt dan gedacht aan tegenstellingen tussen hoger- en lager-opgeleiden, ouderen en jongeren, stad en platteland en tussen kosmopolieten en meer naar binnen gekeerden, die alles vooral vanuit nationaal of regionaal perspectief bekijken. Met die verschillende groepen worden ook verschillende opvattingen over maatschappelijke en ethische kwesties verbonden.

Zou men van daaruit de verschillen van opvatting tussen voor- en tegenstanders van de openstelling van de ambten voor vrouwen kunnen verklaren? Ik denk van niet. Want de relatie tussen de ‘groep’ waartoe mensen behoren en de opvattingen die ze koesteren, is niet simpel een kwestie van één op één. Voor- en tegenstanders van een zwarte Piet – om een sprekend voorbeeld van maatschappelijke discussie te noemen – vind je zowel in de stad als op het platteland en zowel onder ouderen als jongeren. Hetzelfde geldt voor de kerkelijke discussie over ‘vrouw en ambt’. Ook hier lopen de tegenstellingen door alle gesignaleerde ‘groepen’ heen. Voor- en tegenstanders van de openstelling van de ambten voor de vrouw zijn er onder hoger- en lageropgeleiden, in de stad en op het platteland en onder ouderen en jongeren. Vanuit dat perspectief is er alle reden de invloed van de samenleving en haar normen op de discussie over ‘vrouw en ambt’ te relativeren. Er kan weinig twijfel over bestaan dat de samenleving ons op allerlei manieren beïnvloedt. Maar de manier waarop en de mate waarin dat gebeurt, kunnen sterk verschillen. In ieder geval is het vrijwel onmogelijk te bewijzen dat de in de samenleving dominerende opvattingen onze lezing van de Schrift en de exegese van Schriftgedeelten doorslaggevend beïnvloeden.

Dat betekent niet dat we de invloed van de samenleving moeten negeren in onze kerkelijke discussies. We kunnen ons niet isoleren van de maatschappij waarin we leven en de cultuur die we inademen. Het heeft dus ook geen zin krampachtig te proberen de invloed daarvan uit te schakelen. Eén van de eigenschappen van de kerk – en daarin is ze in toenemende mate uniek – is dat haar leden deel uitmaken van allerlei verschillende (sub)culturen en de invloeden daarvan meebrengen. Dat is niet haar zwakte, maar juist haar kracht. In de kerk kunnen mensen van alle rangen en standen op voet van gelijkheid met elkaar van gedachten wisselen en hun uitleg van de Schrift aan elkaar voorleggen. Daarbij mogen ze elkaar bevragen op hun vooroordelen en de culturele invloeden die hun interpretaties zouden kunnen beïnvloeden. De christelijke gemeente anno 2018 kan een voorbeeld nemen aan de Joodse gelovigen in Berea die de Schriften bestudeerden “om te zien of het inderdaad waar was wat er werd gezegd” (Hand. 17,11).

Maar er is meer. We belijden ons geloof in gemeenschap met de kerk van alle tijden. De kerkgeschiedenis begint niet met ons: we staan op de schouders van ons voorgeslacht, dat zich ook dagelijks met de Schrift heeft beziggehouden. Het heeft ons op allerlei manieren de resultaten van die dagelijkse omgang met de Schrift nagelaten. Zichtbare tekenen daarvan zijn de belijdenisgeschriften. Die worden, ook in gereformeerde kring, in toenemende mate als irrelevant beschouwd, omdat ze uit een andere tijd en cultuur dateren. Maar dat spreekt niet tegen hen; het spreekt juist in hun voordeel. Omdat ze in een heel andere tijd en een heel andere cultuur zijn ontstaan, kunnen die ons ervoor behoeden ons te laten inpakken door de hedendaagse samenleving, die ons probeert wijs te maken dat de Schrift en de daaruit voortvloeiende christelijke ethiek ‘niet meer van deze tijd’ zijn. Laten we daarbij ook niet vergeten dat die belijdenissen geen nieuws brachten en inzichten formuleerden, die er nooit eerder geweest waren. Ze zijn het product van een beweging, die geen revolutie predikte, maar een reformatie wilde zijn: terug naar de bron. Zo staan de belijdenissen op hun beurt in een traditie van eeuwen, die uiteindelijk teruggaat op de kerk van het Nieuwe Testament.

We belijden ons geloof ook in gemeenschap met de kerk van alle plaatsen. De kerk in Nederland is geen oase in een wereld die ‘woest en ledig’ is. Je bent als kerk gezegend, wanneer je over de hele wereld gelovigen tegenkomt, die in dezelfde traditie willen staan en die de Schrift lezen in hun – soms heel afwijkende – culturele context. Juist de internationale gemeenschap van gelovigen kan de kerk in Nederland anno 2018 helpen bij de les te blijven en zich bewust te worden van invloeden van de eigen culturele context. Buitenlandse christenen hebben vaak een scherp oog voor de manier waarop het moderne levensgevoel van westerse culturen de lezing van de Schrift beïnvloedt.

Een kerk die op het punt staat met een traditie van vele eeuwen te breken, moet niet de gemeenschap met de kerk van alle tijden en plaatsen uit het oog verliezen. Ze doet er goed aan zich door die kerk kritisch te laten bevragen. Dat is haar oecumenische taak.

Afscheiden of doorploeteren?

Het komt niet vaak voor dat de bouw van een kerk de landelijke seculiere pers haalt. Als dat gebeurt, moet er wel iets aan de hand zijn. Dat was dan ook het geval in Yerseke, waar de Gereformeerde Gemeente een nieuwe kerk met 2000 zitplaatsen wil bouwen, in de publiciteit als ‘megakerk’ betiteld. Daarvoor gingen in het Zeeuwse dorp niet alle handen op elkaar. De bezwaren richtten zich vooral op de grootte van het gebouw, de plaats waar het moet komen te staan en de overlast, die ervan verwacht wordt. Dat zo’n kerk in seculier Nederland leidt tot irritatie en een oprisping van afkeer van geloof en kerk is te verwachten. Maar ook onder christenen klonken kritische geluiden. De locale fractie van de Christenunie stemde tegen het verlenen van een bouwvergunning. Op 12 juli j.l. reageerde Sjirk Kuijper, hoofdredacteur van het Nederlands Dagblad, in een commentaar onder de titel ‘Kerkelijk comfort’. Dat ging vooral over de ‘kwestie-Yerseke’, maar Kuijper betrok hier een andere kwestie bij.

De Doorbrekers, die zichzelf omschrijven als “een moderne kerk met een passie voor Jezus en voor mensen”, kondigden aan een vestiging te beginnen in Drechtsteden, het gebied rond Dordrecht. Dat riep bij bestaande kerken nogal wat kritiek op. Als men zo nodig mensen voor Jezus wil winnen, waarom vestigt men zich dan uitsluitend in gebieden waar de kerkdichtheid nogal groot is? Voorbeelden zijn Barneveld – midden in wat als biblebelt bekend staat – en Amersfoort.

Zijn commentaar kwam Kuijper op nogal wat kritiek te staan. Ik zag op Twitter allerlei kritische opmerkingen voorbij komen. Op Facebook schreef iemand zelfs dat hij nu zijn abonnement op het Nederlands Dagblad zou opzeggen. Dat is een nogal drastische stap als reactie op een commentaar. Kennelijk heeft Kuijper een gevoelige snaar geraakt waardoor nogal wat mensen vertoornd zijn geraakt. Is daar reden voor?

Om te beginnen: de bouw van een ‘megakerk’ door de Gereformeerde Gemeente van Yerseke is niet vergelijkbaar met de vestiging van een filiaal van de Doorbrekers in Drechtsteden. In het eerste geval is er sprake van een kerk die te klein geworden is. Kuijper wijst op het verschijnsel dat zich in de bevindelijke flank van christelijk Nederland manifesteert: gelovigen kruipen bij elkaar en als gevolg daarvan worden bestaande kerken te klein, terwijl elders kerken leeglopen en gemeenten worden opgeheven. Eén van de punten van kritiek was dat hij hier zijn pijlen wel erg eenzijdig op de Gereformeerde Gemeenten richt. Want het is de vraag of dat verschijnsel zich tot de bevindelijke kerken beperkt. Ook de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) kennen hun bolwerken. Dat zijn dan niet gemeenten als Bunschoten-Spakenburg, waar de gereformeerden traditioneel al sterk vertegenwoordigd waren. Eerder moet je dan denken aan steden als Amersfoort en Zwolle, die in de loop van een paar decennia zich sterk hebben uitgebreid, niet alleen burgerlijk, maar ook kerkelijk.

Burgerlijke en kerkelijke uitbreiding hebben overigens alles met elkaar te maken. Zaken als beschikbare huisvesting, bereikbaarheid en aard en omvang van werkgelegenheid hebben ongetwijfeld de kerkelijke groei gestimuleerd. Daarbij moet dan ook bedacht worden dat in lang niet elke gemeente vrije vestiging mogelijk is. In zijn commentaar noemt Kuijper ook de beschikbaarheid van een reformatorische basisschool als oorzaak van de ‘samenklontering’ van leden van de Gereformeerde Gemeenten. Maar dat is in vrijgemaakt-gereformeerde kring niet anders, al is daar waarschijnlijk vooral de aanwezigheid van voortgezet onderwijs doorslaggevend (geweest). Dat nogal wat mensen met opgroeiende kinderen zich in de nabijheid van zulk onderwijs vestig(d)en, heeft (had) zeker ook financiële en praktische redenen. Openbaar vervoer is in de loop van de tijd duurder geworden en in sommige gevallen nog slechts mondjesmaat beschikbaar. Het is overigens de vraag hoelang deze trek naar de centra zal aanhouden, gezien het feit dat gereformeerd onderwijs voor steeds meer ouders geen bijzonder hoge prioriteit meer heeft.

Uit deze observaties mag de conclusie getrokken worden dat in dit opzicht de kritiek op de concentratie van leden van de Gereformeerde Gemeenten niet helemaal eerlijk is.

Meer houdt snijdt de tweede oorzaak die Kuijper noemt: kerksplitsing of dubbele diensten zijn geen optie vanwege het tekort aan predikanten. “De hoge drempel voor het predikambt houdt de schaarste aan dominees in stand.” Dat is een terechte constatering, evenals zijn opmerking dat dit het gevolg is van de geloofsleer van de Gereformeerde Gemeenten (en van de bevindelijke kerken in het algemeen). Slechts zelden worden studenten tot de theologische opleiding toegelaten, en dat zijn dan vaak ook nog mannen op leeftijd. Ze moeten overtuigend kunnen aantonen dat ze bekeerd zijn en dat betekent dat ze een verhaal moeten kunnen vertellen hoe God in hun leven heeft ingegrepen. Dan wordt de spoeling dun.

Aan het eind van zijn commentaar gaat Kuijper nog in op het initiatief van de Doorbrekers. “[Daar] hebben bezoekers vaak veel kilometers achter de wielen als ze de theaterzaal betreden. Toch gaat Doorbrekers (gesticht door ex-leden van de Gereformeerde Gemeenten) juist daar zitten waar het al barst van de kerken en christenen: Barneveld, Amersfoort, Zwolle, Goes, en nu dus de Drechtsteden. De ervaring is dat zulke aansprekende megakerken vooral bekeerlingen trekken die de ‘traditionele’ kerk waarin ze opgroeiden voor Geesteloos of zelfs dood verklaard hebben.” Men spreekt in dit verband wel eens ironisch over het ‘rondpompen’ van gelovigen.

Het zal duidelijk zijn dat we hier met een verschijnsel te maken hebben dat niet zonder meer met de samenklontering in bevindelijke kring vergeleken kan worden. In het laatste geval is immers geen sprake van een achterliggende theologische motivatie: er ligt geen kerkelijk conflict aan ten grondslag. Dat is bij de Doorbrekers anders: die zien zich als een alternatief voor bestaande kerken waarover ze zich een algemeen negatief oordeel aanmatigen. Daarom mist de kritiek op hun vestigingsbeleid doel. Je zou in zekere zin kunnen zeggen dat hier wel sprake is van een kerkelijk conflict, zij het niet in organisatorische zin.

Kritiek op de Doorbrekers zal dan ook een theologische moeten zijn. Maar die blijft achterwege. Dat is overigens ten aanzien van de Gereformeerde Gemeenten ook het geval. Het blijft bij een constatering, waaraan verder geen oordeel wordt verbonden. Dat is natuurlijk ook lastig, wanneer een helder beoordelingscriterium ontbreekt. Dat heeft Kuijper nog eens expliciet verwoord in de rubriek ‘Van de redactie’ op 15 juli, waar hij – na eraan te hebben herinnerd dat de krant 25 jaar geleden de exclusieve binding aan de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) had opgegeven – schrijft: “Later is ook de exclusieve band met de gereformeerde belijdenissen losgeknoopt.” Goed beschouwd is dat wel ironisch: wat ongetwijfeld als stap naar een grotere mate van vrijheid werd (wordt) beschouwd, is in feite een handenbinder. Want elk ander beoordelingscriterium dan dat van de gereformeerde belijdenis – als samenvatting van de Schrift – is per definitie subjectief en dus vatbaar voor kritiek.

De slotzin van het commentaar vat de teneur van het betoog samen. “Afscheiden, iets nieuws en waars beginnen, veilig op één hoop gaan zitten: dat gaat Nederlandse christenen beter af dan trouw verder ploeteren met de dolende en kwijnende gemeenschap waarin God je geplaatst en geroepen heeft, en zijn werk met je begonnen is.”

Het gebruik van het woord “afscheiden” doet hier nogal vreemd aan. Want in de besproken kwesties gaat het helemaal niet over “afscheiden”. In de kwestie-Yerseke is, zoals ik al opmerkte, geen sprake van een theologisch conflict. En alhoewel de Doorbrekers zich als alternatief voor bestaande kerken presenteren, zijn ze geen “afscheiding” van zulke kerken. Hooguit kun je zeggen dat veel – de meeste? – van hun leden zich van de kerken waarvan ze lid waren, hebben afgescheiden. Maar wellicht zouden ze dat ook zonder de Doorbrekers wel gedaan hebben; er zijn immers genoeg kramen op de kerkelijke markt. Want dat ze zich van hun kerken hebben afgescheiden heeft ongetwijfeld een theologische achtergrond. Wanneer men zich in zijn denken van de kerk waarvan men lid is, verwijdert, is het niet zo vreemd dat men daarmee breekt. Had Kuijper met het gebruik van het woord “afscheiden” wellicht de ontwikkelingen binnen de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) in gedachten, na de besluiten over vrouw en ambt van de dit jaar gehouden Generale Synode?

De afsluitende alinea heeft een duidelijk gereformeerde trek, wanneer Kuijper spreekt over “trouw verder ploeteren met de dolende en kwijnende gemeenschap waarin God je geplaatst en geroepen heeft, en zijn werk met je begonnen is.” Het bloed kruipt kennelijk waar het niet gaan kan. Het is ongetwijfeld een Schriftuurlijke gedachte dat iedereen door God op een bepaalde plek geplaatst is en dat daar dus zijn of haar verantwoordelijkheid begint. Dat geldt voor het gezin even zo goed als voor de kerk. Maar daarmee is het verhaal niet afgelopen. Volgens de Nederlandse Geloofsbelijdenis dient elke kerk altijd gemeten te worden aan wat de Schrift over de kerk zegt; dat wordt in deze belijdenis in enkele artikelen samengevat. Daaruit volgt dat ieder kerklid altijd moet toetsen of de kerk waarvan hij door geboorte of door een beslissing van zijn ouders lid is, nog wel aan die maatstaven voldoet.

“Afscheiden, iets nieuws en waars beginnen” – de formulering en de context suggereren dat Kuijper dit negatief waardeert. De Nederlandse Geloofsbelijdenis doet dit niet. Sterker nog: ze spreekt zelfs uit dat afscheiding een plicht is wanneer de kerk niet meer de titel ‘kerk van Christus’ verdient. Zonder die confessionele basis wordt het dilemma “afscheiden of doorploeteren” een onontwarbare knoop.

Rouwdiensten zullen niet worden belegd

“Rouwdiensten zullen niet worden belegd”. Zo luidt artikel 71 van de Kerkorde van de Gereformeerde Kerken in Nederland, die gehanteerd wordt in de Gereformeerde Kerken vrijgemaakt (GKV). Als het aan Deputaten Liturgie en Kerkmuziek ligt, komt daar verandering in. Ze hebben een uitvaartliturgie ontworpen en stellen de komende Generale Synode voor deze vast te stellen. Men mag aannemen dat dit voorstel niet uit de lucht komt vallen. Kennelijk hebben de deputaten een behoefte aan zo’n liturgie gesignaleerd. Dat is op zichzelf opmerkelijk. De moderne mens – ook de moderne kerkmens – acht zich mans genoeg zelf te bepalen hoe allerlei zaken geregeld moeten worden. Bruidsparen hechten er in de regel zeer aan dat zij zelf de liturgie van de huwelijksbevestiging kunnen samenstellen. Ook wanneer ouders hun kind ten doop houden willen ze graag invloed op de keuze van het lied of de liederen die bij de doopsbediening gezongen worden. Het is dan wel opmerkelijk dat men bij de invulling van een bijeenkomst voorafgaand aan een begrafenis door de kerk bij het handje wil worden genomen en ideeën voor een liturgie wil krijgen aangereikt. Dat is te meer opvallend aangezien kerkelijke gemeenten zich de laatste jaren steeds minder gelegen laten liggen aan liturgische afspraken en regelingen die door de kerken gezamenlijk zijn vastgesteld.

Het is van belang erop te wijzen dat het voorstel uit de koker van de Deputaten Liturgie en Kerkmuziek komt. Die hebben uiteraard geen bemoeienis met de inhoud van de Kerkorde. Sinds jaar en dag is het gebruikelijk dat kerkboeken ook aanwijzingen bevatten voor bijvoorbeeld het gebruik van de Psalmen en Gezangen bij speciale gelegenheden. Bovendien worden allerlei gebeden aangeboden die bij specifieke omstandigheden gebruikt kunnen worden. Die zijn geheel vrijblijvend: men kan ze gebruiken maar ook terzijde leggen. In dat licht is er niets op tegen wanneer Deputaten met suggesties komen over de manier waarop een bijeenkomst voorafgaand aan een begrafenis zou kunnen worden ingevuld. Wie dat wil kan daarvan gebruik maken, maar aangezien de Gereformeerde Kerken er altijd van zijn uitgegaan dat zo’n bijeenkomst in principe een familieaangeledenheid is, staat het de nabestaanden geheel vrij daaraan hun eigen invulling te geven.

De berichtgeving over de voorgestelde liturgie (Nederlands Dagblad, 20.11.13) laat zien dat Deputaten verder gaan. De bijeenkomst krijgt in hun voorstel het karakter van een kerkdienst. Votum, groet en zegen maken er onderdeel van uit, evenals Schriftlezing en preek. De dienst eindigt pas na de zegen bij het graf. Wanneer de voorgestelde liturgie in deze vorm wordt aanvaard, kan het niet anders dan dat het geciteerde kerkorde-artikel wordt geschrapt. Want dan moet toch echt van een rouwdienst gesproken worden.

Deze bepaling van de Kerkorde is al oud en gaat terug tot de begintijd van de Reformatie. Ze moet tegen de achtergrond van de toen nog levendige praktijken rond dood en begrafenis gezien worden. Lijkpredikatiën, zoals men die toen noemde, behoorden tot de roomse superstitiën en paapse stoutigheden die men uit de kerkelijke samenleving wilde verbannen. De rituelen rond sterven en begraven werden gestempeld door het geloof dat men door middel van gebed iets kon bijdragen aan het zieleheil van de overledene. Bij gereformeerden van de 21e eeuw zullen zulke ideeën geen weerklank vinden. Er speelde echter nog iets anders mee in het verzet tegen de roomse praktijken. In zijn commentaar op de Kerkorde van 1923 schrijft Joh. Jansen dat men kennelijk bang was dat de “lof der afgestorvenen” al te zeer op de voorgrond zou staan. Dat heeft aan actualiteit niets ingeboet, integendeel. Met de toegenomen individualisering en personalisering van de maatschappij is bij begrafenissen de persoon van de overledene steeds meer in het middelpunt komen te staan. Bij christelijke begrafenissen zal echt nog wel het Woord klinken, maar toch wel vaak in relatie met de overledene, hoe hij of zij bijvoorbeeld in het geloof stond en daarvan getuigde. Maar de grotere aandacht voor de persoon kan zomaar vormen aannemen die tot gevolg hebben dat de verkondiging van het Woord in de knel komt.

Nu zou men dit als een argument kunnen gebruiken om een liturgie voor een uitvaartdienst aan te bieden. Op deze manier kunnen allerlei ongewenste ontwikkelingen wellicht worden tegengegaan. Die lijn volgt D. Griffioen in een artikel in De Reformatie (jg 72, 1996, pp. 301-304). Hij wijst erop dat een kerkenraad formeel geen mogelijkheden heeft corrigerend in te grijpen, wanneer gemeenteleden hun doden op “hun eigen manier” willen begraven. Veel meer dan een verwijzing naar een gegroeide traditie van een christelijke begrafenis of een algemene vermaning dat bij een begrafenis “iets” van het Evangelie moet klinken zit er niet in.

Griffioens uitgangspunt is dat de kerk bij een begrafenis aanwezig moet zijn. “Het argument dat een begrafenis uiteinde­lijk een zaak is van de familie gaat maar ten dele op. (…) [De] kerkenraad met de ge­meente is na de familie wel de meest nauw betrokkene bij het sterven en het begraven van leden van de gemeente.” Met deze opvatting kan men het moeilijk oneens zijn. Juist rond sterven en begraven moet de kerk pastoraal aanwezig zijn. Er moet vanuit de Schrift troost en uitzicht geboden worden. Als die uitblijven, waar moeten de nabestaanden die dan vandaan halen? Maar daarmee is nog niet de vraag beantwoord of de Schrift moet klinken in het kader van een kerkdienst. Griffioen verwijst naar andere schrijvers die met argumenten betogen dat een door de kerkenraad uitgeschreven dienst in dit geval niet de voorkeur verdient. Hij gaat daarin in zoverre mee dat ook hij van mening is dat er geen sprake kan zijn van een reguliere dienst. Hij pleit voor een soort van ‘aangepaste’ dienst. Daarin kan bijvoorbeeld in de keuze van de te zingen liederen een zekere vrijheid betracht worden, die in ‘gewone’ kerkdiensten niet bestaat.

Nu is het nog maar de vraag of men een kerkdienst met een daarbij behorend liturgisch kader mag gebruiken om ongewenste ontwikkelingen tegen te gaan. Het is waar, zoiets is in het verleden ook gebeurd. Calvijn was bepaald geen voorstander van het houden van kerkdiensten op christelijke feestdagen anders dan op de zondag. Toch is men al in een vroeg stadium ertoe overgegaan op zulke dagen diensten te beleggen, vooral om ‘lediggang’ en allerlei ongewenste activiteiten op zulke (vrije) dagen tegen te gaan. Maar dat is nog geen reden om zoiets opnieuw te doen.

Bovendien valt te vrezen dat dit inmiddels een gepasseerd station is. Griffioen schreef zijn artikel in 1996 en inmiddels zijn meer dan vijftien jaar verstreken. Daarin is de vrijheid die kerkleden zich permitteren steeds verder opgerekt; kerkenraden zijn daarin meegegaan. Een sprekend voorbeeld is de wijze waarop kerkdiensten worden vormgegeven waarin een huwelijk wordt bevestigd. Dat een bruidspaar invloed heeft op de manier waarop die dienst verloopt en op de samenstelling van de liturgie is vrij algemeen geaccepteerd. Het lijkt er echter op dat bruidsparen vrijwel geheel de vrije hand wordt gelaten in bijvoorbeeld de keuze van de liederen. Dan kan het gebeuren dat in zo’n dienst van de gezongen liederen meer dan de helft in geen enkele bundel voorkomt die voor kerkelijk gebruik is vrijgegeven. De al gesignaleerde individualisering en personalisering speelt ook hier een rol. Het komt niet zelden voor dat de voorganger eerst het bruidspaar en zijn familie aanspreekt en pas dan de gemeente. Soms krijg je bijna de indruk dat de gemeente tot toeschouwer wordt gereduceerd.

Nu zou een kerkenraad hier regulerend kunnen optreden. Een trouwdienst is tenslotte ruim tevoren bekend en er is tijd genoeg om over de inhoud van de dienst van gedachten te wisselen en eventuele bezwaren tegen, bijvoorbeeld, de liedkeuze te bespreken. Bij een begrafenis ligt dat uiteraard anders. Daar moet alles op korte termijn geregeld worden. Voor het bespreken van eventuele bezwaren tegen de vormgeving van een bijeenkomst is weinig tijd. Bovendien is een begrafenis nu niet bepaald een gelegenheid waarbij een conflict tussen kerkenraad of voorganger enerzijds en de nabestaanden anderzijds zou moeten plaatsvinden. Juist dan zou elke onenigheid moeten worden voorkomen. In geval van een door de familie geregisseerde bijeenkomst lukt dat wel. Uiteindelijk levert de predikant alleen maar een bijdrage. Hij en zijn kerkenraad dragen geen verantwoordelijkheid voor het geheel en zijn daarop ook niet aanspreekbaar. Dat is anders wanneer de bijeenkomst voorafgaand aan de begrafenis het karakter van een kerkdienst zou krijgen.

Conflicten zijn dan alleen te voorkomen wanneer de kerkenraad voetstoots alles accepteert wat door de nabestaanden wordt voorgesteld. Maar was het niet juist de bedoeling ongewenste ontwikkelingen tegen te gaan? Kerkenraden zijn zeer tolerant ten aanzien van de vormgeving van trouwdiensten. Wanneer ze hier al niet op hun strepen gaan staan en zich inspannen ervoor te zorgen dat de trouwdienst qua inhoud en vormgeving echt kerkdienst mag heten en niet haaks staat op wat in de kerk gebruikelijk is, zullen ze dat bij eventuele ‘rouwdiensten’ wel gaan doen? Moet de kerkenraad ingrijpen wanneer de nabestaanden van plan zijn uitgebreid het doopceel van de overledene te lichten of wanneer familieleden en vrienden uitvoerig verslag doen van hun herinneringen aan hem of haar? En wat te doen wanneer kinderen hun overleden opa of oma gaan toespreken, alsof hij of zij nog onder de levenden is? Hoe moet de voorganger reageren als een nabestaande over “stoffelijk overschot” spreekt? Volgens de voorstellen van Deputaten zou de dienst eindigen met de zegen na de teraardebestelling. Past in zo’n dienst het optreden van een dweilorkest, zoals één van de lezers in het Nederlands Dagblad van 21 november 2013 als zijn voorkeur opgeeft?

Wanneer een kerkenraad een kerkdienst belegt dient hij erop toe te zien dat deze qua karakter een echte kerkdienst is. Dan zullen er bepaalde grenzen moeten worden gesteld. Men zou bij trouwdiensten een begin kunnen maken. Wanneer de Generale Synode zou besluiten dat kerkenraden begrafenisdiensten kunnen beleggen, dienen ook daarvoor duidelijke afspraken te worden gemaakt. Kerkenraden moeten voorkomen dat conflicten bij de voorbereiding van een begrafenis ontstaan. Dat kan door in prediking en pastoraat vragen rond sterven en begraven aan de orde te stellen. Ik heb niet de indruk dat dit gebeurt. Wanneer ook in gereformeerde kring in rouwadvertenties de overledene wordt toegesproken, zou dat dan geen reden moeten zijn hierop in de prediking in te gaan? Zulke aanspraken zijn dan wellicht meestal van kinderen afkomstig, maar zou hun niet al vanaf jonge leeftijd moeten worden geleerd dat de doden niets weten – dat wil zeggen: geen kennis hebben van wat op aarde tegen hen of over hen wordt gezegd?

Enige reformatie ten aanzien van de inmiddels gegroeide praktijken rond overlijden en begraven lijkt bepaald niet overbodig. Het aangewezen middel daarvoor is prediking en pastoraat. Liturgische handreikingen kunnen een goed hulpmiddel zijn om rouwbijeenkomsten op een verantwoorde manier vorm te geven. Maar voorstellen voor het beleggen van rouwdiensten moeten voorlopig maar even in de ijskast gelegd worden. “Rouwdiensten zullen niet worden belegd” – laat dat vooral maar in de Kerkorde blijven staan.

Geen roeping zonder beroep

Keuzevrijheid is een groot goed voor de mens van de 21e eeuw. Hij wil zelf kiezen met wie hij door het leven gaat, welke studie hij gaat volgen en welk beroep hij gaat uitoefenen. Het aantal keuzemogelijkheden is vrijwel eindeloos en is gedurende de laatste decennia, als gevolg van het streven naar marktwerking, steeds groter geworden. Maar elk voordeel heeft z’n nadeel: soms zijn de keuzemogelijkheden zo omvangrijk dat men door de bomen het bos niet meer ziet.

Desondanks zijn er nog steeds zaken waarin niet veel of niets te kiezen valt. Of men geboren wordt, hoe men geboren wordt – mannelijk of vrouwelijk – en welke ouders men krijgt, dat onttrekt zich nog steeds aan de menselijke wil. Ondanks het liberale geloof dat je alles kunt worden wat je wilt heeft de mens met allerlei beperkingen te maken, intellectueel, sociaal en/of financieel-economisch. En wanneer iemand zegt dat hij koning van Nederland wil worden, is de kans dat hij zijn zin krijgt, vrij gering.

De koningen en koninginnen van Nederland beschouw(d)en hun functie dan ook als een roeping. Dat is iets waarvoor je niet kiest maar waartoe je door je geboorte verplicht bent of waartoe je door anderen wordt geroepen. In vroeger tijden werden meer functies als een roeping beschouwd. Ministers aanvaardden hun ambt omdat ze geloofden dat ze daartoe geroepen werden en volksvertegenwoordigers beschouwden het als hun roeping de belangen of opvattingen van hun kiezers in politieke organen uit te dragen.

Tegenwoordig is men eerder geneigd zulke functies als gewone beroepen te beschouwen. Daar ligt één van de oorzaken dat het verloop onder politici zo groot is: als om allerlei redenen het beroep van volksvertegenwoordiger je niet meer bevalt, ga je iets anders doen. Bekleders van een ambt werken er daardoor zelf aan mee dat de publieke opinie wat meesmuilend reageert wanneer nu en dan iemand nog eens rept over zijn roeping.

Het woord roeping komt nu vooral in kerkelijke kring nog voor. Iemand wordt als predikant aan een gemeente verbonden wanneer die hem daartoe roept. Iemand kan nog zo hard roepen dat hij dominee in X of Y wil worden, wanneer de desbetreffende gemeente hem niet beroept, zal dat niet gebeuren. Daarom kan men niet beweren dat predikant een ‘gewoon’ beroep is. Iedereen die dat wil kan theologie studeren, maar dat biedt geen garantie, laat staan recht op een verbintenis als predikant aan een gemeente. In die kringen waarin minder waarde wordt gehecht aan een gereguleerd kerkelijk leven door middel van afspraken is dat geen probleem. Wie een innerlijke aandrang voelt het Woord te verkondigen of op grond van een ‘innerlijke roeping’ meent een ‘bediening’ te hebben, begint gewoon voor zichzelf.

Het gebeurt nogal eens dat mensen die geloven een ‘innerlijke roeping’ te hebben daaraan het recht menen te kunnen ontlenen zich boven anderen te verheffen en regels en afspraken te negeren. Dat gebedsgenezer Jan Zijlstra zich opwerpt als ‘apostolisch overziener’ is daarvan een sprekend voorbeeld. Maar zo bont maakt niet iedereen het. Recent hield Philip Troost op predikant van de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) te zijn. Aangezien hij niet meer formeel aan een bepaalde gemeente verbonden is, zag het kerkverband geen basis voor een voortzetting van zijn predikantschap. Troost reageerde daarop teleurgesteld. Hij liet weten van mening te zijn dat hij gewoon predikant is en beriep zich daarvoor op zijn ‘innerlijke roeping’. Die woog voor hem kennelijk zwaarder dan de kerkelijke regels, waaraan hij – toen hij het predikantschap van een gemeente aanvaardde – uit eigen vrije wil door middel van zijn handtekening beloofde zich te zullen houden. In de pers vond hij bijval van mensen die blijkbaar net als hij van mening waren dat kerkelijke afspraken moeten wijken voor wat iemand als zijn roeping ervaart.

Er is helemaal niets tegen wanneer iemand een sterke persoonlijke roeping voelt tot het verrichten van bepaalde werkzaamheden of het uitoefenen van een ambt. Wanneer dat hem motiveert zich in te zetten en zich bij tegenslag niet uit het veld te laten slaan, des te beter. Maar een ‘innerlijke roeping’ is naar haar aard persoonlijk. Die moet dat vooral ook blijven. Van anderen kan en mag niet worden verlangd dat ze die aanvaarden. Zo’n roeping is immers voor niemand anders te controleren. Mensen kunnen zich voor van alles en nog wat op een ‘innerlijke roeping’ of zelfs een persoonlijk boodschap beroepen. Recent was in het Nederlands Dagblad (18.4.13) te lezen dat een vertegenwoordiger van de Doorbrekers beweerde in de auto een stem gehoord te hebben die hem zei dat hij een gemeente in Zeeland moest gaan stichten. Moeten we dat echt serieus nemen?

In de gereformeerde wereld heeft het beroep op een ‘innerlijke roeping’ nooit een legitieme plaats gekregen. De enige manier waarop een predikant geroepen wordt, is via het beroep van een kerkelijke gemeente. Dat is niet zonder reden.

Het staat iedereen vrij het Woord van God uit te dragen. Mensen doen dat ook op allerlei manieren, door woorden en door daden. Maar de verkondiging van het evangelie in de samenkomsten van de gemeente is principieel van een andere aard. Het gaat daarbij, zoals de kerk in Zondag 31 van de Heidelbergse Catechismus belijdt, om één van de sleutels van het hemelrijk. Door die sleutel wordt het koninkrijk van de hemelen voor de gelovigen geopend en voor de ongelovigen gesloten. Die kan niet aan zomaar iemand in handen worden gegeven. Daarom bepaalt de kerkorde dat niemand het ambt van predikant mag vervullen zonder daartoe geroepen te zijn. Ze legt ook vast hoe de roeping van een predikant in haar werk behoort te gaan. Dat heeft niets te maken met regelzucht, maar met de bescherming van de gemeente. De sleutels van het hemelrijk dienen in overeenstemming met de normen van de Schrift en de daarop gegronde belijdenis gehanteerd te worden. Dat komt ook daarin tot uitdrukking dat ambtsdragers – en dus ook predikanten – hun handtekening zetten onder het ondertekeningsformulier.

Dit impliceert dat de predikant te allen tijde aanspreekbaar is op de manier waarop hij deze sleutel van het hemelrijk gebruikt. En daarmee zijn we bij de tweede reden waarom zoveel waarde wordt gehecht aan een formele roeping door een gemeente. De predikant is geen solist die kan doen en laten wat hem goeddunkt. Hij neemt onder de ambtsdragers een bijzondere plaats in vanwege zijn specifieke taak, maar staat daarmee niet boven de ouderlingen. Hij is in feite ouderling met een bijzondere opdracht. Volgens artikel 21 van de Kerkorde is het de taak van de ouderlingen, “samen met de dienaren des Woords”, de gemeente te regeren. Zij zien er ook op toe “dat de predikanten, de mede-ouderlingen en de diakenen hun ambt trouw vervullen”.

Waar zo’n kerkelijke orde ontbreekt, zijn misstanden niet te vermijden. Die halen regelmatig de krant. Het is dan ook onmogelijk het Woord met gezag te verkondigen. Wie zich uitsluitend beroept op een ‘innerlijke roeping’ of een ‘stem’ heeft slechts gezag zolang zijn ‘publiek’ daaraan geloof hecht en hem gezag verleent. Daarmee komt de norm bij dat publiek te liggen. Maar het gezag van wie beroepen is, ligt in zijn ambt. Hij is door Christus zelf aangesteld, door middel van het beroep van de gemeente. Alleen hij kan met recht zeggen: “Zo spreekt de Heer”. Zonder beroep is er geen roeping, zonder roeping geen gezag.

Modern is ouderwets

“Verontruste kerkleden zijn eigenlijk modern”, staat als kop boven een artikel in de bijlage ‘Gulliver’ van het Nederlands Dagblad van 18 januari j.l. Dat is nog eens wat anders dan te worden weggezet als ‘ouderwets’ of ‘niet van deze tijd’. Maar dat is schijn. De auteur, Maarten J. Verkerk, bijzonder hoogleraar christelijke wijsbegeerte aan enkele universiteiten, gebruikt de term ‘modern’ in filosofische zin en zet die tegenover ‘postmodern’. Met behulp van deze begrippen wil hij de tegenstellingen binnen de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) analyseren. Hij spreekt in dit verband van een “clash tussen een ‘moderne’ en een ‘postmoderne’ kerk”. Die ziet hij geïllustreerd in de tegenstelling tussen de ‘verontrusten’ die vorig jaar in Bunschoten bijeen kwamen en de kerkplantingsgemeente ‘Stroom’ in Amsterdam, die in het kerkverband wilde worden opgenomen, ondanks afwijkende kerkelijke praktijken.

Het kan zeker zinvol zijn met behulp van filosofische begrippen verschijnselen in kerkelijke kring te analyseren. Het is dan wel van belang die begrippen goed te definiëren en na te gaan of die definities wel passen bij de beschreven verschijnselen. Verkerk geeft wel een karakterisering van de door hem gehanteerde begrippen ‘modern’ en ‘postmodern’, maar wanneer hij die vervolgens gaat toepassen op de door hem genoemde ‘stromingen’, slaat hij de plank mis. Ik zal me hier niet gaan bezighouden met de vraag of, bijvoorbeeld, de ‘Stroom’-gemeente zich herkent in het beeld dat Verkerk van een ‘postmoderne’ kerk schetst. Vertegenwoordigers van die gemeente en degenen, die haar na staan, kunnen voor zichzelf spreken. Ik concentreer me op het beeld dat Verkerk van de ‘verontrusten’ schetst. Het feit dat hij die term gebruikt, doet al vermoeden dat zijn sympathie niet aan die kant ligt. De ‘verontrusten’ willen niets anders dan gewoon gereformeerd blijven. Ik zal daarom de term ‘gereformeerden’ voor hen gebruiken.

Wat moeten we, volgens Verkerk, onder ‘modern’ en ‘postmodern’ verstaan? Hij maakt dat duidelijk door drie begrippenparen, die de tegenstelling tussen beide karakteriseren: “kennis versus beleving, uniformiteit versus diversiteit en beheersing versus ontwikkeling”. De eerstgenoemde begrippen acht hij karakteristiek voor de gereformeerden.

De tegenstelling tussen ‘kennis’ en ‘beleving’ is heel herkenbaar. We leven in een tijdperk waarin ‘beleving’ centraal staat. In een artikel op Trouw.nl van 20 januari j.l., getiteld “God boven de ikken”, schrijft de rooms-katholieke priester Antoine Bodar heel treffend: “We leven van de beleving en daardoor veelal van de sensationalisering. Een uur zonder emotie is een verloren uur.” Het heeft ook consequenties ten aanzien van de manier waarop met normen wordt omgegaan. Er bestaat een wijdverbreide allergie tegen van boven opgelegde normen. Ieder maakt zelf uit wat goed en wat fout is. Doorslaggevend is vooral wat ‘goed voelt’. De daaruit afgeleide normen staan in feite niet meer ter discussie. Ze onttrekken zich aan de categorieën ‘juist’ of ‘onjuist’. Daar tegenover staat dan ‘kennis’; gereformeerden hanteren die, volgens Verkerk, op een ‘moderne’ manier. Het is veelzeggend dat hij hieraan tussen haken ‘belijden’ toevoegt. Kennelijk ziet hij het belijden – zoals dat vooral in de gereformeerde belijdenisgeschriften tot uiting komt – als iets waarin ‘kennis’ centraal staat en dat tegenover ‘beleving’ staat. Gereformeerden die hun belijdenis lief hebben, herkennen dat in het geheel niet. De Heidelbergse Catechismus – dit jaar 450 jaar oud – werd en wordt vaak het “troostboek van de kerk” genoemd. De inzet maakt direct duidelijk dat het hier niet om een abstracte uiteenzetting van de leer van de kerk gaat, maar de gelovigen aanspreekt midden in hun leven van elke dag. Het gaat om het hart van de mens. De Catechismus verkondigt het Woord en vraagt om een antwoord. Kennis en beleving horen bij elkaar.

De manier waarop het postmodernisme met ‘kennis’ omgaat heeft alles te maken met de visie op wat ‘waarheid’ is. Ik verwijs naar een artikel dat op 17 januari j.l. verscheen in Trouw. De filosoof Sebastien Valkenberg schreef dit naar aanleiding van de bekentenissen van wielrenner Lance Armstrong, vele malen winnaar van de Tour de France. Veel wielerliefhebbers voelen zich bedrogen na zijn bekentenis dat hij jarenlang (verboden) prestatiebevorderende middelen gebruikte. Valkenberg trekt een vergelijking met de affaire-Stapel, toen veel wetenschappers zich bedrogen voelden door diens jarenlange manipulatie van onderzoeksgegevens.

Valkenberg spreekt zijn verbazing uit over de algemene verontwaardiging. “Hoeveel recht heeft het publiek eigenlijk om zich bekocht te voelen? De afgelopen decennia heeft het postmodernisme ons immers ingeprent dat er niet zoiets bestaat als de waarheid. Het begrip zou een overblijfsel zijn uit de tijd van de Verlichting. Logischerwijs wordt het lastig om iemand van leugens, bedrog en frauduleus gedrag te beschuldigen. Als een begrip zijn bestaansrecht heeft verloren, is het niet langer mogelijk om dit geweld aan te doen. Zonder waarheid ook geen leugens.” Over het postmodernisme schrijft hij verder: “Deze filosofische stroming heeft vele vertegenwoordigers, maar zonder uitzondering pleiten ze ervoor het klassieke waarheidsbegrip te schrappen. Er zou slechts een veelheid aan perspectieven bestaan – zoveel als er mensen zijn. Het ene perspectief kan geen hoger waarheidsgehalte claimen dan het andere.” Als Valkenbergs analyse van het ‘postmodernisme’ juist is, hoe kan een kerk dan ‘postmodern’ zijn? Het kan in elk geval geen belijdende kerk zijn. Verkerk suggereerde dat al door ‘belijden’ met een ‘modern’ begrip als kennis te verbinden.

Is de tegenstelling tussen ‘kennis’ en ‘beleving’ al problematisch, de andere begrippenparen zijn dat al evenzeer. Verkerk stelt de ‘uniformiteit’ van de ‘moderne’ kerk tegenover de ‘diversiteit’ van de ‘postmoderne’. Daar komen we in het onderhavige geval niet veel verder mee. Gereformeerden herkennen zich niet in de suggestie dat zij naar ‘uniformiteit’ streven. De Gereformeerde Kerken hebben altijd diversiteit gekend. Over zaken waarover de belijdenisgeschriften zich niet uitlaten en waarover geen kerkelijke uitspraken zijn gedaan, bestaat in beginsel vrijheid van meningsuiting, ook onder predikanten. De vrijheid van de exegese heeft bij gereformeerden altijd hoog in het vaandel gestaan. Verkerk typeert ‘diversiteit’ met “laat veel bloemen bloeien”. Dat willen gereformeerden ook. Maar er is geen ruimte voor onkruid. Daarom is de vrijheid van exegese niet onbegrensd. Er gaat een dogmatisch vooroordeel aan vooraf: de overtuiging dat de Schrift het Woord van God is. Zonder dat vooroordeel verwordt de vrijheid van exegese tot anarchie. Daarvan zijn de gemeente en haar leden de slachtoffers. In een ‘postmoderne’ kerk kunnen geen grenzen aan die vrijheid worden gesteld. Want wie heeft het recht te claimen dat hij de waarheid kent, laat staan die op papier te zetten en voor iedereen bindend te verklaren?

Het laatste begrippenpaar betreft ‘beheersing’ en ‘ontwikkeling’. Het eerste ziet Verkerk als kenmerkend voor een ‘moderne’ kerk. Hij ziet het, net als de hiervoor genoemde zaken, als “wapen” om het kerkelijk leven te “sturen”. In dit verband gebruikt hij het begrip ‘top-down’, in tegenstelling tot ‘bottom-up’, dat karakteristiek zou zijn voor de ‘postmoderne’ kerk. Maar is dat wel zo? Hoe ‘bottom-up’ is een ‘postmoderne’ kerk eigenlijk? Komen nieuwe ideeën wel echt van onderop? Hebben veel mensen – met alle respect gesproken – toch vaak niet dezelfde opvattingen als degene van wie ze het laatste iets hebben gelezen? In de kerkelijke wereld van vandaag circuleren veel ideeën die vaak niet of nauwelijks verenigbaar zijn met de gereformeerde leer. Die komen toch meestal echt uit boekjes of van websites die zijn geproduceerd door theologen of door mensen die zich als ‘geestelijke leiders’ met een ‘bediening’ opwerpen. En juist waar een gereformeerde kerkstructuur ontbreekt, wordt de gemeente vatbaar voor wat vanaf kansel of katheder als waarheid wordt gepresenteerd. Want het mag dan ‘postmodern’ zijn een vraagteken te zetten achter de kenbaarheid of zelfs het bestaan van ‘waarheid’, aan het aplomb waarmee nieuwe ideeën worden gepropageerd zou je dat niet aflezen.

Zet daar de gereformeerde belijdenis eens tegenover. Komt die van bovenaf? De belijdenisgeschriften zijn producten van de strijd van de kerk om de waarheid. Ze zijn kerkelijk geijkt, niet omdat ze in een hiërarchische kerkstructuur aan de gemeenten werden opgelegd, maar omdat de kerk die in haar meeste vergaderingen – waar alle kerken vertegenwoordigd zijn – als waarheid hebben aanvaard. En nog altijd hebben kerken de volle vrijheid zich te onttrekken aan een kerkverband waarin die belijdenis als toetssteen wordt gehanteerd. Wanneer gereformeerden ernaar streven dat de kerk gereformeerd blijft, is dat geen poging het kerkelijk leven te sturen. Het is geen theologenbeweging, maar een beweging van ‘gewone’ gereformeerden die hun belijdenis lief hebben en geloven dat die in overeenstemming is met de leer van apostelen en profeten. Voor een gereformeerde is de belijdenis die hij wil hooghouden niet alleen de belijdenis van de kerk, maar vooral zijn belijdenis.

Tegenover ‘beheersing’ of ‘sturing’ stelt Verkerk ‘ontwikkeling’ als kenmerk van de ‘postmoderne’ kerk. Daarmee suggereert hij dat in gereformeerde kring van ‘ontwikkeling’ geen sprake is. Maar ‘ontwikkeling’ is nu juist typisch gereformeerd. Het is de bereidheid zich steeds te reformeren. Zelfs de belijdenis is geen dichtgetimmerd bouwwerk. Ze staat niet naast, maar onder de Schrift. Wie meent dat de belijdenis afwijkt van de Schrift of meer zegt dan schriftuurlijk verantwoord is, heeft recht op een open oor en een eerlijke toetsing van zijn bezwaren. Die toetsing vindt dan wel plaats op basis van wat uiteindelijk de doorslag geeft: de Schrift als Woord van God. Alleen dat Woord is ‘top-down’.

Het probleem dat gereformeerden met veel hedendaagse opvattingen – ‘modern’ of ‘postmodern’ – hebben, is niet dat ze nieuw of ongewoon zijn. Het probleem is dat ze vaak niet beargumenteerd worden vanuit de Schrift of dat ze gebaseerd zijn op een Schriftexegese die die naam niet of nauwelijks verdient. Het is geen bezwaar wanneer inzichten veranderen, zolang die het resultaat zijn van een verdiept inzicht in de Schrift. Maar het gaat in veel gevallen eerder om hoogstpersoonlijke inzichten die aan de schriftuurlijke toetsing van de gemeente en het kerkverband worden onttrokken.

De begrippen ‘modern’ en ‘postmodern’ zijn te schematisch om daarmee kerkelijke ontwikkelingen te analyseren. Uiteindelijk is het artikel van Verkerk niet meer dan een pleidooi voor een ‘postmoderne’ kerk. Hij vraagt zich af of de strijd van de ‘verontrusten’ geen “achterhoedegevecht” is. Daarmee zijn de gereformeerden die het etiket ‘modern’ kregen opgeplakt, tenslotte toch weer ‘ouderwets’. George Orwell laat groeten.

De kromme stok van Wim Berkelaar

De column van Wim Berkelaar waarover de vorige bijdrage in deze weblog ging, houdt de gemoederen nog steeds bezig. Sinds dat stuk werd geschreven, gaf Berkelaar een nadere verantwoording en uitleg in het Nederlands Dagblad van 1 februari. Als het zijn bedoeling was de gemoederen enigszins tot bedaren te brengen is hij daarin niet geslaagd, zoals uit de reacties op de website van de krant blijkt. Wel geeft zijn artikel een beter inzicht in de manier waarop hij naar de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) kijkt. Het is een nuttige aanvulling op wat hij in zijn column schreef en wat Peter Bergwerff in zijn artikel, waaruit ik in mijn vorige bijdrage citeerde, naar voren haalde over de motieven van Berkelaar. Er valt niet aan de conclusie te ontkomen dat Berkelaar van de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) niet veel begrijpt. Dat betreft niet alleen de kerken zoals ze in de jaren ’60 van de vorige eeuw waren. Zijn begrip van deze kerken zoals ze in deze tijd zijn is niet veel groter. Ik ga hier maar voorbij aan de vraag of hier sprake is van onvermogen of van onwil.

In mijn vorige artikel heb ik betoogd dat het niet de eerste taak van de historicus is een oordeel uit te spreken over de zaken of de personen waarmee hij zich bezighoudt. Hij moet in de eerste plaats feiten verzamelen, hun samenhang blootleggen en ze in hun contekst plaatsen. Als hij al een oordeel wil vellen, kan dat alleen op basis van kennis en inzicht. Waar die ontbreken, is elk oordeel een slag in de lucht.

Vervolgens is het dan noodzakelijk dat hij duidelijk maakt aan de hand van welke criteria een eventueel oordeel geveld wordt. Wordt het optreden van een persoon bijvoorbeeld gemeten aan de hand van diens eigen normen of die van het milieu waarin hij opereerde? Of legt de historicus andere criteria aan? En zo ja, welke dan? Als het zijn persoonlijke criteria zijn, wie wordt daar dan wijzer van, behalve de schrijver zelf? Zit iemand te wachten op de vraag of een persoon in zijn optreden of denken voldoet aan de persoonlijke maatstaven van de desbetreffende historicus? En als deze meent bepaalde handelingen of denkbeelden te moeten bekritiseren, zou hij die dan niet in elk geval aan het juiste adres moeten richten?

Dit soort overwegingen zijn relevant in het onderhavige geval. In zijn column schrijft Berkelaar: “Kamphuis had zich als predikant doen kennen als een geharnast verdediger van de leer dat de vrijgemaakt-gereformeerde kerk de ‘ware kerk’ was. Er liep voor hem een rechte lijn tussen de Reformatie van Maarten Luther (1517) via de Afscheiding van 1834 en de Doleantie van 1886 tot aan de Vrijmaking van 1944. Dat die leer op zichzelf dwaasheid is, door en door onhistorisch denken verraadt en als hoogmoedig kan worden getypeerd (als er een ‘ware’ kerk is, dan is er immers ook een ‘valse’ kerk – en wie zal dat bepalen?) is tot daaraan toe.” Uit de laatste zin blijkt dat Berkelaar niets op heeft met de leer betreffende de kerk zoals die in de gereformeerde belijdenis wordt verwoord. Dat is zijn goed recht, maar het is nogal vreemd zijn bezwaar ten tonele te voeren als onderdeel van zijn requisitoir tegen Kamphuis. Zijn verwijt is in feite dat Kamphuis de leer van zijn kerk verdedigde. Maar als Berkelaar tegen die leer bezwaar heeft, moet hij die richten tegen de kerken die Kamphuis diende.
Ter vergelijking: gereformeerden verwerpen het primaat van de paus. Maar het is niet terecht en ook weinig zinvol bijvoorbeeld kardinaal Eijk te bekritiseren wanneer die dat leerstuk verdedigt. Als vertegenwoordiger van zijn kerk mag van hem niet anders verwacht worden. Kritiek hierop moet gericht zijn op zijn kerk, niet op hem persoonlijk.

Berkelaar vervolgt dan: “De ware misdaad van Kamphuis was dat hij gewetensdwang begon te beoefenen en anderen, die twijfelden aan de gedachte van de ‘ware kerk’ week in, week uit de maat nam in het weekblad De Reformatie.” In zijn artikel in het Nederlands Dagblad spreekt hij over pogingen censuur uit te oefenen over “vrije gedachtenvorming”. Deze taxatie van het perswerk van Kamphuis laat ik hier onbesproken. Hier gaat het om zijn typering van dat werk als “gewetensdwang” en “censuur”. Daaruit komt opnieuw een gebrek aan begrip van de Gereformeerde Kerken naar voren.

Gewetensdwang betekent dat iemand niet de vrijheid heeft te denken wat hij wil. Kamphuis was helemaal niet in de positie zulke ‘gewetensdwang’ uit te oefenen. En mogelijkheden tot ‘censuur’ had hij al helemaal niet. In het gereformeerde kerkrecht is dat de exclusieve taak van kerkenraden. Kamphuis sprak vooral ambtsdragers – in dit geval speciaal voorgangers – aan op hun gebondenheid aan de gereformeerde belijdenis. Elke ambtsdrager had zich immers door zijn handtekening onder het ondertekeningsformulier verplicht die belijdenis uit te dragen en alles wat daarmee in strijd was te weerleggen. Ook Kamphuis had – eerst als predikant en later als hoogleraar aan de Theologische Hogeschool – zijn handtekening gezet. De daaruit voortvloeiende taak nam hij serieus. En hij sprak ook ambtsdragers aan op de belofte die ze met hun handtekening hadden afgelegd. Niemand was verplicht die handtekening te zetten. De consequentie was dan wel dat het ambt voor hen gesloten zou blijven. Maar dat behoort tot het wezen van gereformeerde kerken: ambtsdragers hebben geen absolute vrijheid van meningsuiting. In hun uitlatingen – mondeling via preken of schriftelijk in boeken en artikelen – behoren ze te blijven binnen de grenzen die de belijdenis trekt. Natuurlijk staat het Berkelaar vrij hierop kritiek te leveren. Maar die moet dan wel aan het juiste adres gericht zijn. In dit geval betekent dat de Gereformeerde Kerken.

Onbegrip blijkt ook uit de opmerkingen die Berkelaar zich over Kamphuis’ collega Douma veroorlooft. “Zijn Kamper oud-collega Jochem Douma, emeritus-hoogleraar ethiek aan de Broederweg, die zich in de jaren zeventig liet kennen als het progressieve uithangbord van de vrijgemaakt-gereformeerden, toonde zich in zijn herdenking een hardliner die zich pal achter Kamphuis opstelde. Ook al zou hun toon verschillend zijn geweest, Kamphuis en Douma deelden hun ‘liefde voor de gereformeerde religie’. En ze deelden de laatste jaren ‘zorg over de koers van de Gereformeerde Kerken vrijgemaakt’. De ooit zo progressieve Douma bekritiseert nu degenen die in openheid hun gereformeerde geloof willen belijden – notabene in navolging van Douma zelf, die in de jaren zeventig ruimte zocht.”

Douma heeft de verschillen tussen hem en Kamphuis nooit onder het tapijt geveegd. Zelfs in zijn artikel naar aanleiding van diens overlijden heeft hij die nog eens gememoreerd. Maar de openheid die Douma altijd heeft gepropageerd – en waarop hij nooit is teruggekomen – was geen openheid waarbij de gereformeerde belijdenis ter discussie werd gesteld. Hij zocht inderdaad ruimte, maar dan wel binnen de grenzen van die belijdenis. Daarom is er geen tegenstelling tussen zijn pleidooi voor openheid en zijn bezorgdheid over de huidige ontwikkelingen in de Gereformeerde Kerken. En daarom is het ook logisch dat hij in zijn herdenkingsartikel de eensgezindheid tussen Kamphuis en hem in hun “liefde voor de gereformeerde religie” onderstreept. In zijn column heeft Berkelaar er blijk van dat zowel de kennis van als de liefde voor de gereformeerde religie bij hem ontbreekt.

Dat blijkt ook uit het artikel van Peter Bergwerff in het Nederlands Dagblad van 28 januari. Daarin komt naar voren dat Berkelaar een afkeer heeft van collectivisme. “Als gelovige sta je individueel coram Deo. Voor het aangezicht van God.” In zijn eigen artikel van 1 februari weerspreekt hij de typering van Bergwerff niet. We mogen dus aannemen dat deze Berkelaars denken correct heeft weergegeven.
Uiteraard staat elke gelovige als individu voor het aangezicht van God. Ieder is zelf verantwoordelijk en kan zich niet achter anderen of achter de kerk verschuilen. Dat was zelfs een kernelement in de Reformatie en daarin ligt nog steeds een fundamenteel verschil tussen de kerken die daaruit zijn voortgekomen en de rooms-katholieke kerk. Maar dat heeft met individualisme niets te maken. Individualisme is een geseculariseerde radicalisering van de persoonlijke verantwoordelijkheid die een wezenskenmerk van de gereformeerde religie is. De gereformeerde belijdenis beklemtoont dat God geen losse individuen verzamelt maar een kerk vergadert. Berkelaar maakt een simpele tegenstelling tussen individualisme en collectivisme. Dat is ongetwijfeld geïnspireerd, zoals Bergwerffs artikel ook aangeeft, door Berkelaars studie van de communistische wereld. Maar die tegenstelling kan niet zomaar overal op geprojecteerd worden. Zowel een gereformeerde kerk als christelijke politiek onttrekken zich aan dit simplistische schema.

Opnieuw: Berkelaar heeft het volste recht voor het individualisme te kiezen. Maar het is vreemd dat hij een persoonlijke aanval op Kamphuis gebruikt om daaraan lucht te geven. Zijn bezwaren tegen diens denken en optreden zijn niets anders dan bezwaren tegen de gereformeerde leer en de gereformeerde manier van kerk-zijn. Die moet hij dan aan de Gereformeerde Kerken adresseren.

Het lijkt erop dat Berkelaar een stok heeft gezocht om de hond te slaan. Dat blijkt een kromme stok te zijn. Daarmee kan iemand soms een rechte slag slaan, maar Berkelaar heeft misgeslagen. En je moet niet een hond slaan, wanneer je een probleem met zijn baasje hebt.

Geschiedenis als wapen

De kennis van de geschiedenis schijnt in Nederland niet erg goed ontwikkeld te zijn. Uit onderzoeken komt naar voren dat leerlingen in het middelbaar onderwijs soms de meest elementaire feiten uit de Nederlandse geschiedenis niet kennen. Of dat een typisch Nederlands verschijnsel is, weet ik niet. Het zal in andere Westeuropese landen met de kennis van de eigen geschiedenis wellicht niet substantieel beter zijn.

Geschiedenis lijkt in het bewustzijn van moderne burgers geen rol te spelen. Daarom werd in de jaren ’90 van de vorige eeuw met verbazing naar de ontwikkelingen op de Balkan gekeken. Gebeurtenissen uit het verleden, soms zelfs van eeuwen her, speelden een wezenlijke rol bij politieke beslissingen en konden zelfs aanleiding zijn tot militair optreden. In West-Europa konden maar weinigen zich voorstellen dat historische gebeurtenissen tot zoveel emoties konden leiden.

Maar de afstand tot de mentaliteit van de bewoners van de Balkan is niet zo groot als die lijkt. Publicaties over de Tweede Wereldoorlog geven nog geregeld aanleiding tot debatten, waarbij ook de emotie niet geschuwd wordt. En in politieke en maatschappelijke discussies kan het zomaar gebeuren dat naar de oorlog of een gebeurtenis uit die tijd verwezen wordt ter ondersteuning van het eigen standpunt dan wel om de opvatting van tegenstanders verdacht te maken.

In kerkelijke kring is de aandacht voor de geschiedenis traditioneel groter. Dat geldt misschien niet meer voor de jongere generaties – zeg 30 jaar en jonger -, maar nog wel voor mensen van middelbare leeftijd en ouder. Terwijl in het Nederlandse maatschappelijke en politieke debat de Tweede Wereldoorlog als een soort ijkpunt geldt – waarbij mensen en situaties bij voorkeur gekwalificeerd worden als “goed” of “fout” -, zo bestaan ook in kerkelijke kring gebeurtenissen die als zodanig functioneren. Zeker tot de jaren ’60 van de 20e eeuw was binnen de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) de Vrijmaking zo’n ijkpunt. In de daarop volgende decennia werd die steeds meer vervangen door de breuk die zich in de jaren ’60 in die kerken voltrok en die tot het ontstaan van de Nederlands Gereformeerde Kerken heeft geleid. Ironisch genoeg is juist het conflict dat tot de breuk leidde, een voorbeeld van het hanteren van de Vrijmaking als ijkpunt. Want de beoordeling van de Vrijmaking was één van de zaken waarover de meningen sterk uiteenliepen en die een niet onbelangrijke rol speelden in het conflict.

Nog altijd wekken geschriften over deze breuk de nodige emoties op. Dat is recent gebleken toen Wim Berkelaar, als historicus verbonden aan het Historisch Documentatiecentrum voor het Nederlands Protestantisme van de VU in Amsterdam, een column schreef op Protestant.nl. De titel was ronduit provocerend: “Het religieuze geweld van professor Kamphuis”. Daarin betoogt hij dat Kamphuis zich schuldig maakte aan “gewetensdwang” en “religieus geweld”. Geen wonder dat dit tot heftige reacties leidde, zowel op de desbetreffende site als in het Nederlands Dagblad. Behalve de gebruikte kwalificaties wekte ook het moment van verschijnen van deze column verontwaardiging. Het was immers nog maar ruim een maand geleden dat Kamphuis was overleden.

Dat een publicatie over het conflict van de jaren ’60 veel emoties wekt valt te begrijpen. Veel mensen die het bewust hebben meegemaakt, zijn immers nog in leven. Velen hebben aan die periode emotionele verwondingen overgehouden. De onmiskenbare emotie waarmee Berkelaar schrijft, is minder begrijpelijk. Zelf is hij opgegroeid in de Gereformeerde Kerken (synodaal) en dat in een tijd waarin het conflict tussen ‘vrijgemaakten’ en ‘synodalen’ allang van zijn scherpste kantjes was ontdaan. In het Nederlands Dagblad van 28 januari schrijft hoofdredacteur Peter Bergwerff dat hij Berkelaar heeft gevraagd wat hem heeft bewogen op zo’n felle toon Kamphuis aan te klagen. “Die existentiële betrokkenheid van Berkelaar kwam voort uit zijn individualisme en zijn afkeer van groepen en groepsdwang. Die afkeer was gevoed door zijn intensieve studie van het communisme. Het doet hem gruwen van alle collectivisme. Ook in de kerk.”

Het is goed wanneer een historicus warm loopt voor de geschiedenis of voor een bepaald onderwerp in het bijzonder. Daardoor is hij geneigd echt te gaan graven om alles te weten te komen wat wetenswaardig is. Maar er schuilt ook een gevaar in, zeker wanneer hij zich identificeert met een bepaalde persoon of een bepaalde kant in een conflict. Daardoor kan de evenwichtigheid in het onderzoek ernstig in gevaar komen. Er zijn niet weinig historische studies verschenen, waarin de auteur niet de neiging heeft kunnen onderdrukken naar de door hem gewenste uitkomst toe te schrijven en te weinig aandacht te besteden aan wat die conclusies zou kunnen ondergraven.

Neutraliteit bestaat niet. Elke historicus heeft opvattingen die een rol kunnen spelen in zijn onderzoek. Dat hoeft geen probleem te zijn, zolang hij zich daarvan bewust is en bereid is zich door collega’s te laten corrigeren. Recentelijk zijn we nog eens met de neus op de wenselijkheid daarvan gedrukt door de manipulaties van onderzoeksgegevens door de Tilburgse psycholoog Stapel. Dat moet eens te meer huiverig maken voor onderzoek vanuit vooropgezette doelstellingen.

Berkelaar maakt het nog bonter. Het is ironisch dat hij aan het eind van zijn column pleit voor de instelling van een ‘waarheidscommissie’ door de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt). Uit de door hem geformuleerde doelstelling blijkt dat voor hem de ‘waarheid’ al vaststaat: “om het geweld van de jaren zestig en zeventig van de vorige eeuw in kaart te brengen”. Het gaat er dus niet om vast te stellen òf van “gewetensdwang” en “religieus geweld” sprake was, maar hoe die werden uitgeoefend. Zelfs de vraag wie zich daaraan heeft schuldig gemaakt heeft Berkelaar in zijn column al beantwoord.

De eerste taak van de historicus is niet een oordeel te vellen over mensen. Hij moet vooral zoveel mogelijk relevante feiten opsporen, die analyseren en met elkaar in verband brengen en het geheel vervolgens in een bredere context plaatsen. Het eerste doel van historisch onderzoek is, kortom, het inzicht in een bepaald onderwerp te vergroten. Een eerlijk oordeel is immers alleen mogelijk wanneer alle relevante feiten gewogen en in hun betekenis begrepen worden. Ook de politiek stelt soms een onderzoekscommissie in, zoals bijvoorbeeld naar de gebeurtenissen in Srebrenica. Het rapport van die onderzoekscommissie zou elke waarde hebben verloren wanneer de onderzoekers al bij voorbaat te kennen hadden gegeven dat bepaalde hoofdrolspelers zich volgens hen zouden hebben schuldig gemaakt aan onaanvaardbaar gedrag. En wanneer een historicus op grond van zijn onderzoek een oordeel wil vellen, dient hij wel duidelijk te maken wat de maat is waaraan hij gebeurtenissen en personen wil meten.

Berkelaar heeft zich zelf geen kandidaat gesteld voor een uit te voeren onderzoek naar de breuk van de jaren ’60. Daarvoor heeft hij zich in elk geval al bij voorbaat gediskwalificeerd. Maar ook zijn reputatie als historicus in het algemeen staat op het spel. Hij velt oordelen zonder ervan blijk te geven dat die gebaseerd zijn op gedegen onderzoek en begrip van het onderwerp. Zijn oordelen zijn bovendien gebaseerd op een maatstaf waarover de lezer in het ongewisse wordt gelaten.

Wie zich als historicus door zijn persoonlijk vooroordeel laat leiden en alles en iedereen langs die meetlat legt, misbruikt de geschiedenis als wapen in zijn persoonlijke strijd. Dat staat anderen vrij, maar een historicus kan dat alleen maar doen ten koste van zijn geloofwaardigheid.

Kerk en politieke partij (2)

11 oktober 2011 1 reactie

We hebben de vorige keer gezien dat het ontbreken van een binding van een politieke partij aan één kerk haar niet vrijwaart van de gevolgen van kerkelijke onenigheid. Ik gebruikte in de eerste plaats de SGP als voorbeeld, die zich niet aan één bepaalde kerk bindt, maar wel de effecten van de ontwikkelingen op het erf van de ‘bevindelijke’ kerken en stromingen ervaart. En ik wees op het probleem rond de positie van mensen met een homosexuele relatie in de Christenunie, die de – kerkelijke – achterban van de partij verdeelt.

Nu zou men in het laatste geval erop kunnen wijzen dat die verdeeldheid het logische gevolg is van de veelkleurigheid van de kerken waaruit de Christenunie haar leden betrekt. En daaraan zou dan de vraag gekoppeld kunnen worden: zou de Christenunie dat probleem ook gehad hebben, wanneer ze zich aan één bepaalde kerk of eventueel enkele kerken zou hebben gebonden? Het lijdt geen twijfel dat een probleem als dat van de Christenunie zich zo’n 40 jaar geleden binnen het GPV niet zou hebben voorgedaan. En dat kan inderdaad op het conto van de kerkgebondenheid geschreven worden. Iemand als Monique Heger zou, als ze van een vrijgemaakt Gereformeerde Kerk lid geweest was, door haar kerkenraad onder censuur zijn gesteld. Dat zou, bij volharding in haar levenswijze, uiteindelijk tot afsnijding hebben geleid dan wel tot haar onttrekking aan de kerk. Daardoor zou ze niet meer hebben voldaan aan één van de voorwaarden voor een plaats op de kandidatenlijst: het lidmaatschap van de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) (GKV).

Maar dan hebben we het wel over de GKV van 40 jaar geleden. Dat is niet meer de GKV anno 2011. Monique Heger mag dan lid zijn van de Nederlands Gereformeerde Kerken, het zou onjuist zijn met de beschuldigende vinger naar dat kerkgenootschap te wijzen alsof de daar kennelijk legitieme opvattingen rond homosexuele relaties het probleem zouden hebben veroorzaakt. De reacties op het recente ontslag van een onderwijzer aan de gereformeerde basisschool in Oegstgeest, nadat hij een homosexuele relatie was aangegaan, laten zien dat ook binnen de GKV niet weinigen van mening zijn dat zo’n relatie aanvaardbaar is. Daaruit mag niet zonder meer de conclusie getrokken worden dat kerkenraden die mening delen en daarom censuurmaatregelen achterwege laten. Maar het is duidelijk dat slagvaardigheid op dit punt wordt ondermijnd wanneer het grondvlak hiervoor geen enkel begrip meer kan opbrengen. Ten aanzien van andere zaken is de relatie tussen wat nog aanvaardbaar wordt geacht en het beleid van kerkenraden niet te ontkennen.

Dat betekent dus dat de Christenunie het uiteindelijk dan zelf maar moet uitzoeken. Maar daar zitten nogal wat haken en ogen aan. Zoals in de eerste aflevering al opgemerkt heeft de Christenunie een grondslag die identiek is aan die van veel christelijke kerken. Om het toe te spitsen op het onderhavige probleem: de Nederlands Gereformeerde Kerken verschillen in grondslag niet van de Christenunie. Stel dat het bestuur van een locale afdeling van deze partij tot de conclusie komt dat voor een partijlid dat een homosexuele relatie heeft, geen plaats op de kandidatenlijst is. Wat betekent dat dan voor de kerk waaruit de betrokkene afkomstig is en vooral voor andere leden van die gemeente? Wanneer dit standpunt wordt beargumenteerd vanuit de opvatting dat een homosexuele relatie onverenigbaar is met de grondslag, moet dan de conclusie niet zijn dat de betrokkene ook in strijd handelt met de grondslag van zijn eigen kerk? Je zou misschien zelfs kunnen zeggen dat hier sprake is van een omgekeerd ethisch conflict.

Om even de geschiedenis op te halen: met ‘ethisch conflict’ werd in de jaren na de Vrijmaking bedoeld dat degenen die waren geschorst, niet in één partij (de Anti-Revolutionaire Partij) konden samenwerken met degenen die hen geschorst hadden of in elk geval hun schorsing hadden gebillijkt of zelfs gesteund. Het leven is immers één. Datzelfde probleem zou zich nu in omgekeerde zin kunnen voordoen. Kunnen twee leden van de Christenunie in de kerk samen aan de avondmaalstafel zitten, wanneer het bestuur van de partij over één van hen heeft uitgesproken dat hij handelt in strijd met de grondslag van de partij – en daarmee ook van zijn kerk?

Men zou kunnen denken dat deze situatie een ondersteuning is van de opvatting van iemand als prof. Douma, dat een politieke partij niet dezelfde grondslag moet hebben als de kerk. Hoezeer hij de gereformeerde confessie verdedigt en op haar waarde voor het kerkelijk leven niet wil afdingen – een politieke partij zou deze niet in haar grondslag moeten opnemen. Veel aspecten van die confessie spelen in de politiek immers nauwelijks een rol. In het vorige artikel gaf ik al een citaat van hem dienaangaande. En ook voor rooms-katholieken ziet hij plaats in de Christenunie, en die kunnen met de gereformeerde confessie natuurlijk helemaal niet uit de voeten. Maar zou daarmee het probleem waarmee de Christenunie worstelt, zijn opgelost?

Dat lijkt me erg onwaarschijnlijk. Ik ben geneigd te denken dat een oplossing dan helemaal achter de horizon verdwijnt. De Schrift is voldoende, hoor je mensen vaak zeggen. Dat zijn vooral degenen die niet veel van belijdenissen moeten hebben. Maar de belijdenisgeschriften zijn niet uit de lucht komen vallen. Ze zijn de resultante van ontwikkelingen die om een reactie vroegen. Wanneer de waarheid van de Schrift wordt aangetast, is het de taak van de kerk hiertegen in het geweer te komen. En dan kan een belijdenisgeschrift een goed middel zijn om samen te vatten wat de kerk van alle eeuwen in de Schrift heeft gelezen. De opvatting dat de Schrift voldoende is – op zichzelf een waarheid als een koe – komt meestal van hen die belijdenisgeschriften te beperkt vinden en meer vrijheid voor hun eigen opvattingen verlangen.

Juist de gereformeerde belijdenis is van wezenlijk belang om ervoor te zorgen dat een christelijke politieke partij bij de Schriftuurlijke les blijft. Dat geldt zeker ook ten aanzien van homosexuele relaties. Als iets duidelijk wordt uit de discussies over dit onderwerp is dat de Schrift eenzijdig gelezen wordt: bepaalde teksten worden tot niet relevant verklaard en uitgespeeld tegen andere teksten. Juist dan is de gereformeerde belijdenis van essentieel belang. Daarin worden expliciete uitspraken gedaan over de aard van de Schrift en haar gezag. En de manier waarop de kerk in die belijdenis de Schrift hanteert om tot geloofsuitspraken te komen kan als voorbeeld dienen voor de manier waarop moderne vragen vanuit de Schrift kunnen worden benaderd. Een tweede punt is dat in deze discussie het beeld van God in geding is. Christenen die van mening zijn dat een homosexuele relatie niet strijdig is met de wil van God hebben een beeld van Hem dat op z’n minst eenzijdig is. Hun beeld van God gaat fungeren als een mal: wat de Schrift over sexualiteit zegt wordt daarin geperst. Ook dat heeft alles te maken met de manier waarop de Schrift wordt gelezen.

De gereformeerde belijdenis is geen criterium voor het lidmaatschap van de Christenunie. Ze kan dat ook niet zijn en hoeft dat niet te zijn. Zelfs binnen de Gereformeerde Kerken hebben kerkleden altijd vrijheid gehad op allerlei punten die in de belijdenis aan de orde komen afwijkende opvattingen te koesteren. Wie de kinderdoop afwijst komt niet onder censuur te staan. Het probleem ontstaat wanneer hij zijn kind niet ten doop wil houden. En uiteraard kan hij geen ambt vervullen, want van een ambtsdrager mag worden verlangd dat hij de gereformeerde leer in al haar onderdelen onderschrijft en die uitdraagt en verdedigt. Maar binnen de Christenunie moet de belijdenis wel de maat zijn waaraan de politieke opvattingen worden gemeten en waaraan ook de argumentatie in het politieke debat moet worden getoetst.

Dat betekent bijvoorbeeld dat, wanneer rooms-katholieken al een rol in de Christenunie gaan spelen, zij zich voor een standpunt niet mogen beroepen op uitspraken van de paus of van concilies (vgl. artikel 7 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis). Het betekent ook dat men in zijn argumentatie niet het Nieuwe Testament tegen het Oude mag uitspelen, wat zowel in rooms-katholieke als in evangelische kringen voorkomt. En ook voorkomt de gereformeerde belijdenis dat naast de Schrift persoonlijke openbaringen en ingevingen komen te staan – wat zeker onder evangelischen geen zeldzaamheid is.

Zónder belijdenis zal de Christenunie, zo valt te vrezen, overgeleverd zijn aan de neiging de Schrift in de mal van de emotiecultuur te persen. Mét belijdenis in haar grondslag is ze nog niet van haar probleem af. Het blijft dubieus wanneer een politieke partij een oordeel velt over de levenswijze van een potentiële kandidaat, zeker wanneer die levenswijze op zichzelf het uitdragen van het programma van de partij niet noodzakelijkerwijs onmogelijk maakt. Uiteindelijk kan de Christenunie niet verder springen dan haar kerkelijke polsstok lang is. De bal ligt daarom in het speelveld van de kerken. Die zullen toch eens kleur moeten bekennen – desnoods door middel van een belijdenisuitspraak – en moeten ophouden met pappen en nathouden. Maar dat kan alleen als ze eerst de emotiecultuur buiten de deur zetten.

Gereformeerd Appèl

In 1992 werd een beweging opgericht die zich Gereformeerd Appèl noemde. Ze bestaat uit leden van drie kleine reformatorische kerken: de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) (GKV), de Christelijke Gereformeerde Kerken (CGK) en de Nederlands-Gereformeerde Kerken (NGK). Ze doet regelmatig van zich spreken, vooral aan het begin van een nieuw seizoen, in augustus/september, wanneer een openbare bijeenkomst plaatsvindt, waar leden van de diverse kerken het woord voeren. Daar wordt ook gebeden om eenheid, met name van de drie genoemde kerken.

Het streven naar kerkelijke eenheid is een nobel streven. Sterker nog, het is voluit bijbels. Want Christus wil dat allen die in Hem geloven één zijn. Dat komt nergens zo duidelijk en indringend tot uiting als in het zogenaamde ‘hogepriesterlijk gebed’, dat is opgetekend in Johannes 17. “Ik bid niet alleen voor hen [de leerlingen], maar voor allen die door hun verkondiging in mij geloven. Laat hen allen één zijn, Vader. Zoals u in mij bent en ik in u, laat hen zo ook in ons zijn, opdat de wereld gelooft dat u mij hebt gezonden”. Eenheid van allen die in Christus geloven is dus een belangrijk instrument voor evangelisatie. Dan moet die eenheid wel zichtbaar zijn. De ‘oecumene van het hart’ is dat niet. En evangelisatieactiviteiten waarbij de kerkelijke verdeeldheid onder het tapijt wordt geveegd zijn tot onvruchtbaarheid gedoemd.

Op het streven van het Gereformeerd Appèl is dus niets aan te merken. Integendeel, het verdient krachtige steun. Het is wel belangrijk dat daarbij de juiste toon wordt aangeslagen. Dat lijkt niet altijd het geval te zijn. Ik heb weleens de indruk gekregen dat het Gereformeerd Appèl zich soms gedroeg als een actiegroep die de kerken onder druk wilde zetten om toch vooral haast te maken.
Er is uiteraard niets op tegen wanneer leden van de desbetreffende kerken laten merken hoezeer de kerkelijke verdeeldheid hen aan het hart gaat. Maar daarbij moet vermeden worden dat men zich gaat afzetten tegen wat al gauw als ‘kerkelijke elite’ wordt aangeduid. De suggestie wordt gewekt dat die het proces van kerkelijke eenwording eerder vertraagt dan versnelt. De vergelijking met het politieke populisme, dat ‘het volk’ opzet tegen ‘de elite’, dringt zich bijna onvermijdelijk op.

Op 23 augustus meldde het Reformatorisch Dagblad dat het Gereformeerd Appèl zich wil verbreden. Ook leden van andere kerken zouden hierbij betrokken moeten worden. Klaas van Breugel, voorzitter van de werkgroep van het Gereformeerd Appèl, denkt aan “een brede gebedsbeweging, waarin broeders en zusters hun verdriet en pijn over de verdeeldheid delen, waar de schuld die wij tegenover elkaar en tegenover de Heere hebben belijden, waar wordt gebeden voor leiders, predikanten, deputaten en synodes die zoeken naar wegen om elkaar daadwerkelijk tot een hand en een voet te zijn.” Welke andere kerken hij op het oog heeft, wordt duidelijk uit een bericht in het Nederlands Dagblad van 24 augustus: gedacht wordt aan de Hersteld Hervormde Kerk, de Gereformeerde Gemeenten en de Gereformeerde Bond in de PKN.

Dat roept vragen op.

Van Breugel wil dat de leden van die kerken de pijn en het verdriet over de verdeeldheid delen. Wordt die ook altijd gevoeld? Daar ben ik niet zo zeker van. Er moet schuld beleden worden. Waarover dan? Kerkelijke verdeeldheid kan inderdaad zonde zijn en dan is schuldbelijdenis op haar plaats. Maar is àlle kerkelijke verdeeldheid zonde waarvoor schuld beleden moet worden?

Er is ook verdeeldheid die het gevolg is van principiële verschillen. In de NGK doen zich allerlei ontwikkelingen voor die bij de GKV en de CGK op ernstige bezwaren stuiten. Daarbij kan gedacht worden aan de toelating van de vrouw tot het bijzondere ambt, de visie op homosexualiteit, de hier en daar bestaande praktijk om kinderen tot het avondmaal toe te laten en de vrijheden ten aanzien van kerkverbandelijke regels en afspraken die sommige gemeenten zich permitteren.
Vrijgemaakt-gereformeerden en christelijke gereformeerden nemen daar terecht afstand van. Wanneer daardoor kerkelijke eenheid niet van de grond komt is dat bepaald geen reden voor schuldbelijdenis. Die zou eerder op haar plaats zijn wanneer zulke zaken terwille van de kerkelijke eenheid met de mantel van de liefde zouden worden bedekt.

Het is natuurlijk prachtig samen te bidden om kerkelijke eenheid. Maar daarbij moeten we de zin voor de realiteit niet verliezen. Als we samen met leden van de Gereformeerde Bond bidden om kerkelijke eenheid, waar bidden we dan om? Iedereen onder het dak van de PKN, waar in de praktijk volledige leervrijheid bestaat? Iets anders zit er niet in, aangezien de Gereformeerde Bond herhaaldelijk duidelijk heeft gemaakt dat afscheiding van de PKN geen optie is.
Er lijkt ook weinig reden aan te nemen dat leden van de Gereformeerde Gemeenten warmlopen voor kerkelijke eenheid met GKV, CGK en NGK. Hun geestverwanten binnen de CGK verzetten zich met kracht tegen de ‘kleine oecumene’. Van leden van de Gereformeerde Gemeenten kan nauwelijks een positievere houding verwacht worden. En dan laat ik hier nog de principiële verschillen tussen de Gereformeerde Gemeenten en de drie reformatorische kerken buiten beschouwing.

De verbreding van het Gereformeerd Appèl leidt onvermijdelijk tot verwatering. Dat blijkt ook uit de persberichten. Volgens Van Breugel moet gebeden worden voor “leiders, predikanten, deputaten en synodes die zoeken naar wegen om elkaar daadwerkelijk tot een hand en een voet te zijn.” Hoe waardevol dat op zich ook is, dat is toch iets anders dan kerkelijke eenheid. In het ND lezen we: “De verbreding is in deze tijd gemakkelijker omdat kerkelijke eenheid niet alleen draait om het samenvoegen van instituten. ‘Het voeren van het geloofsgesprek is belangrijk geworden. Daarom willen wij ons niet langer beperken tot bepaalde kerken.'”

Kerkelijke eenheid is een Schriftuurlijke eis, christelijke samenwerking over kerkgrenzen heen is dat niet. Door voor het laatste te kiezen beperkt het Gereformeerd Appèl zich tot pijnbestrijding, maar laat hij de kwaal onbehandeld. Met Christus’ bede “Laat hen allen één zijn” heeft dat niet veel te maken.